De complete werken van Joost van Vondel. De Amsteldamsche Hecuba
Part 1
Produced by Frank van Drogen and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:
Gespreid geprinte tekst is gemarkeerd met _liggende streepjes_. Klein kapitaal is weergegeven met HOOFDLETTERS. De originele spelling en interpunctie is gehandhaafd. Een lijst met correcties bevindt zich aan het einde van de tekst. Dit boek bevat een aantal referenties naar andere delen uit De complete werken van Joost van Vondel, namelijk Project Gutenberg e-book 30473, 52542, 55929 en 56706.
DE COMPLETE WERKEN
VAN
JOOST VAN VONDEL.
DE AMSTELDAMSCHE HECUBA.
_TREURSPEL_.
[Vol van verzuchtingen en overstelpt van tranen.]
Hecuba[1].
't Was Sparten niet genoeg, dat, na 't langdurig krijgen, Ik met mijne oogen zag, hoe Pyrrhus voor 't autaar Het grijze koningshoofd[2] greep bij 't gewrongen haar, En met zijn lemmer ging den ouden strot doorrijgen;
Dat ik de vlammen zag van 't hof ten Hemel stijgen, Als Hecube, uitgeput door jammren en misbaar, Haar heldenzonen had begraven voor en naar, En weduw bleef gemengd in 't overschot der Frijgen:
Ik most nog, onder schijn van inspraak Gods als-kaks[3], Mijn dochter Polyxeen, mijn neef Astyanax Zien sneuvelen door 't staal, zien storten van den toren,
En Trojens heerlijkheid vergaan in rook en damp, En, oud verschove wijf! bestenen aller ramp;-- Hoe is een taaye ziel zoo veel verdriets beschoren!
DEN ACHTBAREN, HOOGGELEERDEN, WIJZEN, EN BESCHEIDEN HEERE
Mr. ANTONIS DE HUBERT,
OUDEN RAAD EN SCHEPEN DER STEDE ZIERIKSEE, EN RECHTSGELEERDE, ENZ.
Mijn Heer,
Wij offeren hier uwe E. de Amsteldamsche Hecuba. Dezen bijnaam draagt ze, omdat Amstelredam hare geboorteplaats is. Verscheide vaders hebben vaderlijk recht aan dit kind[4]. Zeit men, dat het schandelijk luidt, dat er meer als één vader tot een zelve vrucht gehoort[5]: wij staan het geerne toe: maar gelijk dat in de nature oneerlijk is, alzoo zal 't hier heerlijk zijn. Beziet ze, ja, doorziet ze vrij, en zoo u dunkt, dat er iet Godlijks in haar aanschijn zweeft, denkt dat ze geboren, en ook herboren is, alzoo dat ze met recht twee- of drie-boortige mag heeten. Dit heeft ze met geene sterffelijke menschen, maar met den God Bacchus gemeen, die, nadat hij, als eene ontijdige vrucht, uit Semele, ter wereld kwam, in Jupiters dye[6] voldragen werd, en derhalven met recht den naam kreeg van Dithyrambos[7]. Het wijze en geleerde brein van eenen, wiens standvastigheid de eeuwen doorleven zal[8], heeft de Latijnsche Troas vereerd met den titel van Regina tragœdiarum (Koningin der treurspelen). Wij wenschten, dat de Nederlandsche zulk eenen karbonkel in 't voorhoofd voeren mocht, of dat ze ten minste meer luisters van Seneca ontleend hadde. Dat wij uwe E. die in 't bijzonder heiligen en opdragen, geschiedt tot dankbaarheid van de Psalmen, die uwe E. ons toegezonden hebt[9], en waarmede wij niet weinig vermaakt waren, als wij met gretige ooren den Goddelijken galm van Davids harpe vingen, en hem met geene mindere zoetigheid in zuiver Nederduitsch hoorden geluid slaan, als voormaals in 't Hebreeuwsch de Hebreën in Judea deden. Of wij hier alle eigenschappen onzer moederlijke tale, volgens het afscheid der[10] dichteren[11], wel hebben waargenomen: daarvan zal uwe A. konnen oordeelen, als die hier t' huis hoort, en als een treffelijk lidmaat onze letterkunstige vergaderinge niet weinig vereerde. Omhels dan, waarde heer en vriend! onzen en der anderen arbeid liefelijk, en, na uwe gewoonte, straf de misslagen heuschelijk, en leef hier voorspoedelijk, en namaals eeuwelijk. T' Amstelredam, dezen zesten van Oogstmaand, 1625.
Uwe E. A. verplichte J. VAN DER VONDELEN.
INHOUD.
Als den Grieken, nadat ze Trojen verdelgd hadden, weêr en wind tegen was, en dat ze hierdoor gehinderd werden, anker te lichten, en naar huis te keeren, zoo verscheen hun bij nacht Achilles' schim; die belastte hen, dat ze Polyxena[12] zijne assche tot eene offerande zouden slachten. Agamemnon weigerde, de koninklijke maagd ter uitvaart over te geven. Nadat men Calchas om raad gevraagd hadde, antwoordde hij, dat dit niet mocht nablijven, dat deze het eenige beletsel der vlote was, en aldermeest Astyanax, de zoon van Hector, dien men noodzakelijk most ter dood brengen. Waarom Ulysses Astyanax uit zijnen schuilhoek hervoor dede komen, en afstortte van de Sceesche poorte; en Pyrrhus slachtte, op zijnes vaders tombe[13], Polyxena, die, als eene koninklijke bruid cierlijk uitgestreken[14], hem Helene toebracht.
Dezes treurspels tooneel is in der Grieken leger voor Trojen.
PERSONAGIËN.
HECUBA. (Weduwe van Priam, koning van Troje). REI VAN VROUWEN. (Trojaansche vrouwen). TALTHYBIUS. (De Herout der Grieken). PYRRHUS. (Grieksch veldheer, zoon van Achilles). AGAMEMNON. (Koning van Argos en Mycene, Opperbevelhebber van 't Grieksche leger voor Troje). CALCHAS. (De wichelaar). ANDROMACHE. (Weduwe van Hector, Priams zoon). RAADSMAN. (Een grijzaart, in dienst van Andromache). ULYSSES. (Koning van Ithaka). ASTYANAX. (Zoontje van Hector en Andromache). HELENE. (Echtgenoot van Menelaus). BODE.
De Amsteldamsche Hecuba.
DE EERSTE HANDEL.
HECUBA.
Die op een rijk vertrouwt, en kracht geeft zijn' geboden In een geweldig hof, en niet is voor der Goden Lichtvaardigheid beducht, en, na zijns harten lust, Te reukeloos in weelde en blijde voorspoed rust, Die spiegel zich aan mij en Trojen eens te dege; 't Lot wees nooit klaarder aan, hoe slibbrig d' opgestege En pratte vorsten staan. Die pijler, trots en schoon, Die zuil van Aziën, dat werrekstuk der Goôn, Te gronde is neêrgestort, wien ooit[15] ten dienste stonden Hij, die den Tanais[16] drinkt, die uit zijn zeven monden De koele stroomen braakt; hij, die met recht gezicht Ziet rijzen en begroet 't herboren zonnelicht, En 's Tigers laauwen vliet mengt met de roode baren[17]; En zij, die, buurvorstin[18] der Scythen, met veel scharen, En weduwlijke stoet, staag Pontus' strand berent;-- Dat Troje leît ter neêr, door vier en staal geschend, Pergamum[19] heeft op 't lest met puin bestulpt zich zelve. Daar leit die hooge praal van heerlijken gewelve[20], 't Geweld van muren, met zijn daken, gants tot schand, Vernield door 't wellend vier. 't Hof staat in lichten brand; 't Huis van Assaracus rookt over alle straten. De vlam geen plondring weert van woedende soldaten. In 't brandend Trojen elk om 't zeerste rooft en ruit, En 't kolken[21] van den rook den open Hemel sluit; De vonken en het vier van d' Iliasche gevels Bezwalkt den dag, als waar hij dik bekleed met nevels. Ziet den verwinner daar eens heet van gramschap staan, Die vast de taaye stad schouwt met zijne oogen aan; De gramme krijgsman, nu gemat[22] en wel ervaren, Den tijd ontschuldigt, die gesleept heeft vijf paar jaren. Nog schrikt hij al bedeesd voor de overheerde stad, En schoon zij leît verplet, nog naauwlijks acht hij, dat Zij voor hem winbaar was. De plonderaars die slepen En torschen vast den roof, te zwaar, om duizend schepen Te laden met den schat. Ik, droef en afgetreurd, Der Goden heiligheid, op mij dus hoog gesteurd, Neem tot getuige, en d' asch mijns vaderlands te gader, En u, der Frygen voogd[23], en veler vorsten vader, Den welken Troje dekt, bestulpt door al 't gewicht Van 't neêrgedreven rijk, dat boven op u ligt! Daartoe[24] den geest van u, die al 't geweld hield tege', En Ilium hield staan, en waart der Frygen zege, Zoo lang gij staande bleeft[25]; en u, o groote schaar, Maar kleindre schimmen doch, mijn' kinders al te gaâr! Dat ik al 't leed, 'twelk ooit ons prangde, en 'tgeen de ontstelde Apollo's priesteres[26] ons ooit te voren spelde (Met een bezeten[27] mond, als van verstand beroofd, Maar door 't beleid der Goôn van d' onze nooit geloofd), Al lang te voren heb, van mijnen Paris zwanger, In eenen droom voorzien, en heb mijn vrees niet langer Verzwegen, noch geheeld; maar, vóór Cassandra vroeg[28], Elk mijn waarzeggen steeds als zotternij beloeg. De schalke Ulysses niet, noch die hem 's nachts verzelde, Noch Sinon, vol bedrogs, in brand ons Trojen stelde; Ik, ik ben stokebrand: mijn vier is 't dat er blaakt, En Ilium is van mijn toorts in brand geraakt. Maar, ouderdom, die zijt te leefbaar! waartoe 't weenen, Om de uitgerooide stad, om de omgestorte steenen? Rampzalige vorstin! den verschen rouw aanschouwt: Zet Trojen aan d' een' zij'[29]: dat ongeluk is oud. Ik heb vervloekter feit gezien, vol schriks, en beven, Des ouden konings moord, een schellemstuk, bedreven Door Pyrrhus' wreed geweer; die zelf, voor 't hoog outaar Der Goôn, met felle vuist, het grijze koningshaar Omwrong, en dreef het staal, o droevige vertooning! Wel diep ter wonden in; 'twelk d' afgeleefde koning Vrijwillig heeft ontvaân; zoo dat het zwaard verwoed Ten strotte aan d' andere zijde is uitgekeerd bebloed. Wien zou die grijze kop, wien zouden de getuigen Van 't schelmstuk, zelfs de Goôn niet hebben konnen buigen? En 't oude heiligdom van 't neêrgevallen rijk? Priaam gebeurt geen graf; hij, die zoo groot een wijk, En steun van kindren had, tot vesting van zijn landstaat, Derft nu zijn leste vlam[30], daar[31] Troje gants in brand staat. Nog bluscht dit jammer niet der Goden gramschap uit: De vorsten met de bus vast loten om den buit Van 't hooggeboren bloed, om vreedzaam t'huis te varen, Met Priaams dochteren, en aangehuwde snaren[32]. Wie zal mij, slechten buit! meêvoeren over zee? Dees heeft zich Hectors bruid[33] ten troost verloofd alreê; Dees wenscht om d' eêgemaal van Helenus, mijn zone, Die om Anthenors lief; en, o, mijn overschoone Cassandra, droeve maagd! daar is er meer als een, Die na uw kuischheid dingt. Ik oude vrouw alleen Der Grieken afkeer ben; mijn lot doet ieder duchten. O gij gevangen sleep! wat houdt gij op van zuchten? Slaat droevig voor uw borst, en tijt aan 't huilen stout: Heft op een veldgeschrei, en Trojens uitvaart houdt. Op, op! met droeven galm: laat Ide[34] uw klachten hooren, Wiens vierschaar heilloos was tot ons bederf beschoren.
REI VAN VROUWEN, HECUBA.
REI.
't Kermen is niet nieuw, noch 't klagen. Die[35] gij rouw belast te dragen: Neen, wij pleegden dit geween Heele jaren achter een;
Sedert Paris' minne blaakte, En de Grieksche Amyclen[36] naakte; Sedert hij de Ægeesche zee Met zijn heilig[37] pijnhout sneê;
Ida tienmaal was beslagen Grijs van sneeuw, en wintervlagen; Ida kaal gemaakt van hout, Om onz' lijken[38], menigvoud.
Tienmaal ook de maayer maaide In 't Sigeesche veld 't gezaaide, Dat er niet een dag en gleê, Of hij brocht zijn' droefheid meê;
Of de daaglijksche ongenuchten Gaven oorzaak om te zuchten; Houdt in treuren al die maat, Daar Mevrouw ons voor in gaat.
Hef dan op uwe hand, Mevrouwe! Wij zijn volgsters van den rouwe, Die[39] getreur en droefenis Lichtelijk te leeren is.
HECUBA.
O, getrouwe gezellinnen Onzes vals, bedrukt van zinnen! Slaat uw haren in den wind, En uw tuiten fluks ontbindt.
Laat de ontsnoerde vlechten dekken, En beslaan de droeve nekken; Dat de schaar, met luid geschrei, De armen uitstrekke allebeî,
En, begruisd van d' asch der stede, Die berei'[40] met lossen kleede; Onderknoopt ook uwen schoot, 't Lijf zij tot den buik toe bloot.
Kuischeid, die nu zijt gevangen, Waarom verwt de schaamte uw wangen? Op wat bruiloft hoopt ge nu, Dat ge uw borsten dekt zoo schuw?
Dat de sluyer met zijn vouwen Gord' den neêrgeslagen bouwen[41]! Handen, randt het lichaam aan, En beledigt u[42] tot slaan!
O dat jammeren, dat slaagt[43] me! O dat wezen, dat behaagt me! Dat behaagt me! 't voegt ons lot: 'k Zie nu Trojens overschot.
Dat zich wederom verheffe 't Oud getreur, en overtreffe De gewone droefheid vrij: Hector, u beschreyen wij!
REI.
't Haar, gedund door al het scheuren, En 't veelvuldiglijk betreuren, Wij, met rouw in 't hart geroerd, Hebben al te zaam ontsnoerd:
Knoop- en strikkeloos al weder Hangen nu de vlechten neder, En ons aanschijn op dit pas Is begruisd met smeulende asch.
HECUBA.
Vult met puin en stof uw handen; Want de vijand, na 't verbranden Van onze uitgerooide stad, Niet[44] gelaten heeft als dat.
Laat de kleedren van u allen Van de naakte schoudren vallen, En de neêrgezakte kleên Stutten van ter zij de leên!
Nu, nu droefheid! baar[45] uw krachten, Want de bloote borsten wachten Naar de rechte en slinkehand; Vult met druk 't Rhœteesche strand!
Dat de galm, die zich gaat schuilen In 't gebergte, in holle kuilen, Niet, gelijk hij is gewend, 't Leste woord te rugge zend;
Maar de gansche klachten strooye Wederom, van 't woeste Troje. Laat vrij hooren zee en lucht Ons gesteen, en ons gezucht!
Smijt de borst met felle slagen. Handen, woedt! 't gewoonlijk klagen Mij niet mag vernoegen nu. Hector, wij beschreyen u!
REI.
Om u, zonder zich t' erbarmen. Slaat en krabt onz' hand dees armen; Om u is zij dus verwoed Op de schouders, vocht van bloed;
Om u slaat ze 't hoofd vol wonden; Om u hangt de borst geschonden, Opgekrabt en aangerand, Van een wreede moeders hand.
All' de wonden en kwetsuren, Die ik eertijds most verduren, Die ik aan mijn lichaam gaf, Op uwe uitvaart, aan uw graf,
Vloeyen, opgekrabt, als beken; Van veel bloeds zij stadig leken. Zuil, die hielt in zijnen stand, 't Lang verdedigd vaderland!
O, die weêrstond, zoo veel dagen, Deze ons toegeschikte plagen; Gij waart ons een muur en schut, En der matte Frygen stut.
Tien jaar hebt gij, met uw schoudren, 't Rijk gestuttet uwer oudren; Gij alleen hebt, tien jaar lang, Ons bewaard voor ondergang.
Maar zoo haast gij zijt gevallen, Vielen ook die heilge wallen; 't Was een zelve laatste dag, Die onz' stad en Hector zag.
HECUBA.
Keert uw klachten elders henen En wilt Priaams lijk beweenen; Schreit op nieuw met luide keel, Want mijn Hector heeft zijn deel.
REI.
Hoor het zuchten en het schreyen Van onz' weeuwelijke reyen, Onze vader! die vermand Tweemaal waart van 's vijands hand.
Trojen heeft, in uwe dagen, Geene plaag maar eens gedragen; Dardans muren zijn tweemaal Omgebeukt van 't Grieksche staal.
Pergamum most tweemaal zwichten Voor Alcides'[46] boog en schichten, Nadat al gebracht ter aard' Is, dat Hecub' heeft gebaard:
Na 't verbranden zulker beenen[47], Die hier halve Goden schenen, Draagt me uw lijk, o vader! uit: Dat de leste stacy sluit;
En geslacht Jupijn ter eeren, Moet uw lichaam 't graf ontberen, En uw romp, met smaad en schand, Drukken het Sigeesche strand.
HECUBA.
Elders, dochters der Trojanen Keert uw biggelende tranen: Jammert niet om Priaams end, Hij voelt droefheid noch ellend.
Zegt, dat het een groot geluk is Dat hij vóór ons uit den druk is, En zoo vrij benedenwaart, Naar het rijk der schimmen, vaart.
Hij en zal niet, half bezweken, Dragen 't lastig juk der Greeken[48] Droef op een gebonden hals; Schouwspel na veel ongevals!
Hij heeft niet gezien de Atriden In zijn ongeluk verblijden[49]: Noch aanschouwt in zijne smart Dien Ulysses, valsch van hart.
Noch op Argos zegefeeste Zal hij niet, beangst van geeste, Dragen met stokoude leên Hun hovaardige trofeên;
Noch men zal zijn handen beide, Daar hij scepters mede zweide[50], Tot zijn hartzeer en verdriet, Op den rugge vleuglen niet;
Noch de last van gulde boeyen Zal zijne armen niet vermoeyen; En, na zoo veel tegenspoeds, Zal hij Agamemnons koets
Niet, met ijzers aan zijn beenen, Volgen, en 't verheugd Mycenen[51] Zonder purper, zonder kroon, Tot een schouwspel staan ten toon.
REI.
Priaam, van de dood verbeten, Wij te zamen zalig heeten; Varende op eene andre steê, Droeg hij zijne rijken meê.
Veilig gaat hij druk versmaden Onder de Elyzeesche bladen, Bij de vrome schimmen, daar Hij zijn Hector wordt gewaar.
Wel hem, die in nederlagen Alles met zich ziet verslagen! Dit viel Priaam nu te beurt, Dies niet langer om hem treurt!
TWEEDE HANDEL.
TALTHYBIUS, REI.
REI.
Hoe lange draalt altijd de Griek in havens schoot, 't Zij hij ten oorloog trekt, of t'huis keert met de vloot! Meld d' oorzaak, die zoo lang de schepen doet verbeiden, Wat God[52] de wegen sluit, die ons te rugge leiden.
TALTHYBIUS.
't Gemoed, dat beeft me, en schrik schudt trillende al mijn leên. Een onwaarschijnlijk spook[53], en meerder als gemeen, Wordt zelden vast geloofd; ik, met mijne eigene oogen, Ik zelf heb dit gezien. De zon begost te hoogen, En streek der bergen kruin; de duisterheid, die lag Alreê verwonnen door den opgerezen dag, Als 't aardrijk schielijk heeft, met schudden en met beven, Uit 't binnenst zijner schoot, een naar geloei gegeven; De boomen schudden 't hoofd, 't verheven woud geparst[54], En zelf het heilig bosch, dat dondert met een' barst; 't Gebergt van Ida smelt in morseling[55] van steenen, En 't aardrijk niet alleen en siddert, maar met eenen Wordt Thetis zelve in zee haar eigen zoon[56] gewaar, En kemt haar vloeden glad. Doen opent d' aarde daar Van een gereten fluks haar holen en 't wanschapen[57]: En Erebus verschaft, langs 's aardrijks grouwzaam gapen, Een vrij en open pad naar 't volk om hoog bedeesd, En licht den steen van 't graf. Te voorschijn kwam de geest Van Scyros' hartog[58], zoo als hij den aantocht mende[59], En velde in 't harnas neêr de strenge Thraciêr-bende, En dede, o Troje! u zien het voorspel van uw leed; Of doen Neptunus' zoon[60] hij dood ter aarde smeet, Die op zijn jeugdig hoofd met zilverharen pronkte; Of als hij in 't gedrang met forschen moede ontvonkte, En heele stroomen heeft met dooden toegestopt, Doen Xanthus in zijn wad[61], aan lichamen verkropt, Ging zoeken zijnen weg en na zijn uitgang vragen; Of als hij zegenrijk aandreef den oorloogswagen, En 't lijk van Hector sleepte, en Ilium met hem. Naar over 't heele strand klonk zijn vergrimde stem: "Onaardige[62]! gaat heen, ontdraagt te dezer stonde Mijn geest die eer, waar toe mijn deugd u heeft verbonde; Ontmeert[63] de ondankbre vloot, om door onz' zee te gaan! Mijn gramschap staat u dier, en zal u dierder staan, Ten zij Polyxena, verloofd zijnde aan onze assche, Door Pyrrhus' hand geslacht, het graf besprenge en wassche." Zoo sprekende overluid, brak hij den dag in tweên Met een heldonkre nacht; en dalende beneên, Den grouwelijken kuil, nog naauwlijks neêrgedoken, Met t' zamen loopende aard' hij heelde; en, na het spoken, De zee haar baren stilt, en langer niet meer woedt, En 't heele meer[64] bedaart, en mort met zachtren vloed. De rei van Tritons uit het diep, tot vreugd gedrongen, Het hoofd om hoog stak, en heeft 't bruiloftslied gezongen.
PYRRHUS, AGAMEMNON, CALCHAS.
PYRRHUS.
Als gij met blijden zeil' zoudt keeren zeewaart in, En[65] kwam Achilles u niet eenmaal in den zin? Hij, door wiens eenge hand dat[66] Trojens hooge vesten Geschuddet, zijn gesloopt en omgestort ten lesten; Waarmeed' hij heeft geboet[67], in korten tijd, al 'tgeen In Scyros is gemard[68] en Lesbos, 'twelk in tweên De Ægeesche golven klieft. Zoo haast hij was gebleven, Stond Trojens wal[69] beducht, waarheen hij zich woû geven[70]. Al waart gij schoon gereed, te schenken in der daad Hetgeen hier wordt geëischt, nog komt het al te laat: 't Lot heeft den vorsten reê hunn' prijzen toe gaan leggen. Wie kan zoo klein een loon zoo groot een deugde ontzeggen? Verdiend' hij luttel, dien, gelast den krijg alom Te vlieden, en gerust met langen ouderdom Zijn tijd te brengen door, om, zonder schrik en beven, Den ouden Nestor en zijn' jaren t' overleven, De moederlijke list nochtans en 't vrouwekleed Afleîde, en door 't geweer[71] zich, willig, man beleed[71]. Wanneer dat[72] Telefus, oploopende en vermetel, Door zijn ongastvrij rijk en Myziaanschen zetel, Den pas geweigerd had, zijn' koninklijke wond[73] Verwt d' onervaren hand, die namaals hij bevond Zoo zoet[74], als streng in 't eerst. Zelf Theben most bezwijken, De vorst Eëtion verovren zien zijn rijken, En klein Lyrnessos, dat aan 't hoog gebergte leît, Leed diergelijken val, en 't land, wiens naam verbreid Door 't vangen van de maagd Briseïs is geworden, En Chryse, de oorzaak, dat de Grieksche vorsten morden, En lagen overhoop, en Tenedos befaamd, En dat het Traciêr vee, in vruchtbaarheid vernaamd[75], Met vette weiden voedt, en Cilla, onder andre Apollo toegewijd. Wat wil ik na malkandre Ophalen alle steên, die, rijk van vee en volk, Caïcus[76], door den vloed verhoogende zijn kolk, Met wintervocht bespoeld. Zoo groote nederlagen, En veler volken schrik, en steden neêrgeslagen, Gelijk voor dwarrelwind verstuift het lichte stof, Zou zijn eens anders roem, en alderhoogste lof;-- Achilles deê 't ter loop[77]. Zoo kwam mijn vader trekken Die uitgevoerde krijg, de val zoo veler plekken[78] Toerusten[79] heet bij hem; dat ik hierbij niet voeg' Zijne andre feiten, was een Hector niet genoeg? Mijn vader Ilium verwonnen heeft; ten lesten Komt gij, en doet niet meer als breken zijne vesten. Het lust mij, op dit pas, eens door den drang[80] te gaan Van vaders hoogen lof en wijdberoemde daân: Lag Hector niet geveld voor 's eigen teelders oogen, En Memnon voor zijn ooms[81]? om wien zich kwam vertoogen[82] De moeder in een schijn[83] heel anders dan zij plag, En met haar doodsche verwe aanvoerde een droeven dag. Zelf d' overwinner heeft een afschrik van het voorbeeld Zijns eigen daads[84]: waardoor Achilles merkt en oordeelt, Dat Godenkinders ook geraken aan hun end. Penthesilea doen, ten zadel uitgerend, Der Grieken jongste schrik[85], gevallen is ter aarde. Indien ge Achilles deugd wilt schatten na heur waarde, Al eischt' hij Argos' puik of een Myceensche bruid, Gij zijt daartoe verplicht. Hoe twijfelt ge? spreek uit! En staat ge 't nog niet toe? wat zal men langer wachten? Is 't wreedheid Priaams zaad voor Peleus' zoon te slachten? Gij, vader! hebt wel zelf uw dochter om Heleen Geofferd; 'tgeen ik eisch is al gebeurd voor heen.
AGAMEMNON.