De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem
Part 2
O, Hemel! hoor naar mijne reden, Het aardrijk geef mijn stem gehoor, Mijn leering druipe in ieders oor, Gelijk de wolken naar beneden; Ik wensche, dat de woorden vloeyen, Uit mijnen mond, als dauw en vocht; Gelijk de regen uit de locht Het kruid, en druppels 't gras besproeyen: Dewijl mijn tong den naam des Heeren Verheffen wil, gelijk 't behoort. Geef Gode alleen den prijs! komt voort, En helpt zijn majesteit vermeeren! Gods wonderwerken zijn volkomen, En al zijn paden loopen recht. God is getrouw: geen valschheid hecht Op dien rechtvaardigen en vromen. Die zich geenszins als kinders droegen, Maar schendig tegen 's Hemels stem Zich zelfs vergrepen, gaven hem Niet weinig stof van ongenoegen. Verkeerd geslacht, bedorve[1] ranken! Onwetend volk, te dwaas en snoô! Bejegent gij de Godheid zoo? Is dit den Allerhoogsten danken? Is Hij dan niet uw rechte Vader, Uw eigen Voogd en wettig Heer, Die u bootseerde[2] tot zijne eer, En 't wezen gaf, en schiep te gader? Gedenk aan de overoude dagen, En loop met uw gedachten vrij Door alle huizen, op een rij; Ga hene, ga uw vader vragen, Hij zal u al 't voorleden mellen, En wat er is gebeurd voorheen. Ga, vraag uwe ouders naar 't voorleên: Zij zullen 't u in 't lang vertellen. Toen d' Opperste elk zijn land ging toonen, Toen Adams afkomst wierd verspreid, Hij elk zijn deel heeft toegeleîd, Naar 't juist getal van Jacobs zonen. Gods volk is 't eigendom des Heeren, En Jacob blijft zijn errefpand; Hij vond hem in verwilderd land, Daar schrik en eenzaamheid verkeeren; Hij voerde hem omher[3], bewogen Van liefde, en gaf dien zone een wet: Bewaarde hem voor ramp en smet, Gelijk den appel van zijne oogen. Gelijk een arend vlugge vogels Tot vliegen port, rondom hen zweeft, Spreidt God zijn pennen uit, en heeft Hem opgenomen op de vlogels. De ware God alleen geleidde Hem op dien tocht: geen Heidensch God, Of uitheemsch Ongod, brocht zijn lot En erfdeel door woestijn en heide. Hij zette het met zijne veder Op hooge landen, in een lucht En veld, vol spijze en akkervrucht En weelige gewassen, neder. Daar zogen de uitgekore[4] lippen Aan honigdauw het hart gezond; Aan olie, die hun in den mond, Kwam vloeyen van de harde klippen; Aan boter van de gladde koeyen, De schapemelk, 't gemeste lam, En Bazans bok en vetten ram De tarwebloem, zoo schoon in 't bloeyen. God schonk hem rustig van den klaren En rooden wijn: aldus gemest En zat, begon de zoon in 't lest Weêrspannig achter uit te varen. De zoon werd glad, en vet, en grover, Verliet de Godheid, die hem schiep, Ontviel de Godheid, die hem riep, En zette aan[5] vruchtbre beemden over. Zij tergden God, door vreemde Goden, Ontstaken 's Hemels Majesteit Tot gramschap, door de gruwzaamheid Der afgoôn, hun zoo streng verboden. Zij offerden den Goôn der beemden, En niet den God, die hen verbond. Zij dienden, los en zonder grond, Den onbekenden en den vreemden, De nieuwe en onbekende altaren, Bij uwe vaders nooit ge-eerd. Gij loochent God, die u bootseerd', En laat uw Heer en Schepper varen. Dat zag d' Almachtige uit zijn tronen, Ontsteken van verbolgenheid, Getergd door 't schendig onbescheid Van zijne dochteren en zonen. Hij sprak: "ik wil voor deze bozen Mijn aanschijn dekken met een wolk, En zien den uitgang van dit volk, Verkeerde kinders, trouweloozen. Men durf[6] door Ongoôn mij vergrammen, Mij tergen door afgoderij; Ik wil een ander volk aan mij Verbinden, buiten Jacobs stammen; Ik wil verwekken dwaze volken, Ten trots van hunnen wreevlen moed; Mijn gramschap zal, gelijk een gloed, Ontsteken 's afgronds diepste kolken, Al 't land met zijne vruchten blaken, Der bergen grond in asch vertreên, De rampen stapelen op een, En hen met al mijn pijlen raken. De honger zal hun vleesch verzwelgen; 't Gevogelt om hen pikt en zwiert, De felle slang en wreed gediert Zal hen, in stof gesleept, verdelgen. Het zwaard van binnen, schrik van buiten, Zal teffens al wat mij mishaagt Bederven, jongeling en maagd, Den ouden man en teêre spruiten. Dan wil, dan wil ik schimpwijs vragen: Waar zijn ze nu in rook en wind? Ik wil ze, waar men menschen vindt, Uit elks gedachtenisse vagen. Doch om geen vijand stof te geven Tot lastren, schortte ik deze straf, Eer zij hun haatren voedsel gaf, Om trotscher mij te wederstreven." Zij mochten licht uit hoogmoed stoffen: "Ons hand is sterk, daar 't al op stuit!" Hun Godheid voerde dit niet uit, Noch heeft ze door haar macht getroffen. O radelooze' en zinneloozen! Och, was dit volk toch wijs en vroed, En zag 't nog tijdig te gemoet De aanstaande straf en plaag der boozen! Hoe kan een enkle duizend jagen, En twee, tien duizend op den tocht? Is 't niet, omdat hen God verkocht, En dreef in 't net, om hen te plagen? Ons Godheid slachtte nooit[7] de Goden Der vijanden; dat boos geslacht Kan zelf getuigen van de macht, Waar voor alle afgoôn hene vloden. De wijnstok, die ons haters pootten, Is, als der Sodomieten rank[8] En Gomorreeschen akkerdrank, Een bittre wijn, vol gal gegoten. Hun wijn is gal van felle draken, En doodlijk addrengift. En broedt Dit niet al stil, in mijn gemoed Bezegeld, als een schat van wraken? Ik hou de weêrwraak voor mijn eigen[9], En wil 't vergelden, op zijn tijd, Opdat ze sneuvlen in den strijd. De dagen naken, die hun dreigen. De tijd, beschoren tot hun schade, Is voor de hand. De Hemel zal De boosheid brengen tot een val, Zijn dienaars troosten, uit genade. Zij zullen zien, hoe die hem haten In kracht vermindren en getal; En hoe ze smilten, die op wal En sterke muren zich verlaten. Dan roept ge: waar zijn nu hun Goden, Hun toevlucht, en hun toeverlaat, Van welker offer zij verzaad En vet geworden zijn, gevloden? Van welker offerwijn zij nutten? Zij geven nu zich zelfs eens bloot, En redden u, in dezen nood. 't Is tijd, dat zij u nu beschutten. Nu merkt, aan 'tgeen er is bedreven, Dat ik alleen de Godheid ben, En, neffens mij, geene andren ken. Ik ben de Heer van dood en leven. Ik kwetse en zalve aan alle zijden, En geen geweld, noch geene kracht, Kan iemand rukken uit mijn macht, Noch voor mijn hand zich zelf bevrijden. Ik hef mijn rechte hand naar boven, En zweere bij mijn Majesteit: "Ik leef alleen in eeuwigheid, Die alle machten kan verdooven. Indien ik koom' mijn zwaard te wetten, Tot dat het als een bliksem straal', En mijne hand, met schittrend staal Gewapend, zich in 't recht ga zetten; Zoo wil ik me aan mijn haters wreken, Vergelden hunnen wreevlen moed. Mijn pijlen zullen, rood van bloed En dronken, druppelen en leken. Mijn zwaard zal 's vijands vleesch verslinden, En 't bloed der dooden, in den slag, 's Gevangens vleesch, die met geklag Bloots hoofds zich boeyen liet en binden." Dat allerhande volk en tongen Gods vollek loven; want hij boet[10] Zijn dienaars schade, en wreekt hun bloed, Uit wrake tot dees straf gedrongen. Hij zal het onrecht van zijn zonen Uit ijver wreken naar zijn macht, Maar Jacobs erfdeel en geslacht Genadig vallen, en verschoonen.
[1] Naar de reeds herhaaldelijk gewraakte Hollandsche wanspraak voor _bedorven_.
[2] _vormde, schiep_.
[3] Germ. (_umher_) voor _rond_.
[4] Verg. boven, aant. 1.
[5] _naar_.
[6] Voor _dert, waagt het_.
[7] _leek nooit op_.
[8] _wijnrank_.
[9] _mij zelf_, gelijk nog in de volkstaal.
[10] _vergoedt_.
Babylonische Gevangenis
PSALM CXXXVI.
Toen wij, te Babylon geketend, daaglijks droever, Ons harpen hingen aan de wilgen, die den oever Der onverzoenbre Eufraat beschaduwden met groen; En aan Jeruzalem en 't vaderland gedachten, En aan d' altaren, daar wij God te dienen plachten, En Levi ons met mann' des Godsdiensts plag te voên:
Toen scheen ons aangezicht van droefheid te verouden. De boezem zuchten loosde, en de oogen parlen douwden; Want d' overwinners ons beloegen[1] in ons kruis, En spraken: "weest getroost, gij 's Hemels uitverkoren, Nu laat ons eens een lied en blijden lofzang hooren, En zingt eens, zoo gij placht, in uw godsdienstig huis!"
"Och!" spraken wij, "wien zou gelusten nog te zingen, Nu wij, zoo veer van huis, bij woeste vreemdelingen, Zijn ieders tijdverdrijf, en guichelspel, en hoon!" Jeruzalem, eer gij in mijn gemoed zult sterven, Eer zal mijn rechte hand haar zoete snaren derven; Eer zal mijn schelle harp mij weigren haren toon.
Gewijde vloeren, en gij schoon gebouwde bogen, En heiligdommen, die nog glinstert in onze oogen; Och, Sion! eer gij laat te zijn ons hoogste goed, Ons weelde, ons vrolijkheid, ons vaarzen, en gezangen; De tong zal eer verdroogd in 't mondgehemelt hangen, Eer dat van elders vreugd verrijze in ons gemoed.
Gedenk, o Heer! gedenk de razende Edomieten; Die, in 't verdelgen van den roem der Isralieten, Vast kreten: "af, rein[2] af, tot op den lesten steen! Verwoest, en brandt, en blaakt; brengt ijzer aan, en vuurwerk: Men draag geen kerk ontzag! verloopen is haar uurwerk; Men trap haar, die u zoo balddadig heeft getreên!"
Bloeddorstig Babylon! hoe stout gij u durft roemen, Men zal in 't ende den verdelger zalig noemen, Die u vergelde al 't wreede, ons aangedane kwaad; Dan zal men roepen; "o, gelukkig zijt gij, Perzen! Die Sions onrecht wreekt, en die de teedre hersen[3] Van Babels zuigeling op rotsen klitst[4] en slaat."
[1] Thans _belachte_; verg. vroeger.
[2] Germ. voor _zuiver, heelendal_.
[3] _hersenen_.
[4] _klatst_, anders _kletst_; even als _smilt_, bij Vondel, voor _smelt_.
Op de Geboorte van
ONZE HOLLANDSCHE SAFFO
ANNA ROEMERS[1].
Als 't heilig noodgeheim[2] wat zeldzaams ons woû jonnen, En zaligen onze eeuw, doen kwam in 't licht der zonnen Dees kunstrijke Anna, wien den Hemel had bezind[3]. Zoo haast de Goden en Godinnen dit vernamen, Zij, met de Muzen, uit haar hooge zetels kwamen, Om te begroeten en te zegenen het kind.
Zij lag in 's voêsters schoot, en sloeg de teedre lichten[4] Op d' ommestaanden rei van blinkende aangezichten; Een heilge glans, zoo 't scheen, zweefde om haar edel brein. De rei der Hemelliên schiep een te zonderlingen[5] Genoegen, en bestond eenstemmiglijk te zingen, En heil te wenschen 't kind, dat meer was als gemein:
"Groeit," zongen zij, "en bloeit! ontluikt, o bloem der bloemen! O roem van uwe tijd, daar Roemer op mag roemen! Eer van uws vaders huis, en pronk van uwe stad! Gedurende de lent' van uwe onnoozle jaren Moet u noch leed, noch ramp, noch onspoed wedervaren, Dien d' Hemel opgeleid heeft als een weerde schat.
De tijd genaakt, dat, om den lofkrans te bejagen, Gij nog Arachne[6] met uw naaldwerk uit zult dagen: Nature met 't pinceel, graaf-ijzer[7], kole, en krijt: Polymnia[8] met zang: Erato[8] met uw snaren: De schrijvers met uw pen, die in elk een zal baren Verwondering, als gij der schrijvren Fenix zijt.
Der kunstbemindren oog zal gaan de muren vrijen[9], Die rijklijk zijn bekleed met uwe schilderijen: De spiegelglazen[10], die te cierlijk zijn vermaald: De boeken gestoffeerd met duizenderlei dingen, Vol kunst, vol printen, en verscheiden teekeningen: De zijde-stoffen, die gezield zijn van uw naald.
Maar dit zal 't minste zijn, wanneer de faam zal loven Uw rijm en proze, dat zijn ziel ontving van boven, Als Grotius verstomt, als Cats zoo bril[11] toekijkt, Als Hooft verwonderd staat, als Heyns[12] met zijnen Schrijver[13] Uw gulde veerzen leest, en d' een uit grooten ijver Bij Pallas, d' ander u bij Saffo vergelijkt:
Wanneer gij met uw dicht verdient de lauwerbladers, En ciert de Poppen en uitbeeldingen uws vaders, Die u in wijsheids school van jongs heeft opgekweekt; Wie dan uw spreuken en uw rijmen komt t' erkouwen[14] Zal roepen: "dit 's geen maagd, noch van 't geslacht der vrouwen, 't Is Maro, die hier zingt, 't Is Cato, die hier spreekt.
Wast op, gelukkig kind! wast op in goede zeden, Die van 't verwondren[15] nog zult worden aangebeden, Vermits uw oordeel, en uitstekende verstand; Wast op, gelukkig kind! cieraad van uwe tijden! Den Hemel u beschutt' voor al die u benijden! Wast tot een wonder van het prachtig Nederland!"
Zoo eindigde de groet en zegening der Goden, Die haar geschenken mild de jonge vrucht aanboden, En met een hemelsch spook[16] verdwenen uit 't gezicht. De spruit nam toe, en hoe zij meer bestond te bloeyen, Te meer de wijsheid met haar jaren scheen te groeyen, En 'tgeen eerst minder was, dat wierd een grooter licht.
Ten lange lesten moet de nijd nu zelf belijen, Dat in haar zijn vervuld der Goden profecijen, Dat 's Hemels schatten zijn te recht aan haar besteed; Geestrijke jonkvrouwe! o, wat zullen wij u wijen? De nymfen van ons Y haar in uwe eer verblijen, En staan tot uwen dienst wilveerdig en bereed.
Maar, uitgelezen maagd! vermits der grooten gunste, En 's levens ijdelheid verdwijnt met alle kunste, Vergaapt u niet aan 'tgeen, dat schielijk zal vergaan. Wilt met uw schrandre geest niet hier beneden marren, Maar altijd hooger gaan, en zweven naar de starren, En Hemelwaarts 't gezicht, als een Sibylla[17], slaan.
[1] Roemer Visscher's welbekende oudste dochter, en uitgeefster van haars vaders _Sinnepoppen_, wier tweede druk hier meê versierd werd.
[2] _noodlot_; zie vroeger.
[3] _bedacht_.
[4] _blikken_.
[5] _zeer bijzonder_.
[6] De bekende Atheensche maagd der Grieksche overlevering, die om haar borduurwerk door Pallas benijd en in een spin veranderd werd.
[7] Anders _graveerstift_.
[8] Twee der Muzen; zie desbelust mijn _Aesthetica of Schoonheidskunde_, blz. 70.
[9] _opzoeken_.
[10] _kristallen roemers_.
[11] _vreemd_.
[12] De Leidsche Hoogleeraar en dichter Daniël Heinsius.
[13] _P. Scriverius_; zie vroeger.
[14] _herkaauwen_.
[15] _uit bewondering_.
[16] _geestverschijnsel_.
[17] _profetisch bezielde_.
Klinkert
OP
D. WILLEBRORDUS SNELLIUS,
MATHESEOS PROFESSOR
IN DE HOOGE SCHOLE TOT LEIDEN.
Wat _snel_gewiekte bood' brengt ons den gulden tak? 't Is Snellius, die _snel_ van geest, van zinnen wakker, Dien _snellik_ plukken liet op Ramus'[1] vetten akker En _snel_ dees spruite gaf een kracht die haar ontbrak.
Veel _sneller_ zal men nu gaan meten 's werelds dak, O, _snellen_ Snellius, Euclides'[2] weerdsten makker! Gij vliegt de kunst voorbij in _snelheid_; want men sprak er Nooit _sneller_ af met reên eer Snel het hoofd opstak.
Gij, _snelle_ Geesten! volgt en _sneller_ op wilt merken Vermids u Snel gaat voort met _snelle_ en lichte vlerken, Of giert hij u te _snel_, zoo trekt een _snelle_ schacht
Uit zijn gezwinde wiek, zoo spoedig, langs hoe _sneller_, En hoe gij _sneller_ stijgt, hoe haar de meetkunst heller[3] En _sneller_ op zal doen, tot in haar volle kracht.
J. V. VONDELEN.
[1] De wijsgeer P. Ramus, wiens 27 boeken over de Meetkunst Snellius verklaard had. Zie het meêgedeelde bij Van Lennep II, bl. 138.
[2] De beroemde Grieksche wiskundige.
[3] _klaarder_.
TOT LOF
VAN DE
KUISCHE EN GODVRUCHTIGE MARTELARESSE
ST. AGNES.
GEZANG.
Dat Room der Heiligen gebeent Bewaart, meer luisters haar verleent Als zoo veel koninklijke graven, En tomben van gekroonde slaven. Naast andre daar ze moed[1] op draagt, De grafsteê van de kuische maagd, Agnes, ooit was de vreugd en 't wenschen Van ijverende Kristenmenschen. Vermits dees groote martelaars'[2] Verstrekte Kristus' kerke een kaars En heldre fakkel, door haar lijden, Geheugelijk[3] tot allen tijden. Jeugd, schoonheid, adel, munten uit, En bloeyen in een zelve spruit; En als dees worstlen met malkander Verwint Godvruchtigheid al d' ander. Want door haar acht ze 't zaligst meest, En heiligt Gode lijf en geest; Als gants verrukt de zinnen vielen Op Jezus, Bruidegom der zielen. Vergeefs, vergeefs haar d' ijdelheid Bekoren wil en strikken breit; Vergeefs men tracht haar te verlokken. Zij is te Hemelsch opgetrokken. Als d' Overste Symfronius Dingt na haar kuischheid, spreekt ze aldus: "Heer rechter! houd vrij op van smeken[4], Geen goud en kan mijn opzet breken. Geen minnevlam mijn ziel besmet; Ik ben verloofd aan 't bruilofsbed, Dat de Engelen in den Hemel spreyen Voor d' Heilge maagdelijke reyen. Zoo[5] loflijk gij uw zoon verheft, Mijn Bruidegom hem overtreft: Wiens schoonheid, als hij voort komt treden, De zon kan van zijn glans ontkleeden. Indien ik slechts standvastig hier Bewaar het Godlijk zuiver vier, Noch wulpsch mijn reinigheid laat schaken, En dien hem met gebeên en waken. Gesteenten van veel klaarder schijn Als al uw diamanten zijn, En rijker peerlen zal hij geven, Die[6] hier volstandig is gebleven." Des minnaars vader door dit woord Verwonderd staat, en roept verstoord: "Nu zuldy kiezen een van beiden: Men zal u naar 't bordeel toe leiden, Of dadelijk Vesta, met 't gemoed En gaven, offeranden doet." Daar op zij haar geweldig[7] trekken, Om 't kleed haars maagdoms te bevlekken. Maar een gewiekt gezant van God Met glans verschijnt in 't hoerekot, Juist als de schennis, vuil van oogen, De maagd het kleed had uitgetogen. Agnes omringd wordt met een licht Van bliksem, 't welk het aangezicht Der goddeloozen slaat met stralen, Die angstig als in schaduw dwalen. Zij knielt van blijdschap, en gespreed Vindt voor haar een gesterrend kleed, Waar meê zij dekt de naakte leden, En looft den Hemel met gebeden. De minnaar, met een schaar verzeld, Smaalt op het licht, en wordt geveld En van Gods Engel neêr gesmeten. Het lijk luidruchtig wordt bekreten. Maar als Agnes aandachtig knielt, God weêr het doode lichaam zielt. De faam des daads, als uitgelaten, Vervult te Romen alle straten. De priesters, die het outer voên, En plichtige offeranden doen, Van boosheid zwellen ongeduldig, En achten haar der straffe schuldig. Men grijpt de onnoozle maagd, die stout En vrolijk, op 't gestapeld hout, Gods naam aanroept, als, met vergrammen, De beuls 't vier kweeken en doen vlammen. Maar onverschrokken van gemoed Zij, in het midden van de gloed, Geen haar verzengt door Gods ontfarmen, En van malkandren strekt haar armen. De rechter, moê van 't lang vertrek[8] Des doods, verwijst haar teêre nek. Zij sterft eer dan ze smart kan voelen, De ziel vertrekt na hooger stoelen[9]. En langs een wit en zuiver pad Gezwind zij reist naar 's Heeren stad, En ziet de maan beneên haar voeten, Als de Englen vrolijk haar ontmoeten. Die haar geleyen onbezurgd En voeren[10] hoog in 's Hemels burcht: Daar zij, bevrijd van ongelukken, Een dobbel kroon haar pruik laat drukken. Heldin van adelijken stam! Die, als een kuisch en zuiver lam, Uw reinigheid woudt Gode schenken, Met vreugd wij, jaar op jaar, gedenken Aan uwen strijd hier uitgestreên, Aan uw verwinning ongemeen; Gij port ons aan, om op te stijgen, En zulken palmtak te verkrijgen. Uw leerlijke gedachtenis De kerke een lieflijk wyrook is. Uw sterk geloof doet ons ervaren, Dat het niet leit[11] in 't tal der jaren. Ter dood gij stapte met meer moeds Als bruid ooit na haar bruilofts-koets; Het schreit er al, gij uitgezonderd, Den ouderdom uw jeugd verwondert. Elk bleek, gedoodverwd met beklag, De rozen op uw wangen zag. 't Aanminnig uitzicht in het strijen Uw vijand trof met medelijen. Heer Jezus! geeft ze kracht altijd, Die u geheel zijn toegewijd! Geeft, dat zij op dit voorbeeld merken, En wilt haar[12] heilig opzet sterken. En gij, die leeft bij God verhoogd, Hoe veel[13] gij met gebeên vermoogt, Verwerft ze zegen en genade En komt ze met uw gunst te stade! Maar hem[14] bij naam[15], die met dit dicht Zijn Duitsche[16] wereld heeft gesticht: Opdat hem voor dit zoete schrijve[17] Een eeuwig loon ten Hemel blijve. Want ander loon (naar dat ik raam) En wil hij niet, omdat zijn naam Alhier, op hoop van meerder zegen, Zoo ganschelijken is verzwegen.--Amen.
J. V. V.
[1] _trots, roem_.
[2] Voor _martelaarse_; thans met verfranschten uitgang _martelares_; verg. vroeger.
[3] _denkwaardig_.
[4] _vleyen_.
[5] _Hoe_.
[6] _Aan wie_.
[7] _met geweld, gewelddadig_.
[8] _vertraging_.
[9] Voor _zetels_; verg. boven, bl. 122.
[10] Zoo lees ik voor het onzinnige _weren_, dat wel niet anders dan een drukfeil zijn zal.
[11] _legt_, thans _ligt_.
[12] _hun_.
[13] Voor _zooveel als_.
[14] De dichterlijke priester Stalpert van der Wiele, in wiens _Vrouwelijck Cieraet van St. Agnes versmaet_ (Den Bosch, 1622) Vondels gedicht het licht zag, en over wien verg. Alb. Thijm in den _Volksalmanak voor Ned. Kath._ 1853 en 1854.--De R. Katholieke toon van 't gedicht bewijst niets meer voor Vondels overhelling tot dien 17 jaar later door hem aangenomen godsdienst, dan de versregels, waarmede wij hem (boven, bladz. 34a) zijn R. Katholieken zwager De Wolf zagen begroeten.
[15] _met name, in de eerste plaats_.
[16] Voor _Nederduitsche, Nederlandsche_.
[17] Voor _schrijven_.
UITBREIDING OVER DEN 19 PSALM DAVIDS,
VERVATENDE DE
UITNEMENDHEID VAN DE WET DES HEEREN.
I. Geen schepsel zoo gering, Of 't predikt zonderling Zijns Scheppers lof en prijs, Meer of men luidkeels riep: Die alle dingen schiep Is machtig, goed en wijs; Doch, onder alle die, Voornamelijk ik zie Der Heem'len kring uitdrukken, Hoe groot en wonderbaar Is dezen konstenaar, Vol kloeke meesters-stukken.
II. Het uitgebreid gewelf Mij tot den Schepper zelf Met zoo veel lichten trekt, En tuigt van 't ware Licht, Dat zijn schoon aangezicht Daar achter houdt bedekt. Nu weid, mijn ooge! weid: Der Heemlen Majesteit, Vol schoonheid ingegoten, De schoonheid mij verbeeldt Van 't nooit-geschilderd beeld, Tot nog voor ons gesloten.
III. Naauw gistren daalden neêr Den morgen meldde 't weêr Geduriglijk voorts aan: Den eenen duistren nacht Het tot den andren bracht; Gods lof nooit stil bleef staan, 't Schoonst, dat ooit daaglijks blonk, Ons 's daags zijn stralen schonk, Te helder[1] nog van verren: En als het onderdook, Den duistren nacht ons ook Kwam lichten met haar sterren.
IV. Geen tongen, volk, of steê, Hoe uitheemsch, over zee, Of leeren ongewend[2], Of in hoe duistren hoek, Dat niet uit 's Hemels boek, Als 't wil, den Schepper kent: Elk sterretjen gewis Een gulden letter is. Wie dees boek-staven[3] t' zamen Onzichtelijken stelt, Daar merkelijk uit spelt Gods wonderlijke name.
V. Van derwaarts is[4], dat trotsch Den bliksem onzes Gods Den sterflijken verschrikt; Zij vlieden al haar best, Als hij, van 't Oost in 't West, In ieders oogen blikt. Wat plaats, wat hoek, wat oord De donder niet en hoort, Wanneer hij die wil zenden? Hij berst ten wolken uit, Met eiselijk geluid, Tot aan des werelds enden.
VI. In 't driftig veld[5] om hoog Heeft God des werelds oog, De zon, een hut vergund, Waar uit hij toebereed Als eenen bruidgom treedt, Die in cieragië uitmunt, Die uit zijn slaap-zaal gaat, En blinkt in zijn gewaad Van heldre diamanten. Met minder luister niet Ons 't licht zijn fakkel biedt, En straalt aan alle kanten.