De complete werken van Joost van Vondel. Eerste deel

Chapter 2

Chapter 23,496 wordsPublic domain

»Eens Roomsch geworden" zegt J. van Lennep[19], »was het klaar, dat Vondel, als alle bekeerlingen, de meest rechtzinnig gehouden leer voorstond, en alzoo veel meer overhelde tot de partij, die men nu gewoon is de ultramontaansche te noemen, dan tot hare tegenstanders." De groote man telde destijds 54 jaren en had in de kunst het toppunt bereikt, waarop hij zich nog 37 jaren lang met nimmer kwijnenden gloed zou handhaven. Men herinnere zich het schoone woord van onzen Alberdingk Thijm »dat Vondel, die alleen meer poezij in zijn ziel had dan al de nederlandsche dichters van zijn tijd.... zijn slechtste vaerzen niet heeft geschreven, nadat hij tot den Godsdienst van Isabella-Clara-Eugenia was te-rug-gekeerd."[20]

Vondels _ex-voto_, gelijk wij reeds aanmerkten, was het in 1641 verschenen treurspel _Peter en Pauwels;_ hij viert er de hoofdapostelen der Roomsche Kerk en roept zijn tijdgenooten toe:

ziet, hoe 't al wat haar de kroon benijdt Zijn hart knaagt en vergeefs op diamantsteen bijt.

In het volgend jaar gaf hij de _Brieven der Maagden en Martelaressen_ in 't licht, opgedragen aan de Feniksmaagd:

Gij spant de kroon, o puikkroon aller vrouwen! De loftrompet van uw benijde faam Vult hemel, aarde, en zee met uwen naam-- Een naam, waarin wij Kristus' kerken bouwen.

Om niet te gewagen van een aantal gedichten meest van godsdienstigen of polemisch-godsdienstigen aard, wijzen wij hier slechts op het _Eeuwgetij der H. Stede_ (1645), dat zooveel opspraak en verbolgenheid verwekte bij zijne vroegere geloofsgenooten. »Vondel--zoo schrijft Hooft in volstrekt geen gloeiende verontwaardiging--heeft een veirs gemaakt op het wonder, waar af de Heilige Stee haar naam draagt, ende laat het openbaarlijk voor de boekwinkels ten toon hangen, gelijk de voorvechters de messen in de luifels steeken, om de oogen der voorbijgangers te tergen, als met zeggen: wie 't hart heeft pluike. My deert des mans, die geenes dings eerder moede schijnt te worden, dan der ruste. 't Schijnt dat hy noch drie hondert guldens in kasse moet hebben, die hem dreigen de keel af te byten. Noch weet ik niet, oft hem niet wel dierder mogte komen te staan: ende d' een oft d' andre heethersen, by ontyde, de handen aan hem schenden, denkende, dat er niet een haan na kraayen zou."

't Baatte al wederom niet: de onvervaarde en strijdlustige Vondel kende geen halfslachtigheid. »Het gedicht op het Eeuwgetijde, en het _Kenteeken des Afvals_ waren maar voorloopers geweest, lichte troepen uitgezonden om den weg te banen voor een krachtig leger, met voor- en middeltocht- en achterhoede, met andere woorden, voor een doorwrocht leerdicht, even uitmuntende door zaakrijkheid en fiksche dialektiek, als door gloed van poezy en vernuftige gedachten"[21] 't luidde:

Ik zing van Gods _Altaargeheimenissen_ Van d' _Offerspijs_ der heilige offerdisschen Van _Offereere_, en eeuwige _Offerand_.

De tegenschriften en lasterverzen, bij deze gelegenheid verschenen, stoorden de kalmte niet van _Joost den Rechtvaardige, levend van de snaren en door het geloof_. Want na _de vierbaak van Ignatius Loyole_ en _Grotius' Testament_, ontboezemde hij even gerust zijn katholiek hart in een treurspel, getiteld _Maria Stuart of Gemartelde Majesteit_ (1646). Wel haalde't hem een vloed van scheldwoorden op den hals en een boete van honderd tachtig gulden, waarmede »die paapsche stoutigheid" betaald moest worden; maar Vondel bleef het woord getrouw, eens door zijn kunstverwant, den Muider Drost, op hem toegepast:

_Virtutis est domare quae cuncta pavent_ Hetgeen, daar alle man voor zwicht, Te temmen, is manhaftheits plicht.

En zoo hebben we Vondel begeleid tot het jaar 1647, toen hij in zijn _Geboortezang aan Gregoriu Thaumaturgus_ nogmaals bezong:

De beste paerle, die zoo diep Begraven lag, bestulpt met aarde, Eer Hij ons tot zijn Waarheid riep, Uit geen verdienste, maar genade. Gelukkig zijn ze, die vóór 't end Met vleesch noch bloed niet gaan te rade, Noch dit vergankelijk element. De melk der voêster, slimme wennis En d' eerste plooi van erref-leer Wordt spa verleerd door beetre kennis, Zoo lang men d' ootmoed nog ontbeer': Die schiet te traag haar eedle wortlen In steen van 't eigenzinnig hart, Hetwelk verhardt in tegensportelen, En bij zijn opzet blijft verward. Geboorteheilig, die in 't midden Der zaligen uw zetel hebt, Volhard voor mij en elk te bidden Bij Hem, die licht uit duister schept!

In de Voorrede van 't volgende deel zullen wij onzen Dichter van den Munsterschen vrede tot het jaar 1679 volgen.

Mogen deze vluchtige levenstrekken onzen Dichterkoning welkom doen zijn bij Neerlands Katholieken!! want Vondel is de glorie van Nederland, de glorie tevens der Katholieke Kerk.

H. J. ALLARD, R. K. Pr.

_Seminarie Kuilenburg_, 1ste der Meimaand 1870.

[Voetnoot 1: Hiermede wil ik niet zeggen, dat Vondel _in zijn geheel_, aan iedereen, op elken leeftijd, mag in handen gegeven worden. Om zich zelven te oefenen in de klassieke talen, heeft Vondel sommige voorbeelden ter vertolking uitgekozen, die voor menigeen gevaarlijk zouden kunnen zijn. Daarbij heeft zijn argelooze deugd, die nimmer kwaad in anderen vermoedde, en zijn echte kunstenaarsziel zich eenige al te vrije schilderingen veroorloofd: dat was 't gebrek van zijn tijd. Overigens--'t is ook het gevoelen der Eerw. Heeren G. F. Drabbe en J. W. Brouwers--overal waar Vondel, volkomen vrij, zijn aangeboren zangdrift volgt, "_is hij gewoonlijk, tot stichtens toe, kiesch en zedig_!"]

[Voetnoot 2: E. J. Potgieter, voorrede der _Studiën en schetsen over vaderlandsche geschiedenis en letteren_ door R.C. Bakhuysen van den Brink.]

[Voetnoot 3: De Katholiek. Dl. LI. blz. 352.]

[Voetnoot 4: t.a.p. Dl. LIII. blz. 20.]

[Voetnoot 5: C. L. van Langenhuyzen. 1869.]

[Voetnoot 6: Dl. LVI. blz. 69.]

[Voetnoot 7: Zie het Pius-Album. blz. 433.]

[Voetnoot 8: Het woord _Vondel_, ook _vonder_ of _vlondel_, beteekent eigenlijk een _brugje_. De dichter zelf en zijn tijdgenooten schrijven nu eens _Vondel_, _van Vondel_, _van den Vondel_, dan weer _van Vondelen_, _van der Vondelen_ of ook wel _Vondelens_, _van Vondelens_.]

[Voetnoot 9: Dus noch de _Weingasse_ van G. Brandt, noch de _Weisgasse_ van V. Lennep, noch de _Waisenhaus-gasse_ van Mr. H. J. Koenen, noch de _Waisengasse_ van Dr. Eelco Verwijs. Zie D. Warande D. IX blz. 86.]

[Voetnoot 10: In 1607 met Hans de Wolf, een te Keulen geboren Amsterdamsch passement- en linthandelaar, gehuwd.]

[Voetnoot 11: In April des jaars 1614 gehuwd met Joost Willemz van Nyenkerke.]

[Voetnoot 12: Deze, Mr. in de rechten, stierf ongehuwd ten jare 1628 in Italië. 't Is niet onwaarschijnlijk dat hij Katholiek is geworden. Zie mijn _Vondel en de Paus_ blz. 47 en 48.]

[Voetnoot 13: In Juni des jaars 1621 met Arie Bruyningh gehuwd. Zij werd Katholiek met al hare kinderen. Zie: _Vondels gedichten op de Sociëteit van Jezus_, in de _Studiën_, eerste jaargang, I. blz. 18.]

[Voetnoot 14: G. Brandt. _Leven van Vondel_.]

[Voetnoot 15: _Leven van Vondel_.]

[Voetnoot 16: _Geschiedenis der Nederlandsche letteren_ II. blz. 51.]

[Voetnoot 17: _Vondels gedichten op de Societeit van Jezus_ blz. 5-6 en 12-16.]

[Voetnoot 18: _Alle de gedichten van J. Vos_ I. blz. 304.]

[Voetnoot 19: _De werken van Vondel_, XII. blz. 148.]

[Voetnoot 20: _Volks-Alm. voor Neerl. Katholiek_, 1859 blz. 146.]

[Voetnoot 21: J. V. Lennep, _De werken van Vondel_ IV. blz. 451.]

Schriftuurlijk Bruilofsreferein op het huwelijk van JACOB HAESBAERT met CLARA VAN TONGERLO.

JUNIJ[1] 1605

Verheugt, o Febi jeugd![2] door dezen zoeten tijd: De Zomer, door zijn deugd, vertoont zijn groene blaâren; 't Gevogelt' zich vervreugt, 't gediert' in 't Bosch verblijdt; 't Veld lacht elk toe verjeugd; vliedt weg alle bezwaren! Droefheid, neemt[3] fluks uw keer! nijd, strijd, wilt henenvaren! Voor u de Bruiloft wijkt, zoo gij daar komt omtrent. Klein, groot, ja wie 't mag zijn, jong' jeugd of grijze haren, Zijt welkom in 't gemeen; weest gegroet hier present, Die om[4] vergad'ren hier, u zoo ootmoedig[5] kent, In liefd' sticht'lijk verheugd, bij een met rein manieren. Dus zeg ik nog: vliedt fluks van hier, gij nijdig tieren! Laat jonst[6] begeerig zijn, gelijk eens Herts bestieren, En d' Haas-baart[7] zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken, Snakkend naar 't water Claar[7]; 'k en kan 't[8] beter gelijken?

Geenszins en laat in zang Hymenaeus[9] zijn verhoogd Noch Thalassus[10] geclangh, maar Godes lof voortbringen, Hoe hij overvloed schank[11], en 't water gansch verdroogd, Zonder iemands bedwang, betoond' zoo vreemde dingen, Uit 't water, wijn zeer klaar, als een fontein deed springen, Vervuld' zes kruiken vol, in 't Galilesche land; Te Cana in de Stad, een Bruiloft zonderlingen, 't Eerste teeken Christi, men elk maakte bekand[12]. Door zulks ons merk'lijk leert[13], dat in't Huwlijks-verband Alleen men eerlijk hoort te houden goed' geruchten: Den getrouwden hij meest behoeden zal voor schand': Wie hem met lust bemint, en derft[14] voor niemand duchten, Zoo liefd' begeerig haakt, als 't Hert doorsnelt gehuchten En d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken, Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.

Wat Christus, met zijn Bruid, elkeen te kennen geeft, Laat ons, met goed beduid, elkander daarin stichten, Die hij met zoet geluid, zoo vriend'lijk roept beleefd: Komt, overschoone spruit, die mijn hart kan verlichten! Mijn paarl, mijn edelgrein[15], ter weiden komt bedichten! Schoon' bloem en Roos in 't dal, nooit minnaar mijns gelijk, Voor niemand zijt bevreesd, Rein' Duivel wilt niet zwichten, Die uitverkoren zijt! Mijn jonst zonder afwijk, Al laagt gij hier veracht, in 't bloed, op 't veld, in 't slijk, Vertreden van elkeen, nochtans u niet begeven[16], Maar wiesch uw aanschijn schoon, welriekend met praktijk, Balsemd' uw zoeten reuk, boven al waard verheven[17]; Als gij schier waart vernield, mijn liefd' vurig gedreven, Als d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken, Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.

Gods kerke de Bruid recht, 't lichaam Christi eenpaar Van Christo, haren echt[18], werd zij zalig naar reden, Zeer lieflijk hij beslecht al haar zaken eerbaar, Mint, naar reden en recht, alleen zijns lichaams leden, Die al ter Bruiloftsfeest lieflijk werden gebeden, Verkoren volk alleen, uit goedaardig geslacht; 't Bruiloftskleed zij ontfaân[19] door dezen Vorst vol vreden, Zijn' Bruid wordt bovenal aldaar waardig geacht, Zittend' in Haar Troon na de genooden wacht[20], In witte zijd' gekleed, met paarlen fraai behangen; Een kroone zij ontvangt, van den Bruid'gom gewracht[21], Een Trouwring, haar bedacht, Zijns geests, heeft zij ontvangen. Hierom spoedt u ter feest, begeerig met verlangen Als d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken, Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.

PRINCE[22].

Prinsen, de Bruid present, voor al die zijn vergaârd, Laat ons voor 't slot en end, 't geluk haar lieflijk bieden; Dat God zijn zegen wendt, als David ons verklaart, In zijn Psalm maakt bekend, klaarlijk voor alle lieden: Wel, die den Heere vreest! Geluk zal hem geschieden, In al zijn wegen zal[23] verleenen overvloed, Uw wijf zal gelijk zijn den wijnstok, na 't bedieden[24], Die vrucht draagt t' zijner tijd, zij zal ontvangen spoed[25]; Aan den Disch, als een kroon, uw kinders lieflijk zoet, Als olijfranken schoon, zult gij ze klaar aanschouwen, Met veel weldaden meer, van God verkrijgen goed: De Heer geev' haar doch kracht, om inliefd' niet te flaauwen, Maar Jonst hen voege t' zaâm, begeerig na vreeds-dauwen, Als d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken, Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.

LIEFDE VERWINNET AL.

[Voetnoot 1: Eigenlijk de tweede naamval van 't Lat. _Junius_ (even als _Julius_, _Augustus_, enz.), en dus zonder voorafgaand dagcijfer minder juist gebezigd. De ij staat (gelijk steeds in dezen tijd) voor ii, en zou thans dus best door een y vervangen worden, sedert de ij als _ei_ uitgesproken wordt, en dus in dezen slechts tot wanspraak (Junei, Ju-lei, enz.) verleidt.]

[Voetnoot 2: _Verheugt_ u, zonen van den dichtgod.]

[Voetnoot 3: Thans, minder juist, _neem_; daar, sedert het verdringen van 't tweeden persoons voorn. w. (_du_) door 't meerv. (_gij_), natuurlijk ook het werkw. in 't meerv. diende te staan. Wij zullen dit daarom ook in deze uitgave steeds behouden.]

[Voetnoot 4: Thans _om te_, dat eigenlijk tweemaal 'tzelfde uitdrukt.]

[Voetnoot 5: _Minzaam_.]

[Voetnoot 6: _Gunst_.]

[Voetnoot 7: Zinspeling op de namen van bruidegom en bruid, naar den smaak des tijds, die echter (gelijk meer) tot gedwongenheid aanleiding geeft. Versta: Laat gunst zich genegen toonen, gelijk een hert naar 't klare water snakt, en de haas zijn snelheid toont, om de honden te ontkomen.]

[Voetnoot 8: _Ik kan het niet_;--_en_ (niet met het verbindend _en_, eig. _ende_, te verwarren) staat met het Fransche _ne_ gelijk, en had dan (even als dit _pas_) gewoonlijk _niet_ bij zich, maar heeft dit allengs geheel zijn plaats geruimd. Verg. ook in den volg. regel _en laat_.]

[Voetnoot 9: De (Grieksche) huwelijksgod.]

[Voetnoot 10: De Gr. bruiloftsgod.]

[Voetnoot 11: Thans _schonk_.]

[Voetnoot 12: Voor _bekend_.]

[Voetnoot 13: _leert_ hij nam. Kristus.]

[Voetnoot 14: _behoeft_.]

[Voetnoot 15: _edelgesteente_.]

[Voetnoot 16: Versta: _begeven zou_.]

[Voetnoot 17: _waardig_, _verheven te worden boven alles_.]

[Voetnoot 18: _echtgenoot_.]

[Voetnoot 19: Thans _ontvangen_; welke verlengde vorm allengs den oorspronkelijken _ontva-en_ geheel verdrongen heeft.]

[Voetnoot 20: Versta: _wacht zij_.]

[Voetnoot 21: Voor _gewrocht_.]

[Voetnoot 22: Naar den Rederijkerstrant, waarin dit geheele--meer gekunstelde dan kunstrijke--Referein gerijmd is, wordt in 't slotcouplet de _Prins_ der Kamer aangesproken.]

[Voetnoot 23: Nam. de Heer.]

[Voetnoot 24: Naar de beteekenis (van den bedoelden bijbeltext).]

[Voetnoot 25: Voor _voorspoed_.]

Nieuwjaarslied, A°. 1607.

gesteld op den toon van den 2den Psalm.

De Dood, zeer snood, d'[1] Aarde haar pijlen bood, D' Ondeugd verheugd was met haar Helsche scharen, Deugd vlood door nood, durfd' haar[2] niet geven bloot, Haar vreugd, verjeugd, veranderd' in bezwaren, Omdat, het pad der Waarheid, werd bestreden; De Trouw, met rouw, zeer deerlijk was verplet; Liefd's schat, Gods stad, de vrucht in 't lustig Eden-- Een vrouw, (te flaauw, helaas!) elk waas besmet.

Maar 't Licht, 't Gezicht der Blinden, die 't al sticht, Bekleedt met vreed' een spruit wiens TROUW MOET BLIJKEN[3], Wiens plicht opricht elks Heil, met Liefdes schicht, Bestreed het wreed' geslacht, 's vijands praktijken: D' Ootmoed hem voedt, in Davids stad onrustig: Een kroon, zeer schoon, hij biedt, van God gewracht: Doet boet, met spoed, voor deez' Ziel-Rust wellustig: Gods Zoon, tot loon, 't Leven uit Sion bracht.

Dit Lam, Gods stam, 't welk Satans macht benam, Zijn' bruid, de spruit, die zijn hart heeft ontstolen, Waarnam, en kwam tot haar, der Jonsten vlam, Om uit 't besluit der feest[4] niet meer te dolen. Haar deel, 't Juweel, 't nieuw Paradijs verheven, Schonk haar, 't Nieuw-Jaar, Christus d' Opperste pand; Een eêl prieel, Gods Geest, der Eng'len leven, Alwaar dit paar[5] des levens Boom herplant.

Het kind bemint[6] de Liefd', die 't kwaad verwint, Elk noodt, minioot[7]: kiest mijn eenvuldig[8] wezen; Die blind gezind, u tot 's Doods vruchten bindt, Ontbloot[9] devoot, uw eigen wil misprezen, En tracht, bedacht, om[10] zuiveren inwendig Uw Hart, verward, bevlekt, van 't Aardsch gekwel; Verwacht d' Eendracht, na dit Leven ellendig; Gij werdt van smert vrij, door Emanuël.

PRINSE.

Verlaat dan 't kwaad, gij Prinsen metter daad Ontziet verdriet noch kruis om[10] zijn herboren, Al staat vleesch-raad, en[11] poogt naar 's wer'lds onmaat, Rust niet, maar vliedt naar Bethlehem verkoren, Beschreidt uw leid[12], zoo komt u mild te baten, 't Kind klein, 't welk pleyn[13] u heerschen[14] moet vooral; Want scheidt Goedheid van u (door 's Deugds verlaten) Deez' rein' Fontein uw Hart niet zuiv'ren zal.

LIEFDE VERWINNET AL.

[Voetnoot 1: Daar men in Vondels tijd nog niet gewoon was, de stomme slot-e met den volgenden klinker te laten samensmelten, was deze afkorting van 't lidwoord (thans alleen voor _den_ in zwang) noodig. Verg. ook in den volg. regel _D' ondeugd_, en later _D' ootmoed_.]

[Voetnoot 2: Thans _zich_.]

[Voetnoot 3: Naam der rederijkers-kamer, in welke Vondel dit lied dichtte.]

[Voetnoot 4: _Buiten den kring van 't feest_; dit laatste woord (naar den aard van 't lat. _festa_) oudtijds vrouwelijk, verscherpte alras, door de werking der f, de voorafgaande d, en werd daardoor allengs als onzijdig beschouwd. Evenzoo _venster_ (beter _fenster_) voor 't lat. _fenestra_.]

[Voetnoot 5: Kristus en zijn kruis.]

[Voetnoot 6: _Het beminde kind_, nam. de Liefde.]

[Voetnoot 7: _Minzaam_, _liefelijk_.]

[Voetnoot 8: _Eenvoudig_.]

[Voetnoot 9: _Verzaakt_.]

[Voetnoot 10: Thans _om te_; verg. vroeger.]

[Voetnoot 11: _niet_.]

[Voetnoot 12: Voor _leed_.]

[Voetnoot 13: _Volkomen_.]

[Voetnoot 14: Voor _beheerschen_.]

De Jacht van Cupido.

In het zoetste van den tijd, Als Zefyrus Flora vrijdt[1], Als Febus[2], met helder stralen, Taurus[3] snel ging achterhalen, Kwam Cupido, Venus' zoon, 's Morgens tot zijn moeders troon, Eer Titons bruid[4], met verlangen, Vertoont haar bloeyende wangen. Venus lag in ruste zoet, Die door Lethes[5] werd gevoed; Cupido, met heuscher spraken[6], Onverziens haar deed ontwaken: "Moeder! (riep hij) slaapt gij zacht? 'k Neem oorlof, ik ga ter jacht." Zij ontsprong[7], en goedertierig Schoof op haar gordijntjens cierig[8]: "Wel (sprak zij), mijn zone waard[9]! Aanvangt[10] gij uwe dagvaart? Ik wensch, uw kracht zoo vermeere, Dat niemand uw pijlen keere; Keert in tijds tot mijn paleis, Fortuin bejongstig' uw reis!" Fluks heeft zich Cupido waardig Tot de jacht snel gemaakt vaardig; Niet, als Adonis, beangst[11] Om der wilder[12] dieren vangst, Maar om hemel en aard' tranig[13] Zich te maken onderdanig. Hij streelde zijn haar verguld, Zijnen koker hij vervuld' Met zijn pijlen, t'wreed bezuren[14], Doch verscheiden van naturen, Waarmeê hij, zonder geschil, De minnaars pijnt naar zijn wil; Hij ontsloeg[15] zijn wakkre vlerken, Om zijn krachten te doen werken; Eer hij toegemaakt[16] vol jonst Was, door der Chariten[17] konst Zag hij 's werelds lamp[18] verschijnen, Nu hij tot de reis ging pijnen[19]. Aura[20] en Zefyrus beid' Speurend, dat hij was bereid, Als voorboden gingen zwieren, Beekskens, blaadren deden beven; Cupido haar volgde snel, Om spelen 't gewoonlijk spel. Beiden, menschen ende Goden, Haast vernamen, door dees boden, Wat kwale hen overviel, Tot beroering van hun ziel; Maar eer zij konden ontvluchten Dezen schutter, 't pijnlijk zuchten, Werden zij, in korter[21] stond, Van zijn pijlen wreed doorwond; Gelijk 't nachtegaaltjen jeugdig, 't Welk, in 't kwinkeleeren vreugdig, Onverziens zich vindt bezet In des vooglaars listig net, Alzoo dees vrijen, in orden[22], Moesten Liefdes slaven worden; Jupiter[23], uit den Olimp, Die voormaals, met spot en schimp, Dezen jager ging begekken, Moest nu Liefdes keten trekken; Apollo, en Pluto rijk[24], Mercurius, vol praktijk[25], 't Moest al onder zijn juk buigen: Mars moest Venus borsten zuigen, Niet de rechter borst vol wijn, Maar de slinke vol venijn; Lyaeus[26], voor zijn zoete druiven, Moest van Liefdes spijze kluiven; 't Kind hield d' overhand in 't perk[27] Over menschen, Goden sterk, Ving en schoot stadig vol kwalen, 't Waar te lange om verhalen; En, gelijk 't vermoeide hert, 't Welk in strikken is verward, En 's jagers list is beproevig[28], Schreyet bittre tranen droevig, Alzoo ook met tranen elk Moest vervullen Venus' kelk; Deze schutter, naar zijn wenschen, Trefte[29] Goden ende menschen. Den tijd, die (steeds onvermoeid) Gedurig voortvaart en spoeit, Liet Hesperus[30] zien, terwijlen Cupido verschoot zijn pijlen; D'avond dekte 's werelds oog, 't Weeldrig kind van Pafos vloog, Om zijn moeder te verzellen, En zijn avontuur vertellen; Als Venus haar kind vernam, Zij hem in haar armen nam.

[Voetnoot 1: Als 't Westewindjen met de bloemen koost.]

[Voetnoot 2: De Grieksche Zonnegod.]

[Voetnoot 3: De Grieksch-Latijnsche naam van 't sterrebeeld de Stier.]

[Voetnoot 4: Aurora,'t morgenrood.]

[Voetnoot 5: de vergetelheid.]

[Voetnoot 6: _met heusche taal_.]

[Voetnoot 7: _Sprong op_.]

[Voetnoot 8: Anders _sierlijk_, _fraai_.]

[Voetnoot 9: Thans _mijn waarde zoon_.]

[Voetnoot 10: Thans _vangt aan_.]

[Voetnoot 11: _bezorgd_, _er op uit om_, _begeerig, belust_; 't laatste ware dan ook wel zoo juist geweest, en 't eerste waarschijnlijk alleen om het rijm gekozen.]

[Voetnoot 12: Naar den weggeslonken verbuigingsvorm; thans _wilde_.]

[Voetnoot 13: _in tranen_.]

[Voetnoot 14: _Tot wreede kwelling_.]

[Voetnoot 15: _Sloeg open_, _ontvouwde_.]

[Voetnoot 16: _klaargemaakt_.]

[Voetnoot 17: De drie _Graciën_, _Bevalligheden_.]

[Voetnoot 18: _De zon_.]

[Voetnoot 19: _Voor zich op reis ging begeven_.]

[Voetnoot 20: _zacht windjen_.]

[Voetnoot 21: Thans (bij weggeslonken verbuigingsvorm) _korte_.]

[Voetnoot 22: _Naar den rij af_.]

[Voetnoot 23: De Grieksch-Latijnsche hoofdgod, die op den Olymp zetelde].

[Voetnoot 24: Uit dit bijv. naamw. zou men een verwarring van den God des rijkdoms (Plutus) met dien der onderwereld (Pluto) vermoeden.]

[Voetnoot 25: _vol sluwheid_ (als de God van handel en dieven).]

[Voetnoot 26: Bacchus.]

[Voetnoot 27: _strijdperk_.]

[Voetnoot 28: _beproeft_, _ondervindt_.]

[Voetnoot 29: Verkeerdelijk voor trof.]

[Voetnoot 30: De avondster.]

Dedicatie AAN DE JONKVROUWEN VAN FRIESLAND EN OVERIJSEL[1].

Als Venus goedertier[2] de liefd' ter werelt bracht, Werd Jupiter beroerd, die terstond alle Goden In 's Hemels hoogste zaal liet dagen door zijn boden, Die aan dit kinds gedaant'[3] oordeelden, met voordacht, Dat hij de menschen zoû beroeren met tweedracht; Dies zij bestemden[4] al dit dartel kind te dooden. Venus dit haast[5] vernam, is met haar kind gevloden. En bracht het om te voên bij u, o zoet geslacht!-- Dit kind hebdy[6] gevoed, geleerd, en bovendien Met boog en pijlen straf gewapend en voorzien; Het treft (naar uwen wil) ons met zijn scherpe stralen[7], Dat wij, als zwanen droef, vóór onzen ondergang, Met een treurig geluid u bieden ons gezang;-- Jonkvrouwen! uw gezicht laat minlijk daarop dalen!

[Voetnoot 1: Onder dezen titel kwam dit klinkdicht in _Den Witten verbeterden Lusthoff_ (Amsterdam bij Dirk Pietersz, in de Witte Persse, 1607) het eerst voor, en schijnt (naar Van Lenneps opmerking) uit een handelsreis van den jongen Vondel naar beide provinciën geboren. Later gaf hij het, onder zijne _Oude Rijmen_, met het opschrift _Aan de Jonkvrouwen van Nederland_ uit.]

[Voetnoot 2: Thans de goede Venus.]

[Voetnoot 3: Uit de gestaltenis van dit kind wijselijk opgemaakt.]

[Voetnoot 4: _Bepaalden_; verg. over dit woord de juiste opmerkingen van Mr. A. Bogaers in den _Taalgids_ IV, 1.]

[Voetnoot 5: _ras, spoedig._]

[Voetnoot 6: Saamgetrokken uit _hebt gij_ (of eig. gy.)]

[Voetnoot 7: _pijlen._]

Oorlof-Lied.[1]