De complete werken van Joost van Vondel. De Amsteldamsche Hecuba
Part 4
Hoewel de groote smarte In geene rede staat, noch wordt vermorwd in 't harte, Ja, boven dat nog vaak haar' rouwgenooten haat; Zoo is het evenwel, dat zoo mijn zake staat, Dat ik ze nimmermeer te pleiten mij zal schromen, Al was de rechter schoon met gramschap ingenomen. 'k En loochen niet, dat u wel overkomen zij Ondragelijke smart; maar 't staat u echter vrij, Dat gij Priaam, en gij uw Hector moogt beweenen; Maar ik, helaas! ik moet in 't heimelijk bestenen Mijn Paris, dien ik mis. 't Is een ondraaglijk juk, In slavernij te zijn; dat heb ik ook, met druk, Als een gevange vrouw, tien jaren lang gedragen. Uw Trojen leît ter neêr, d' Huisgoden zijn verslagen, 't Is wel een zwaar verlies het derven zijner stad; Maar zwaarder ik mijn vrees, dan alle rampen schat. 't Gezelschap in uw kwaad uw smart wat kan vergoeden, Op mij verwinner beide en overwonne woeden. 't Heeft in onzekre kans nu langen tijd gestaan, Wie dat een' ieder zou voor zijn slavin ontvaân, Mij kreeg terstond mijn heer, en zonder eenig loten. De krijg, verwijt gij mij, is eerst uit mij gesproten: Eene oorzaak van 't verdriet, dat Trojen overviel; Dit zou zoo wezen, waar 't dat onz' Spartaansche kiel Uw zeên eerst kloofde. Maar zoo de Trojaansche vechter Mij roofde, als Venus mij geschonken had den rechter, Zoo weet het Paris dank. Mijn zaak zal vinden wel Een scheidsman, maar helaas! voor mij niet dan te fel. 't Is Menelaüs, die hier over recht zal spreken. Wilt nu, Andromache! uw treuren doch wat breken, En murwen het gemoed van dees bedrukte vrouw[220], De tranen dringen mij ten oogen uit van rouw.
ANDROMACHE.
't Moet zijn een groot verdriet, dat ons Heleen doet schreyen, Wat doet haar doch aldus de vochte tranen spreyen? Zeg op, zeg op! waar is Ulysses nu op uit? Wat schelmstuk, of wat list is eindlijk zijn besluit? Zeg op, hoe dat men zal met d' arme dochter leven: Zal zij met volle kracht heronder[221] zijn gedreven Van Ida's toppen, daar hij rijst met heuvelkruin? Of zal een wreed soldaat haar schieten[222], steil en schuin, Van 's onlangs hoogen burgs verre uitgesteke klippen? Of zal ze in 't woeste meer afwentlen van de tippen, Die Trojens voorgebergt, met zijn gespouwe[223] zij' En lenden steekt om hoog, zoo dik en vaak als hij Ziet alsins overheer[224] d' inhammen, licht om gronden? Zeg op, wat uw gelaat bedekt voor looze vonden. Dat Pyrrhus zwager wordt van Hecube en Priaam, Gaat boven alle ramp. Nu geef de straffe een naam. Zeg op, wat jammer gij ons wijders toe wilt zenden. Beneem dit eenig leed al overige ellenden, Dat's d' ijdle en valsche waan vol twijfelmoedigheid, En deze onzekre hoop. Gij ziet, wij zijn bereid, Den jongsten slag des doods geduldelijk te lijen.
HELENE.
Och, of der Goden tolk mij toeliet af te snijen 't Verlet van 't hatig licht, of, voor Achilles' graf, Door Pyrrhus' woedend' hand, als speelnoot van uw straf[225] En droevig ongeluk, te sneuvlen met den zwaarde! Helaas, Polyxena! wiens schoonheid de vermaarde Achilles voor zijne asch ter slachting daagt door 't staal, Om in 't Elyzisch veld te strekken uw gemaal!
ANDROMACHE.
Ziet, hoe dat moedig dier, gelijk den dag van eeren, Haar sterfdag noemen hoort. Ze eischt koninklijke kleêren Tot voegelijk cieraad; dat m' hare vlechten streelt, En d' handen slaat aan 't haar, haar leed doet noch verveelt; Het ander hield ze een dood, dit rekent ze bruids stacy; Maar 't moederlijk gemoed beklagelijk, eilacy! Verstokt door deze maar, bezwijkt door groote smart; 't Verstand ontzonken is. Schep moed, rampzalig hart! Hef uwe geesten op! Hoe hangt de ziel des menschen Aan zulk een dunnen draad? Hier waar niet veel te wenschen; Een lutske[226] en Hecuba gezaligd ons begeeft. Zij haalt den aassem weêr, verkomt allengs, zij leeft. De dood vliedt aldermeest voor die zich baadt in tranen.
HECUBA.
Wel, leeft Achilles nog tot straf der Frygianen? Steekt hij nog d' ooren op, ruig, woest, en omgetemd? Hoe weinig heeft mijn zoons, vorst Paris, hand geklemd[227]! Zijn tombe en de assche zelve ons 't leven nog benijden, En snakken naar ons bloed. Thans[228] waren beî mijn' zijden Becingeld van een schaar, en zaalge zielenrei; Ik werd van 't kussen moede, en 't liefelijk gevlei Van moederlijke jonst den kindren uit te deelen. Deze is er nu alleen slechts over van zoo velen; Mijn wensch, mijn gezellin, verlichting en genucht, En 's aangevochten[229] rust. Dit 's, Hecube! al uw vrucht: De naam van moeder vloeit me alleen uit deze lippen. Rampzaalge en taaye ziel! voorts, voorts, gaat eenmaal slippen, En schelt me eens endlijk kwijt deze eenige uitvaart, ach! De kaken zijn bevocht van schreyen dag aan dag, Van 't drukkig aanschijn stort een onverziensche regen. Mijn dochter, weest verheugd! Hoe zou, om zulk een zegen, Om dit uw huwelijk Cassandra zijn begaan! Hoe zou Andromache naar uwe bruiloft staan!
ANDROMACHE.
Wij, Hecuba! zijn eer, wij, wij zijn te betreuren, Wie fluks de zeilbre vloot zal van malkandre scheuren, En spreyen hier en gins; zij, lieflijk uitgestrekt, Wordt van geboortige aarde in 't vaderland bedekt,
HELENE.
Indien ge uw lot verstondt, gij zoudt haar meer misgunnen.
ANDROMACHE.
Wat straffe dreigt ons dan, die wij niet weten kunnen?
HELENE.
De bus, die is geschud; elk heeft zijn heeren[230] al.
ANDROMACHE.
Wat heer is mij bescheerd? Zeg, wien ik dienen zal.
HELENE.
Maar[231], Scyros' jongeling[232] dy trok ten eersten lote.
ANDROMACHE.
Hoe zalig is de maagd Cassandra, die de vlote Der Grieken niet en vreest, en door haar razerij[233] En Fœbus[234] veilig is, en blijft van loting vrij.
HELENE.
Het hoofd der koningen houdt dees voor zijn gevange.
HECUBA.
Wil iemand Hecuba ook voor de zijne ontvange'?
HELENE.
D' onwilgen Ithakois[235] gij vielt tot roof te beurt.
HECUBA.
Wat loter wreed van aard, ondwingbaar en versteurd, Der ongerechte busse, heeft, zonder staatverschooning, Den eenen vorst gezet tot 's anders vorst en koning? Wat euvler[236] God verdeelt de slaven hier en daar? Wat, den bedrukten streng en onzacht, middelaar Zoo luttel kennis draagt in heeren uit te keuren, En leît d' ellendige nog heilloos ramp te veuren[237], In 't wreken al te wreed, van hand en van gemoed? Wie voegt de moeder doch van Hector bij het bloed Van Æacus[238], en bij zijn' wapenen en troepen? Of word ik weder naar den Ithakois geroepen? Nu dunkt me, ik ben slavin: nu wint de Griek den kamp: Nu dunkt me, ik ben bezet van allerhande ramp. Ik schaam mij zulken heer, maar niet, dat ik moet slaven. Zal die met Hectors buit zoo trotsch gaan henen draven, Die, Ajax eer te spijt, Achilles' roof[239] ontdroeg? Daar ooit de zee rondom 't onvruchtbaar eiland sloeg, Zal hier mijn grafsteê zijn? koom hier, koom hier, verbolgen Ulysses! leid me weg, ik zal mijn meester volgen; Ik kreunsme[240] niet, mijn lot mij navolg', naar mijn lust. Geen stilte zij op zee, noch aangename rust. Van winden woede 't meer; dat Priaams ongelukken, En mijne, en krijg en vier der Grieken legers drukken: En ondertusschen dat deze onderwege zijn, Zoo woed' dees straf alreê. Ik, vol verdriet en pijn, Heb u een lot verstrekt, dies is u 't loon onttogen. Maar Pyrrhus komt daar aan, met wrevelmoedige oogen, En spoedt met snelle treên. Wat wacht ge Pyrrhus? hoe! Koom, opent mijne borst met ijzer: treê vrij toe, En help den schoonvaâr doch en schoonmoêr van uw vader Eens bij malkanderen. Gij slachter, gij verrader Van grijze en oude liên! dit bloed dy meê betaamt[241]; Koom, sleept me, ontrukt me meê; met neêrslag[242] onbeschaamd Ook d' Oppergoôn bevlekt, en schimmen dieder waren[243]. Wat zee wensch ik uw vloot? ik wensch haar zulke baren Gelijk uwe offerande en gruwel wel vereischt. De gansche Grieksche vlote, als gij nu henen reist, Uw duizend schepen fluks (als mijn' bedroefde ziele[244] Gevoerd wordt) overkoom' hetgeen ik wensch mijn kiele.
REI.
Die treurt en zit verslagen, Is 't zoet, dat vele klagen, Is 't zoet, dat heele volken Bang stenen naar de wolken. De tranen en misbaren Min nijpen, als er scharen Bedrukt te gader weenen, En om haar rampspoed stenen. Die groote droefheid smaken, Zich altijd nog vermaken, Dat hunn' kwade avonturen Vele andere ook bezuren, En dat ze niet alleene Zijn weerloos voor die peene[245]. Geen mensch ontzeit te dragen 's Volks algemeene plagen. Geen acht zich dan ellendig Al is hij 't schoon inwendig. Neemt weg die zaliglijken Bedijen; zet de rijken Ter zijden, die beklijven Met goude en zilvre schijven; Neemt weg, die steeds met zwoegen De rijke landen ploegen, Met honderd ossen tevens: Zoo zal, vol moeds en levens, Zich 's armen moed verheffen, Ziende alle staten effen; Want niemand, hoe bezweken, Is arm, als[246] vergeleken. Zoet valtet[247] boven allen Wiens zaken zijn vervallen, Dat niemand onder 't maanlicht Lacht met een vrolijk aanzicht. Die met een schip, uit liefde Van winst, de baren kliefde, Wanneer hij naakt ontzwommen De zeestrand heeft beklommen, Hij zal bedroefd, och armen! Om zulk een rampspoed karmen. Hier tegens wij bevinden, Dat, _dien_ de storremwinden, Ja, schade minder wonden, Die in de woeste gronden Zag teffens duizend schepen Van 't onweêr onder slepen, En 't heele vlak zag drijven Vol hout en doode lijven, Als Corus'[248] strenge onweêren De zee belet te keeren, Met d' aangeparste golven. Eer Fryxus[249], schier bedolven Van 't schuim, vol schriks en beven, En eenig overbleven, Heeft Helles lijk bekreten, Helaas! doen ze afgesmeten Viel midden in de vloeden, Die tuimelen en woeden; Doen haar de ram afschudde, De leidsman van de kudde, Wiens lijf was overtrokken Met glinsterende vlokken; Wiens gouden rug de broeder En zuster, hunn' stiefmoeder Ontvluchtende, beschreden. Zelf Pyrrh'[250] hiel zich tevreden, Als haar gemaal behouden En zij de zee aanschouwden, En niet als zee vernamen, Doen zij 't alleene ontkwamen. De vloot nu schielijk herwaarts Gedreven, nu weêr derwaarts, Zal dit gezelschap scheyen, En onze tranen spreyen: Als schippers en stierlieden, Op scheeptrompets gebieden, Tzeil gaan, en hunne roeyers, Als kloeke waterspoeyers, De diepte eens vatten vlugge, Als 't strand zal vliên te rugge: Hoe zullen dan uw zinnen Te moê zijn, o slavinnen? Als gij de groote plassen Ziet groeyen, 't land ontwassen; Als Ide allengs zal blaauwen, Neerduiken, en verflaauwen? De moeder zal haar zonen, De zoon de moeder toonen, In welken oord en wegen, Dat Trojen is gelegen; En met den vinger wijzen En zeggen: "daar gij rijzen Ziet hemelhoog dat smoken, Die damp, en 't leelijk rooken, Daar zijn Neptunus' vesten Verwoest, vernield, ten lesten Van dees vervloekte Greeken." De Frijg zal bij dat teeken Van verre zich gewennen, Zijn vaderland te kennen.
DE VIJFDE HANDEL.
BODE, ANDROMACHE, HECUBA.
BODE.
O noodlot, vol van vloek, van wreedheid, deernis, schrik! Heeft Mars, in tien jaar krijgs, met zoo verwoed een stik[251], Zijne oogen ooit vermaakt: wat zal ik eerst verklaren? Wat heft mijn klacht eerst op: uw eiselijk bezwaren, O uitgeleefde vrouw? Of zal 't uw rouwe zijn?
HECUBA.
Wat leed, dat gij beschreit, gij zult beschreyen 't mijn. Elk heeft zijn eige ramp; mij zij te gaâr aantaste', En wie ellendig is, die is te mijnen laste.
BODE.
Ik heb de maagd zien slaan[252], 't kind worpen[253] van de tin, Maar met een moedig hart haar sterven, hem niet min.
HECUBA.
Verhaal de dobble moord, en reeks van schelmerijen. Het wroeten in mijn wonde is mijn gemoeds verblijen. Leg al de toekomst uit.
BODE.
Één toren heeft de brand Van 't groote Trojen slechts gelaten in zijn stand: Van wiens verheven top en gekanteelde boorden, Plag Priaam zittende te stieren de slagoorden, En d' oorloogsmaat te slaan. Hij, grootvaâr, hier zijn neef[254] In zachten schoot gestoofd, wees aan, hoe Hector dreef Den Griek, en deê terug gemeenen man en heeren, Als hij met vier en zwaard daar achter her was, keeren, Door last van grooten angst; en liet den jongen held Aanschouwen, welk een man zijn vader was in 't veld. Dees toren, eerst bekend voor een cieraad der vesten, Maar nu een moordklip, wordt door 't graauw en door de besten Van ieder oord omringd. Al 't volk, met ééne veeg, Komt derwaarts aangerukt. De schepen loopen leêg. Een menigt' hier van liên zich op een heuvel zette, In vrije lucht, daar niets het uitgezicht[255] belette; Daar, op eene hooge rots zijn kruin[256]; alwaar zij gaan Zich plantende in 't gewicht op hunne tenen staan; Andre op een pijnboom, beuk, of lauwer zich begeven, En 't opgehangen volk het gansche woud doet beven. Zulk, voor de keur[257], den kant van steilen berge nam, Een ander een stuk daks vergeten van de vlam. Zulk een beklimt een muur, die reed staat om te breken, En 't lijf waagt op een steen, onvast door 't oversteken; Ja, 'k heb gezien de tomb van Hector dienen meê, Fy onbarmhartigheid! den kijker tot een steê. Doen kwam, met fieren moede en hooggeheve schreden, Scheil[258] makende in den drang, Ulysses aangetreden: Bij zijner rechtehand hij Priaams neefken[259] had, En trok hem voorts. Het kind met wakkren gange trad Na d' hooge vest; het sloeg niet eens versaagd nu herwaart, Staande op den torenkant, zijn streng[260] gezicht, nu derwaart. Gelijk een teder jong van een geweldig wild, Al is 't nog zwak van tand, zijne ijdle beten spilt In 't toonen van den aard, die 't doet tot forschheid neigen, En, van verbolgenheid gezwollen, woedt met dreigen; Alzoo dat brave kind, van vijands hand bekneld, Had volk en vorsten, ja, Ulysses zelf ontsteld, En zijn gehardheid deê den mannen 't hart ontvallen; Alleen en schreit hij niet, die wordt beschreit van allen. En middlerwijle dat Laërtes' zoon bestond Den paap[261] te bidden na, en aanhitst, stijf van mond[262], Ten offer wreede Goôn, is de onversaagde jongen Van zelven midden in zijn grootvaârs rijk gesprongen.
ANDROMACHE.
't Geslacht van Colchos, fel en bitter in den aard, De onburgerlijke Scyth, met wien zijn huis vervaart[263], Of 't wetloos volk, hetwelk bewoont d' Hyrcaansche stranden, Waar heeftet ooit geschend aan zulk een stuk zijn handen? Wie hoorde van Busyr[264], dien wreedaart, zulk een maar, En dat ooit kinderbloed besprenkelde 't altaar? Zijn paarden, menschen-vleesch gewend voor voeder t' eten, En heeft het Diomeed zoo jong nooit voorgesmeten. Maar wie bestelpt[265] uw leên, en levert ze aan het graf?
BODE.
Wat leden spaarde doch de steile plaats daar af? De zwaarte, die, recht toe recht aan, en zonder horten, Met zoo gezwind een slag kwam tegens d' aarde storten, Heeft al de leên geknist[266] en vliegen doen om veer. 't Uitmuntend lijf, die mond gelijkt zich zelf niet meer. Zijns vaders edel kroost[267], in hoogsels, diepsels, holten Zich openbarende, leît t' eenemaal gesmolten. De nek is uit het lid, en uit het harsen-vat, Door eenen keizelsteen gekraakt, is 't brein gespat. Het lijf leît maakselloos[268].
ANDROMACHE.
Het zweemt[269] zijn vader weder.
BODE.
Na dat geworpen was het kind van boven neder, En 't heer den grouwel, dien 't gewrocht had, heeft beweend, Valt aan een ander stuk de zelleve[270] gemeent, En aan Achilles' tomb. De golven slaan van buiten Hier tegens zachtlijk aan. Van de andre zijde stuiten De vlakke velden op een heuvel, die al heel Het middelst sluit, en rijst als zitsteên van tooneel[271]. De groote toeloop vult terstond den ganschen oever. Een deel is van geloof, dat deze daad de schroever[272] Der schepen wezen zal, en brengen ze in gebruik; Een ander ziet met lust uitdrogen 's vijands struik[273]; Een groot deel graauws (waarbij zijn lichtigheden blijken) Verfoeit het schellemstuk, en loopt het lijkwel[274] kijken. Niet min en spoeit zich naar zijne uitvaart de Trojaan, Die met zich zelven komt te lijk en graafnis gaan; Onmachtig, door den angst, van siddren zich t' onthouwen, Zoekt hij den laatsten val van Trojens vest t' aanschouwen. Met[275] komen huwlijkswijs de fakkelen voor uit; Heleen, met bukkend hoofd, gaat treurig voor de bruid. Den Troischen dunkt die toorts gehaald uit Pluto's hoeken, En zulk een stacy zij Hermione[276] toevloeken, De vuil' Heleen alzoo haar man zij thuis gevoerd! Een schrik ter wederzijds 't verbaasde volk ontroert. De maagd haar aanschijn laat van schaamt voor over hangen, Een glans, die speelt haar op de jeugdelijke wangen; Des niettemin, en 't fraai[277] nu loopende op een end, Ruim zoo bevallijk blinkt als het ooit was gewend; Gelijk als op zijn schoonst Apol is, wen zijn rossen Te wedd' gaan, en hem 't licht der starren komt verlossen, En dat de twijfeldag[278] den nacht krijgt op den hals. De menigt staat versuft. Men prijst, doch naauw van all's Een ding zoo zeer, als 'tgeen dat ons nu wordt onttogen; Die[279] door haar schoonheid, dees is door haar jeugd bewogen, Dees door het dwaalziek luk, dat heining kent noch sloot, Al tzamen door dien moed, uitdager van de dood; Z' heeft Pyrrhus achter haar; ja, d' harten zelfs der riddren, Zoo wel als van het schuim des legers, staan en siddren, Vol van meêdoogendheid en van verwondering. Na dat den steilen berg ten top de jongeling Beklommen, en dat hij nu op de kruin verheven Van vaders hooge tomb zich had in stand begeven, De dappere mannin in 't minste niet en zwicht; Zij staat hem, forsch den slag biênde een fel[280] aangezicht. Zoo kloek een moed doorsnijdt het hart van stoute en bloode. En een nieuw wonder is hier Pyrrhus suf op doode'[281]. Met dat[282], van zijner hand de stijfgejaagde kling In d' overschoone borst tot aan 't gevest toe ging, En maakt een wijde wond, zoo dat de ribben knarsten, De dood daar in, het bloed daar schielijk uit kwam barsten; In 't sterven zelf nochtans zij van den moed niet scheidt: Voor over stortte zij met gramme krachtigheid, Alsof ze Achilles had met d' aarde willen pletten. De scharen schreyende zich allebeide ontzetten: De Frygiaan bedeesd geluid van stenen slaat, De triomfeerder klaar zijn stenen hooren laat. Dus ging het offer toe. Al 't bloed werd van 't verbolgen En wreede graf, eer 't staan of vloeyen kon, verzwolgen.
HECUBA.
Gaat Grieken, gaat! u roept een veilge weg te rug: Ontvouwt het laken[283], maakt uw hooge stevens vlug, En spouwt[284] de zee; gij hebt haar weigren niet te schromen. De maagd en 't kind zijn om-, de krijg ten end gekomen. Waar met mijn tranen heen? waar, leider! spuw ik uit D' oûwijfelijke[285] ziel van dezen taayen huid? Zal ik mijn docht'r, of neef, mijn man of land betreuren? Of all' of mij? o, dood! mocht gij mij slechts gebeuren! De jonge kinderen, de maagden gij verdoet[286] Met kracht, en overal met haastigheden woedt; Alleene schreumtge[287] mij, en weet me tusschen 't stuwen Der pijlen, onder 't zwaard, en in den brand te schuwen. Gij hebt mij, die u zocht, den heelen nacht geweerd, En vijand, val, noch vier mijn leden heeft gedeerd. Stond ik u niet zoo reed[288] als Priaam?
BODE.
Slaafsche hoopen, Ras t' scheep! de vloot wil t' zeil, en is al afgeloopen.
[1] Priam's weduwe van Troje.
[2] van Priam.
[3] _kwansuis_; wellicht verbasterd van 't Spaansche _achaque_; anders met het gewone _kak_ (in _kak_peis, kak_hiel_, 't Zeeuwsche _kekkemegge_ en 't plat-Engelsche _cackmag_ (voor _ijdele praatjens_)) in verband te brengen, en in zooverre De Vries' verklaring van 't woord op Warenar (bladz. 132) te wijzigen, als ook _kecke_ vandaar wel herkomstig zijn zal.
[4] Reael en Hooft hadden haar namelijk eerst naar Seneca's _Troades_ in proza vertaald, en was zij daarop door Vondel in verzen gebracht.
[5] Voor _hoort_ of _behoort_ (verg. 't Hoogd. _gehört_).
[6] _dij_; verg, vroeger.
[7] _Dithyrambe_, met averechtsche afleiding als ware het _door twee deuren gegaan_. 't Woord is van onzekere herkomst, maar met _thriambos_ (zang) verwant.
[8] Hugo de Groot.
[9] De Huberts _Psalmberijming_.
[10] _eindbesluit_ (verg. 't Hoogd. Reichs-_abschied_).
[11] De _Waerschouwinge_ voor die Psalmberijming in 't licht gegeven, als de uitkomst der Taalbespiegelingen van de dichters Hooft, Vondel, en De Hubert in hun onderlinge bijeenkomsten.
[12] Hecuba's dochter.
[13] Achilles.
[14] _uitgedost_.
[15] _steeds_.
[16] Thans _Don_.
[17] _Van den Tigris tot de Roode Zee_.
[18] _Penthesilea_; zie boven, bl. 157b, aant. 77.
[19] Lees: _Pérgamum_, en niet (als de maatslag verkeerdelijk meêbrengt) _Pergámum_.
[20] Voor _welfsel_.
[21] _opdwarrelen_.
[22] Voor _bezadigd_.
[23] Haar overleden echtgenoot, koning Priam.
[24] _Daarbij_.
[25] _Hector_.
[26] De onheilspellende Cassandra.
[27] _Van den geest vervoerd_.
[28] _lang vóór Cassandra_.
[29] _stel ter zij; laat daar_.
[30] Van zijn _lijk-verbranding_, niet (met V. L.) van zijn levensvlam te verstaan. De vertaling, in deze drie breedsprakige regels, van twee bondige Latijnsche, is niet zeer gelukkig.
[31] _terwijl_.
[32] Verouderd voor _schoondochters_.
[33] Voor _vrouw, Andromache_.
[34] De berg, waar Paris zijn uitspraak deed.
[35] Versta: _voor haar, die_.
[36] De stad _Amyclae_, in den Peloponnezus.
[37] Voor _geheiligd_ (aan de Godin Cybele).
[38] Versta: _te verbranden_.
[39] _Aan welke_ (volgsters nam.).
[40] _in reizang betreure_.
[41] _vrouwenrok_; hier voor 't onderkleed in 't algemeen.
[42] _verledigt u, houdt u onledig_.
[43] _past, voegt mij_.
[44] Thans _niets_.
[45] _open-baar, leg bloot_.
[46] Herkules, die eerst (tijdens 't bewind van Laomedon) zelf de stad ingenomen had, en wiens boog en pijlen thans door Filoctetes waren meêgebracht.
[47] _beenderen_.
[48] Voor _Grieken_ (verg. 't Lat. _Græci_).
[49] Spreek uit als met dubbele i, naar den oorspronkelijken aard der ij.
[50] Rijmshalve voor _zwaaide_.
[51] Agamemnons hofstad.
[52] Naar de levende spreektaal, voor _welke God_.
[53] _droggezicht_.
[54] _gepersd_.
[55] _vermorseling, vergruizing_.
[56] _Achilles_.
[57] Stoplap van Vondel.
[58] Achilles, als hoofd van Scyros.
[59] _leidde_.
[60] Cygnus.
[61] Voor _bedding_.
[62] Verkeerdelijk voor _nalatige_.
[63] _ontbindt, maakt los_.
[64] Germ. voor _zee_.
[65] Ontkennend; verg. vroeger.
[66] Naar de dagelijksche spreektaal. Evenzoo 16 regels lager _wanneer dat_.
[67] _goed gemaakt_.
[68] _vertoefd, vertreuzeld_.
[69] Zoo lees ik voor _val_, dat geen zin geeft.
[70] _vallen zou_.
[71] Het _zwaard_, dat hij van den vermomden Ulysses aannam, en waardoor hij zich--in zijn vrouwelijke kleeding--als man verried.
[72] Zie boven, aant. 66.
[73] Voor _wond, hem, den koning,_ (van Myzië) _toegebracht_.
[74] Door de genezing, die hem (naar de uitspraak van het orakel) van dezelfde hand gewerd.
[75] _vermaard_.
[76] Rivier van Myzië.
[77] Thans met verscherping en afsluiting _ter loops_; (verg. _trouwens, doorgaans, benevens_, enz.).
[78] Rijmshalve voor _plaatsen_.