De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem

Part 3

Chapter 31,514 wordsPublic domain

VII. Zoo haast zij 's morgens rijst Op dees aardbodems lijst[6], Der sterren glans verdooft: Gelijk een moedig held Hij zich tot loopen stelt, En toogt[7] zijn glanzig hoofd: Den gulden vlammendrig[8] Alle oogen trekt tot zich Van menschen en van dieren; 't Gevogelt algelijk Hem groet met wilt-muzijk, En vrolijk tierelieren.

VIII. Verwonderd ik aanzag, O, vader van den dag! Hoe snel gij 't al verklaart[9], Hoe vlug gij henen schrijdt, Ja, in zoo korten tijd Volbrengt uw Hemel-vaart: Des Hemels blaauwe tent Gij dagelijks omrent Met uw gevlerkte paarden: Uw hett' breekt alzins door, En niets en blijft er voor Gescholen op der aarden.

IX. Schoon[10] 's hemels aangezicht, En alderschoonst het licht[11], Waar door de wereld ziet, Nog schoonder 's Heeren wet Die, rein en onbesmet, Nooit ziel haar vlekken liet. Hoe blinkt der starren troon En alderklaarst ten toon De goud-geel zonne luistert[12]: In klaarheid, waar zij straalt, Gods wet nog prijs behaalt, Voor wien al 't licht verduistert.

X. 't Uitbreidsel wonder net: De zonne 's levens wet, Wordt aldernetst geacht; Doch netter nog bekleef De wet, die God voorschreef Het menschelijk geslacht: De wet, die aangemerkt Wel neiging daadlijk werkt Ten goeden, van den kwade, Vermits zij zwaarder weegt; Waardoor men God beweegt Tot gunst en tot genade.

XI. De leek[13] zij wederbaart[14] En zijnen wulpschen aard In wijsheid grijzen doet, Wanneer zij, wel beoogd, Zoo onderscheidlijk toogt Het ware en 't valsche goed. Wie, heilig en geschikt, Dees hoogste reden[15] wikt, Die zal ze oprecht belijden, En d' onderhouder werd Ervaren, hoe zij 't hert Zoo zeer in God verblijden.

XII. O, welken heldren glans, In d' oogen des verstands, Van 's Heeren wet afschiet! Waardoor, Heer! uwen knecht, Naar uw behagen recht 't Een lieft en 't ander vliedt. De vreeze, die steeds vreest, Met eenen kindschen geest, Des hoogsten toorn, is heilig; Dies 't lot, dat zij verhoopt, Niet met der tijd verloopt, Maar in Gods schoot rust veilig.

XIII. Rechtvaardig is 't gericht, Dat ieder zijnen plicht Aanteekent en verklaart, Wijl 's Hemels wetten dan Geen tong volprijzen kan, Hoe schoon zij zijn en waard. Noch goud, noch eêl gesteent Heeft Ofir ooit verleend, Zoo dierbaar in mijn oogen: Noch nimmer honigbie Konfijtten[16] honig, die Zoo zoet heeft smaken mogen.

XIV. Uw knecht heeft, 'tgeen hij weet, Alsteeds met doen bekleed, Steeds hield hij zich vermaand, En, nimmer ijver zat[17], Speurt, hoe zij hem den pad Ter hoogster eeren[18] baant. Zoo ooit mijn ziel verleid Wierd door onwetendheid, Wie kan die feilen mijden? Erinnert mij, o Heer! Al 'tgeen, waardoor wij d' eer Uws heilgen naams ontwijden.

XV. Ontslaat derhalven mij Der trotscher[19] heerschappij, Zoo blijve ik onbevlekt En onbezoedeld van Al 'tgeen den vromen man Tot schuld en onheil strekt: Alsdan zal Davids mond Ontdekken 's harten grond Met heilige gedichten. Mijn scherm-heer, troost, en schild! Die mij verlossen wilt, En al mijn kruis verlichten!

[1] _heller_.

[2] _onbeschaafd, zonder kennis_.

[3] _letterteekens_.

[4] _is het_.

[5] _het drijvend zwerk_.

[6] _rand, kim_.

[7] Verouderd voor _toonen_; verg. vroeger.

[8] _vlammendrager_; verg. vroeger.

[9] _verheldert_.

[10] Versta: _schoon is_.

[11] _der zon_ (verg. de tweede helft van 't coeplet).

[12] _schittert_.

[13] _den gewonen mensch_.

[14] _doet herboren worden_.

[15] _redenen_ (der wet).

[16] Voor _konfijtte_.

[17] _met onverdroten ijver_.

[18] Thans _hoogste eer_.

[19] _van de trotschen_; verg. vroeger.

Lijk-dicht,

OP HET OVERLIJDEN[1] VAN

D. COENRADUS VORSTIUS,

GEWEZEN PROFESSOR DER H. GODHEID, TOT LEIDEN.

Nu rust hij, die versmaad in ballingschap moest leven, En bonsde van 't altaar den Afgod[2] van Geneven, Dien grouwel, die 't vergift schenkt uit een goude kroes, En 't lieflijk aanschijn Gods afschildert als de Droes; Als hij de afloting[3] van zoo menig duizend stammen Ter Helle stuurt, en pijnt met eindelooze vlammen, Nadat ze zijn tot kwaad genoodzaakt buiten schuld, Opdat, kwansuis, haar maat rechtvaardig werd'[4] vervuld. Dit kon geleerdheids roem niet lijden zonder straffen, Als hij den Cerberus driehoofdig hoorde blaffen, Doen smeedd' hij ketenen, opdat hij temmen mocht Den uitgelaten vloek van 't lasterlijk gedrocht. Der Hellen afgrond woedt, en staat geweldig tegen, Braakt dampen uit zijn kolk, die, Hemel-hoog gestegen, Bezwalken dik de lucht; opdat 't genade-rijk, Dees goedheid, niet, gemeen, bestraal' een iegelijk. De Vorst[5], nu afgestreên, gedwongen te vertrekken, Voor broeder Esau vlucht, en kiest uitheemsche plekken: En volgt des waarheids spoor, op 't redelijke pad: Geeft God zijn ziel, zijn lijf de Vrederijke stad[6].

[1] 29 Sept. 1622, te Tonningen in Holstein, waar hij, als Remonstrantsch balling, kort te voren was aangekomen.

[2] Het door Calvijn voorgestane Godsbegrip, met den, als "gruwel" door Vondel gebrandmerkte leerstelling der eeuwige verkiezing en verwerping.

[3] _nakomelingen_.

[4] _worde_.

[5] Klankspeling op _Vorstius'_ naam.

[6] Het bekende toevluchtsoord der Remonstrantsche ballingen, Frederikstad aan de Eider, waar V. (den 2den Oct.) begraven werd.

Op Jacobus Arminius[1].

Dit 's 't aanzicht van Armijn, die 't zij hij schreef of sprak, Het heilloos noodlot van Calvijn gaf zulk een knak, Dat Lucifer nog beeft voor 't dondren van zijn lessen, En d' afgrond zwoegt en zweet, om stoppen deze bressen: "Sus, kraamvrouw!" sprak hij, "sus! scheî vrij gerust van hier, God worpt geen zuigeling in 't eeuwig Helsche vier."

[1] Gomarus' bekende tegenstander. Wij lasschen, als van gelijke strekking en onderwerp, en eer vroeger dan later gedicht, dit en beide volgende bijschriften hier in.

Op Johan Uytenbogaert[1].

Dit is de wijze mond, die menig met verwondren Hoorde onder 't grof geschut van Nassouws leger dondren[2]; Een, die voor 't vaderland te sterven was bereid, Werd hatelijk vervolgd en 't vrije land ontzeîd.

[1] De bekende Remonstrantsche Godgeleerde en balling.

[2] Als 's prinsen hofprediker.

Op Simon Episcopius[1].

Bisschoppelijke praal en pronk van Godgeleerdheid, Die Leiden vrijen woudt van twist en schoolverkeerdheid, Gij wikt het al met reên, en zulk een regel wraakt, Die God verschept[2] en tot den slimsten Duivel maakt; Uw tong den lastermond van Bogerman[3] kon snoeren, Die 't Dordtsch besluit met macht geweldig uit most voeren.

[1] Of _Bisschop_, de bekende Remonstrantsche geleerde.

[2] _misvormt_.

[3] De beruchte voorzitter der Dordtsche Synode.

MISBRUIK DES KERKELIJKEN BANS.

Klink-dicht.

Die Kristenen ontzeît den Kristelijken beker, Dat 's een geweldenaar in Kristus' Koninkrijk; God Vader heeft zijn feest bereid voor iegelijk, Die in den Zoon gelooft; dat woord blijft vast en zeker.

Wat meet[1] gij u dan toe[1], o zotte logen-preêker! O, overdwaalsch[2] tyran! schijnheilig stof en slijk! Die dwingelanderij pleegt in eens anders wijk; Gewetens-beudel, vrees den Goddelijken wreker!

Een oprecht harder weidt met zorg zijn lieve lammeren, En hoedt ze voor den wolf, en zal zich hunner jammeren; Een reukloos[3] hureling misbruikt den harder-staf,

En slaat en schopt en stoot des Heeren lieve kudden, Verwareloost zijn wacht, in stede van beschudden; Eens harders[4] lieflijk is, eens huurlings harte[5] straf.

[1] _matigt -- aan_.

[2] _verdwaalde, dolende_.

[3] _roekeloos_.

[4] Zoo slaat Van Lennep te recht voor, in plaats van _harder_ te lezen.

[5] _hart_.

Op een Moordpasquil,

BIJ EEN ANDER GEDICHT,

EN MOEDWILLIG OP MIJNEN NAAM GEDRUKT.

Men durf op mijnen naam uit haat in druk uitgeven, Dat ik Mauritius[1] berooven wil van 't leven, Ten dienst des Bataviers, om d' eere van een beeld[2], 'k Vergeef de schuld der haat, die mij dit heeft gespeeld.

[1] _Prins Maurits_.

[2] Wellicht het "Praalbeeld van den vader des Vaderlands," opgenomen in den bekenden _Bloemkrans van verscheiden Gedichten_ (1659), blz. 36, vv.

Op de Zangkunst

VAN

Heer JOAN ALBRECHT BAN[1].

Ay, Ban! nu zeg mij eens: wat is 't? Wat is 't? (ay, zeg! ik zal u danken) Dat gij, in 't bannen van dien twist En strijd van ongelijke klanken, Mij hooren laat dien lieven peis Der Engelen in Gods paleis?

Mij dunkt, ik hoor in eene wolk Het paradijs, vol nachtegalen; Hoe schiet dat schoon gevederd volk Mij in het oor zoo blijde stralen! Wie blaakt[2] mijn hart? och, Ban! ik smilt Van toonen! kinders, gunt mij stilt'!

Is nu de Blink[3] in Tabors schijn, En Gods Jordaan te zien in 't Sparen, Daar Jezus' zangers bezig zijn Met galm van wind en hemelsnaren? Wie blaast dien galm? wie streelt die snaar, Dan hoog, dan laag, dan middelbaar?

Gij zult (zoo Haarlem naar den Nijl Zich kwijten gaat van 't zalig teeken[4]) Met zulk een vijl en Englestijl De Damiaatsche keten breken. Wat maakt[5] de zaag voor Haarlems boeg? Een keel vol orglen is genoeg.

[1] Zie over hem en zijne muzikale bespiegelingen, de Bijlagen op Hoofts _Brieven_, IV.

[2] _Doet blaken_.

[3] De welbekende _Blinkert_. Ban was te Haarlem wonachtig.

[4] Van _'t kruis_. Zinspeling op Haarlems deelneming in Graaf Willems kruistocht tegen Damiate.

[5] Germ. voor _zal, doet_.

OP MEESTER

JOAN PIETERSEN SWELINGH[1],

FENIX DER MUZIEKE, EN ORGELIST VAN AMSTERDAM.

Dit 's Swelinghs sterflijk deel, ten troost ons nagebleven[2]; 't Onsterflijk houdt de maat bij God in 't eeuwig leven; Daar strekt hij, meer dan hier kon vatten ons gehoor, Een goddelijke galm in aller Englen oor.

[1] Omtrent 1540 te Deventer geboren, waar thans weder eene zangvereeniging, onder zijn naam, is opgericht.

[2] Hij was den 9den Oct. 1621 overleden.

Het[1] Lof der Zeevaart,

AAN DEN HEER

LAURENS REAEL,

RIDDER, OUD-GENERAAL VAN OOST-INDIËN, ENZ.