De complete werken van Joost van Vondel. Eerste deel
Chapter 3
(Op den toon: de rein liefde vierig.)
D'wijl Saturnus vluchtig, Die ons heeft vergaârd[2], Ons nu scheiden zuchtig[3] Doet, geheel bezwaard, Neem ik met verlangen Oorlof aan u, mijnen lust, G'hebt mijn hart bevangen, Ik versmacht naar pijnen-rust[4].
Doch hoewel wij scheiden, Met droefheid en pijn, Ja, met tranig schreiden[5], Zal uw zoet aanschijn, 't Welk mij heeft verwonnen Door Cupido's schichten fel, Mij verheugen konnen, En mijn hart verlichten wel.
Ja, mijn liefde krachtig, Die ik t'uwaarts draag, Als Piram[6] eendrachtig, Blijft u trouwe[7] staâg; Dit zal ik doen blijken, Als die liefd' bestrijdet mij, 'k Zal geenszins bezwijken voor den dood; belijdet[8] mij.
Nooit minnaar gestadig Als ik, dijnen[9] knecht, Mijn[10] Hero weldadigh! Die uw haren vlecht Als Diana cierig; Mij van gelijken gerieft[11], Groeit in liefd vierig! Troost mij laat blijken de liefd'!
Stort dijne gebeden, Als ik ben op reis, Opdat ik met vreden Keer in dijn paleis; Bid Neptunus jonstig, Dat hij zij behoedig mij, En Aeool mij jonstig, Door Zefyr, voorspoedig zij.
Trouw als Penelope Mij, Ulysses, wacht! Ik stel al mijn hope Op u, dag en nacht; Als Océaan woedig Het gantsche schip deyen doet, Door golven onspoedig, Zal ik aan dij peizen vroed.
Lijdzaam wilt verwachten Mijn weêrkomst verheugd, Met wankel gedachten Maakt geen ongeneugt'; Geen Paris lichtvaardig, Ben ik, zoo gij merken moogt, Oënone waardig! mij een vreugds versterken toogt[12].
Mijn Tempe verheven, Daar ik in vermei! Mijn vreugd en mijn leven, Wiens troost ik verbeî! Wie kan mij aftrekken Van uw lieflijk wezen zoet, Gij kunt mij verwekken Door uw deugd geprezen goed.
Cyrce's tooverkruiden[13] Hoef ik zoeken niet, In 't Noorden of Zuiden, Met pijn en verdriet; Gelijk Glaucus zwaarlijk[14] Om Scylla veel pijnen leed, Gij troost mij eenpaarlijk[15] Zijt mijn medicijnen reed!
Oorlof, mijn Princesse! Waardig om bespien, Voor de laatste lesse[16], Tot een wederzien, Als mijn kwaal zal blusschen Uw bijwezen vreugdig tier; Met een treurig kussen, Oorlof! gij, schoon jeugdig dier[17]!
[Voetnoot 1: _Afscheidslied._]
[Voetnoot 2: _Samenbracht._]
[Voetnoot 3: _zuchtend._]
[Voetnoot 4: Verpoozing van leed.]
[Voetnoot 5: Voor _schreyen_.]
[Voetnoot 6: _Piramus_, de bekende minnaar van Thisbe.]
[Voetnoot 7: _getrouw._]
[Voetnoot 8: _bekent het_.]
[Voetnoot 9: Thans _uwen_ of liever _uw_.]
[Voetnoot 10: Zoo zal men wel lezen moeten voor het onverstaanbare _Min_.]
[Voetnoot 11: Zoo lees ik voor _geriefd'_, dat geen zin geeft, en wellicht alleen voor 't rijm op _liefd'_ zoo gespeld werd.]
[Voetnoot 12: _toont_, _schenkt_.]
[Voetnoot 13: Zoo werd reeds door Mr. van Lennep voor _Toonderkruiden_ gelezen.]
[Voetnoot 14: moeitevol.]
[Voetnoot 15: _gelijkerwijs_.]
[Voetnoot 16: _maal_, _keer_.]
[Voetnoot 17: _meisjen_.]
Op het Twaalfjarig Bestand der Nederlanden
De Hemel, krijgens zat, erbarmt zich onzer kwalen, Kastiljen wordt beweegd[1] den Vrede ons aan te biên; De Staten leenen 't oor, dies wij verwonderd zien Het Vredemakend volk[2] genaken onze palen. Na onderling gesprek, opschorsing, en lang dralen, Vergunt men hun 't Bestand voor jaren twee en tien: Op hope, of metter tijd een Vrede-zon misschien De Nederlanden mocht geduriglijk bestralen.
Nassau ontwapent zich, om ruste te verwerven, Steekt op zijn dreigend staal, geschaard van 't veel doorkerven, En 't Bondig Land[3] geniet de vruchten van zijn zweet.
Van vreugde golven vuurs ten Hemel opwaarts varen, Men offert lof en dank den Heere der Heerscharen, Die nu in lout're vreugd doet eindigen ons leed.
[Voetnoot 1: Thans minder juist _bewogen_.]
[Voetnoot 2: De gevolmachtigde onderhandelaars.]
[Voetnoot 3: De verbonden of Vereenigde Nederlanden.]
UITVAART EN TREURDICHT van HENRICUS DE GROOTE, Koning van Frankrijk en Navarre.[1]
Welaan, mijn Zang-Godin! 't is tijd, dat wij aanvangen Te stellen op 't Tooneel, al zijn wij plomp en grof, Het droevig Treurspel van 't Parisiaansche Hof, Waarom de tranen nog bepaarlen onze wangen. Gij wereld-Goden, o! die op uw groote kroonen, Op uw Rijks-staven en verheven zetels pocht, Wiens wortels in de Hel, wiens spitsen in de Locht[2] Zich bergen, komt nu hier! komt hier, ik zal u toonen Dit heerlijk schouwtooneel: komt, doet uw oogen open, 't Zij of gij heerscht, daar ons met zijn gespiegeld licht De Morgen-wekker[3] roept, 't zij of gij hebt gesticht Uw troonen, daar den dag ons afpunt[4] gaat ontloopen. Ziet, in dit tafereel, van uwe heerlijkheden Den wankelbaren stand; ziet, hoe eens Konings roem En blijdschap eer verwelkt dan een versierde bloem, Die 's morgens vrolijk bloost, en 's avonds ligt vertreden. Schouwt's tijds getuimel aan, die[5] als een gramme Leeuwe Uw vluchtig leven scheurt, en hier in 't aardsch gewoel Den Vader rukt in 't graf, den Zoon stelt op den stoel, En wendt zoo stadig 't glas van Koning, Staat, en Eeuwe. Zijn hooge Majesteit, de Kristelijkste Koning[6] Zich nu gezegend vond, en Frankrijk in 't gemeen Riep: tot verzeekring van dees' Monarchie, alleen Ontbreekt onz' Koningin[7] de Koninklijke krooning. De krooninge, wiens glans van 't Oosten tot het Westen Gelijk de bliksem licht, en onzen Dolfijn[8] voedt Zoo mann'lijk tot de Kroon, als wel zijn Edel bloed Rechtvaardig' erfgenaam hem tuigt, en kan bevesten. Dus rees tot Sint Denijs[9] den blijden dag besloten, Tot Medicis[7] triumf, waar voor de schoone Mei Haar bloemen allesins op 't aardrijk, als een sprei, Had verwig uitgespreid, en rijkelijk gegoten. De vuur'ge Zonne-kloot (die met een heet gebluister[10] Naar 't Tweelings teeken liep) heeft zich van spijt gebergd[11], En, van zoo veel gesteente en dierbaar goud getergd, Verloor zijn heerlijkheid, en zijner stralen luister. Wat pratter[12] pronkerij! wat zeldzaam' levereyen Vertoonen zich alhier! hoe blinkt hier menigvoud Den aardschen Hemel! ô, hoe ruischt en kraakt hier 't goud Der kleedingen, waarin zich Zephyr komt vermeyen! 't Is Salomonis Eeuw, 't zijn d' Idumeesche stranden, De Paarlen zijn gemeen, en 't Goud hier ongeacht; Hier heeft Natuur en Kunst om 't kunstigste gewracht, Zij off'ren samen hier de werken hunder[13] handen. Maar wie in al 't gedrang zoo heerlijken van verre Doch bovenal uitmunt, o, 't is de Koningin! Henrici schoone Bruid, de sterflijke Godin, Die men de Kroon opstelt[14] van Frankrijk en Navarre. Die, met haar witte hand en vingeren ompeerelt[15] Den Scepter Galliae, eenstemmig algelijk Men Koninginne kroont van 't Fransche Koningrijk, En wettelijk omdrukt[16] voor God en al de wereld. Ai! ziet, wat grooter vreugd en vrolijkheid der Franschen Gemoeden[17] rêe bevangt, nu met een luide stem Des Hemels Echo roept: veel heils de Diadem, Die op Maria's hoofd weêrlicht met helder glansen! Leef lang, o Koningin! die door uw kinder-baren Ons gelukzalig maakt, uit wier vruchtbaren schoot De Dolfijn is verwekt, die na zijns Vaders dood Den sleutel van dit Rijk zal houden en bewaren. Ter goeder tijd en uur, Princesse! gij Florencen Tot onzer baten liet, en braakt de blaauwe zee Haar golven met de kiel uws vlottigs Schips in twee, En landen[18] spoedig als een Venus aan onz' grenzen. Dus eindigt deze Feest. _Vive!_ _o Vive la Reine!_ De naklank al den nacht vast wederschalt verheugd, Denijs[19] onwetens is op 't hoogste van zijn vreugd', Met dat zich Febus weêr komt spieg'len in de Seine. De Koning vindt Parijs met vrolijkheid bevangen, En overgeven heel; hij ziet, naar zijnen lust, Hoe vlijtig ieder zich siert, wapent, en toerust, Om 's volgenden Sabbats[20] zijn' Koningin te ontvangen. Henricus, die de deugd en 't heilig Evangelie Zoo vuriglijk beschermt, helaas! denkt luttel, ach! Dat met de Zon alreê gerezen is de dag, Waarin zijn leven zal verwelken als een Lelie. Als hij na middag doet den Koetsier zijnen wagen Voorthalen met 't gespan, terwijl, aan 's Hemels glas, De Zonne wederom gaat vallen in het gras, Zoo heeft de klok zijns tijds de laatste uur geslagen. Hij klimt ontijdelijk in zijn gewielde Koetse, Om, volgens zijnen aard, in 't Heldisch Arsenaal Zich spieglen in 't azuur van 't Oorlogs wapen-staal, Daar van zijn vromigheid[21] blijkt de beproefde toetse. Waar is de dapp're schild, daar zijn verwonnen Steden Men in gebliksemd ziet? daar hij met 't bloedig zwaard, Met roode sluyers, en veel krijgs-roof kwam te paard, Zelfs uit den slag Ivry[22] triumfelijk gereden; Daar 't bloed liep van zijn arm met karmozijnen stralen, Daar hij stak in de lucht de bloedige Trofeên, Waar met[23] de Ligue in 't vlak bestoven veld verscheen, En meende van zijn hoofd de groote kroon te halen. De blazers[24] liggen hier, daar zijn rebelle Gallen Eer met gedwongen zijn tot onderdanigheid, Waar met de dolle Mars ter neder is geleid, Waar met beschoten zijn zoo veel versteende wallen. Maar och! hij rijdt al voorts; lijf-wachters! wilt u schamen, Dat gij zoo traaglijk volgt; 't is tijd om toe te zien, Gij laat hem in zijn koets met weinige Edel-liên Zijn einde vinden, en zijn duister tombe samen. De Voerman, die hier stuurt de breidels en de toomen, Den Stuurder recht gelijkt, die met 't gevlerkte schip Loopt op een blinde klip, op een verrader-klip, Op een gedoken Roots[25] in d' Oceaansche stroomen. De Rossen doen 't gebit van hare breidels schuimen, En weig'ren lui en traag te trekken hunnen last, De toom die hun[26] bedwingt, de geesel-zweep die klast[27], Doet hun het laatste pad van 's Konings rid opruimen. 't Plaveisel van de straat, d' oneffen harde steenen, De Koetse weren wil in haren kwaden tocht: Des Hemels oog verdompt[28], zijn fakkel in de locht, De blaauwe Hemel zich ontluistert al met eenen. Gelijk men menigmaal de teekens en voorboden Van 't aanstaande onweêr ziet, als over 's werelds kruin Zich donder, bliksem, wind wroegt[29], dampig, mistig bruin, Als Juno[30] krijgen zal met haren God der Goden; Zoo ziet men hier alreê bewegelijk voorloopen De bonte Regen-boog, der zwarte wolken val, Die Frankrijks Horizont, met 't schreyende kristal Van een stort-regen, zal in droeve tranen doopen. François[31] (o, geen François, maar overgeven Moorder!) Den wagen heeft in 't oog, welk bij Sint Innocent Een Karre en Koetse[32] ontmoet, die met hun wielen, blend[33] Weêrhouden 's Konings Koets, dat achterwaarts noch voorder Geen van hun allen mag; 't zij dat de raders haken In d' een en d' anders As, of 't zij elkanders rad Malkanderen in 't spoor van eenen wagen-pad Weêrhouden, en soo t' zaâm aan 't stille staan geraken. De booswicht hierop loert, en ziet zijn zake schoone, Dies wapent Satan hem: hij rukt uit zijne scheê 't Geblinddoekt hand-staal[34] daar hij met (o schriklijk wee!) Bourbon[35] twee wonden geeft, aldaar hij zit ten toone: Beide in zijn linkerzijd', vervloekte Moorder-stukken! D' een naar de schouder toe, niet dieper is gepriemd, Dan recht door 't vliezig vel, en d' ander, al gevliemd[36], Van 's Konings edel hart gaat d' ader diep doordrukken. Beneên de zesde rib 't gepunte moord-mes krachtig In 's Konings lichaam dringt, zoodat het met zijn spits Den hollen[37] ader treft; o doodelijke flits! De wereldsche Monarch zinkt in zijn koetse onmachtig. Gelijk op Helicon[38] uitbortelende d' ader Des Bergs ten Hemel sprong, toen met 't hoef-ijzer straf Perseï lichten Hengst haar sloeg en oorsprong gaf, Zoo spuit ook alsins 't bloed van dezen Franschen Vader; Zijn Edelliên verbaasd, om 't edel bloed te stelpen, Fluks wenden naar 't Paleis de Koninklijke koets, Die stroomig overliep van een riviere bloeds: Men riep, men kreesch om hulp; helaas! het mocht niet helpen. Van alle kanten 't volk de straten kwam vervullen, En bootsen[39] 't baar-gedrang van een vergramde Zee: D' een, om den moordenaar te scheuren fluks in twee, Men als een Leeuwe zag van toorne en gramschap brullen; D' een loopt naar 't groot Paleis, en d' ander, met veel scharen, Zich op de wallen geeft; d' een spoedt zich vlug en rad, Om 't Capitolium van dees beroemde stad, En d' ander om Loys, den Dolfijn, te bewaren. Dus ondertusschen raakt de Koning in de Louvre, Alwaar zijn bleek gelaat naar 't leven vast de dood Afschildert, en betuigt den sterfelijken nood, En star-oogt Hemelwaarts naar aller vromen oevre[40]. Zijn handen vlecht hij t'zaâm naar den gesternden Troone En roept helaas! (zoo 't schijnt) den hoogsten Koning aan: Wil tot een Offerande, o Heer! mijn Ziel ontfaan, Als 't Lichaam zal ontlast zijn van deez' aardsche Kroone. Driemalen schijnt hij nog adieu te roepen t' elken[41]: Adieu, mijn Koningin, mijn Kinders, en mijn Hof! Mijn leven nu verscheidt uit 's Lichaams brooze stof, Onsterflijk zij mijn Ziel, 's Geest's hutte moet verwelken. Daar werd zijn lijk beschreid met heet beweegde tranen, De droefheid overvloeit tot 's Hemels hoog gebouw, 't Geluid ten wolken klimt; daar kleedt zich in den rouw De Choor des Parlements[42], met al zijn onderdanen. De duizend-tongsche Faam zij uw gerucht bevolen, Beklaaglijke Monarch! aldus de Peleaan[43], Met Cesar de Romein dy[44] lange is voorgegaan, Doch huns naams Echo speelt nog heden in de polen[45]. Jaar-maanden zeventien, en elf Olympiaden[46] Afgunstig heeft de tijd uw dagen afgemaaid, En eindelijke 't wiel van dynen[47] loop gedraaid, Na dat men heeft gezien de bliksems van uw daden: Na dat men den Olijf heeft vredelijk zien bloeyen Sinds gij den Traciër[48] hebt zijn wapenen beroofd, En, onder 't lief ontzag van uw gelauwerd hoofd, Navarre en Frankrijk tot één Ligchaam laten groeyen: Nu slaapt, Henrice! slaapt; nu rust op der gedachten Verheven Altaar-plat, na zoo veel Wapen-strijds: Vermeluwt[49] dijn Colos door 't oud verloop des tijds, Of wischt men't grafschrift uit van mijn geveêrde schachten, Uw vliegende gerucht kan tijd noch eeuw verrassen: De Fenix beeldt dit af, die eindelijken[50] spijst 't Vuur met zijn sterflijkheid[51] waar uit de jonge rijst: Zoo ziet men weêr verwekt den Dolfijn uit uw asschen. O, snoode Ravaillac! God zal hier namaals eischen Van u (die Jean Castel, La Barre, en Biron volgt Welk Acherontis poel en Styx[52] heeft op gegolgd[53]) Het duur vergoten bloed met een gekromde zeisen. Helaas! gij moordt uw ziele in droefheid en ellenden, Met 's Konings sterflijk lijf te maayen in het graf, En moet hier evenwel, door d' allerwreedste straf, Treurspelig dijnen tijd met 's Konings eind' volenden. [Hoe lange zuldy[54] nog den hoogsten rechter tergen, Gij, Babylonsche hoer! die in de wereld zaait 't Vermaledijde zaad, waarvan men eindlijk maait Dees vruchten; o, de val genaakt uw zeven bergen! De waarheid schuift alsins de breê gordijnen open, Waarachter gij boeleert met dijnen Helschen boel!-- Afgodisch knielt niet meer voor haren stoel, Doet eens uw oogen op, gij, vorsten van Europen! Ziet, hoe zij hare schaamt', met een onnut geweven En ijdel spinneweb, nog te bedekken tracht, Wat monster zij in 't licht der zonne heeft gebracht, En hoe heur beelde Krist gelijkt als dood en leven! D'onvastigheid aanschouwt van hare kerkpilaren, Welk dreigen al van zelf te vallen onder voet, Haar Evangelie-boek, bezegeld met het bloed Des moorders, welk zij noemt haar heilge martelaren!][55] De Hemel zij geloofd, die met zijn goedheids-vlerken Heeft Frankrijk overschaâuwd, en met genade omarmd, Die in zoo grooten storm den Dolfijn heeft beschermd Met d'Eed'le Koningin; nu prijst Gods wonderwerken! Veel heils en veel geluks, o schoone Morgen-sterre! Die over Frankrijk licht, en in uw Vaders plaats Met dijn Vrouw-Moeder heerscht, met zoo veel wijzen raads: Io! Io! de Kroon van Frankrijk en Navarre! Dolfijn (niet meer Dolfijn, maar Koninklijke Lelie[56],) Loys! die stadig moet vertreden zien den kop Zijns vijands, en alsins 't veldteeken richten op, De roode Standaart-Vaan van 't dobbel[57] Evangelie!-- Tot eenen Gyges[58] groeit; dat, door uw kloek bestieren, Des Ibers jalouzie[59] dy nimmer achterhaalt; Als[60] 't Pyreneesch gebergt' dijn Rijk van Spanje paalt[61], Schut zijn afgunstigheid ook zoo van uw frontieren!
I. V. VONDELEN.
[Voetnoot 1: Die, gelijk men weet, den 15en Mei 1610, door Ravaillac vermoord was.]
[Voetnoot 2: Voor _lucht_.]
[Voetnoot 3: Nam. de _Zon_.]
[Voetnoot 4: _gezichtspunt_.]
[Voetnoot 5: Nam. de tijd.]
[Voetnoot 6: Naar de bekende Fransche koningstitel van _Allerkristelijke Majesteit_.]
[Voetnoot 7: Hendriks tweede gade, Maria de Medicis.]
[Voetnoot 8: De welbekende naam van den Franschen kroonprins.]
[Voetnoot 9: De koninklijke begrafenis-abdij.]
[Voetnoot 10: _Geblaak_ (verg. 't Eng. _to blister_).]
[Voetnoot 11: Thans _geborgen_.]
[Voetnoot 12: _trotscher_.]
[Voetnoot 13: voor _hunner_ (_harer_).]
[Voetnoot 14: voor _opzet_.]
[Voetnoot 15: Vleyend voor _omvat_.]
[Voetnoot 16: Voor _omspant_ (met de kroon nam.).]
[Voetnoot 17: Thans _gemoederen_, met verlengden meervoudvorm.]
[Voetnoot 18: Thans _landdet_.]
[Voetnoot 19: Frankrijks beschermheilige; verg. [24].]
[Voetnoot 20: _op den volg. zondag_.]
[Voetnoot 21: _Wakkerheid_, _kloekheid_, naar de oorspronkelijke beteekenis van 't woord.]
[Voetnoot 22: Door Hendrik op de Ligue gewonnen.]
[Voetnoot 23: Thans _waarmeê_; verg. ook drie regels later.]
[Voetnoot 24: De vuurwapenen.]
[Voetnoot 25: Voor _rotse_, thans _rots_.]
[Voetnoot 26: Thans _hen_.]
[Voetnoot 27: _kletst_.]
[Voetnoot 28: _dooft_.]
[Voetnoot 29: Voor _wringt_.]
[Voetnoot 30: Mythologische vergelijking naar den wansmaak der eeuw.]
[Voetnoot 31: Klankspeling op den voor- en volksnaam van den moordenaar (_Frans_ en _Fransch_).]
[Voetnoot 32: Eig. twee vrachtwagens.]
[Voetnoot 33: Voor _blind_.]
[Voetnoot 34: _De verholen dolk_.]
[Voetnoot 35: Hendriks stamnaam.]
[Voetnoot 36: Thans _golvend_, _doorsnijdend_.]
[Voetnoot 37: De zoogenoemde _vena cava_, door welke 't bloed naar 't hart vloeit]
[Voetnoot 38: De welbekende Grieksche zangberg, op welken, naar de overlevering, door den hoefslag van Perseus' paard de zangbron (of _Hippokrene_) ontsprong.]
[Voetnoot 39: Thans _nabootsen_.]
[Voetnoot 40: Voor _oever_, _boord_.]
[Voetnoot 41: Thans _telkens_.]
[Voetnoot 42: Het bekende hooge Fransche staatslichaam van vóór 1789.]
[Voetnoot 43: Achilles (de zoon van Peleus).]
[Voetnoot 44: Derde en vierde naamval van 't verouderde voorn. w. van den tweeden persoon (du).]
[Voetnoot 45: Versta: tusschen de polen, d. i. in de wereld.]
[Voetnoot 46: Wansmakelijke en onjuiste vermenging der Grieksche en latere jaartelling voor 56 j. en 5 m.]
[Voetnoot 47: Thans uwen; verg. den vorigen regel.]
[Voetnoot 48: Den Turk, als bewoner van 't vroegere Thraciën.]
[Voetnoot 49: _Vermolmt._]
[Voetnoot 50: Thans, met onverbogen vorm, _eindelijk_.]
[Voetnoot 51: Voor _lichaam_.]
[Voetnoot 52: _Ach. en Styx_ de bekende wateren der onderwereld.]
[Voetnoot 53: _Uitgegolpt._]
[Voetnoot 54: Saamgetrokken, _voor zult gij_.]
[Voetnoot 55: De toespraak tot Rome, in de 16 voorafgaande regels vervat, wordt slechts in sommige uitgaven gevonden, en is wellicht niet van Vondel.]
[Voetnoot 56: Niet meer kroonprins, maar koning.]
[Voetnoot 57: Het O. en N. Verbond.]
[Voetnoot 58: Lees _Gigas d. i. reus_.]
[Voetnoot 59: Spanjes naijver.]
[Voetnoot 60: _gelijk_.]
[Voetnoot 61: Voor _scheidt_.]