De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem
Part 1
Produced by Frank van Drogen and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:
Gespreid geprinte tekst is gemarkeerd met _liggende streepjes_. Klein kapitaal is weergegeven met HOOFDLETTERS. Tekst in superscript wordt voorafgegaan door een ^caret karakter. De originele spelling en interpunctie is gehandhaafd. Een lijst met correcties bevindt zich aan het einde van de tekst. Dit boek bevat een aantal referenties naar andere delen uit De complete werken van Joost van Vondel, namelijk Project Gutenberg e-book 21800, 30473, 48113, 48956 en 55929.
DE COMPLETE WERKEN
VAN
JOOST VAN VONDEL.
DAVIDS LOFZANG VAN JERUZALEM,
DIE HEERLIJKE EN HEILIGE STAD GODS,
of een Poëtische Uitbreidinge over den 122 Psalm.
Ik verheuge mij dies, dat mij gezeid is, etc.
1. Wanneer ik over 't hoofd Jeruzalems zie hangen Het uitgetogen zweerd, dat haren schedel dreigt: Wanneer ik Sion zie met ketenen gevangen, En dat zoo schoonen zon haar p'ruik ter aarden neigt:
2. Als ik ons daken zie en muren omgevallen, Ge-effend met het gras, dat 't leegste dal besloeg, En 't pratte Babilon met dees[1] trofeên gaan brallen, Die David zegenrijk den Filistijn ontjoeg:
3. Dan sterft mijn hert van rouw, dan gaat het op een schreyen, Dan ben ik als de sneeuw, die voor den zomer smelt[2], Dan gaat mijn droeve ziel in 't dal van droefheid weyen, Daar stadig eenen stroom van vochte peerlen zwelt;
4. Maar als ik, wederom gekomen tot mij zelven, De spitsen rijzen zie van 't heerlijk nieuw gebouw, Den tempel en 't paleis, die prachtige gewelven, Dan schiep ik zoo veel vreugds als voormaals was de rouw.
5. Dan spreek ik bij mij zelf: "o, Salem uitverkoren! Van blijdschap juicht mijn hert, van vreugd ontspringt mijn ziel, Om dat, ik weet niet wie, mij luistren komt in de ooren: De stad is weêr gebouwd, die voormaals neder viel;
6. God, God heeft aangezien 't boetveerdige vernedren Van zijn twaalfstammig volk, gevangen aan d' Eufraat, De tempel wederom, met marmorsteen en cedren, Den sterren 't voorhoofd biedt, en naar de wolken gaat.
7. Het heiligdom, dat praalt met goude en zilvre vaten; De priestren, op een nieuw, 't hoog altaar smoken doen; Men hoort de rundren weêr en vette koeyen blaten, Welks smeer[3] geheiligd is, om 't offervuur te voên.
8. Klimt op in 's Heeren huis, klimt op in 't huis des Heeren! Van onzer vadren stad de poorten open staan; Laat 's priesters lippen u Gods wet en zeden leeren, En aan zijn voetschabel roept uwen Koning aan!
9. O, uitverkoren stad! o, moeder aller steden! Door 's Hemels schikking zelf, niet bij geval gesticht, Tot een bijzonder eind, door 's Oppersten beleeden[4]; Gij zult mijn doelwit zijn, en stof van mijn gedicht.
10. O, eere van Judeên! o, zetel van de stammen, Die met den heilgen glans eens Godheids zijn bekleed! Gij blinkt met 's konings kroon en 's tempels heilge vlammen, Dat elk een, die u ziet, van u te spreken weet.
11. Den ijver mij verslindt, en krenkt bijna mijn zinnen, Wanneer ik vieren help op 't statigst 't hooge feest; Dan ben ik naauwlijks mensch, maar een der Cherubinnen, Mijn lichaam is wel hier, maar elders mijnen geest.
12. Men ziet een wereld hier van menschen t' zamen dringen, Van wijd en zijd te hoop vergaderd op een steê: Gelijk de vloeden, die van hier en daar ontspringen, En geven zich op 't lest uit de engten in een zee.
13. De priesterlijke rei, welriekende van 't smeeren[5], Uitmuntende in cieragië, elks aanzicht tot zich haalt, In rokken, gordels, hoên[6], en geschakeerde kleêren, In goud en klaar gesteent' het oog bijna verdwaalt.
14. 't Slachtoffer, eerst gehecht, geknoopt aan 's altaars hoornen, Met zijn warm ingewand het heilig plat beslaat; Den Hemel, die zich om 's volks zonden ging vertoornen, Op de offeranden ziet, en zich verzoenen laat.
15. Daar vangt dan 't loven aan, daar zingt men Gode psalmen; De wind, het snarenspel, en 't Goddelijk muziek In 't hangende gewelf doen de Echo wedergalmen; Dan juichen ze als om strijd met d' Englen algelijk.
16. God Jacobs! roepen zij, van kalveren noch stieren Kan 't uitgestorte rood afwasschen onze smet, Maar een veel eedler bloed van 't slachtschaap goedertieren, Ons allen tot een zoen en offer voorgezet.
17. Wij zien alleen op Hem, op Hem alleen wij oogen; Hij wordt door deze dienst ons levende afgebeeld. O, komt MESSIAS! komt, en helpt ons onvermogen, Op dat de schaduw vliê, die ons voor d' oogen speelt.
18. Lof, lof zij Gode en 't Lam, dat, eer de sterren blonken, Ons met zijn dierbaar bloed hem zelven heeft gekocht; Heft als gevleugeld op uw herten leeg gezonken, En draagt des hoogsten roem ten wolken in de locht.
19. O, peerle van het rijk! o, hoofdstad uitgelezen! Noch zwijge ik, dat in u van elpenbeen en goud Staat, vol van majesteit, de rechterstoel gerezen, Daar elk zijn vonnis haalt als Juda vierschaar houdt.
20. Hier dringt men voor 't paleis: d' een moet den koning spreken, En d' ander hem te zien is al zijns herten wensch: Zoo fluks hij zich vertoont, is elks gemoed bezweken, Als hij meer God gelijkt dan eenig sterflijk mensch.
21. Dat Memfis 't hoofd inhaal, en vrij den moed laat dalen Voor 't glinstrende kasteel, dat in de bergen ligt; Dat Sidon niet eens droom dees spitsen t' achterhalen, En Tyrus elders wend' haar schaamrood aangezicht.
22. Zij pronkt gelijk de bruid eens konings hoogverheven, Kleinoodje is haar sieraad, en purper hare dracht; Den Hemel scheen verliefd zijn trouwe aan haar te geven, En heeft om dees Godin alle andere steên veracht.
23. Zij schijnt een Paradijs, omhelsd van zilvre beken, Een Eden, daar het mann' aan 't hout des levens groeit, Een riekende prieel, dat, nergens bij geleken, Geen wintervlagen voelt, maar altijd jeugdig bloeit.
24. Zij treedt gelijk een paauw, wiens schemerende schachten De schoonste voglen zelf ontluistren heel beschaamd. Maar zacht, mijn zangeres! daar schiet in mijn gedachten, Dat zij geen roem ontbeert, die alsins[7] is befaamd.
25. 't Zij, dat ik dan aanzie, dat binnen uwe wallen 't Hoofd Levi vet gezalfd, en Juda wordt gekroond: Dat ze elk, naar haren staat, op 't alderheerlijkst brallen, En dat d' een 't Heiligdom, en d' ander 't Hof bewoont:
26. Het zij, dat ik aanzie, dat gij begrijpt de kooren Van 't blinkende gewelf 't welk Gode is toegewijd, Daar d' Hemel de gebeên der heilgen wil verhooren, En als wij zijn vervloekt ons weêr gebenedijdt[8]:
27. Het zij, ik u aanschouwe als 't beeld, dat ons naar 't leven Een stad voor oogen bootst, waarvan dat[9] ieder een, Elk een die van de geest des Heeren wordt gedreven, In 't lest der dagen wordt een levendige steen:
28. Het zij gij 't munster[10] mij wilt van die stad toeschijnen Daar onzer vadren God van is de timmerman[11], Wiens poorten peerlen zijn, wiens muren zijn robijnen, Een stad die eeuwig blijft, noch zich bewegen kan:
29. Gij zijt Jeruzalem en blijft mijns herten weelde; Dat Jacob, als hij is ontlast van Babels juk, Van verre u heil toewenschte, en zijnen zegen deelde[12]! Dat op uw minnaars daalde een regen van geluk!
30. Vermits de brand des twists neêrbliksemt hooge muren, En voorspoed in de schoot van vrede en eendracht rust, Moet vrede in u altijd en eeuwiglijken duren, En 't vuur des dullen krijgs steeds blijven uitgebluscht.
31. Om onzer broedren wil, ter liefde van de vrunden, Die gij een herberg strekt en aangename woonst'[13], Wij hertelijker nog u vrede en welvaart gunden, En wenschen, dat gij groeit en bloeit op 't alderschoonst'.
32. Om d' heilge dorpels ook, die binnen uwe vesten Geplaatst zijn, en betreên van Aärons geslacht, Ik steeds betrachten wil al 't geen u dient ten besten, Gelijk een, die uw heil zijn heil te wezen acht."
DOOR EEN IS 'T NU VOLDAEN.
[1] Voor _die_.
[2] Het onderscheid door Van Lennep tusschen dit _smelt_ en 't vroegere _smilt_ bij Vondel gezocht, is even denkbeeldig als dat tusschen _tasch_ en Vondels _tesch_; verg. boven, bl. 42b, aant. 188.
[3] _vet_; van daar nog de naam van een bekend gebak: _smeerbollen_.
[4] Voor _beleiden, bestier_.
[5] Voor _zalven_.
[6] Voor _hoofddeksels_ in 't algemeen.
[7] _van alle zijden_.
[8] Voor _benedijt, zegent_.
[9] Naar de spreektaal.
[10] _monster, beeld_.
[11] Voor _bouwmeester_.
[12] Voor _toe-deelde_.
[13] _woning_, zie vroeger.
Grafschrift op Bredero[1].
Hier herbergt[2] 't lijf, wiens geest in kluchten muntten uit, En[3] met veel boerterij steeds zwanger ging van hersen; Wien Charon willig voerde om sunst[4] in de oude schuit, Vermits de zieltjens droef nog lachten om zijn farcen[5].
(In latere lezing:)
Hier rust Breêro, heengereisd, Daar de boot geen veergeld eischt Van den geest, die, met zijn kluchten, Holp[6] aan 't lachen al die zuchtten.
[1] De bekende geestige dichter Gerbrand Adriaansz. (in Bredero), 23 Aug. 1618, ruim 33 jaar oud, overleden.--Om de reeks der voorafgaande gedichten niet te breken, bespaarden wij deze kleinigheid tot hier.
[2] _woont, huist_; verg. vroeger.
[3] Versta: _En die_.
[4] om _niet_; verg. vroeger.
[5] Fransch voor _kluchten_.
[6] Voor _hielp_.
AAN DEN BRUIDEGOM
LAMBRECHT JACOBSZ.[1]
MET ZIJN BRUID
AACHTJEN ANTHONIS (Dr.),
VEREENIGD ANNO 1620, DEN 28EN VAN HOOIMAAND.
De Schilderkunst, die praalt met duizend oude stukken, Die aan den Tiber als Godin wordt aangebeên Van aller geesten puik, dat vurig derwaarts heen Zich spoedt, om met doô stof het leven uit te drukken;-- Dees[2], hoe aanlokkend, kost de zinnen niet verrukken Van onzen schilder-geest[3], die[4], in 't gemoed bestreên, Geen doode verw vernoegt, albast noch marmersteen, Om een ontdoken bloem in 't Nederland te plukken. Na veel raadslagens hij 't Geheimenis[5] dus vraagt: "Waar mag mijn êga zijn? hoe noemt men deze[6] maagd?" "Aacht!" galmde 't Heiligdom; dies, om nu uit te kiezen Van duizend Aachten één, keerde onze bruîgom thuis, En zocht zijn troost, zijn helft, zijn bruid, met druk en kruis, En in midzomer[7] vond zijn Aacht in 't Hof der Friezen.
[1] Doopsgezind predikant te Leeuwarden.
[2] Nam. de straks vermelde Schilderkunst.
[3] L. Jsz. was als talentvol schilder bekend.
[4] Thans _dier_.
[5] Gelijk reeds meer voor _orakel_.
[6] Versta: _die_.
[7] Thans ongelukkig verloren, voor Sint Jan in den zomer; verg. Shakspere's _midsummernightsdream_.
Gebed, uitgestort tot God
OVER
MIJN GEDURIGE KWIJNENDE ZIEKTE, A^o. 1621.
Gij die de ziekte kweekt, en doet ze weêr verdwijnen, Aanziet een Kristen hert, belegerd met veel pijnen; O, Vader alles troosts! gij weet en ik beken, Dat ik een aarden vat, en broos van stoffe ben! Aanziet de zwakheid dan van uwen armen dichter, Mijn rouwe wonden zalft, en maakt mijn kwalen lichter; Of, zoo 't u dus behaagt om onzer zonden schuld, Zoo wapent mijne borst bestendig met geduld: Dit harnas eischt den[1] nood, want jaren zag ik enden, Maar nooit mijn zwarigheên en dagelijksche ellenden. Dit maakt mij 't leven zuur, en mat de geesten af, En doet ons hemelwaart vaak zuchten om het graf. Als ik de zwaluw zie geherbergd aan de gevel Van 't overlenend[2] huis: "o, die van d' aardsche nevel Ontslagen," spreek ik dan, "mocht nestlen, daar 't gestarnt, Daar 't goud in 't blaauw torkois zoo flonkerende barnt!" Gij weet het, goede God! hoe vierig uwen zieken Naar een gezonder locht, door 't roeyen van zijn wieken, Opstijgen wil gezwind, of dat een van uw boôn[3] Hem op zijn pennen draagt in uwen rijken troon. Als ik, om tijd-verdrijf, met mijne stem ga paren Den weêr-klank van mijn luit en zangerige snaren, Dan dunkt mij, dat uw geest met mijnen geest getuigt, Hoe 't heilig heerschaar Gods daar boven speelt en juicht. Dees lust tot 't hoogste goed, dit Goddelijk verlangen, Uit dees kwellagie wordt geboren en ontvangen. Wij nemen dan in dank den tijdelijken druk: Laat ons, o Heer! slechts niet bezwijken onder 't juk; Noch laat de ellende niet te zeer ons broosheid tergen, Noch meer als[4] het vermag, wilt niet uw schepsel vergen; Zoo zal mijn zangeres u roemen onder maan, En 's werelds duistre nacht en schaduwen versmaân Om[5] 't zalig licht, tot dat de geest, van 't lijf gescheyen, Zal weerdig zijn bekend[6], te juichen met uw reyen.
[1] Eerste naamval.
[2] _vooroverhellend_.
[3] _Engelen_.
[4] Thans _dan_.
[5] _voor_.
[6] _erkend_.
Gebed.
Uw zegen, Heer! daal op ons allen: Bewaar ons, dat wij tot geen kwaad vervallen! Ons zorge zoek' het rijk daar boven meest! Nu, in den naam van Vader, Zoon, en Geest, Genuttigd, met een dankbaar hart, te gader, Al wat ons wordt gejond van God, den Vader! Zijn milde hand verleent ons drank en spijs: Men geef hem lof, en dank, en eer en prijs!
Opdracht
DER
AFBEELDINGE VAN PRINS WILLEMS GRAF[1],
AAN DE
STATEN DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.
Voorstanders van dit land, vol weeldige[2] onderzaten, Ontvangt, naar uwe gunst, doorluchte Heeren Staten! De grafsteê, toegewijd aan d' asschen van den vorst, Die streng, als Herkules, gemoedigd had zijn borst Met haat van dwinglandije, en, op manhafte tochten, Uitschudde 't harrenas der Westersche gedrochten[3], Verdadigde al uw recht, en, dapper van gemoed, Bezegelde den schat des vrijdoms met zijn bloed.
[1] Het in 1620 voltooide grafgesteente van den Zwijger.
[2] _welvarende_.
[3] _De Spanjaarts_.
Op HENRIK DE KEYZER,
DOORLUCHTIG BEELD- EN STEENHOUWER[1] VAN AMSTERDAM.
Hier leeft, die leven gaf aan marmer en metaal, Ivoor, albast, en klei; dies laat zich Utrecht[2] hooren: "Is Rome op keizers prat en keizerlijke praal, De keizer van de kunst is uit mijn schoot geboren."
[1] De bouwmeester o. a. der Noorder-, Zuider- en Wester-kerk te Amsterdam, die den 15en Mei 1621 overleed.
[2] De Keyzers geboortestad.
OP HET METALEN PRONKBEELD,
TE ROTTERDAM OPGERECHT, TER EERE VAN DEN
GROOTEN ERASMUS.
Wat wijsheid Latium en Grieken hiel besloten, Begreep gansch Kristenrijk, zoo ras Erasmus kwam, En schonk, met zijnen naam, aan 't nedrig Rotterdam Een naam, naardien hij was uit haren schoot gesproten.
De stad, verheugd om de eer van zulk een zoon genoten, Zijn rottende gebeent noch stuivende assche nam, Maar rechtte een steenen beeld. De Nijd spoog vier en vlam, Om haren zuigeling van 't hoog altaar te stooten[1]:
Dan och! die groote keert zich niet aan nijd noch spijt. Geen graf bestulpt[2] zijn faam. Hij heldert[3] met den tijd. Zijn krans groent onverwelkt en bloeit, voor afgunst veilig.
Die onlangs was van steen, nu glinstert van metaal, En zoo de nijd zich steurt aan 's helds verdiende praal, Wij gieten licht van goud dien Rotterdamschen Heilig.
[1] Zinspeling op het getier der kerkelijke ijveraars (Ds. Jacob de Leeuw c. s.) tegen 't oprichten van 't beeld; waarover desbelust zie _Passchier de Fijne, naar zijn leven en schriften_ (Den Bosch, 1853); bl. 119 en volgg.
[2] _bestolpt, bedekt_.
[3] _neemt toe in glans_.
GEDACHTENIS VAN DESIDEER ERASMUS.
ROTTERDAMMER, AAN DEN HEER
PIETER SCHRYVER[1].
O, hooggeleerde Schrijver! Wat kwist ge tijd en ijver, Om op te doen 'tgeen levendig gelijkt Den grooten Desideer, die niemand wijkt. Hou op van printeziften; Een stapel wijze schriften Is d' afdruk van den held, die eeuwig leeft, En d' aardboôm met de pen veroverd heeft. Zijn pen dreef voor zich henen, Uit Rome en uit Athenen, 't Barbarisch heer, een schandelijken hoop, En oneer van den Kristelijken doop; De zieletyrannijen, Met gierigheids harpijen, Den woesten krijg, de plompheid dom en doof, De gulzigheid, en 't blinde bijgeloof. Zijn hand die gaf de mate Aan beiderleyen state, Aan 't wereldlijk en ook aan 't geestlijk hof: Zij hief de nutte kunsten uit het stof. De doode graven hooren, Dat Cicero herboren, Tot onversierden[2] roem van Maas en Rijn, Den Tiber leert zijn lang verleerd Latijn. Wat jongen en wat ouden Zijn niet in hem gehouden[3]! Een bron van wijsheid vloeit uit zijnen mond, Den gouden tolk van 't heilig nieuw Verbond. De lang bewolkte waarheid Herschept haar oude klaarheid, Na roestige eeuwen, uit dit Hollandsch licht; De doling krijgt een schaamrood aangezicht. Zijn ziele walgt van 't werren. Zij kiest geen dop voor kerren[4]. Al wat zij op den vasten grondsteen bouwt, Is dier gesteent, fijn zilver, en rood goud. Hij sticht vervallen steden, Door Godgeleerde zeden En tempering van wetten, glad hersmeed Met zijne tong, die diamanten kneedt. Om pais[5] is al zijn bidden; Voorzichtig houdt hij 't midden, En staroogt op 't Apostoliek gestarnt; Daar hier Charybd en ginder Scylle barnt. De Roomsche myterkroone Haar allerliefsten zone Erasmus stadig, met ontvouwen schoot[6], Milddadig tot d' eerwaardigste ampten noodt. Gekroonde koppen wenken[7] Zijn gunste, door geschenken En tittels: maar zijn veder, even vrij, Om Kristus wraakt gehuurde slavernij. Geen baatzucht maakt hem eigen[8], Ook zwicht hij voor geen dreigen; En die, zijn kruis omhelzend, eere vlugt, Vervult met eere de ongemeten lucht. De redelijksten zoeken Zijn schaduw in zijn boeken; Waarop de harteknaagster Haat-en-nijd Belachelijk haar stompe tanden slijt. Al is de Rotterdammer Verlost van 't Kristen-jammer, Zijn troostleer wischt nog vele tranen af. De zegen Gods bedauw' zijn zalig graf!
[1] De bekende dichter en oudheidkenner P. Scriverius, die (naar 't schijnt) zich met het zoeken naar een welgelijkend portret van Erasmus had bezig gehouden.
[2] _onverdichten_.
[3] _aan hem verplicht_.
[4] _kern, pit_.
[5] _vrede_.
[6] _met open armen_.
[7] Rijmshalve voor _bejagen_.
[8] _eigen koning, slaaf_.
Op Erasmus.
Dus leeft Erasmus nog in schijn: De vader van 't hervormd Latijn.
Davids Lijkklacht
OVER
SAUL EN ZIJN ZONEN.
De braafsten, die gij hebt gedragen, O Isrel! leggen nu verslagen Op uwe bergen. Wat geweld Of 't puik der mannen hebb' geveld? Verhaalt dit niet aan onz' misgonners Te Gath, noch meldt toch d' Ascalonners Op hunne straten 't ongeval, Door uw luidruchtig lijkgeschal: Om niet de maagdelijke reyen Des Filistijns ten dans te leyen: Dat 's onbesnedens dochters niet Gaan lachen over ons verdriet. O Gilboa! dat dauw noch regen Voortaan uw hooge toppen zegen Met loof en gras, noch d' akker draag Zijn tiende, die Gods hut behaag: Want op uw hoogte en open velden Ontzeeg de schild en 't hart der helden: De schild van Saül in den strijd; Als had hem God nooit ingewijd. De boog van Jonathan en 't snedig[1] Geweer[2] van Saül kwam nooit ledig In 't hof, maar vuil van vijands bloed En 't vet der dappren, trotsch van moed. Die Jonathan, die Saül minnelijk, En beide schoon en onverwinnelijk, Terwijl ze leefden, kon de dood Niet scheiden, in den jongsten nood. Geen arends vleugels waren sneller, Geen kies noch klaauw van leeuwen feller. Och, Abrams dochters! schreit op 't lijk Van Saül, fluks[3] nog vorst van 't rijk: Die u met purperen gewaden Bekleedde, en 't kleed met puikcieraden, Gesteente en goud te sieren plag. O, onvergetelijken slag! Hoe stortten daar de vroomste koppen! O Gilboa! op uwe toppen Viel d' onversaagdste en stoutste man, Die grootste krijgsheld Jonathan. Och, Jonathan, mijn zoet vertrouwen! Mij zoeter dan de min der vrouwen, Mijn broeder, dus verongelukt! Nu voel ik, hoe uw dood mij drukt! Geen moeders hart had zoo verkoren Het eenig pand, uit haar geboren, Als ik uw ziel, o heldenheer! Hoe kwaamt gij om met uw geweer[4]!
[1] Hier voor _snijdend_.
[2] _wapen_.
[3] _korts, kortelings_.
[4] _in uwe wapenen_.
Mozes' Gezang.