De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 2. Lao Tsz'

Part 9

Chapter 92,026 wordsPublic domain

2. Letterlijk staat er niet „contract” maar „tablet”. In den ouden tijd werden de contracten geschreven op houten tabletten, die in twee deelen waren verdeeld. Hij, die de zaak, waarover gecontracteerd was, moest geven, behield de linkerzijde van de tablet, hij die haar had te eischen, behield de rechterzijde. Later, bij eventueele geschillen, moesten de twee helften, die gekarteld of getand waren, weer precies in elkaar passen, als de echtheid van het contract moest bewezen worden (Pue Yeou Thsing, Julien).

3. Letterlijk staat er voor „eischen”: „belasting heffen”.

4. In de oude, oude tijden gebruikte men koorden met knoopen voor het tellen.

HOOFDSTUK LXXXI.

1 en 2. Men vergelijke Confucius’ „Mooie woorden en een mooi gemaakt gezicht gaan zelden samen met menschelijkheid”. (Zie mijn Chin. Fil., deel I, „Loen Yü”, blz. 178.)

Thomas à Kempis zegt (De Imitatione Christi): „Het is de Waarheid, die men van de heilige geschriften moet eischen, en niet de welsprekendheid.” (Hfdst. V.)

AANHANGSEL.

Voor de lezers van het eerste deel van dit werk kan het wellicht interessant zijn te vernemen, wat de heer Dr. Ch. M. van Deventer, de bekende schrijver van „Platonische Studieën”, mij schreef, naar aanleiding van mijne omschrijving van onvertaalbare chineesche begrippen als Tao, Li, enz. Nadat hij in eene bespreking van mijn werk (in het Weekblad „de Amsterdammer” van 27 September 1896) er in ’t kort op gewezen had, dat eenige eveneens onvertaalbare grieksche begrippen wellicht equivalenten waren voor mijne chineesche, was deze heer zoo vriendelijk mij, op mijn verzoek, uitgebreider inlichtingen daaromtrent te verschaffen.—Hij gaf mij de volgende dingen aan:

Kiün Tszʼ (zie „Confucius” blz. 13) = καλοκἄγαθος (kalokagathos).

De kleine man (Confucius blz. 14) = πονηρός (ponêros).

Jên (door mij bij gebrek aan beter vertaald door menschelijkheid) (zie Confucius blz. 8) = ἀρετή (aretê).

Li, Decorum (Confucius blz. 16) = το μουσικόν (to mousikon).

De rechtmatigheid die de dapperheid in toom houdt (Confucius blz. 263) = δικαιοσύνη (dikaiosunê).

Sing (Confucius blz. 8 en 80) waarschijnlijk = το θεῖον (to theion) en το ἀγαθόν (to agathon).

Shang (Confucius blz. 194) = σωφροσύνη (sofrosunê).

Daar ik niet ingewijd ben in het grieksch, kan ik niet over de juistheid dier equivalenten oordeelen, maar toch wilde ik ze gaarne in dit werk opnemen.

„Kalokagathos” schrijft de heer van Deventer, valt in vele gevallen als woord van dagelijksch gebruik, geheel samen met gentleman, fatsoenlijk man („fatsoenlijk man” wilde ik niet gebruiken, omdat er in onze taal een luchtje aan is gekomen, en liever dan een engelsch woord te nemen, behield ik het chineesche), man, op wien niets valt aan te merken. Het kan echter hoogere wijding aannemen, en heeft dan zijn schoonste voorwerp in den Platonischen Socrates.

„Ponêros is zoowel de gemeene, als, en misschien het laatste nog meer, de kleine, de niet-heroïsche, de plebeïsche, de klein- en grofzielige, tegenovergesteld zoowel aan den kalokagathos als aan den mousikos. Als het onheroïsche komt het voor in de beroemde bewering van Aristofanes (Kikvorschen): de dichter moet het ponêron verbergen en niet op het tooneel brengen”.

Mij dunkt dat een en ander wonder wèl overeenstemt met den Kiün Tszʼ en den Siao Jen van Confucius. (Zie „Confucius” blz. 14.)

Omtrent „dikaiosunê” schrijft mij de heer Van Deventer: „Dikaiosunê wordt gewoonlijk met rechtvaardigheid vertaald. In het grootste document echter over de dikaiosunê, Plato’s Politeia, komt men er niet met die vertaling. Beter is dan braafheid en rechtschapenheid, en volgens Plato is een waar, braaf en rechtschapen man, als uitvloeisel van de deugd, óók rechtvaardig”. (Zie „Confucius” blz. 263.)

Het woord „sofrosunê”, schrijft de heer Van Deventer verder, „gewoonlijk, doch met erkenning van het gebrekkige, door bescheidenheid vertaald, heeft, naar ik meen, een vrij precies hollandsch aequivalent, n.l. zedigheid. In zedigheid ligt iets meer vertoon dan in bescheidenheid, en het verschil tusschen sofrosunê en zedigheid ligt vooral daarin, dat die deugd bij de Hellenen hooger werd aangeslagen dan bij ons. Vandaar dat men er niet om denkt om sofrosunê door zedigheid te vertalen. Er is echter een dialoog van Plato, de Charmides, waarin het begrip sofrosunê onderzocht wordt, en men kan de dialektiek in de vertaling handhaven door ons woord zedigheid te gebruiken. In de Phaedo, Cap. XIII, staat: „De sofrosunê, datgene wat men de sofrosunê noemt, (is) het ten opzichte van de begeerten niet ontstuimig zijn, doch zich tegenover hen met geringschatting en welvoegelijk te verhouden.” Ik vertaal natuurlijk te lang en te stijf, doch de bedoeling zal u blijken, zoomede dat de ingetogenheid veel weg heeft van sofrosunê”. (Zie „Confucius”, blz. 194.)

„To mousikon”, vervolgt de heer Van Deventer, „is uiterst moeilijk te vertalen en zelfs te beschrijven. Een musisch man is hij, die een hoogere beschaving van ziel en van geest op zijn minst erként, en liefst beoefent. Het musische is het beginsel van het hoogere leven, dat met geen mogelijkheid materieel en aardsch te verklaren is, en intuïtief als een bewijs voor het bestaan van het goddelijke moet begrepen worden; ik spreek steeds van een Helleensch standpunt”. (Zie „Confucius” blz. 16, Li.)

Ik herhaal nog eens, voor de juistheid dezer equivalenten ben ik niet bevoegd in te staan. Maar als van den schrijver der „Platonische Studieën” komende, vond ik het interessant, ze, met mijn’ hartelijken dank voor zijne bereidwilligheid, in mijn werk op te nemen.

AANTEEKENINGEN

[1] In zijn „Syllabic Dictionary of the Chinese Language.”

[2] Preface of the „Yih King”.

[3] Preface to the second and third editions of the Dialogues of Plato.

[4] Preface to „Lao Tsze, the great Thinker.”

[5] Legge, Texts of Taoism, 39e en 40e deel der „Sacred Books of the East.”

[6] John Ruskin, The Queen of the Air, Preface.

[7] Bij het corrigeeren der drukproeven verneem ik nog, dat een nieuwe vertaling juist is verschenen van Dr. Paul Carus: „Lao Tsz’s Tao Teh King”, te Chicago.

[8] „Confucianism and Taouism.”

[9] o.a. Legge, Rémusat, Wylie, Von Faber, Julien, enz.

[10] Toch is Giles een eminent sinoloog, die o.a. een standaard-dictionnaire heeft gemaakt, waard naast die van Wells Williams te staan.

[11] Samuel Johnson, die zelf, meen ik, geen chineesch kent, heeft anders gedaan. Hij heeft alle mogelijke vertalingen, van de oudste af, bestudeerd, en met eene intuïtie, die zeker éénig is, uit al die vertalingen het beste verzameld en bewaard (in zijn werk Oriental Religions, China). En, wonder genoeg, zóó fijn en zuiver was die intuïtie, dat hij, ofschoon zelf geen sinoloog zijnde, het allerbeste over Lao Tszʼ heeft geschreven, wat ooit over hem geschreven is, en zich uit al de verschillende, tegenstrijdige vertalingen, een apart en zuiver idee van Lao Tsz’s filosofie heeft gevormd. Maar een eigen vertaling kon hij natuurlijk niet geven.

[12] Toen ik het eerste deel van dit werk uitgaf, dacht ik dat mijne vertaling van Confucius de eerste in het nederlandsch was. Sedert hoorde ik, dat er nog eene vroegere bestaat, maar deze is eene vertaling vàn eene vertaling, n.l. van Legge’s engelsche vertaling, en geen oorspronkelijke uit het chineesch. Zij behandelt Confucius en Mencius.

[13] Zie mijn „Wu Wei. Eene fantazie naar aanleiding van Lao Tsz’s filosofie” in mijn Wijsheid en Schoonheid uit China (Amsterdam, P. N. van Kampen en Zoon), voor ’t eerst verschenen in De Gids van Maart 1895.

[14] De Chineesche Filosofie, toegelicht voor niet-sinologen. I. Confucius. (Amsterdam, P. N. van Kampen en Zoon.)

[15] Het rijk Chʼu bestond als feudale staat onder de Chow dynastie, van 740 tot 330 v. C., en bevatte gedeelten van Honan en Kiangsu.—Khio Jin lag dicht bij de tegenwoordige stad Lou-i in Honan.

[16] Zie over Chow het 1e deel mijner Chin. Fil. over Confucius, blz. 30 en 39.

[17] Zie over de Li hetzelfde werk blz. 16. Confucius wilde Lao Tszʼ vragen over de schrijvers van de Li Ki (het Boek der Li).

[18] Lao Tszʼ heeft altijd veel vereerders gehad onder de boedhisten. Er zijn er die in hem eene incarnatie van een Boeddha hebben gezien. Er zijn er ook, die zeggen dat het boedhisme veel aan Lao Tszʼ ontleend heeft, en omgekeerd. Anderen weer brengen Lao Tsz’s boek in verband met die der oude Hindoes.—Nog op het laatste Orientalistisch Congres te Parijs (1897) werd door den sinoloog-consul Allen verklaard, dat Lao Tszʼ niemand anders dan een Boeddha was.

[19] Zie hieromtrent de „Historische Ophelderingen” in mijn eerste deel der Chineesche Filosofie (Uitg. P. N. van Kampen en Zoon) blz. 30–33.

[20] Hoofdstuk XVIII.

[21] ,, XIX.

[22] Sam. Johnson, Oriental Religions. China, blz. 862.—De cursiveeringen zijn van mij.

[23] Zie mijne Chineesche Filosofie. Confucius, blz. 15 en verder.

[24] Prof. de Groot spreekt van „een ondoorgrondelijk beginsel,” dat men door „universeele ziel van de Natuur” zou kunnen vertalen. (Jaarlijksche Feesten enz., deel II, blz. 550.)

[25] Vooral Stanislas Julien.—

[26] Toen ik mijne fantazie „Wu Wei” schreef, had ik dit nog niet gelezen, anders had ik het stellig aangehaald.

[27] Ik neem Tao onzijdig. Natuurlijk kan het geen geslacht hebben.

[28] Hoofdstuk I.

[29] ,, IV. Voor Shang Ti zie men mijn Chineesche Filosofie. Confucius, bl. 27.

[30] Hoofdstuk XIV.

[31] ,, XVI.

[32] ,, XXI.

[33] Met „karakter” bedoel ik hier een der chineesche schriftteekens. Deze worden door de sinologen algemeen „karakters” genoemd.

[34] Hoofdstuk XXV.

[35] ,, XXXII.

[36] ,, XXXIV.

[37] ,, XXXV.

[38] ,, XXXVII.

[39] ,, VI.

[40] ,, XL. Men zou ook, als G. G. Alexander kunnen vertalen: „Alle bestaan is uit het materieele. Al het materieele is uit het immaterieele (spiritueele).

[41] Toen de creatie nog niet geformeerd was en alleen Tao als essence in-zich-zelf bestond was er ook niet het begrip „één”, in tegenstelling met „twee”. Zoodra er „één” was (d.i. zoodra Tao zich gemanifesteerd had) was er ook „twee” gevormd en wel Yin (vrouwelijk, duister) en Yang (mannelijk, licht). De z.g. „Khi” (levensadem, natuur-adem) vormt van Yin en Yang in de juiste verhouding het schepsel, het ding.—Hoofdstuk XLII.

[42] Hoofdstuk XLVIII.

[43] ,, XI.

[44] ,, I.

[45] ,, LXII. „De steun van den slechte” in zooverre, dat de slechte, wil hij zich beteren, altijd weer op Tao kan steunen, dat hem dan redden zal.

[46] Hoofdstuk LXXIX.

[47] Le Livre de la Voie de la Vertu, par Stanislas Julien. Paris. Imprimerie Royale MDCCCXLII.

[48] Hoofdstuk LXX.

[49] Lao Tsze. The Great Thinker, by Major-General G. G. Alexander. London. Kegan Paul, Trench, Trübner & Co. Ltd. 1895.

[50] Hoofdstuk LXXVI.

[51] ,, VIII.—Bedoeld worden de lagere, nederige plaatsen.

[52] ,, LXXVIII.

[53] ,, VII.

[54] ,, VIII.

[55] ,, IX.

[56] ,, X.

[57] ,, XII.

[58] ,, XV.

[59] ,, XIX.

[60] ,, XXII.

[61] ,, XXIV.

[62] ,, XXVIII. Valleien hier genomen als diepten, waarin zich alle wateren uitstorten.

[63] Hoofdstuk XXXIII.

[64] ,, XXXVIII.

[65] ,, XLI.

[66] ,, XLV.

[67] ,, XLVII.

[68] ,, XLIX.

[69] ,, LV.

[70] ,, LVI.

[71] ,, LXIII.

[72] ,, LXIV.

[73] ,, LXVI.

[74] ,, LXXI.

[75] ,, LXXXI.

[76] Zie mijne Chineesche Filosofie. Confucius, blz. 30–33.

[77] Hoofdstuk XX.

[78] ,, XX.

[79] ,, III.

[80] ,, XIX.

[81] Hoofdstuk XXIX. D.w.z. vóór alles gaat Tao in het rijk, dat immers door Tao geformeerd moet zijn, en door Zijn adem bezield. Dit àllervoornaamste kan niet door actie worden gemaakt, maar moet natuurlijk uit de ziel van vorst en volk voortvloeien.

[82] Hoofdstuk XXX.

[83] Hoofdstuk XXXI. De linkerplaats is nog steeds bij de chineezen de eereplaats. In de oude tijden nam een generaal, die eene overwinning had behaald, den rouw aan. Hij zette zich in den tempel op de plaats van hem, die de ceremonieën voor de dooden leidt, en, gehuld in rouwkleederen, weende en snikte hij.

[84] Hoofdstuk XXXVII.

[85] ,, XXXV.

[86] ,, XLVI.

[87] ,, LVII.

[88] ,, LVIII.

[89] ,, LVIII.

[90] ,, LIX.

[91] ,, LX.

[92] ,, LXI.

[93] ,, LXV.

[94] ,, LXIX.

[95] ,, LXXV.

[96] ,, LXXV.

[97] ,, LXVII.

[98] In de oude, oude tijden gebruikte men koorden met knoopen voor het tellen.

[99] Hoofdstuk LXXX.

[100] The remains of Lao Tzü by H. A. Giles. Hongkong. China Mail office, blz. 43.

[101] Over Chuang Tszʼ en zijn werk in zóóveel te zeggen, dat het hier veel te ver zou voeren, en ik er apart over moet schrijven.

[102] Nan Hwa King. Hoofdstuk XV.

[103] Nan Hwa King. Hoofdstuk XVIII.

[104] Volgens Szʼ Ma Ts’ien is Lao Tsz’s einde onbekend gebleven. Chuang Ts’z zal dan ook deze episode alleen genomen hebben ter invoering van zijn idee. Want na Lao Tsz’s vertrek naar het Westen is nooit meer iets van hem gehoord.

De aanhaling is uit Hoofdstuk III van den Nan Hwa King.