De complete werken van Joost van Vondel. De Amsteldamsche Hecuba

Part 2

Chapter 23,899 wordsPublic domain

't Is jonger lieden feil, zijn moed niet in te toomen. Dit vier der eerste jeugd heeft andere ingenomen, Door een gemeen gebrek; doch Pyrrhus wordt vervoerd Door vaders aard, die hem zijn korsle zinnen roert. 'k Heb dreigen grof en groot, en heete oploopendheden Uws vaders eertijds wel met koelen moed geleden. 't Voegt wel die veel vermag, dat hij wat meerder lijd'. Wat wilt ge d' eedle schim eens vorsten, die den nijd Doet vlieden voor zijn faam, bezoedlen en bespatten Met grouwelijke moord? dat hoort men eerst te vatten, Waar d' overwinner toe verplicht is met bescheid: Wat hem te dulden staat, die overwonnen leît. Geweldig' heerschappij hield niemand lange staande, Gematigde duurt langst; en hoe dat meer 't opgaande En steigerende lot der sterfelijken macht Om hoog verheven heeft, en opgevoerd met kracht, Te meerder het betaamt, om niet te zijn bedrogen, 's Geluks bezitter, zich te houden ingetogen, Voor velerlei gevaar te siddren op zijn troon, Mistrouwende de gunst van al te milde Goôn. In 't winnen ik bevond, hoe d' allerbraafst[86] in 't brallen Lag in een oogenblik bestelpt en neêrgevallen. Maakt Ilium te trotsch onze opgeblaze ziel? De Griek staat op die plaats, daar Troje stond eer 't viel. Ik plag wel eer, ik ken 't, eens anders staat te honen, En, machteloos mijns zelfs, op purpre sluyerkronen, En op mijn machtig rijk te snorken zonder maat; Maar lots liefkozerij, die andren op hun staat Met trotschheid kroppen zou, en prikkelen de dwazen, Die kneusde mij den moed. Maakt Priaam opgeblazen, Of moedig onzen geest? of zoude ik wanen, dat De parelrijke staf, 't gewaad van purper zat, Meer zijn als d' ijdle schijn, bedekt met valsch vergulsel En glans van luttel duurs? en haar, vercierd met hulsel Van eenen brozen band? Eene onverhoedsche ramp, Doet deze pracht en praal verdwijnen, als een damp. Misschien wordt hier vereischt noch bloedig zweet, noch hijgen, Noch duizend schepen, noch tien jaren bloedig krijgen; Zoo traag een ongeval hangt elk niet over 't hoofd. 'k Wil hier wel rond in gaan[87], en dat ge dit gelooft, O waarde vaderland! 't zij met uw welbehagen: Het was mijn toeleg wel, verheerd en neêrgeslagen Te zien den Frygiaan; de Goddelijke wal, En torens Hemelhoog, tot hopeloozen val Te brengen nimmermeer; maar och! wat toom kan sturen Soldaten, heet op wraak, en d' overhand[88] aan d' uren Der blinde nacht vertrouwd! Al 't onrecht, al het leed, Dat iemand scheen te fel of onbehoorlijk wreed, Uit toorne[89] en duister kwam; waarin de gramschap woedig Hare eigen dolheid tergt, en 't zwaard, 'twelk eens voorspoedig Besmet in 's vijands bloed, een dolle lust bevat. 't Geen overblijven kan van de omgekeerde stad, Laat blijven, strafs genoeg genomen van ons euvel, En niet dan al te veel. Dat nu door 't staal nog sneuvel Een koninklijke maagd, geschonken aan het graf Ten gave, en d' assche sprenge, en dat een moord zoo straf Den naam van bruiloft voere: ik zweer, 'k zal 't nimmer dulden. Mij drukt de last alleen van de algemeene schulden. De geen, die 't kwaad niet keert, wanneer hij 't keeren kan, Het zondigen gebiedt.

PYRRHUS.

Zal vaders schimme dan Niet hebben eenig loon?

AGAMEMNON.

Hij zal, maar naar betamen: Met lofzang zullen z' hem verheffen all' te zamen, Uitheemsche landen zal zijn naam en groote moed Doorklinken wijd en zijd. Indien vergoten bloed Verstorvene asch verkwikt of stilt der geesten jamren, Hak af den vetten hals der Frygiaansche lamren, En kudden blank van wol; laat vloeyen over 't veld 't Bloed, daar geen moeder om in rouw en tranen smelt. Wat vreemde wijze is dit! wanneer is menschenleven Ter uitvaart van een mensch' ten besten ooit gegeven? Verschoon uws vaders naam van haat en nijd, wiens lijk Gij eeren wilt met bloed.

PYRRHUS.

O blaaskaak, als het rijk Uw hart met voorspoed hoogt[90]! O bloodaart, snel in 't vluchten! Wanneerder ritselt slechts een wind van krijgsgeruchten. O vorstendwingeland! is dan uw wulpsche zin Al wederom ontvonkt door brand van nieuwe min, En maagdensnoeperij? Staat ons altijd te wijken Van onz' gerechtigheid, en u den buit te strijken? 'k Zal met dees rechtehand Achilles' tombe voên Met bloed, aan hem verloofd, opdat het strekk' tot zoen; 't Welk, zoo gij 't ons ontzegt en derft hier tegens blaffen, Een grootere offerand zal ik den held verschaffen, En waardig Pyrrhus' hand. Mijn zwaard toeft veel te lang Van 's konings neêrlaag, die 't den Grieken maakt zoo bang. De schimme van Priaam verwacht vast naar een makker.

AGAMEMNON.

Dat 's Pyrrhus hoogste roem, dat hij zijne handen wakker In 't bloed gerept heeft van dien afgeleefden heer[91], Wiens smeeken had verzacht zijn' vader zelf weleer.

PYRRHUS.

Ik weet, dat die zijn' kniên voor mijnen vader buigde, Hem vijand was met een; maar Priaam zelf betuigde Zijn demoed in persoon; gij, van de vrees vermast, Kent u niet stout genoeg te bidden, maar belast Uw zaak den Ithakois, en Ajax uw gebeden, Noch dorst uw vijand nooit eens onder oogen treden.

AGAMEMNON.

Uw vader, ik beken 't, doen[92] geene vrees beving; Als 't heer die neêrlaag leed, de vloot aan kolen ging, Log lag hij, lui, en leêg, en dacht op krijg noch wapen, Maar bleef aan 't zoet geluid der snaren zich vergapen.

PYRRHUS.

De dappre Hector doen uw wapens heeft veracht, En vreesde Achilles' zang meer als uwe oorloogsmacht; En in zoo groot eene angst, die ieder een deê beven, De vloot der Thessaliêrs is ongedeerd gebleven.

AGAMEMNON.

Maar bij die zelve vloot kwam Hectors vader meê Uit Trojen, onbezeerd, in veiligheid en vreê.

PYRRHUS.

't Is koninklijk, een vorst zijn adem[93] wat te geven.

AGAMEMNON.

Gij maakt' hem ademloos, en holpt hem om het leven.

PYRRHUS.

Vaak een meêdoogend hart de dood voor 't leven geeft.

AGAMEMNON.

Die dingt na maagdenbloed wel groot meêdoogen heeft.

PYRRHUS.

Kan maagdenoffer u nu als een grouwel kwellen?

AGAMEMNON.

Een vorst moet boven 't bloed zijns volleks welvaart stellen.

PYRRHUS.

Geen wet gevangens spaart, of hindert hunne straf.

AGAMEMNON.

't Geen dat geen wet verbiedt, raadt ons de schaamt' wel af.

PYRRHUS.

Wat den verwinner lust, dat staat hem vrij te plegen.

AGAMEMNON.

Wien 't meeste vrij staat, die sta meest zijn lusten tegen.

PYRRHUS.

Ga, stof zoo bij die geen, wien ik 't ondraaglijk juk Van uw tienjarig rijk nu van de schoudren ruk.

AGAMEMNON.

Geeft Scyros u dien moed?

PYRRHUS.

Dat vrij van broedren[94] schand is.

AGAMEMNON.

Dat wegduikt in de zee?

PYRRHUS.

Die onze bloedverwante is[95]. Uw vaders adel, en uw ooms is wel bekend.

AGAMEMNON.

Gij, die geteeld zijt van een maagd ter sluik geschend, En van Achilles, die nog voor geen man mocht strekken.

PYRRHUS.

Van dien Achilles, die des Hemels hooge plekken Nu veiliglijk bewoont, en, waar hij slaat zijn oog, Zijn stamme ziet verspreid: Jupijn die zit om hoog, In d' afgrond Æacus[96], en Thetis in de baren.

AGAMEMNON.

Van dien Achilles, die ter Hellen is gevaren, Door Paris' hand gedood.

PYRRHUS.

Wien niemand van de Goôn, In 't strijden hand voor hand, ooit heeft het hoofd geboôn.

AGAMEMNON.

De macht ontbreekt me niet, om uwen mond te snoeren En driestigheid met straf; doch 'k ben gewend te voeren Een zwaard, dat sparen kan een die het overmag. Dat Calchas, tolk der Goôn, koom' liever voor den dag! Eischt 't noodlot deze moord, ik zal het stuk gedoogen. Gij[97], die de Grieksche vloot uit Aulis hebt getogen, En onzen tocht gespoeid; gij, die den Hemel doet Ontsluiten door uw konst; wien 't ingewand en 't bloed Der dieren is bekend; gij, wien 't gekraak des Hemels, En langgesteerde star, met nasleep vol gewemels, Des noodlots raad ontdekt, wiens mond en woorden mij Zoo dier staan, Thestors zoon! Goods[98] wil ontdek ons vrij, En stier ons met uw raad!

CALCHAS.

Het noodlot biedt den Greeken Weêr aan, om[99] d' oude vracht[100], de wegen op te breken Die nu gesloten zijn. Dat deze maagd geslacht Zij voor Achilles' graf, wordt van de Goôn verwacht: En Pyrrhus moet de bruid (in zulleke gewaden, Als in Thessaliën tot haren bruigom traden De maagden nieuw gehuwd; als een Myceensche vrouw, Of eene Ioonsche bruid, gaat tot hare eerste trouw) Zijn vader brengen toe[101]. Zoo huwt ze naar betamen. Maar dit is 't niet alleen, dat onze schepen t' zamen Doet marren op de reê; het noodlot vordert nu, En eischt een eedler bloed, Polyxena! dan 't uw. Laat Hectors zoon geplet ten torentrans uit vallen, Zoo mag de vloot op zee met duizend zeilen brallen.

REI[102].

Zou 't waarheid zijn, of gaat het kreupel, En paait men het bedeesd gepeupel Met sprookjes en met ijdelheid, Op dat het niet in deugd verslimme[103], Als 't waant, dat des verstorvens schimme Nog leeft, als 't lijf begraven leît?

Wanneer 't gezicht al is gebroken, En d' eêgemaal[104] 't oog heeft geloken, En dat de jongste en laatste dag Der zonnen glans heeft afgeschoten, En in den emmer[105] zijn gesloten De treurige asschen met beklag;

En[106] baat het niet, zijn ziel en leven In 't uiterste aan het graf te geven; Maar moet, vol jammers en verdriet, D' ellendige noch langer zwerven? Of sterven wij geheel door 't sterven, En gaat de gansche mensch tot niet?

Wanneer de geest, met blijvende' aassem Gemengd, wijkt in der wolken waassem, En dat de toorts de naakte leên Geblakerd heeft? Al wat, in 't dalen Of rijzen, met haar heldre stralen, De zon beschijnt, en kent met een;

Al wat de zee, met wufte baren, In eb of vloed bespoelt, de jaren Wegrukken snellijk en gezwind; Gelijk Pegaas[107], met vlugge pennen, Gewoon door 's Hemels blaauw te rennen, Ontloopt de zwepen van den wind;

Met zulk een dwarling, als daar zwieren De tweemaal zes gestarnde dieren[108]; Met zulk een loop, als d' Opperheer Der starren de eeuwen staag doet draayen; Als Hecate[109], met slimme[110] zwaayen, Dwaalt om het aardrijk op en neêr;

Zoo ziet men ons naar 't ende draven, Die eens den stroom (waarbij dat staven De Goôn hunne eeden) heeft genaakt, Is nergens meer; gelijk het rooken Van heeten brand, na dampig smoken Der korte streke[111] uit 't oog geraakt;

Gelijk men, door de Noordervlagen, De wolken, die wij zwanger zagen Zoo datelijk, ziet dwijnen weêr; Alzoo zal ook dees geest vervloeyen, Die 't lijf bestierde, en zal zich spoeyen Tot niet te smelten, meer en meer.

Hier namaals is er niet[112] te wachten. De dood is niet. De dood wilt achten De jongste paal van 's levens baan. Begeerig hart! houd op van hopen; Bekommerd volk! uw zorg laat loopen, En alles voorts zijn' gang laat gaan.

Vraagt iemand waar de dooden varen? Ter plaats daar de ongeboren waren. De bayert en de grage tijd Verslinden ons; het is onfeilbaar. De dood is een en gants ondeilbaar[113], Die ziel zoo wel als lichaam slijt.

Het rijk van Pluto, d' Helsche straffen, En Cerberus, die met zijn blaffen De stramme deuren gade slaat, Zijn niet dan ijdele geruchten En woorden, die men niet moet vruchten[114], Ja, malle droomgelijke praat.

DE DARDE HANDEL.

ANDROMACHE, RAADSMAN, ULYSSES.

ANDROMACHE.

Wat moogt ge dus ontsteld uw haar aan flarden rukken, O Frygiaansche schaar! wat scheurt ge uw borst aan stukken, En sprengt uw wang met vocht dat uit uwe oogen vliet? Drukt schreyen 't lijden uit, zoo is 't zoo lastig niet. Gij hebt oud Trojen thans, maar ik al lang zien vallen: Van sedert zoo verwoed, rondom de staande wallen, Met zijn strijdwagen stijf, en wakker aangezweept, De wreede Peleus-zoon mijn leden[115] heeft gesleept, Zoo dat zijne eigene as van Hectors zwaarte steende, Met siddring en gekraak, en 't waarde lijk beweende; Doen viel de stad verdelgd en overrompelt neêr. Ik, laas! versuft door ramp, en ben mijns zelfs niet meer, Maar word, berooid van hoofd, vast heen en weêr gedreven, 't En waar, dat dees[116] mij hiel, ik had mij lang begeven Te volgen mijnen man, om mij den Griek t' ontslaan, Dees temt mijn moed, en let[117] mij in mijn dood te gaan; Dees dwingt mij d' harde Goôn om troost nog wat te smeken; Dees rekt mijns lijdens tijd; dees heeft mij, laas! versteken Van 's jammers grootste vrucht, dat 's angsteloos te staan. De deur is toe voor heil, maar op voor gruwelkwaân. 't Is de aldergrootste ellend nog hopeloos te duchten.

RAADSMAN.

Verslegene! wat vrees u dus verbaasd doet zuchten?

ANDROMACHE.

Uit de eene ramp ontstaat een zwaarder ongeval; Van 't stortende Ilium houdt 't noodlot nog geen stal[118].

RAADSMAN.

En of 't den Goôn geviel te meerdren onze ellenden, Wat neêrlaag kosten[119] zij ons zwaarder overzenden?

ANDROMACHE.

De stadig duistre kuil, en 't slot[120] van d' afgrond Styx Zich opent, en opdat ons (die nu door veel schriks En ramp zijn afgemat) geen vreeze zoude ontbreken, Zoo komen voor den dag het hoofd ten grave uit steken De vijanden, die lang ter aarde zijn gedaan. Hoe kan de Griek alleen dien weg dan aarsling gaan? De dood doet elk gelijk. De Frygen zich ontstellen In die gemeene schrik; maar mij is komen kwellen Een zonderling gezicht van een benaauwde nacht.

RAADSMAN.

Zeg, wat gezicht het was, dat u dees vreeze bracht?

ANDROMACHE.

De nacht, die met haar rust ons voedt, was half ten ende, De kleine Beer alreê zijn blinkend juk omwendde, Als mij bedrukte omhelsde eene onbekende rust, Een korte slaap bekroop, die mijne droefheid sust, Zoo 's bazenden[121] gemoeds verstoktheid zoude mogen Gerekend zijn voor slaap; als schielijk voor mijne oogen Stond Hector, mijn gemaal: niet, zoo hij wijlens[122] plag, Het forsche Argivisch heir trotsch leverende slag, Met lichten fakkelbrand en zwart bepekte reepen, Te staan naar het bederf van all' de Grieksche schepen; Noch zoo hij dol, verwoed van moorden en verslaan, Een waren buit[123] ontdroeg den valschen[124] Peleaan: Die vlammend' helderheid hadd' hij niet meer ontloken In 't voorhoofd, zoo hij plag; maar doof, versuft, gebroken Van moed, 't gezicht belaân met tranen, zoo als wij, Het haar om 't hoofd bezwalkt; nochtans zoo lustten 't mij Den held op nieuws te zien; doen, als geparst van rouwe En schuddende zijn hoofd: "ontwaak!" zeide hij, "mijn trouwe En waarde bedgenoot; ontwaak, en berg ons kind! Dit is ons eenig heil, dat niemand dit en vind'! Uw schreyen staakt. Wat steent ge om de omgestorte steenen? Lag Troje daar meed' heel[125]! Fluks op, stop iewers[126] henen De spruit van Hectors huis!" Tot siddrens toe mij sloeg Eene eiselijke schrik, die all' mijn' slaap verjoeg, Den vaak uit d' oogen schopte, uit d' oogen, die ik herwaarts Bedeesdelijken sla, nu weêr angstvallig derwaarts; Vergetende mijn zoon, ik tast na Hector, doch 't Omhelzen heeft geen vat aan 't spokende bedrog. O zone! ware lote uws loffelijken vaders, Der Frygen eenge hoop en toeverlaat, mitsgaders De troost alleen van 't huis nu, laas! ten val gedoemd! O spruit van 't oude bloed, al t' edel[127] en beroemd! Uw vader heel gelijk; mijn Hector was voor dezen Dusdanig van gelaat, van opzicht en van wezen: Dusdanig ook van tred: zijn handen, sterk en fier, Zijn hooge schouderen, 't hadde alles zulk een' zwier; Ja, zelf dat straf gezicht, als hij 't van gramschap zweide[128], En om den breeden nek die lang' haarlokken spreidde. O, die geboren zijt laat voor den Frygiaan, Maar voor uw moeder vroeg; zal eens die dag opgaan, Zal die gelukkige uur ook komen eens voorzeker, Dat gij een schut en scherm, en der Trojanen wreker Zult zijn, en rechten op het Pergamum, of 't schoon Voor dezen langen tijd te vallen is gewoon; En zamelen bij een de borgerij van Trojen, Die d' oorloog, voor de vlucht, deê jammerlijk verstrooyen[129]; En stellen 't vaderland, en 't Frygiaansch geslacht In ouden stand en naam? maar weder nemende acht Op mijn rampzalig lot, zoo weet ik, dat mijn wensche Mijn staat te boven gaat; 't most mij, gevange mensche, Genoeg zijn, dat ik leve. Ach, vaderlooze wees! Wat schuilplaats zal der nu getrouw zijn aan mijn' vrees? Die rijkste burg van al het Aziaansch geweste, Omheind met heilgen muur, en Goddelijke veste, Wel waard te zijn benijd, beroemd zoo wijd en veer, Nu maar een puinhoop is. Waar ik mijne oogen keer, De vlam heeft alles weg, en van zoo hoog verheve En overgroote stad is nergens overbleve' Een' schuilplaats voor een kind! Wat hoek, wat plaats, amy! Verkies ik best ter nood voor mijn bedriegery? Daar is een heerlijk graf, 'twelk, overmits het heilig Mijn man is toegewijd, voor 's vijands woên bleef veilig En ongeschend tot nog; een eislijk groot gevaart, Dat Priaam, die in rouw nooit kosten heeft gespaard, Tot zijnes waarde zoons gedachtenis deê bouwen: Wien kan ik beter als zijn vader hem betrouwen? Ik voel een killend zweet door all' mijn' leden gaan, En zie dees nare plaats met droevig voorspook aan, En vreeze, dat dit graf een ander graf beteekent.

RAADSMAN.

't Heeft velen 't lijf gebaat[130] voor dood te zijn gerekend, All' hoop is uit met ons; hem drukt een lastig juk, Zijn adelijk geslacht hem smoort in 't ongeluk.

ANDROMACHE.

Dat niemand ons verrâ.

RAADSMAN.

Best gaan we wat ter zijen, Opdat geen tuige melde ons vrome sluikerijen.

ANDROMACHE.

Zoo vijand na hem vraagt?

RAADSMAN.

Zoo zeg: in Trojens val Is hij al lang vermist.

ANDROMACHE.

Maar of ik hem nu al Verschuil, hij moet doch weêr vervallen in hun handen.

RAADSMAN.

's Verwinners gramschap plag in 't eerst op 't heetst te branden.

ANDROMACHE.

Hij schuilt met zware vrees in 't uiterste gevaar.

RAADSMAN.

Die in benaauwdheid steekt, neemt tot beschutting maar Het reedste dat hij vindt; dan[131] die, wien mag gebeure' Een veilig overleg, kan langzaam gaan te keure.

ANDROMACHE.

Waar is zoo verre een plaats, zoo woest een wildernis, Die voor u, o mijn zoon! een zekre schuilhoek is? Wie zalder zorgen doch voor ons bedeesde lieden, En in de laatste nood ons hulp en bijstand bieden? Wie zal onz' schutsheer zijn? Vaart gij dit, Hector! aan, Bescherm ons, als gij staag uw magen hebt gedaan, Bewaar getrouwelijk uwe eega's dieverijen[132], En laat uw dood gebeent dit levend lijk bevrijen. Nu, zone! duik in 't graf. 't Schijnt of gij van mij vliedt, En in zoo vuil een plaats te schuilen u ontziet; Ik merk uw eedlen aard; gij schaamt u nog te vreezen. Leg af dit hoog gemoed, dat in u plag te wezen, En trek een ander aan, 'twelk 't ongeluk u hiet[133]. Schouw wat hier ovrig is van 't gansch Trojaansch gebied: Een grafstede, een slavin, een weeskind zonder vader! Voor ramp men zwichten moet. Koom, zone! treê wat nader, En derf het stuk bestaan: uw treên en gangen strekt Naar d' heilge rustplaats, die uw vaders lijk bedekt. Wil 't noodlot helpen ons, die in ellende steken, Gij zijt behouden; wil 't den draad uws levens breken, Op[134] voorraad is u dan alreede een graf besteld.

RAADSMAN.

't Slot heelt[135] 't vertrouwde pand; hetwelk, om niet gemeld Te worden van uw vreeze, eischt dat men daatlijk spoede Naar andre plaats, eer dat de vijand iets vermoede.

ANDROMACHE.

Die van nabij vreest, is met zorge minst belaân; Maar laat ons, vindt gij 't goed, vrij op een ander[136] gaan.

RAADSMAN.

Bedwing uw wezen wat, wilt uw gebaar betomen; De Cefaleensche vorst[137] schijnt op ons aan te komen, Met eiselijken[138] tred.

ANDROMACHE.

Gaap, aarde! en gij mijn hoofd, Mijn troost, mijn bedgenoot, 't gereten aardrijk klooft Tot 't binnenste van Styx, dat in die diepe kuilen Mijn pand, aan dy vertrouwd, te veiliger mag schuilen. Daar komt Ulysses zelf, met een verwarden[139] tred, Bekommerd[139] van gelaat: hij breidt in 't hart een net Van looze schalliksheên.

ULYSSES.

Ik die, God woud's! verkoren, Bedien het strenge lot, voor ditmaal u beschoren, Verzoek voor eerst, schoon ik de boodschap dy maak kond, Dat gij ze niet ontvangt als komende uit mijn mond; 't Is aller Grieken stem, en d' uitspraak aller heeren, Door Hectors oir[140] verlet tot nog toe thuis te keeren: Het noodlot eischt dit kind. De Griek, schoon over zee, Naauw stellende geloof op een onzekren vreê, Blijft staag met zorg belaân; de vreeze voor zijn' rijken Hem, met bekommering, steeds zal terug doen kijken, Noch dulden, dat men hang de schilden aan den wand, Zoo lang de Frygiaan de wraak van 't vaderland Uit uwen zoon verwacht, en hoopt op zijne zege.

ANDROMACHE.

Spelt Calchas dat?

ULYSSES.

En schoon de wichler Calchas zwege, Zoo zeid' het Hector zelf, wiens stam ons houdt in vrees. Eêlaardig zaad wast op naar 'tgeen waaruit het rees: Zoo loopt de jonge stier ter zijden van den grooten, Al eer zijn horens 't vel beginnen door te stooten; Maar als hij hals en hoofd om hoog komt rechten meê, Beheerscht hij zelf de kudde, en zijnes vaders vee. Eene afgehouwe telg geplant zal 't hoofd verheffen, En zelve in grootte eerlang haar moeder overtreffen, En levren 't aardrijk schaauw, den Hemel bosch en loof. Zoo neemt de brand weêr toe van 't vier, dat, niet heel doof[141], Bleef smeulen in zijne asch. Ik weet wel, dat de droefheid De zaak, gelijk 't behoort, niet op haar rechte proef leît: Indien gij 't niet te min wel bij u zelve wikt, Gij zult een oud soldaat vergeven, dat hij schrikt, En na tien oogsten vreest, en zoo veel' wintervlagen, Voor krijg, en oorloogsramp, en nieuwe nederlagen, En Troje, nimmer vlak genoeg voor ons geveld. 't Is geen geringe vrees, die 't Grieksche leger kwelt, En dus bekommerd houdt: 't is Hector, maar de tweede, Wiens wakkerheid nu wordt van ons gevreesd alreede. Verlos ons van dien angst! Deze eenige oorzaak let De schepen, die alreê te water zijn gezet; Hier hapert onze vloot; en acht me niet moorddadig, Dat ik, gelast bij lot, uw zoon eisch ongenadig; Ik eischte[142] Orestes wel; dus schouw me[143] niet voor wreed. Lijd 'tgeen hier voormaals zelf uw overwinner leed.

ANDROMACHE.

Och zone! waart ge slechts in uwer moeder handen, Of wist ik, wat gevaar u nu in vreemde landen Veer van mij houdt verrukt[144]; ik zoude 't moedershart Niet eenmaal trekken uit, al waar 't schoon, dat met smart Mijn handen doorgesneên in scharpe strikken lagen, Of dat mij 's vijands staal zou door den boezem jagen, Of dat een heete vlam, van wederzijds gestookt, Mijn heupen had verbraân en lendenen verschrookt, Ik storf, of ging u na; nu kan ik laas! niet raden, Wat ramp u houdt bezet: of gij in achterpaden Door bosch en bergen dwaalt: dan of de woeste smook Der stad u heeft verstikt: en of de vijand ook Gespeeld heeft met uw bloed: of dat gij zijt verbeten Van 't wild gedierte, of strekt d' Ideesche kraai tot eten.

ULYSSES.

Weg met dien zotten klap, en die geveinsde praat! Denk, dat Ulysses zich zoo licht niet mompen[145] laat! Wij hebben eer verschalkt de moederlijke treken, Ja, van Godinnen[146] zelfs; weg met dit ijdel spreken! Weg met dien ijdlen raad! Waar is uw zoontje? fluks!

ANDROMACHE.