De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem

Part 5

Chapter 51,036 wordsPublic domain

[1] Voor _De_; verg. vroeger.

[2] _Het scheepswant_ nam., door 't volgende _koorde_ aangeduid.

[3] _kleedij, tegen een storm_ (of _bolge) bestand_.

[4] _Spits uitloopende hoeden_, naar de dracht dier eeuw; het model zie o. a. in Berkhey's _Nat. Hist. van Holland_.

[5] Voor _vergelegen_.

[6] _zout_.

[7] _in vroeger tijd_.

[8] Nam. _Reael_, die, in 1611 door de O. I. Compagnie naar de Molukken gezonden, van 1616-1618 (na den dood van den Goeverneur-generaal Reynst) dezen in het bewind had vervangen.

[9] _lieft, bezet houdt_.

[10] Het bekende schip, waarop Jason zijn tocht om 't gulden Vlies deed.

[11] Jasons stuurman.

[12] Versta: _uit het oog_.

[13] Thans _aanmatigen_; verg. boven.

[14] De Muze der sterrekunde en hemelteekenen.

[15] _soort_.

[16] Thans, met zwakke verbuiging, _eenen_.

[17] Versta: _die zeeman_.

[18] Freêk, Freêrk, verkort voor Frederik, hier met klankspeling op _vrek_.

[19] _vettig, besmoezeld_.

[20] Voor _Ouden, oude volken_.

[21] _versterkt_.

[22] Dat der eerste reuzen, de hemelbestormende Titans.

[23] Van 't oude _ti-en_, later tot _tijgen_ (gelijk _vlien_, tot _vliegen_ en _vlieden_) uitgedijd.

[24] _gaat er_.

[25] _scheurt_.

[26] De Grieksche zeenimf, echtgenoot van Nereus.

[27] De vijftig _Nereïden_.

[28] _stormgevaarten_.

[29] De _Godenwoning_; verg. boven, bl. 3a, aant. 23.

[30] Zie boven, bl. 138b, aant. 346.

[31] De bekende driekleur der Prinsevlag (_oranje, wit,_ en _blaauw_).

[32] pronken.

[33] De aan Juno gewijde paauw, die haar voertuig trok.

[34] Andromeda.

[35] _galerij_.

[36] Voor _bedacht_.

[37] Venus als beschermgodin van 't eiland Cyprus.

[38] galg voor de _ankerketting_.

[39] _afweringsvlechtwerk_.

[40] _het drijvend vaartuig_.

[41] _scheepskanonnen_.

[42] _Noordpool_.

[43] Thans kommies.

[44] _schie-_ (of eig. _schiet-_) _man_.

[45] _scheepsjongen_; van onzekere afleiding; 't zij van _puts_ (_scheepsemmer_), of 't Zweedsche _putsare_ (ons _poetser_).

[46] Als 't op een strijden gaat.

[47] Met verplaatsten klemtoon; verg. vroeger.

[48] _touw_.

[49] _ver-_ en _gebruikt_.

[50] Het Spaansche _carraca_, voor _vaartuig_.

[51] _spuwt, doet spuiten_.

[52] _valt het_.

[53] _kale duintop_; verg. boven, bl. 154b, aant. 3.

[54] _rotsklippen_.

[55] _nacht-braken, sloven_.

[56] Klanknabootsend voor _'t borrelen_.

[57] _verte_.

[58] Verg. boven, bl. 16a, aant. 164.

[59] Hier voor de _zon_.

[60] Anders de _Plejaden_, het zevengesternte.

[61] Gelijk steeds, voor _lokken_.

[62] Verg. boven herhaaldelijk.

[63] _branding_.

[64] _lot, noodlot_.

[65] _lijdt het, hangt het_.

[66] _De Janitsaren bende_.

[67] _bassa's, hoofden_.

[68] Voor _stuurman_ in 't algemeen.

[69] _ontredderde_.

[70] Noordsch (_sker_) voor afgebrokkelde rots-grond en klippen.

[71] Thans _rots_.

[72] Nam. _uur_.

[73] _zeegodheid_.

[74] Spaansch (_pinaza_) voor _schip_ in 't alg.

[75] _gunt het_.

[76] _omlegt_ (met doek).

[77] der Amazonen, bij den Trojaanschen oorlog.

[78] Agamemnon en Menelaus, als zoons van koning _Atreus_.

[79] _klopt, slaat_; zoo men niet eerder _blikt_ moet lezen.

[80] In maansvorm.

[81] Voor _Grieksch_ in 't alg.

[82] Dichterlijk vrij voor _doet rusten_.

[83] Naar de bekende Grieksche legende had zich Alcyone, bij 't vinden van haar in zee verdronken echtgenoot Ceyx, zelve in zee geworpen, en werden toen beiden door de Goden in ijsvogeltjens veranderd. Verg. later Vondels vertaling der _Herscheppingen_ van Ovidius XI, 410, en vv.

[84] _ofschoon_.

[85] Thans _hengselen_.

[86] van den kompasnaald.

[87] _streeft, zoekt_.

[88] Voor de _sterren_.

[89] Sterrebeelden van dien naam.

[90] Grieksche sterre- en aardrijkskundigen.

[91] De Deensche sterrekundige _Tycho Brahe_.

[92] Thans _niets_.

[93] _zeekaarten_.

[94] _sterregloben_.

[95] _beschilderd_.

[96] Op Cyprus.

[97] Napels.

[98] Voor _dagen_.

[99] Voor 't vaartuig, daarvan gebouwd.

[100] Voor _logen_.

[101] _verdient gelaakt te worden_.

[102] _oogst_.

[103] _naar het zeegroen zweemt_.

[104] _zwaait_.

[105] _zie er_.

[106] Zaamgetrokken voor _naderen_.

[107] Het welbekende Muiderslot.

[108] De Zeegod; verg. het volgende gedicht en aant. 2 hieronder.

[109] _Amsterdam_.

[110] Anders _klitten_, vrouwelijk borstsieraad.

[111] Roemer Visscher's oudste en jongste dochter, Anna en Tesselschade.

[112] _Diana_; een bewijs, dat dit _Lof_ vóór den volgenden _Vechtzang_ ter eere van Tesselschade's verloving moet gedicht zijn.

Vechtzang,

VOOR JOFFROUW

MARIA TESSELSCHADE.

WIJZE: DROEFHEID MAG IK WEL KLAGEN.

De vleyende Sireen, Wiens zang en vedelsnaar Verlokten naar beneên Den fieren Adelaar[1]; Die met zijn wieken hing, Daar zang zijn hart bekneep, Tot hij verslingerd ving Het keeltje, dat hem greep;

Dees op den oever stond, Daar Glaukus[2], heet van min, Kust en herkust den mond Der blanke stroomgodin[3], Die in zijn armen glijdt, En zijgt van liever leê, En voegt haar bruidschat bij 't Rijk hyliksgoed der zee.

Pan zangziek, op dat pas, Had Dafnis laten noôn, En, om te luistren, was Hier Tityr mede ontboôn. Zij hukte neêr in 't groen, Daar, van een hoogen wal, Het oog moogt ronde doen, En weyen overal.

Toen sloeg haar keel geluid; Help God, wat zoeter zang! Zwijg, Tityrs boerefluit! Wat was hier een gedrang Van ooren, om dit lied Te vangen in de lucht, Toen tot haar neigde riet, Geboomte, en vogelvlucht.

"Ach, Dafnis!" zong zij, "ach! Wat gaat u, ridder, aan[4]? Zoo dit uw moeder zag, Het haar te berg zou staan. Is 't groen, daar gij op staat, Dan te eng en veel te naauw, Dat gy 't verwislen gaat Voor 't wilde woeste blaauw[5]?

Verzin eer gij begint, En hoû uw oude buurt; Denk wat de zee verslindt, Als zij den afgrond schuurt, En gaapt den Hemel toe, En grimt, dat alle Goôn Optrekken[6], schrikkens moê, Hun aangevochten troon.

Wat is hij overstout, Die leven, lijf, en ziel Den lichten wind betrouwt, Op 't drijven van een kiel: En stuift ter wereld uit, Daar lood geen gronden peilt: Daar 't schip aan starren stuit, En door de klippen zeilt.

Nog hiel ik 't u te goê, Indien uw trotsche moed Niet reedde een oorloog toe; O gruwel! op den vloed, Op grondeloozen plas Te vechten, lijf om lijf! Die bodem is van glas, O reuzen, treedt niet stijf[7]!

Te lande is vluchtens troost; De wanhoop drijft in 't schuim. Och, of gij 't land verkoost! Gij schudt helmet en pluim, En slaat mijn beden af. Wel aan, ik neem geduld; Gij kiest dan 't levend graf, En ik blijf zonder schuld.

Ten minste, denk om mij, Wanneer gij, als Jupijn, Zult, op uw vijands zij, Met bliksems woênde zijn, En Hollands zeebanier Met hoop van zege voên, En braken vlam en vier In 's konings galioen.

Dan denk eens, hoe 't mij kruist, Als gij den Spanjaart tart, Met 't slagzwaard in de vuist; En duî 't zorgvuldig[8] hart Van uw Sireen dien raad[9] Altijd ten beste na; Mits ik uw schipbreuk haat, Niet naar uw leven sta[10]."

[1] Klankspeling op den naam van Tesselschade's verloofde, _Allart_ Krombalg.

[2] Een der mindere Zeegoden, en hier dus voor de Zuiderzee, aan den mond der Vecht, optredend.

[3] De Vecht.

[4] Krombalg was zeeman, en op 't punt om ten oorlog uit te zeilen (zie vervolgens).

[5] Min gelukkige tegenstelling van beide kleuren, voor de daarmeê aangeduide ruimten, zee en land.

[6] _op hooger plaats, in veiligheid stellen_.

[7] _voorzichtig_.

[8] Voor _zorgvol, bezorgd_.

[9] Bovengemelden, van om haar te denken.

[10] _Uw dood niet wensch_.

De Tortsen[1]

VAN

ALARD KROMBALK,

EN

TESSELSCHA ROEMERS[2].