De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem
Part 8
Zoo suikre woorden Haar ziel bekoorden; Ontvonkt door deze stem, Greep zij verliefd naar hem, Die met een heilig spook[3] verdween gezwind. Zij uit verdriet Riep: "eer gij vliedt, Koom, kust ze, die ge mint!"
[1] _zitplaats_.
[2] _zwaait_; zie reeds vroeger.
[3] _verschijning, droomgezicht_.
ZANG,
OP DE WIJZE: IETS MOET IK U, LAURA! VRAGEN.
DE POËET. Dianier roeide in een schuitjen, Met haar keeltjen, onder 't fluitjen Van haar vrijer Koridon. Doris'[1] kroost, met natte pruiken, Fluks kwam van den grond opduiken, En zich bakren in de zon.
Na veel zingens, dees gelieven Beurt om beurt een lied aanhieven, Liedjen, zonder wederga: Zij prees 't mijen, hij het huwen, D' een woû vrijen, d' ander schuwen; Zij zong voor, en hij peep[2] na:
DIANIER. "Maagden, die den rei vercieren, Zijn als Febus' lauwerieren, Maagden groenen als de palm. Wat zijn vrijers woorden heden, Hun beloften en hun reden, Meer als krachtelooze galm?"
KORIDON. "Maagden, die de min uitsluiten, En hun jeugd verijdeltuiten, Noch[3] verwekken iemands gonst;-- Men mag 't zus of zoo bewimplen, Och! wat is het, als met rimplen D' ouderdom het voorhoofd fronst?"
DIANIER. "'t Voorhoofd fronst ze, die met zinnen En gedachten slaat aan 't minnen. Is het niet een zotte klucht[4], Dat men laat zijn vrijheid slippen, Om het drukken van de lippen, Om een scharrebiers-genucht?"
KORIDON. "Zotter is 't, 's jeugds frissche rozen Slaloos[5] te verreukeloozen, En den minnaar slechts te spijt, Na goê dagen en kwâ nachten Vreugd noch zegen te verwachten, Maar elks laster en verwijt."
DIANIER. "Koridon! gij meugt wat praten, Maar ik zal u eeuwig haten; Boeit me niet door dwaze trouw."
KORIDON. "Dianier! 't zijn meiskens vlagen, 'k Zal u eeuwig liefde dragen, En hoog achten als een vrouw."
DIANIER. "Ja, zoo fluit men met verlangen, Om het vogeltjen te vangen, En te sluiten in een kouw."
KORIDON. "Neen, zoo lokt het harder-knaapje Om het afgedwaalde schaapje, Dat hij garen hoeden zou."
DIANIER. "Koridon! zet me op aan d' elzen."
KORIDON. "Die malkanderen omhelzen?"
DIANIER. "Koridon! gij zijt een boef, Laat de maagden eenzaam peinzen!"
KORIDON. "Dianier! hoe kun je veinzen? Zonder vrijer, zonder troef[6]."
DE POËET. Onder 't spel van zang en fluitjen, Vat een stormken 't zeil van 't schuitjen, Met sloeg 't om. Zij riep in nood. Hij omarmde Dianiertjen, En kreet: "water, blusch geen viertjen!" Dronk met haar een zoete dood.
Stroom-godesjes d' uitvaart vierden, En hen beî ten oever stierden: Daar één graf twee lijken kreeg; Sedert hier de zieltjes waarden[7], En haar stemmen voeglijk paarden. Zong zij hoog, zoo peep hij leeg.
[1] De bekende zeenimf, hier voor _waternimf_ in 't alg.
[2] Voor _pijpte, floot_.
[3] Lat. voor _en niet_.
[4] _zot stuk_ (_klucht_ niet in zijn latere, maar zijn oorspronkelijke beteekenis, als _deel_, genomen).
[5] _achteloos_; verg. daarover De Jagers aant. in zijn _Archief_ II, bl. 227.
[6] _geluk, heil_.
[7] _zwierven, rondwaarden_.
BEEKZANG, AAN KATHARINA.
Wijkerbietje, die bij 't beekje Nestelt, en geeft menig steekje Die uw honig komt te dicht[1]; Wakker nymfje! die zoo klaartjes Met uw oogjes, op de blaârtjes Flikkert, blikkert, straalt, en licht;--
Zeg mij, meisje! die zoo netjes, Poezelachtig zijt, en vetjes, Levend, helder, welgedaan! Waarvan moog je zoo wel tieren, Daar al de andre arme dieren[2] Bleek en treurig kwijnen gaan?
Eet je slaatje met een eitje? Drink je niet dan schapeweitje? Pluk je moesjen[3] uit den tuin? Bak je struifjes van de kruitjes? Trek je heen, na zomerbuitjes, Om lamprei en k'nijn, in duin?
Slaap je op dons van witte zwaantjes? Lek je muskadelle traantjes? Hou je een ongemeenen stijl? Leg je in schim[4] van koele boompjes? Droom je daar geen andere droompjes Als van suiker uit Brezijl?
Zwem je in lachjes en genuchtjes? Leeft uw geest in zotte[5] kluchtjes? Springt uw zieltjen in uw lijf? Erf je niet als heil en zegen? Ben je juist van pas geregen, Niet te los, noch niet te stijf?
Zeg het toch uw medemeisjes, Vol zwaarmoedige gepeisjes, Heel uw speelnoots algelijk; Red die diertjens van haar tering, Onderkruip den Haes[6] zijn neering, En wordt dokter van de Wijk.
[1] _te nabij_.
[2] _meisjens_.
[3] _groente, kruiden_.
[4] _Schaduw_.
[5] Zoo lees ik voor _zoete_, dat niet anders dan een drukfeil of een latere wijziging is; zie 't aangeteekende hiervoor, bl. 168, aant. 4.
[6] Den Wijkschen geneesheer.
OP HET TROUWEN VAN JUFFROUW
MAGDALENA VAN ERP[1] MET JUSTUS BAECK.
Veel Baken staan ten toon voor u en ieder een, Maar deze Baak is nu voor u, o Maagd! alleen.
[1] De jongere zuster van Hoofts vrouw.
OP DEN HEER
JUSTUS BAECK EN MAGDALENA VAN ERP.
Gij ziet hier Justus' beeld en 't beeld van Magdaleen, Doch ieder half; waarom? twee halven maken een, Één eenig hart, één wil, één zelven lust en leven; Men ziet dees eenigheid in twee paar oogen zweven En zwieren: Erp verstrekt een spiegel van heur Baeck. Zoo spreekt de stomme verf: mij dunkt, ik ken hun spraak.
OP MEVROUW, DE DROSTIN VAN MUIDEN,
KRISTINE VAN ERP[1].
Beluit Kristijn met droeven zangk, Zij volgde dichtst[2] den cymbelklank Van Swelink[3], onder al Het maagdelijk getal, En won elks hart, als een slavin Van ieders rust, en geen Drostin Van Muidens hooge slot. Zij erv' haar prijs bij God!
[1] Den 6den Juny 1624, op 33jarigen leeftijd, aan de tering overleden; verg. Hoofts _Brieven_ I, bl. 244.
[2] _kwam het meest nabij_.
[3] Zie boven, bladz. 154.
OP DE AFBEELDING VAN HANS DE RIES[1].
Uit 't wezen leering straalt, alleen ontbreekt 'er 't leven Van hem, die God ons als een kleinood heeft gegeven: Die, van zijn wiege tot zijn' grijzen ouderdom, Den bouw betrachtte van 't bouwvallig Kristendom; Die storm op storm versmaânde, en uitstaande als een sterke, Verstrekt een heilzaam zout en licht in Kristus' kerke.
[1] Leeraar der Waterlandsche Mennonieten te Alkmaar; geb. te Antwerpen in Dec. 1553. Zie zijn Levensbericht en afbeelding in Schijns _Gesch. der Mennonieten_ II, bl. 482 v.v. (Daar het portret reeds in 1619 door Mierevelt geschilderd werd, kan ook dit bijschrift, even als het volgende, reeds van een jaar of wat vroeger zijn).
OP DE AFBEELDING VAN LUBBERT GERRITSZ.[1]
Gij, Kriste wormkens! die ploeg-ijzers maakt van zwaarden En sprengt[2] in 's Drieheids naam alleene den bejaarden, Ziet uwen leeraar hier, zoodanig van gelaat, Hoedanig hij zelf was, die, na der kerken vrede[3], Zoo vierig een halve eeuw eens leeraars ampt bekleedde, En Kristus vruchten wan[4], door onverganklijk zaad.
[1] Hans de Ries' boezemvriend, leeraar der vereenigde Waterlanders te Amsterdam. Geb. te Amersfoort in 1535, overl. te Amsterdam in 1612. Zie aldaar, III, bl. 1 en vv. (Het portret werd in 1607 door Mierevelt geschilderd).
[2] _doopt_.
[3] Die van Augsburg, in 1555.
[4] Thans _won_.
OP URBAAN DEN ACHTSTEN[1].
Wat Godheid vol ontzags is dit, Die daar op zeven bergen zit, En zwaait, met zijne rechte hand, Dien bliksemstraal, en gloênden brand, Vervaarlijk als de Dondergod? Terwijl hij, uit het hooge slot, Een ieder handelt[2] zoo beleefd[3], En streelt, en smeekt[4], en zegent, heeft Hij onder zijn schabel[5] gebracht En zolen 't oorloogsforsch geslacht; En, trapplende op 't gekroonde hoofd Der grootste koningen, verdooft Het gloeyend purper van den raad Der vadren, die rondom hem staat; Gelijk 't gestarrent[6] flaauwt en daalt, Zoo ras de zon in 't Oosten straalt Van goud en rozen, uit haar troon. Verhuist Jupijn met al de Goôn? En vaart hij uit den Hemel, om Het kapitool, zijn heiligdom, Te gaan bezoeken? wat gezag Brengt de eerste tijden voor den dag, En voert den ouden Numa[7] weêr Te Rome, met zoo groot een eer? En levert Rome weder aan Den grijzen Numa onderdaan? Terwijl 't gemoed dit overleît, Zoo luistert mij mijn geest, bereid Te baren, en gedreven door Iet Hemelsch, dit al stil in 't oor: "Dees is de groote sleutelvoogd Van 's Hemels poorte; rust nu; poogt Niet meer te weten; buig uw kniên, En kus zijn voeten, wijd[8] ontzien."
Te Rome, met den ingang des gulden jaars 1625. Vertaald uit mijn broeders[9] Latijn.
[1] In 1623 Paus geworden.
[2] Thans _behandelt_.
[3] _minzaam_.
[4] _vleit, vleyend bejegent_.
[5] _voetbank_.
[6] _gestarnte_.
[7] Koning Numa Pompilius van Rome.
[8] verre.
[9] Willem van Vondel (verg. boven, bladz. 118b, aant. 2), die zijne hoogere studiën te Orleans met het Doctoraat in de Rechten was gaan bekronen, en daarop, naar Italië getrokken, nog negen maanden lang aan de school te Siëna verbleef.
OP "DE LEDIGE UREN" VAN DEN GEESTRIJKEN HEERE CONSTANTIN HUYGENS[1].
De groote Constantijn[2] mag brallen op zijn tronen En op 't geheiligd goud van Oost- en Wester-kronen; Maar gij, o Constantijn! de Fenix van ons Hof[3], En naamt zijn kronen-goud niet voor uw lauwer-lof. De keizer bouwde een stad[4], om met zijn naam te pralen, Gij bouwt Apollo's kerk in vierderhande talen[5]. Geen stad bewaart den naam (zij stort of zij verbernt), Maar de opgehangen lier in 't midden van 't gesternt.
[1] Onder den Latijnschen titel _Otia_, in zes boeken, in 1625 in 't licht gegeven. Verg. voorts Hoofts' schrijven aan Huygens, _Brieven_ II, bl. 450.
[2] De Romeinsche keizer.
[3] Als geheimschrijver des Prinsen.
[4] Constantinopel.
[5] Zinspeling op Huygens' Latijnsche, Italiaansche, Spaansche, en Hollandsche verzen.
Correcties gemaakt door de bewerker
pagina originele tekst correctie 149a mij te wederstreven. mij te wederstreven." 149b zich boeyen liet en binden. zich boeyen liet en binden." 151b, n14 (boven, bladz. 35a) (boven, bladz. 34a) 152a Dat niet nit 's Hemels boek, Dat niet uit 's Hemels boek, 156b, n53 bl. 146b, aant. 3. bl. 154b, aant. 3. 160a halfland-meerminnen half land-meerminnen 160b, n31 Geboortedicht, bl. 136. Geboortedicht, bl. 150. 161b, n61 bl. 159a, aant. 15. bl. 160a, aant. 15. 163a, n3: verwijzing onduidelijk. Er is geen aant. 12 op pagina 153a. 164a Trooische daken steken. Trooische daken steken." 169a voetnootnummer mist [1] 169b wijd[8] ontzien. wijd[8] ontzien." 169b mijn broeders[9] Latijn, mijn broeders[9] Latijn.