De complete werken van Joost van Vondel. De Heerlijkheid van Salomon

Part 1

Chapter 12,269 wordsPublic domain

OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:

Gespreid geprinte tekst is gemarkeerd met _liggende streepjes_. Klein kapitaal is weergegeven met HOOFDLETTERS. De originele spelling en interpunctie is gehandhaafd. Een lijst met correcties bevindt zich aan het einde van de tekst. Dit boek bevat een aantal referenties naar andere delen uit De complete werken van Joost van Vondel, namelijk Project Gutenberg e-book 30473, 48113, 48607 en 48956.

DE COMPLETE WERKEN

VAN

JOOST VAN VONDEL.

DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON,

OF

_HET TWEEDE DEEL VANDE VIERDE DAG DER TWEEDER WEKE_,

GEDICHT BIJ

WIJLEN DEN E. G. DE SALUSTE, HEERE VAN BARTAS,

DE FENIKS VANDE FRANSCHE POËTEN,

ENDE NU UIT HET FRANSCH IN NEDERDUITSCH VERTAALD.

_CHRISTUS_.

Hier is meer als Salomon.

De Vertaalder aan Keizeren, Koningen, en allen geweldigen[1] op aarden.

Klinkert.[2]

Gij, die van peerlen, goud, en diamanten schimmert[3], Goôn! in wiens voorhoofd God zijn beeld heeft ingedrukt, Die 't purper kraken doet, en kreukt uw haar, gejukt Met glanzig kroonengoud, te weeldig opgetimmerd[4]:

Wordt niet jeloers, wanneer gij Salomon ziet brallen, Die op zijns vaders troon der rijken scepters zweit[5], En, met de bliksems van zijn heil'ge Majesteit, Ontschept[6] en doodverwt die voor hem op 't aanzicht vallen.

Hoe sterk zijn glorie straalt, nog is 't maar enkel rook; Zijn pracht en praal verwelkt, zoo smilt uw blijdschap ook; Zijt dan op sterflijk leen hovaardig noch vermetel:

Geen rijk bestendig is als[7] 't Hemelsch Koninkrijk Daar Jezus heerscht, die u, Monarchen! algelijk Geweldig dagen zal ter vierschaar voor zijn zetel.

DOOR EEN IS 'T NU VOLDAEN.

DE VERTAALDER WENSCHT ZIJNEN VRUND,

DEN HEER

DIERICK KORVER

ALLES GOEDS.

Het gene de voortreffelijke Michel de Montaigne in 't algemeen van een uitnemende[8] poëtisch werk getuigt, daar hij schrijft: La bonne, la supreme, la divine est au dessus des regles de la raison. Quiconque en discerne la beauté d'une veüe ferme & rassise, il ne la void pas: non plus que la splendeur d'une esclair. Elle ne prattique point nostre jugement: elle le ravit & ravage;--dat zelve mogen wij in 't bijzonder van dit juweel spreken: waar in de Heere van Bartas schijnt hem zelven te overtreffen, en uit de heerlijkheid des grooten Salomons zijnen glans te scheppen. Want gelijk hier de stoffe uitnemende is, alzoo is ook de kunst ongemeen, en de gedichtlievende lezer wordt van een aardsche tot een Hemelsche glorie opgetogen: zoo dat hij, Salomon vergetende, opstijgt voor de voeten van Christus, aller Koningen Koning, wien alle macht in Hemel en op Aarde gegeven is, en in dewelke de volheid der Godheid lichamelijk woont, en alle schatten van wijsheid en kennisse verborgen zijn. Heeft ons oordeel dan in zulken Goddelijken licht geschemeroogd: hebben onze tedere oogen kwalijk zoo heilige bliksemen konnen verdragen: en is hier Salustius niet als Salustius uitgedrukt: dat willen wij geerne toestaan. Evenwel, mijn Zangeresse leergierig heeft, om haar feilen aangewezen te zien, haar zelve willen onderwerpen uwe A. oordeel, hetwelk zij heeft ervaren te wezen gezond, rijp en bezadigd; zoo dat ze wenscht, indien de Rijmers malkanderen eenmaal uitdagen, om zonder bloedstortinge om den palm of lauwerhoed[9] te kampen: dat uwe A. de voorplaats onder de scheidsmannen moogt bekleeden, ten einde het vonnis te billijker gestreken werde. Ontvangt dan, jonstige Korver! mijn geleende veerzen, en doet ons die eere, dat gij onze feilgrepen op de kant aanteekent, opdat wij ze aanmerkende[10] namaals beteren.

t' Amstelredam, dezen 28. van Loumaand 1620.

Uwe A. verplichte Vrund

J. V. VONDELEN.

VOORREDEN.

Ik hebbe, Lezer, meermaals voorgehad, mijn plompe handen aan dit zuivere te slaan; maar vreeze heeft mij altijd doen aarzelen, omdat ik ontzag, met ongewijde vingeren deze arke aan te tasten: en liet mij vastelijk voorstaan, dat geen gemeen priester of Leviet, maar wel een hooger als ik geoorloofd was, zijn voetzool in dit heilige der heiligen te zetten. Mijn gevoelen hier in wierd versterkt, vermids het loflijk getuigenisse, dat de aldertreffelijkste verstanden van dit puikjen gaven: gelijk dan, neffens andere, zijnen uitlegger Simon Goulart hier van luidskeels trompettet in deze woorden: s'ensuit la _Magnificence_ ou seconde partie du quatriesme jour de la seconde Sepmaine, ou Salomon est proposé esleu pour successeur a son pere. Sa sapience, son mariage, son Temple basti a l'Eternel, y sont si magnifiquement descrits, qu'en cest eschantillon le Sieur du Bartas semble avoir voulu surmonter soy-mesme, & par ses riches inventions debatre avecq la dignité d'un si sublime sujet. Dat is: volgt de _Heerlijkheid_ of het tweede deel van de vierde dag der tweeder weke, alwaar Salomon wordt voorgesteld als zijns vaders gekoren nazaat; zijn wijsheid, zijn houwelijk, zijnen tempel Gode gebouwd, wordt er zoo heerlijk beschreven, dat in dit munster-staal[11] de Heere van Bartas schijnt hem zelven te willen overtreffen, en met zijn rijke versieringen te worstelen met de weerdigheid van zoo hoogwichtige stoffe.--Het was dan niet zonder oorzaak, dat ik mij hier aan vreesde te bezondigen. Maar gelijk mij vreeze somtijds dede deinzen, alzoo noopte mij wederom een heimelijke hertstocht, om eenmaal[12] te zien, hoe ik deze Fransche Venus met een Neêrlandsch gewaad en hulsel zouden mogen tooyen en opsmukken, en met Apelles ten toon zetten, om van nutte berispers mijn werk te laten keuren. Ik wikte. Ik waagde 't. Lezer, verwondert u niet dan wij onder alle zijn puikrijmen dit paragon[13], dezen overkijker, hebben uitgekeurd: zoo doen ook die gene, die diamanten onder diamanten uitpikken. Latet[14] u ook niet vreemd toeschijnen, dat wij wat tijds met vertalen spillen: een berooid huisraad moet veeltijds van anderen wat ter leen bezitten. En zoo gij ons voorwerpt[15] die boerterij van d' ekster, die onder de paauwen met geleende veêren dacht te pronken, wij voelen, dat wij deerlijk[16] getakt[17] en op ons zeer geraakt zijn, want wij brageeren met het gene eens anders is. Maar eer gij u aan onze rijmen ergert, zoo bidde ik, dat gij eerst deze dingen op de rijge[18] overweegt: 1. dat wij u een vertalinge en geen eigen vindinge ter hand stellen. 2. dat wij zoetelijker hadden mogen vloeyen, zoo wij ons niet naauwer aan de text wilden binden. 3. dat mijn moeder mij geen beter Nederduitsch geleerd heeft. Mag ons dit niet afwasschen, en blijfdy evenwel daar op staan, dat wij met Faëthon ons onderwonden hebben, den zonwagen te mennen: ik hebbe niet te zeggen, dan mij daar mede te troosten, dat men ten minste nog van mij getuige:

Hic situs est Phaëthon currus auriga paterni, Quem si non tenuit, magnis tamen excidit ausis.

DAT IS:

Alhier ligt Faëthon verslagen, De voerman van zijns vaders wagen: Die, of hem is[19] den toom ontgaan, Nochtans heeft vrij wat stouts bestaan.

Lezer, ik hebbe gezeîd. Leest nu het kort inhoud van onze overzettinge, daar na de vertalinge van het uitstekendste gedicht dezes goddelijken poëets, en oordeelt heuschelijk van onze misslagen.

HET INHOUD.

De poëet beschrijft heerlijk in dit boek de Heerlijkheid van Salomon, de Zone Davids, het afzetsel, gedurende zijn wijze regeeringe, van den waren Salomon, de vrede-Vorst, Jezus Christus, de Zone Godes, en Bruidegom der Kerken[20]. Zijn voorreden vervat een noodzakelijke vertooninge van het onderscheid tusschen hem en de andere poëten dezes tijds, voornamelijk in de langheid[21] van zijn voorgenomen werk, alwaar hij zich zediglijk ontschuldigt: daar na, volgens zijn voornemen, komt ter zaken[20]: en als het eerste lid van zijn verhaal stelt David voor, die met uitnemende leerstukken zijnen zone onderwijst, om hem bekwaam te maken tot de regeeringe des koninkrijks: beschrijvende de voornaamste deugden, waarmede een goed vorst zich geduriglijk behoort te vergezelschappen, daar na de kwade, waar van het hem betaamt zich te wachten: het welk besloten wordt met de overlijdinge dezes grooten konings.

Het tweede lid begrijpt[22], hoe God aan Salomon verschijnt, wien glorie, rijkdom, gezondheid en wijsheid aangeboden worden. Hij, van den heiligen Geest gedreven, stelt, en met goede reden, de wijsheid boven alle de andere, waarmeê hem God begaaft, om zijn gaven in hem te kroonen. Daar na stelt de poëet voor oogen deze wijsheid van Salomon, bestaande in de kennisse van alle goddelijke, natuurlijke, en aardsche zaken, voornamelijk in de bestieringe zijner onderzaten, en in de bedieninge des gerechts; waartoe hij bijbrengt een aanmerkelijk voorbeeld, genomen uit de heilige geschichten[23], uit de tien hoofdstukken van het eerste boek der Koningen, waar uit dit heele poëetsche werk getogen is.

In het derde lid, hebbende aangewezen de gelukzaligheid van Salomon, zoo verhandelt hij zijn houwelijk met de vorstinne van Egypten: het welk, vereischende de alderschoonste streken van een warachtig poëtelijk pinceel, veroorzaakt ook, dat onze uitnemende dichter in 70 veerzen vervolgt een schoone lusthof, waaruit de minneboefjens vertrekken, die Salomon en Faronida tot onderlinge minne bewegen, waar op het houwelijk wordt in het werk gesteld. Te dezer oorzaak hebben het vertrek van Egypten, de aankomste van deze vorstinne te Jeruzalem, de ontmoetinge van den koning met haar, en haar bruiloftsmaal hare bekwame beschrijvinge. Ende overmids dat dit houwelijk van Salomon iet wat grooters beteekent, als de grootheid zelf, te weten: de verborgen eenigheid[24] van Jezus Christus met zijn kerke, de poëet, willende de Lezer omhooge voeren tot deze goddelijke betrachtinge, neemt de zake wat leeger[25]: en onder het deksel van Salomons bruiloftsfeest te vereeren, vertoont ons een wonderbaarlijke dans, te weten der Hemelen: alwaar vaste en dwalende sterren een zoo juist afgepaste beweginge hebben, dat alle andere beweginge ten aanzien van deze maar lomperij[26] is. Onder andere past hij tot deze goddelijke dans zon en maan, en bij de zon stelt hij voor oogen Salomon en Christus, bij de maan, de vorstinne van Egypte en de kerke. Dit alles ziet men hier afgemaald in veerzen, die een oneindelijke schoone betrachtinge behelzen, en een ernstiger overweginge vereischen als dit kort begrip: inzonderheid, zoo men waarneemt het gene hij daar aan hecht van het heilig gesprake des bruidegoms met zijne bruid. Wij hebben kortelijk deze dingen op de kant aangeteekend[27], om alle heilige gemoederen te bekoren, de meeninge des poëets veel grondiger na te vorschen.

Het leste lid begrijpt geen mindere verwonderinge[28] in de beschrijvinge van de bouwinge dezes heerlijken Salomons tempel, gesticht naar de groote wereld, en ingetogen in de drie boeken dezes wijzen vorst, wiens gebed gedaan in de inwijdinge des tempels hier bij gevoegd wordt: En volgende de aankomste van de koninginne van Saba te Jeruzalem: alwaar zij navorscht de wijsheid des konings, die haar onderwijst in de kennisse des eenigen waren Gods, waar uit vloeit de met rechte verwonderinge des koningins.

Eindelijk, het zij men waar neemt Salomons onderwijzinge, het zij de verschijninge Godes om hem te zegenen, of zijn wijsheid, of zijn glorie, of zijn houwelijk, het afzelsel[29] van al onze gelukzaligheid, of zijnen tempelbouw, of zijn gansche gelegenheid huiselijk, burgerlijk, en geestelijk, gedurende zijn godsdienstigheid, het zij de bouwinge en schoonheid des gedichts dat alles voor oogen stelt: men moet bekennen, dat met recht dit boek den titel draagt van

De Heerlijkheid van Salomon.

Wat zijdy zalig! die gij[30], abel van verstand, Uw rijmen-mate stelt naar dat uw ijver brandt; Die moêgeblokt, met uws ervaren breins verschoonen, Uw hers'nen niet verduft: die steeds met and're toonen Gaat uiten, met een zang, nu deftig, nu weêr zoet, Wat u voorvallen mag en eerst loopt te gemoet: Die met opschriften nu, nu wederom met lieden[31], Doet smoken 't vuur, dat uw gemoeden[31] brengt aan't zieden. Maar, mijnen roem, mijn eed den Hemel eens gedaan, In dit streng werkhuis houdt mijn voeten stadig aan Gekluisterd als een slaaf; mijn geest blijft hier onledig: Geen ander jeuksel knaagt mij dag en nacht onvredig: Ik, veel te bezig, slacht den meulesteen[32] altoos, Dien eenen waterval omwentelt eindeloos. Dus is 't, dat ik zoo vaak in spijt van Febus zinge, Naai veerzen lang van sleep uit ernst[33] te zonderlinge, Die d' Hemel in mij blaast, en tiktak even kloek Van wol en zacht katoen dit heerlijk gouden doek. Gij put 't vermogen van uw vleug'len t' eenemalen[34] Niet uit, maar wispelsteert[35] gelijk de nachtegalen Gedurende uwe lent, van d' een in d' ander haag, Van stoffe in stof, van lied tot lied, al even staâg: Maar ik de Zwaluw' na te volgen niet en vruchte[36], Vind nergens nesteltak[37], passeere met der vluchte Een veler eeuwen zee, die boom noch oever roert, Nu van het Zuiden, nu van 't Noorden weggevoerd. Uw loopbaan eindigt kort[38], is vol, is wonder lieflijk, Elk veldweegs gij verpoost[39], uw adem schept gerieflijk, Vindt eenig groen gestoelt', verfrischt u voor een tijd In lustprieelen braaf[40] met rozen getapijt: Maar eind'loos is mijn loop: nu schure ik d' ijsgewelven; Nu sneuv'lende[41] van 't steil, verduizeld, vind mij zelven; Nu klaver ik om hoog; nu kruise ik 't bosch met ijl; Ik struikel, ik verlies mij zelf, ik val somwijl: En als kwaad mortel lijmt den melksteen, de porfieren, Den jaspis, serpentijn, en marbel, om te cieren, Om mijn vertelling gaâr[42] te hechten, dan en nu Een kreupel veers insluipt slim, half geveild en ruw. Daarom nochtans ik niet het aangevangen stake, Is 't werk groot, grooter is de lust daar ik in blake. Nog is niet uitgeput mijn hert van 't heilig vuur; Niet[43] schoons men zonder zweet bekomt en arbeid zuur; De dalen leeren 't oog de bergen onderscheiden, En 't kunstrijk beeldsel, dat de Kunstenaar laat weiden In een mozaïsch werk[44], tot meerder cieraad, hij In verwen onderscheidt, hoeveelheid, en waardij. God geeft, dat in mijn rijm de merkelijkste smette Zij als een mug, die haar aan 't sneeuwit aanschijn zette Van een ontloken maagd, en luttel feilen thans Meer luisters brengen toe mijns hoogen ijvers glans.