De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem

Part 7

Chapter 73,737 wordsPublic domain

Onduitsche pleiters, zwijgt! Gij hebt uw taal vergeten, Gaat, haalt uw moeders tong, en kakelt dan op 't hof; Komt school bij Boetselaer; die heeft vertaald met lof In plat[2] en zuiver Duitsch den Fenix der poëten.

Spreekt zoo, wanneer gij dingt[3], zoo zal uw landsman weten, Hoe zijne zaken staan. Ontleent geen vremde stof. Uitheemsche Walen[4] schuwt! en maakt het niet zoo grof, Dat wij nog kalk voor steen aandragen, dat wij zweeten[5].

Gemeenebest, schep moed! een vrijheer, een baron Bouwt uw vervallen spraak, en rijst, gelijk een zon, Die, rijk van vier en glans, het hoofd heft uit de kimmen.

En gij, Jupijns geslacht! hoe wel bekomt u dit, Dat in der Staten Raad zoo groot een dichter zit, Die Febus' lauwerhoed[6] verdient, na 't moeilijk klimmen.

[1] Zie boven, bl. 77a, aant. 4. Boetselaer gaf in 1623 _D' eerste Weke_ in 't licht.

[2] _eenvoudig, rond_.

[3] _pleit_.

[4] Fransche woorden, gelijk maar al te veel in de rechtstaal in zwang waren; tenzij men 't (met Van L.) als _keuze_ ('t Hoogd. _Wahl_) opvatte.

[5] Zinspeling op de Babylonische spraakverwarring.

[6] _krans_.

OP DEN BURGERKRIJG DER ROMEREN,

DOOR DEN HEER FISCAAL STORM

UIT LUCAAN VERTAALD.

Wat vordert[1] Brutus' deugd, dat zij de dwingelanden Uit hunnen zetel rukt, en breekt de tronen af, En sticht een vrijen Staat, nadat ze nu den staf Tarquijn geweldig heeft gewrongen uit zijn handen!

Als 't Roomsche volk zoo dol zijn eigene ingewanden Gaat rijten met het staal, dat eertijds wonden gaf Uitheemsche vijanden, en draagt naar 't duister graf Verkregen rijkdom, met gemengde[2] en bloênde handen.

De staatzucht eens soldaats was veler helden dood, En Rome een hard gelag, als 't aanzag en most lijen, Dat Cæsar, met laurier omvlochten, op zijn koets

Keerde uit de slachting van zoo brave burgerijen, Als ooit Italië gekweekt hadde in zijn schoot. Hij won 't gebied, maar met verlies van zooveel bloeds.

[1] _baat_.

[2] Voor _strijdende_ (verg. 't Hoogd. _Handgemenge_).

NEREUS'[1] VOORSPELLING

OP

Den Ondergang van Troje;

UIT HORATIUS.

Toen de trouwelooze herder[2] Zijne huiswaardin Heleen[3], Met de vloot van Ide[4], heen Over zee sleepte, altijd verder, Bond God Nereus, naar zijn' zin, Dus de snelle winden in, Om dien droeven val te spellen:

"Och! hij voert, ter kwader ure, Thuis, die met een oorloogstocht Wordt hereischt, en thuis gebrocht Van den Griek en nagebure; Die, gestoord om 't ongelijk, Zwoer, 't aloude Priaams rijk, En uw bruiloftsfeest te storen.

Och, hoe zweet soldaat en ruiter! Och, wat haalt ge den Dardaan[5] En zijn volk al plagen aan! Pallas wapent den vrijbuiter[6]. Wagen, helm, en beukelaar Rust ze toe, en raast. Voorwaar, Gij zult u vergeefs verlaten

Op den bijstand der Godinne[7], En uw lokken kemmen fier, Spelende, op uw bloode[8] lier, Wijzen, die uw lief en minne De ooren kitlen, en om niet In uw kamer vliên 't geschiet Van den Griekschen boog en schichten;

Voor[9] Kretenzer punt en pezen, En 't gedruisch van Ajax' vaan, Die u kort volgt achter aan; Maar ten leste als een verwezen, Zult ge uw overspellig[10] haar Zien begruisd van stof, te naar. Ziet ge Ulysses niet van achter,

Die uw huizen komt vernielen? Ziet gij ouden Nestor niet, Die van Pylus derwaarts schiet? Teucer zit u op de hielen, Van zijn eiland Salamin; Sthenelus zet dapper in, Afgerecht op oorelogen;

Afgerecht op paardemennen, En den wagen in den slag; Wat vorst Merion vermag, Zult gij levend[11] leeren kennen; Forsche Diomedes' zwaard, Trotscher dan zijn vaders aard, Raast, en streeft om u te vinden.

Gij, een suffert en vol schromen, Zult, al hijgende van smart, Voor hem vluchten, als een hart, Dat den wolf in 't dal ziet komen, En zijn grazen ras vergeet. Anders luidt de heilige eed, Uwe schoone bruid gezworen!

De verbolge vloot en kielen Van Achilles rekken lang Trojes tijd en ondergang, En der joffren tijd en zielen. Na tien jaren wederstand, Zal de Grieksche torts de brand In de Trooische daken steken."

[1] De Zeegod; zie vroeger.

[2] _Paris_.

[3] Menelaus' door hem geroofde gade.

[4] De bekende berg in Klein-Azië.

[5] Trojaan; zie vroeger.

[6] Voor den Griekschen krijgsman.

[7] _Venus_, aan wie Paris, in 't bekende pleit, de appel der schoonheid toegewezen had.

[8] Als geen kloek krijgsman past.

[9] Versta: _vliên voor_.

[10] Anders _overspelig_.

[11] Voor _levendig, krachtig_.

Lijkklacht

over

OVIDIUS NASO,

UIT ENGEL POLITAEN[1]'S LATIJN VERTAALD.

Hier legt een Roomsch poëet op d' oevers van Euxijn[2]. Barbarische aarde dekt de glorie van 't Latijn. Barbarische aarde dekt den meester der vrijagiën[3], Daar d' Ister[4] heene bruischt langs rotsen en bosschagiën, En Rome schaamt zich niet, dat het dien hoofdpoëet Zoo wreed mishandelde, ook veel wreeder dan de Geet[5]. Was in gans Russen[6] dan niet eenen arts te vinden, Die hem in 't kwijnen van zijn kwalen kwam ontbinden, Het koude lichaam stoofde, en warmde in 't zachte bed? Of met een zoete tong dien sterrefdag verzet? Of in het uiterste den pols tastte, eer hij scheidde? Of een hartsterking voor den doodsnik toebereidde? Of de oogen toelook[7], toen 't gezicht gebroken stond? Of uit meêdoogendheid de ziel ving met den mond? O strijdbaar Rome! gij verlette[8] de oude vrienden, Zoo wijd van Pontus, daar hem geen van allen dienden; Men vond'er geen, noch neef, noch dochter, nochte[9] vrouw, Die hunnen vader troostte in ballingschap en rouw; Recht, of hem slechts Koral[10] en sture[11] Bessen[10] kwellen, En Geten, tegens koû gedost met bonte vellen: Recht, of een woest Sarmaat[10], te paarde in sneeuw en koû, Met zijn gestreng gezicht den kranken troosten zoû; Een woest Sarmaat, wiens haar om hals en hoofd en ooren, En wit behijzeld[12] voor 't gezicht blinkt, stijf bevroren. Nog wordt dit lijk van Bes, Korallen, en Sarmaat, En wreeden Geet beschreid, in dien bedroefden staat. De bergen, bosschen, en de wilde dieren weenen, En d' Ister, in zijn kil, onthoudt zich niet van stenen. Men zegt, dat Pontus, hard bevroren, op dien dag De Zeegodin ontdooid in tranen smelten zag. De Minnegoden noch hun moeder niet ontbreken, Met hunne fakkelen het lijkhout aan te steken. Zij sluiten 't overschot des dichters, hier verbrand Tot stof en asschen, in een doodvat met hun hand. Zij gaan het grafschrift kort op Naso's grafzerk snijen: "Dees grafzerk overdekt den meester van het vrijen." De moeder van de min sprengt, drie en vierwerf, trouw De rustplaats van dit lijk met geur en zuivren douw. O, zangrei! offert en vereert dien overleden Een lijkklacht, rijker dan mijn zangkunst kan bekleeden[13].

[1] Angelo Politiano, hoogleeraar te Florence in 't laatst der 15de eeuw.

[2] Ovidius stierf als balling te _Tonia_, bij den Pontus Euxinus (of _Zwarte Zee_).

[3] Als minne-dichter, en met name in zijn _Minne-kunst_.

[4] Thans de Donau.

[5] De volksstam der Geten, aldaar.

[6] _Geheel Rusland_; verg. vroeger.

[7] _dichtsloot_ (verg. nog onze _luiken_ voor de vensters).

[8] _verhinderde, weêrhield_.

[9] De oorspronkelijke, later afgekorte vorm (even als _of_ voor _ofte, om_ voor _omme_, enz.).

[10] Onbeschaafde volksstammen.

[11] _stugge_.

[12] Voor _be-ijzeld, berijpt_.

[13] _in verzen brengen_.

GEZANG,

OP HET LATIJNSCHE WOORD

TRAHIT SUA QUEMQUE VOLUPTAS[1].

't Is den mensch als aangeboren, Dat hij ietwes heeft verkoren; D' een kiest dat, en d' ander dit, Elk kiest zijn bezonder[2] wit. Ieder heeft zijn afgod binnen, Die hij dient met al zijn zinnen; Niemand is ter wereld vrij Van dees zoete afgoderij. Elk wordt van zijn lust getrokken, Die hem schoonst dunkt en kan lokken, Niemand zijn natuur verliest, Elk heeft iet, dat hij verkiest. D' een zijn vreugd schept uit vergaren Van de schelpen, die de baren Strooyen langs het dorre strand; D' ander heeft geen beter pand, Als de rijkdom van zijn bloemen, Van haar reuk en verw te roemen. D' een geen tijd-verdrijf begeert Voor het draven van zijn peerd; Voor het springen, keeren, rennen, En den breidel braaf te mennen: D' ander alle ding belacht, Om tijdkorting van de jacht, Om, in struiken en in hagen, 't Schuwe bosch-zwijn te bejagen, En, in de eenzaam wildernis, 't Wild steeds op zijn hakken is, Met zijn honden en Molossen[3], Die gaan snufflen in de bosschen. D' een trekt met een angel-hoek Nu een baars op, dan een snoek, Dan een spiering, dan een voren; D' ander acht dit tijd verloren, En beloert de vogels schalk, Nu in 't net, dan met de valk. D' een verdient de lauwer-bladen, Om dat hij der helden daden In der Muzen tempel zong, En te pronk haar schilden hong: Is onledig met het lijmen, En het schaklen van zijn rijmen. D' ander slaat de sterren ga, 's Morgens vroeg en 's avonds spa, Wordt door 't ondervinden rijker, Wenscht steeds om een verder-kijker[4], Huilt vaak eens, om dat hij niet In den raad der Goden ziet. D' een zal al zijn neiging strekken Om met Mars te veld te trekken, En treedt, als een leeuw verwoed, Zijnen vijand te gemoet, Daar de barsche wapens klinken, Daar de blanke zweerden blinken; D' ander, vliênde dit geluid, Is een munnik in zijn huid[5], Past op zijn gezette stonden, Is aan 't klokzeel vast gebonden, Acht elk minder als zich zelf, Hangt steeds boven aan 't gewelf[6]; En 't gewijd' heeft uitverkoren, En draait om de kerke-toren, Als de kraayen, 't wuft gespuis, Om de weêrhaan en het kruis; En gaat schuw, gelijk als de uilen In de gaten hen verschuilen, Om het kerk-hof, daar het spenst[7]; 't Is al heilig, wat hij wenscht, Wat hij spreekt, bedenkt, beluistert; Alle menschen zijn verduisterd, Blind en dom, en zonder reên, Soxes[8] is verlicht alleen. Aldus gaat het in dit leven: Elk wordt van zijn geest gedreven, Elk omhelst zijns herte lust, Die hij als zijn bruidje kust.

[1] _Ieder heeft zijn stokpaardjen_.

[2] Met klankverzwakking, voor _byzonder_.

[3] Grieksche honden-naam voor _brakken_.

[4] Zeer gelukkig, als vergelijkende trap van _verre-kijker_.

[5] _van top tot teen_.

[6] _zweeft omhoog_.

[7] _spookt_ (verg. 't Hoogd. _Gespenst_).

[8] De _bedoelde monnik_.

Gekken te hoop.

(OP 'T WOORD: DAAR IS ZOO IETS.)

Of dit òf dat, elk heeft al iet, Tot 's naasten klein of groot verdriet: De hanen trotschen op haar kam, Het varken denkt: ik voer de ham, De wevers-spoel loopt veel te knap, Om om te zien na pelzers lap; Maar wij Sciëntes[1] zijn geleerd, 't Is 't bonum mentis[1], dat ons eert; Puf met het volkje zonder geest! Wat is een leek meer als een beest? Maar als 't al t' zaam wel is bezien, Wat schelen doch die lieve liên, Waar van elk trotst op zijn uitstek? D' een is een nar, en d' aâr een gek.

[1] Latijn voor _wetenschappelijke mannen_, en het _goed des geestes_.

OP HET

VERONGELUKKEN[1] VAN DOCTOR ROSCIUS.

Zijn bruid t' omhelzen, in een beemd, bezaaid met rozen, Of in het zachte dons, is geen bewijs van trouw; Maar springende in een meer, daar 't water stremt van koû En op de lippen vriest, zich te verreukeloozen[2];

Dat 's van twee uiterste het uiterste gekozen: Gelijk mijn Roscius, beklemd van druk en rouw, In d' armen houdt gevat zijn vreugd[3] en waarde vrouw, En gloeit van liefde, daar 't al kil is en bevrozen.

Zij zuchtte: "och, lief! ik zwijm, ik sterf, ik ga te grond!" Hij sprak: "schep moed, mijn troost!" en ving in zijnen mond Haar adem en haar ziel; zij hemelde[4] op zijn lippen.

Hij volgt haar bleeke schim naar 't zalig Paradijs. Vraagt iemand u naar trouw, zoo zeg: "zij vroos tot ijs, En smolt aan geest, en hij ging met haar adem glippen."

[1] In 't ijs, bij een poging om zijn vrouw te redden; 27 Jan. 1624.

[2] _onbeschroomd te wagen_.

[3] Zoo lees ik voor _vrucht_.

[4] _verhemelde, werd aan de aarde onttogen_.

Op Anthony Roscius.

Hier ziet ge Roscius, door trouw verongelukt, Dat niet één Kristenhart maar heele kerken drukt[1]; Op wien Gods gaven vroeg als druppels nedervielen, En was gezalfd tot troost van lichamen[1] en zielen: Der kruiden kracht hij vergde en voor het lichaam las[2], En door 't beschreven Woord de kranke ziel genas.

[1] Roscius was predikant en geneesheer.

[2] _plukte_.

STRIJD OF KAMP

TUSSCHEN KUISCHHEID EN GEILHEID[1],

GEHEILIGD AAN DE

EERWAARDIGE EN AARDIGE JONKVROUWEN

CATHARINA EN DIANIRA BAECK.

Opdracht.

Jonfers, op wiens kaakskens blozen, Niet naturelijke rozen, Maar die[2] zedigheid en schaamt' Daar op dopte, zoo 't betaamt: Die, zoo lang uw jaren rekken, _Bakens_[3] zult ter deugde strekken: Neemt in 't goede _Kuischheids Kamp_. Als de rookerige lamp Van mijn geest meer lichts wil jonnen, Zal ik bet[4] vernoegen konnen.

Uwe verplichte J. V. VONDELEN.

* * * * *

Aan het beekjen, dat er dwers Lekt door 't boschjen, altijd versch, En in 't vijvertje terstond Zinkt de viskens in den mond; Aan het beekje, dat steeds ebt[5], En in duin zijn leven schept; Op wiens oever goedes moeds Nymfjes lobbren barrevoets; In wiens kil natuur verleent Keitjes, die men met 't gesteent Van een welgeboren vrouw Nimmermeer verwisslen zoû; Op dit beekjen heeft op 't lest Kuischheid zich een burg gevest, En daar, uit zorgvuldigheid, 't Water drie maal om geleid. Wit albast de vesten zijn, Die men best bij zonneschijn Uit de toppen blinken ziet Van rieboordetjes[6] en riet. Op dit slot staat een kapel, Daar, met wind en snarenspel, Een spierwitte maagdenrei Mengt een Goddelijk geschrei[7]. 't Licht, dat door het heilig glas Blikkert, wordt van maagden-was Nacht en dag steeds aangevoed. 't Wyrook ruikt er wonder zoet. Maar der kunstenaren geest Zweeft en leeft er aldermeest, Hier de naald en daar 't pinceel, In tapijt en op panneel. Bij een kristalijne bron, Schijnt Suzanne, kuischheids zon, Te beschreyen 's levens licht, En verwenscht het geil gezicht Van twee grijzerts, die, vol brand, Dingen naar het heilig pand, Dat z' haar man heeft toegewijd. Ziet eens, hoe de schaamte strijdt! Hoe ze worstelt met de dood, Om zoo dierbaren kleinood Te bewaren ongeschend Voor den bruigom, die ze erkent. Elders, als een morgenstar, Blinkt de bruid van Potifar, En, aantrekkelijke pop! Rukt, verliefd, voor Jozef op[8] Haren boezem, daar het beeld Van iet weeldigs inne speelt; Boezem, die naauw aangeraakt Hand en vingers zalig maakt. Boezem, daar een afgods vriend, Die op Isis'[9] feesten dient, Om het offer zou versmaân, En voor 't outer zich ontgaan. Maar ziet ginder, hoe d' Hebreeuw[10], Vliedt van 't lichaam, blank als sneeuw, En zijn mantel onbesmet Laat aan 't overspelig bed. Elders ziet men, hoe Lucrees[11], Als een doodshoofd, bleek van vrees, Als het anders niet mag zijn, Wordt ontheiligd van Tarquijn; Wederom hoe zij terstond Mettet staal haar zelven wondt, En betuigt[12] het kuisch gemoed Met de sprenkels van haar bloed. Elders Dafne, lauwerboom, Schaduw jont den waterstroom, En haar voeten allebeî Stronkelen in slibbrig klei. Meer van diergelijke stof Merkt men hier, de deugd tot lof. Wie voor Kuischheid heeft gestreên, Leeft door 's werelds eeuwen heen. Venus, die te Pafos heerscht, Was de geen, die d' aldereerst' Dempen woû vrouw kuischheids stam, En het slot berennen kwam; Kwam 't bestoken met haar speer, Met een groot ontallijk heer; 't Aterlingsche dwergjen loos Zij tot 's legers maarschalk koos, Deze, toegerust met boog, Tros, en pijlen, moedig toog, Als veldhoofdman, trotsch voor aan, Wel gemoedigd om te slaan. Jok, en lach, en boeverij, Lusjes, kusjes, zotternij, Steekjes, treekjes, en gevlei, Pronkten met zijn leverei. Kuischheid van haar tinne zag, Met het krieken van den dag, Hoe ze werd becingeld dicht Van dat eerloos hoerewicht. Daatlijk sprak zij, preutsch en fier, Tot Cathrijn en Dianier: "Op, trawanten, op! en gaat, En de valbrug vallen laat! Boodschapt Cypris[13], in mijn naam, Dat z' haar met haar zoon niet schaam, Tegen mij in 't veld alleen Half gewapend uit te treên." Beî, na 't oopnen van de poort Traden ze uit, Cathrijn deê 't woord, Als ze Venus in haar tent Vond, met 't boefjen daar omtrent: "Pafus' groote koningin, Met uw stokebrand, de Min, Neemt voor lief de groetenis Van haar, die uw vijand is. Om t' ontgaan 't lang oorloogsramp, Zich erbiedt ze, een vrijen kamp Aan te gaan, en is getroost Dy te wachten, en uw[14] kroost." Venus' moed[15] ontzonk de ziel, Met dat d' handschoen[16] voor haar viel; Min greep ze op. Dees metter vaart, Haastten weder slotewaart[17]. 't Was een lust t' aanschouwen, hoe Men van weêrzijds rustte toe, Om te leveren den strijd, Half bedeesd en half verblijd. Alle vensters lagen vol Nonne-troniën, blank en bol, Als haar vrouw ten vederspel[18] Uitreed op een witte tel, Met een rijdrok[19] hagelwit; 't Kleed, dat voegt haar daar ze zit, Met haar speer, omgord wel stijf; Pijlen ramlen aan haar lijf. Cypris, en haar zoon, vol moeds Werd getrokken in een koets, Van twee zwanen, taai van schacht, Die de min aandreef met kracht. Venus, in het rennen heet, Scheurd' haar vijands opperkleed, Maar de Kuischheid van zich stak, Dat de punt in 't herte brak. "Wend, och wend!" kreet Cypris doen; Als hij zag zijn moeder bloên, Wild' hij keeren metter haast, Maar zij greep hem zoo verbaasd, Greep, en smeet hem metter hand, Schier een steenworp verre in 't zand, Dat hij van zoo zwaren val Hinkt, en eeuwig hinken zal. Daarmeê raakt in rep en roer 't Leger van deze Ooster hoer; Ieder vlucht, een ieder vliedt, Waar zij bleef, en weet ik niet. Maar de Kuischheid, krijgsheldin, Reed met zege slootwaart[20] in, Daar Cathrijn en Dianier Haar bekransten met laurier.

_Finis_.

J. VONDELIUS.

[1] Later onder den titel _Lijfgevecht tusschen Kuischheid en Minne_ in Vondels gedichten opgenomen. Zie den aldus gewijzigden text bij Van Lennep II, blz. 215 en volgg. De oorspronkelijke verscheen in 't boekje _Minne-plicht, alsmede Verscheyden aerdighe en geestighe nieuwe Liedekens en Sonnetten_. T' Amsterdam, bij J. Aertsz. Colom, 1625; in het bezit van mijn kunstlievenden vriend Schinkel.

[2] Zoo lees ik voor _de_, dat waarschijnlijk een drukfeil wezen zal; versta _die, welke_.

[3] Klankspeling, naar den smaak der eeuw.

[4] _beter_.

[5] _afvloeit_.

[6] Anders _raboorden, lischdodden_, of _duikelaars_ (in Overijsel _toetebolten_); over welke verg. Oudemans _Flora van Nederland_ III, blz. 127.

[7] Min gelukkig voor _zang_.

[8] _open_.

[9] De Egyptische godin.

[10] Jozef.

[11] De Romeinsche _Lucretia_.

[12] _getuigenis geeft van_.

[13] _Venus_; zie vroeger.

[14] Bij 't voorafgaande _dy_ ware hier _dijn_ beter.

[15] _gemoed, boezem, borst_.

[16] ter uitdaging.

[17] _slotwaarts_.

[18] Versta: van de _veders_ der pijlen; zooveel als _oorlogsspel_, of (naar de latere lezing) _wapenspel_.

[19] _rijkleed_.

[20] _slotwaarts_.

Wijk[1]-zang.

WIJZE: Periosta.

Cathrijn, die met Diaan ten reye gaat, Die schrander gaauw en wonder jeugdig ziet, De lucht met galm van uw schalmeye slaat, Of huwt uw dans aan eenig vreugdig lied, Of bloemen leest, dicht langs de waterkant, En Faunus, Pan, en menig Sater[2] brandt;

Of uw Godes ten dienst vaak veerskens smeedt, Of jageres der honden koppels leidt, En volgt haar sleep, en in uw leerskens treedt, Als d' uchtend zilvren dauw en druppels spreidt, Wanneer de nacht wijkt, door verborgen nood, De schemering en 't liefelijk morgenrood;--

Zegt, wakkre nymf, die kruid en rooskens plet, Wat lust uw jeugd aan Febus' zuster[3] bindt, Wiens spoor gij volgt, daar zij haar brooskens zet, Is 't, omdat gij dy[4] dus geruster vindt, En schept geneucht, als gij aan 't jagen tijt, Te steuren 't wild, dat uwe lagen mijdt.

Wat lust kan 't zijn te volgen winden[5] gaauw, Ter jacht, en voor den beet van 't wilde zwijn Te duchten? dan, in els of linden schaauw, Schier ademloos te wenschen stil te zijn? Wat lust is 't, als uw rei te gader dringt, En hijgt naar 't nat dat uit zijne ader springt.

't Is gruwelijk, onnoozler dieren hol[6] Krijg aan te doen, en 't groen te sprengen rood Van heilig bloed, en dus te zwieren dol, In 't bosch en voor uw vrouw[7] te brengen dood, Haas, hind, of hert, dat in zijn nooden vaak Veel tranen schreit, en wekt der Goden wraak.

Komt, schuwe maagd! uit 's wouds schuilwinklen[8] voort! Leg af, 't geen bet der krijgerinnen[9] past, Spriet[10], boog, en pijlen, die men rinklen hoort; Leent wijzen 't oor, aanvaart der minnen[9] last, Doolt met de rest, en borgers zeden houdt, Daar Venus volkrijk groote steden bouwt.

Eer Cynthia[11] schept, uit haar broeders schijn[12], Tot negenwerf een rondgeweven vlam, Zult gij geteld met andre moeders zijn, Als 't zieltje, dat uit uw zijn leven nam, Hangt aan uw speen en koost en dertel steent, Of in uw schoot van weelde spertelbeent.

[1] _Scheibeek_, de hofstede der Baaks, (waarvan de afteekening zie bij Van Lennep t. pl.) lag bij de Beverwijk.

[2] _Boschgoden en satyrs_.

[3] _Diana_, als godin der kuischheid en van den maagdelijken staat.

[4] Verbeter u; zie boven.

[5] _windhonden_.

[6] Verouderd voor _het hol van onnoozle dieren_.

[7] _meesteres_, Diana; zie boven.

[8] Thans _hoeken_, sedert _winkel_ een geheel gewijzigde beteekenis verkreeg (verg. echter nog _winkelhaak_ en 't Duitsche _Winkel_).

[9] Thans (door den weggeslonken verbuigings-uitgang) _krijgerin_, en _min_.

[10] _jachtspriet, spies_.

[11] Diana (zie vroeger), maar hier als de maan.

[12] Apollo, als de zon.

Kristelijk Vrijagiëlied.

Op de WIJZE: Van Angenietje.

Teêr Katharijntje Voor 't zonneschijntje, En 's middags hette week, Bij 't ruischen van de beek; Beek, die haar jeugd na 't leven vaak verbeeldt; Daar, frisch en koel, Een luwe stoel[1] De moede leden streelt.

Zij bukte neder, En zag haar teder En vrolijk aanschijn daar; Doen werd ze nog gewaar Een tweeden, die van achter haar beloert: Met greep hij toe: "Hoe" sprak zij, "hoe!" Omziende wat ontroerd.

Hij sprak met eenen: "Gij ziet den genen, Schoon kind! gij ziet hem nu, Voor wien gij vlucht zoo schuw. Ik volg uw spoor; ik jaag, ik loop, ik ren; Opdat uw geest Weet, wien hij vreest, Zoo luister, wie ik ben:

"'t Is waar, geen zegen Van moeders wegen Ik erf, noch haaf noch goed: Hoewel zij daalt van 't bloed Der koningen, een overoud geslacht; Wiens roem zal staan, Door brave daân, En zegeteekens-pracht!"

"Maar uitverkoren, Ik, eerstgeboren, Mij voor geen vorsten schaam: Als eenig erfgenaam Mijns vaders, die met donderen rumoert; Wiens majesteit Geen scepters zweit[2], Maar vier en bliksems voert."

"Laat andre blaken Om rozekaken, Om oogjes bruin als git, Om 't poezelachtig wit; Jont andren 't lijf, eer 't worm of slange knaagt; Maar mij alleen, En anders geen, Uw ziel, o schoone maagd!"

"Uw ziel, o spruitje! Als konings bruidje, Dan zitten zal te prijk, In mijn heer vaders rijk, Daar staâge lust het bedde voor haar spreidt; Daar ze onvermoeid Verzwelgt, 't geen vloeit Van 's bruigoms zaligheid."