De complete werken van Joost van Vondel. De Amsteldamsche Hecuba
Part 3
Waar is al 't Frygisch volk, na zoo veel ongeluks? Waar Hector? waar Priaam? gij zoekt er één bij name, Helaas! Andromache bedrukt zoekt ze all' te zame'.
ULYSSES.
't Geen gij van zelve ontzegt te melden, zal de dwang Uitparsen met geweld.
ANDROMACHE.
Ze is voor geen sterven bang, Die moet, en wil, en kan in 't sterven zijn tevreden.
ULYSSES.
Een, wie de dood genaakt, ontvallen d' hooge reden.
ANDROMACHE.
Indien gij dwingen wilt met vrees mij, droeve mensch! Met 't leven dreig ons eer; want sterven is mijn wensch.
ULYSSES.
De smarte zal eerlang, met water, vier, en kolen, En doodelijke pijn, 'tgeen in de duistre holen Uws veinzenden gemoeds dus lang verborgen lag, Wel tegens uwen dank doen komen voor den dag. De nood is starker als de liefde tot de zijnen. 't Is zotte trouwigheid, te willen zich verpijnen, Om helen, 'tgeen men doch eerlange melden moet.
ANDROMACHE.
Laat komen voor den dag al 'tgeen, dat dol verwoed Een grimmig overheer bedenkt voor beulsche vonden: Vier, water, honger, dorst, en diep gedreve wonden, En 's kerkers stank, en smet uit vuiligheid gegroeid, En ijzers, heet van gloed, in 't ingewand geschroeid, En wat hij meer bedenkt; ik ben 't getroost te dragen, Een moedig moedershart en kan geen vrees versagen.
ULYSSES.
Maar hoor, Andromache! de zelve liefd', waardoor Gij dus hardnekkig blijft, en niemand geeft gehoor, De Grieken noopt en raadt, voor hunne onnoozle kinders Te zorgen. Na tien jaar, na zoo veel ramps en hinders, En verre uitheemschen krijg, ik min zou zijn bevreesd Voor d' angst en zorg, waarmede ons Calchas maakt bedeesd. Vreesde ik voor mij alleen, uw zoon ontzeît[147] ten strijde Mijn zoontje Telemaach.
ANDROMACHE.
'k Zal, Grieken! u verblijde', Maar tegens mijnen dank. Hoe kan ik, droeve vrouw! Nu smoren in mijn hart mijn ingekropten rouw? Atriden allebeî! gij moogt u vrij verheugen, En gij, Ulysses! zult met blijde tijding meugen (Gelijk gij zijt gewend) weêr na de Grieken treên, En zeggen: Hectors zoon en oir is overleên.
ULYSSES.
En dat zulks waarheid is, hoe zult gij 't hun bewijzen?
ANDROMACHE.
Alzoo gebeur me 't zwaarst, dat iemands ziel doet ijzen, Door 's overwinners grim, en vreeslijk dreigement; Alzoo jonn'[148] 't noodlot mij een rijp en zalig end, Begraaf mij in mijn land, en Hector, naar zijn waarde, Zij zachtelijk gedrukt van 's lieven vaders aarde: Zoo waarlijk als hij lichtontbeerig[149] leît versmoord, En zielloos weg heeft 't geen zijne uitvaart toebehoort, En onder de andre doôn zijn bleeke schim gaat mengen.
ULYSSES.
Ik zal verblijd den Griek de blijde boodschap brengen, Dat, 't noodlot door de dood van Hectors zoon gesust[150], Hij op den vrede steun' en stell' zijn hart gerust. Wat droomt ge, Ulysses! hoe? zal dy de Griek vertrouwen? Gij wie? de moeder? hoe, in 't midden van 't benouwen, Zou die versieren[151] iet, en bevende in de nood Het voorspook niet ontzien van zoo vervloekt een dood? Voorspooksel vreezen die, die zwaarder dingen vreezen. Met eeden zij haar trouw gestaafd heeft, en bewezen; Zoo ze eedbreekt, kan ze wel een zwaardre plaag ontzien. Nu, mijn gemoed! neem vrij te hulp, en dat u dien Bedrog en list, en een Ulysses, die volmaakt is[152]. Men dekt de waarheid, maar zij rust niet voor zij naakt is. Doorsnuffel hare ziel. Zij kermt, zij maakt misbaar, Zij steent, en trappelt vast angstvallig hier en daar, En vangt de reden, en hetgeen haar komt te veuren, Met een bekommerd oor. Hier is meer vrees als treuren, Vernuft is hier van doen. Andre ouders in den rouw Behoeven troost; maar gij gelukkig zijt, mevrouw! Dat gij uw zoon nu mist, die anders most bezuren Een wreede en bittre dood bij d' omgevalle muren, En storten over 't hoofd van 's torens hooge kruin, Die eenig ovrig rijst in Trojens heete puin.
ANDROMACHE.
De moed bezwijkt me' helaas! 't lijf trilt, de leden zijgen, En 't bloed door koude stolkt!
ULYSSES.
Hier, hier most ik ze krijgen; Zij helde na dien weg; de vrees heeft haar verraân; Ik zal een nieuwen schrik haar weder jagen aan: Dewijle dan het kind, tot zoen des muurs[153] verkoren, En nu voor uit getreên, een zachtre dood deê smoren, Waardoor het niet en kan den priester, als 't behoort, Ten offer volgen na; zoo zeid' ons Calchas voort, Dat Hectors assche moet tot zoen der golven strekken, En zijn in zee verspreid, op dat we mogen trekken Ontslagen van dien vloek met onze schepen thuis, En moet zijn heerlijk[154] graf gemorseld zijn tot gruis. Vermids dan Hectors zoon de dood, die hij was schuldig, Door 't sterven is ontslipt, zoo moet ge zien geduldig, Dat wij onz' handen aan dees heilge rustplaats slaan.
ANDROMACHE.
Rampzalig mensch! wat raad? wat zult ge best bestaan? Een dobble vreeze breekt mijn hart nu in twee stukken: Hier komt me 's mans gebeente, en daar mijn zoontje rukken, Wat zijde of 't winnen wil? Ik zweer, ik zweer bij all' De Goôn, bij u, mijn man! wiens ziel mij altijd zal Verstrekken voor een God, dat mij niets kan behagen In mijnen zoon als gij; dat hij nog rekk' zijn dagen, Opdat ik in hem zie 't afzetsel van uw beeld. Leed ik dan, dat men dus met uw gebeente speelt, En dat m' uwe asschen sprei, en uitstorte op de baren? Neen, dat dees liever sterve. O moeder vol bezwaren! Hoe zult ge konnen zien, dat uw geliefde zoon Gemarteld worde, en sterf zoo veel vervloekte doôn? Hoe zult ge konnen zien, met onbetraande kaken, Hem komen rollen neêr van d' hooge torendaken? Och ja, en met geduld, als slechts 's verwinners hand Mijn Hector, na zijn dood, niet strooye langs de strand. Maar hoe? dees zal zijn straf met smarte en pijne smaken; Den afgestorven kan noch smert noch pijne raken, Maar is[155] in veilge rust. Wat drijft ge tusschen twee, En twijfelt wien ge wilt bevrijden van dit wee? Staat niet uw Hector daar? Neen, neen, ik zie warachtig Een Hector hier en daar; maar dees, zijn zinnen machtig, Zal mooglijk vaders dood nog dienen tot een wraak. Wat doet gij, droeve vrouw! in dees benaauwde zaak? Zij konnen beide doch niet wel behouden wezen, Behoed dan liever dien, die Griekenland doet vreezen!
ULYSSES.
Gaat heen, gaat snellijk voort, en haalt mij voor den dag Den vijand onzes naams[156], 't zij waar hij steken mag, Door moeders list verschuild, de leste schrik der Greeken. Daar is hij vast. Vaart voort. Wat mag u doch ontbreken? Wat vreest ge, en ziet nog om? 't is doch met hem gedaan.
ANDROMACHE.
Och, dat mij vreeze kost nog eenigzins bevaân! Maar 't is gewoonte nu voor mij, altijd te schromen, En 't wordt niet haast verleerd, dat vast is aangenomen.
ULYSSES.
Ik zal der Goden raad uitvoeren na 't bescheer[157], En zal het hooge graf omrukken, gants om veer.
ANDROMACHE.
't Geen ge eenmaal hebt verkocht[158]!
ULYSSES.
't Zal evenwel geschieden.
ANDROMACHE.
Waar is Achilles' woord, waar zijn nu d' Hemellieden, Beroepen in den eed? o, Pyrrhus! koom, beschut Uw eigen vaders gift!
ULYSSES.
't Graf zal terstond onnut[159] Verspreid zijn over 't veld.
ANDROMACHE.
Zoo grouwelijke werken Dorst nooit de Griek bestaan. Gij hebt Godheilge kerken, Ja zelfs van Goden, die u gunstig zijn geweest, Ontheiligd en geschend; maar hebt tot nog gevreesd, De dooden in hun graf uit dolheid aan te randen. Ik zal u tegen zijn, en met ontwapend' handen Uw wapens tegen staan. De gramschap zal me macht Verleenen tot dit werk; gelijk met dolle kracht De forsche Amazon[160] plag te slopen Grieksche scharen, Of als een Maenas[161], daar de God is ingevaren, Gewapend met haar thyrs[162], met een bezeten tred De boomen dreigt en 't woud, en, van verstand ontzet, Kwetst, dat ze 't niet en voelt; zoo zal ik mij begeven In 't midden van 't gedrang, en als ik heb bedreven Al 'tgeen tot voorstand van dees' grafsteed' helpen kan, Ik vergezellen zal mijn overleden man.
ULYSSES.
Wat toeft ge, kan een vrouw, met kermen en met razen En ijdle dolligheid, uw harten nog verbazen[163]? Doet, dat men u gebiedt!
ANDROMACHE.
Velt mij, velt mij veel eer, En met uw vinnig staal mij liever houwt ter neêr; Scheurt op d' Avernsche poel[164], en breekt des noodlots marren[165]; Mijn Hector! de aarde rijt, en doet z' haar keel opsparren! Om dezen Ithakees den moed te doen vergaan Is mans genoeg uw schim. 'k Zie hem gewapend staan: Hij drilt, en schiet met vier! Ziet gij hem niet, o Greeken! Of zie ik hem alleen?
ULYSSES.
'k Zal alles af doen breken.
ANDROMACHE.
Wat gaatdy, moeder, aan[166]! Gij velt met eenen slag Uw zoon, en eêgemaal! misschien gij, met geklag En met gebeên, den haat der Grieken zult verzetten, Het zwaar gewicht van 't graf 't verborgen kind zal pletten; 't Ellendig wicht verga veel eer, 'tzij aan wat oord, Eer van den vader 't kind gekneusd wordt en versmoord, Eer 's vaders last den zoon zou pletten en vernielen! Ulysses ach! ik koom demoedig voor u knielen; En d' hand die nooit en dede hetgeen dat zij nu doet, Raakt met verslagenheid, Ulysses! uwen voet: Der moeder u erbarm! wilt gunst aan mij besteden, En hoort met zachten zin mijn smeken en gebeden; En hoe gij hooger van de Goden zijt gesteld, Zoo veel te zachter drukt[167] die staan in uw geweld. De weldaad die ge doet aan hen, die moeten zwichten, Dient om 't geluk aan u nog wijders te verplichten. Zoo moet uw kuische vrouw u in haar bedde ontvaân, Zoo moet uw vader nog in jaren groeyen aan, Tot dat hij zijnen zoon met wellekomst mag groeten; Zoo moet uw zoon u na uw wederkomste ontmoeten; Zoo moet hij meerder heils, als gij zelf wenscht, ontvaân, Laërt[168] in jaren, u in raad te boven gaan. Erbarm u over dit ellendig moeders leven, Die niet als dezen troost in 't lijden is gebleven.
ULYSSES.
Breng ons het kind te voorschijn, Dan zalder eerst gehoor zijn.
ANDROMACHE.
Koom uit het hol, daar ik u heb gevlucht[169], O droefste vrouws beschreyelijke vrucht! Dit 's 't kind, dat gij, Ulysses, wenscht verstikt, Waarvoor een vloot van duizend schepen schrikt. Duik, jongske, duik! werp u ter aarde neêr, En 't handje vlei de voeten van uw heer. Beeld u niet in, dat ietwes kwalijk past, 't Geen de Fortuin haar schoovling[170] leit te last[171]. Uw oud geslacht, dien koninklijken glans, En het gerecht[172] des grooten ouden mans[173], Al 't aardrijk om vermaard, zet uit den zin: En nimmermeer en valle u Hector in! Buig, kleine kniên! uw lijf naar 't slaven zet! Zoo u de kindsche onnoozelheid belet, Ter halver dood uwe uitvaart te bevroên, Schrei dan, omdat gij 't ziet uw' moeder doen. Oud Troje zag zijn konings kindschheid meê Van tranen nat; de kleine Priam deê Den dreigenden Alcides[174] worden week; Die forsschert, die! voor wiens geweld bezweek 't Woed[175] ongediert, daar ooit af werd gehoord: Die, na de bres gemaakt in Pluto's poort, Zich ruggeling te maken wist ruimbaan, Door 't duister heen, verwonnen van een traan, Welk op de wang zijns kleinen vijands lag: "Ik," zeid' hij, "gun u 't koninklijk gezag; Zit op den troon uws vaders[176] hoog in 't goud, En zijnen staf, maar bet[177] uw woorden houd." Dit was, woû hij, 's gevangens hardste straf. Leer Hercules zijn zachte gramschap af[178]; Of en vermaakt u niet als zijn geweer? Geen smeeker leît voor uwe voeten neêr Van mindren staat, en bid maar lijfs genâ, Dat het naar lust van 't luk zijn erfrijk ga.
ULYSSES, ANDROMACHE, ASTYANAX.
ULYSSES.
Verbaasde[179] moeders rouw ontroert me wel het harte, Nochtans ontroert me meer der Grieksche moedren smarte, Tot wier groot hartenleed dit kind opwassen zal.
ANDROMACHE.
Zou dit de man wel zijn en hand, die Trojens val Oprechten zal uit d' asch? Moet Troje daar op hopen, Zoo is het hopeloos. 't Is veel te veer verloopen, 't En leît zoo niet met onz' Trojaansche borgerij, Dat iemand vreest met recht voor onze muiterij. Of zou zijn vaders moed hem wel den moed verhoogen, Te weten hij, wien zelf rondom den muur getogen De moed ontvallen zou, die door veel tegenspoed En ramp gebroken wordt. Indien ge van zijn bloed Eischt welverdiende straf, wat zoudt ge meer begeere'? Veroorlooft hem voor slaaf te dienen u ter eere, Zijn knechtelijken hals ontvange 't dienstbre jok; Wie weigert dat een vorst?
ULYSSES.
Ulysses noch zijn wrok; Maar Calchas slaat het af.
ANDROMACHE.
O oorzaak van mijn lijen! Toesteller van bedrog, en tuk op schelmerijen, Die niemand voor de vuist[180] in 't strijden hebt vermand, Maar door wiens kwaden aard en dubbel schalk verstand Zelfs Grieken zijn vermoord! stoffeert ge, om 't kind te dooden, Uw zaak met wichlerij en met onnoozle[181] Goden? Uit uwen boezem komt dit schelmstuk, nachtsoldaat! Een man in kindermoord! nu zijt ge een held op straat, Bij lichten dage, alleen!
ULYSSES.
Mijn vroomheid[182] is den Greeken Genoeg, den Frygiaan niet dan te veel gebleken. De vloot hare ankers licht. 't Is ongelegen tijd, Dat ik den ganschen dag met ijdle woorden slijt.
ANDROMACHE.
Vergunt me een korte wijl, opdat ik mijnen zone Voor 't uiterste bediene, en mijne gunst betoone, En voor het laatste omarm dengene, dien ik droeg, En zoo mijn gierge[183] trouw omhelzende vernoeg.
ULYSSES.
Och! of 't geoorloofd waar, dat ik, uit mededoogen, Mij uwer deeren mocht; doch 'tgeen we alleen vermogen, Dat wordt uw beê vergund, te weten tijd en wijl Naar uw begeerte en wensch. Verzaad u in der ijl Met tranen. Droefheid wordt verlicht door bitter schreyen.
ANDROMACHE.
O zoet en waardig pand! o eere van 't gescheyen En neêrgeslagen huis, en Trojens laatste lijk! O schrik van Griekenland! o moeders ijdle wijk! Wien ik zijns vaders lof en oorloogskunst ervaren Toewenschte, en ook den tijd, die, in zijn middeljaren, Zijn bestevader[184] heeft gelukkig doorgebracht: Maar d' Hemel heeft mijn bede helaas! niet veel geacht. Gij zult van Ilium den scepter niet eens zwieren In koninklijke zaal, noch met geboden stieren[185] De volken wijd en zijd. Voortaan en zult ge niet Zoo menig land gebracht zien onder zijn gebied; Gij zult niet eenmaal, laas! de Grieksche ruggen wonden, Noch slepen Pyrrhus' lijk aan uw karos gebonden; De kleine wapens gij met uwe teedre hand Niet handlen[186] zult, noch 't wild, verspreid door 't woeste land, In berg, in bosch en dal, gezwind en stout najagen, En, na elk vierde jaar, op de ingestelde dagen, Den sleep van Trojens spel voortbrengen op de baan, En voeren, edel kind! de wakkre benden aan: Gij zult, met snellen voet en met gezwinde keeren, Niet eens om d' outers gaan, en met uw dans vereeren Der Frygen tempelfeest; als 't kromkornets[187] geluid De snelle passen trekt ten wakkren voeten uit. O slag van wreede dood! veel droever als het sterven Zal Troje noch iet zien, 'tgeen zal haar hart doorkerven Veel meer als Hectors moord.
ULYSSES.
Nu, moeder! 't weenen laat[188]: Een groote droefheid stelt zich zelve doch geen maat.
ANDROMACHE.
Heel kort, Ulysses! is het marren[189] van ons weenen, Daar ik om smeek en bid. Gedoog, dat ik den genen, Die nog in 't leven is, zijne oogen luiken mag. Klein sterft ge, doch alreê draagt Argos[190] dy ontzag: Uw Troje wacht uw komst; wij smelten in onz' tranen. Ga, vrij en vrank, en vindt d' ontslage[191] Frygianen!
ASTYANAX.
O moeder, u erbarmt!
ANDROMACHE.
Wat houdt ge mijnen schoot, En 's moeders hand, die is eene ijdele hulp ter nood. Als[192] 't teder kalf zich bij de moeder weet te vlijen, Wanneer het brieschen hoort de leeuwen van ter zijen; Maar het verwoede dier de moeder wijken doet, En zoekt den mindren roof, die 't met zijn tand bebloed Verscheurt, verrukt, en sleept; zoo zal u uit mijne armen De vijand rukken ook. Ontvang mijn droevig karmen, Ontvang mijn laatsten kus, en 't uitgetrokken haar, En dus gekropt[193] van mij ontmoet uw vader, daar Hij dwaalt in 't zalig veld; doch wilt hem overdragen Heel weinig woorden van uw moeders bitter klagen, Zoo 's overleden schim zich de eerste zorge aanneemt, Noch door 't verbranden niet van d' oude liefd' vervreemt: O wreeden Hector! hoe gedoogt ge nu, gij brave! Dat onder 't Grieksche juk Andromache dus slave! Wat legt ge, log en traag! Achilles kwam wel weêr. Neem van mijn tranen, kind! die nog zijt klein en teêr, Neem van mijn haren weêr, al 'tgeen is overbleven Van d' uitvaart mijns gemaals! Neem kuskens, die ge geven Moogt aan uw vaders mond. Dit kleed uw moeder laat Ten troost; mijn graf en geest[194] aanroerden dit gewaad; Naauw ik doorsnufflen zal wat asschen[195] hier mag schuilen.
ULYSSES.
Hier is noch maat noch end van schreyen en van huilen. Fluks weg met Hectors zoon! ruk weg, en neem hem met[196], Die 't leger marren doet, en Argos vloot verlet.
REI.
Wat plaats of ons gevangene all'[197] Bij zich ter woon ontvangen zal? Thessaliën vol bergen of Koel Tempe, rijk van lauwer-lof[198]? Of Ftie, een veel bekwamer veld Om uit te levren menig held? Of 't steenig Trachyn, beter steê In vruchtbaarheid van 't sterke vee? Of is 't Iölcos, hoog van moed, Betemster van den zouten vloed? Of 't ruime Creten, bij elk een Verwonderd[199] om zijn honderd steên? Of ook Gyrtone, klein van naam? Of Trice, dor en onbekwaam? Of is 't Methone, dicht begroeid Van lichte steekpalm, dieder bloeit? Methone, dat, alzins bekuild, Dicht onder 't bosch van Oeta schuilt, En meer als eens de pijlen straf Tot Trojens nederlagen gaf. Of Olenos, wiens hutten licht En wijd zijn van elkaâr gesticht? Of Pleuros, dat zich altijd draagt Als vijand der Godinne-maagd[200]? Of Trœzen, wiens krombochte reê Bespoeld wordt van een breede zee? Of Pelion, wel eer vermaard De darde trap[201] ten Hemelwaart, En strekte Proteus voor een rijk? Op dezen berg, was Chirons[202] wijk: Daar lag, in uitgehoolde rots, De meester van het kind, dat trotsch En moedig doen alreede was, Mits hij hem zulke lessen las, Waardoor de grimmigheid van 't hert Nog meer en meer geslepen werd; Als hij zijn harrep klinken liet, Zoo zong hij onder 't snaarspel niet, Als slechts van houwen, kerven, slaan, En wat daar voorts mag hangen aan. Carystos rijk van marmorsteen? Of Chalcis, daar Euripus heen En weêr speelt met de onstuime zee? Of zijn 't de Echidnen, die hun[203] reê Bekwaam voor alle winden leît? Of Gonoës, daar 't altijd weit[204]? De Enispen, bang voor Boreas? Of Pepareet, ter Noorder as, Aan Griekens alderuiterste end? Of is 't Eleusis, dat gewend Vrouw Ceres stadig t' eeren is, In stilligheid en duisternis[205]? Of roept ons, tegens onzen zin, Des waren[206] Ajax Salamin? Of Calydon, zou 't dat wel zijn, Alom bekend door 't wilde zwijn? Of is het Scarfe en Besse? of 't land Dat Titaressos, die naar 't strand, Om onder zee te duiken, sluipt, Met zijnen tragen vloed doorkruipt? Of Pylos, dat lang leven geeft? Of Pyse, dat een tempel heeft, Jupijn ter eeren opgebouwd? Of Faar? of Elis, daar men houdt En viert de feest[207], die 's winners hoofd Den lofkrans van olijf belooft? Het razende onweêr hier en gins Zende ons slavinnen[208] allezins, En lande[209] en berg', waar 't wil, ons lijf, Behoudens, dat men verre blijf Van Sparten; 'twelk, met recht gehaat, Den Frygen en den Grieken staat Op zoo veel smarte en ongerijf; Behoudens, dat men verre blijf Van Argos en Mycenen, eerst Door Pelops tiranny beheerscht. 't Klein Neritos, min als Zacynth En Ithaca, wiens klippen blind, In 't water duikend voor en naar[210], De kielen dreigen met gevaar. Wat lot of u noch wezen zal Beschoren, of wat ongeval? Trojaansche koningin wel eer! Waarheen, en van wat overheer Zult gij nog worden omgeleid? Wat land is tot uw graf bereid?
DE VIERDE HANDEL.
HELENE, ANDROMACHE, HECUBA.
HELENE.
Wat bruiloft doodsch en droef, met kermen, bloed, en moord, En klachten wordt gevierd, daarvan, na[211] recht, behoort 't Beleid toe aan Heleen. Mij derf men nog beladen, Om den verdelgden Frijg in 't uiterst te beschaden; Aan mij beveelt men nog te boodschappen 't geveinsd En ijdel huwelijk van Pyrrhus, en op 't reinst[212] De bruid, na Grieksche wijs, te cieren en te kleeden. Prins Paris' zuster wordt door mijne trekken heden Misleid, en raakt om hals door mijn versierd[213] bedrog. Verschalkt ze vrij, ik acht zulks voor haar 't lichtste nog. 't Is een gewenschte dood te sterven, zonder schrikken Voor 't lijden van de dood. Wat draalt ge te beschikken Hetgeen u is belast? De stichter draagt de schuld Van 't opgedrongen kwaad. Uw jammer is vervuld, O welgeboorne maagd, van Dardans bloed gesproten! Een milder God heeft u, die deerlijk waart verstooten, Goedgunstig aangezien, en is vast bezig, om Te schenken aan uw jeugd een zaalgen bruidegom; Al heerschte Priam zelf, schoon Trojens muren stonden, Tot zulk een huwelijk zij u niet brengen konden: Want d' overkijker[214] zelf van d' eedle Grieksche stam U tot het heilig recht van kuische minnevlam En wettig bed verzoekt, wiens breed gebied gelegen Is aan 't Thessalisch veld. O, welk een groote zegen! De groote Thetis, en zoo menige Godes Van 't zoute pekelschuim, daartoe de zeeprinces Vrouw Tethys, de voogdes van de opgeblazen baren, U voor haar aangehuwde en eigen pand verklaren, En Peleus, als gij nu zijt Pyrrhus wederga, U noemen zal zijn' snaar[215], en Nereus even na. Leg af 't bezwalkt gewaad, trek weder aan een statig, Verleer slavin te zijn, weest niet zoo ongelatig[216]; Strijk neêr 't gerezen haar, duld, dat het word' geschikt, En met een aardig' hand getooid en opgeflikt. Dit[217] ramp misschien u voert tot hoogren staat en orden, 't Heeft velen nut geweest des vijands roof te worden.
ANDROMACHE.
Te schaatren eens van vreugd was 't eenig onheil, dat Den Frygen nog ontbrak, en d' uitgerooide stad, 't Geslechte Pergamum vast brandt aan allen hoeken. O tijd van hijliken! maakt iemand zich te zoeken? Zoude iemand weigeren te treên na 't bruiloftsbed, Daar 't lief juweel toe raadt, Heleen! 't bederf, de smet Der beide volleken? Ziet eenmaal[218] doch met weenen Die vorstengrafsteên aan, deze onbegrave beenen Langs 't veld gezaaid: die heeft uw bruiloftsfeest verspreid! Om u men 't Aziaansche, om u men 't vaak beschreid Europisch heldenbloed, al sissende, zag storten; Als gij koelmoedig[219] zaagt de mannen t' zamenhorten, Onzeker wien ge droegt. Vaart voorts, en maakt met groen De bruiloftskamer toe. Wat is er toorts van doen, Of fakkel na gewoonte, of vier? Laat Troje uitrichten Dien dienst, en met zijn' vlam 't nieuw bruiloftsbed toelichten. Trojaansche borger! viert, viert Pyrrhus' huwlijksfeest, Ja, viert ze na waardij, dat 's met een bangen geest; Maakt droefheid en misbaar!
HELENE.