De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 2. Lao Tsz'
Part 8
4. Letterlijk staat er: „hij, die niet verliest wat hij gekregen heeft,” dus hij, die niet van zijne essentieele natuur afwijkt, zal lang leven.
De bedoeling van den geheelen tekst, zooals vele chineesche commentaren haar dan ook geven, zal wel deze zijn: „Het animale leven vergaat, maar de ziel blijft altijd.”
HOOFDSTUK XXXIV.
Men vergelijke dit Hfdst. met Hfdst. X.
8. Men vergelijke in Thomas à Kempis’ „Imitation de Jésus Christ”: „Vraiment grand est celui qui en soi-même est petit et tient pour néant tout faîte d’honneur.” (Ch. 3.)
HOOFDSTUK XXXVI.
6. Daar het uitgezette gaat contracteeren, het sterke verzwakken, het bloeiende vervallen, enz., zoo is het ook duidelijk, dat het zachte het harde overwint.
7. Het verband van dezen tekst met het vorige is mij niet recht duidelijk. Mijn commentator zegt dat „visschen kunnen niet uit het water worden genomen” eene symbolische uitdrukking is voor „de ziel kan niet buiten Tao gaan”.
HOOFDSTUK XXXVII.
1. Johnson ziet hier eene analogie met Hegel en zegt: „The analogy with Hegels theses of the development of the Idea, in itself, and for itself, of the logic of the movement of the spirit, and of progress as the identity of being and nought,—is obvious. The German philosopher has formulated for the West the same conceptions which are here instinctive and intuitive in the East. Lao-Tse combines with them a profoundly religious spirit, and a sense of personal liberty through cognition of the universal, as rare as it is admirable”.
3. Niet zeer getrouw aan den tekst, maar toch karakteristiek vertaalt Giles: „Smouldering ambition I would repress by extreme simplicity”.
4. Het is niet duidelijk of deze tekst misschien niet beter vertaald ware met: „Het simpele Wezen, dat geen naam heeft, heeft geen begeerte, en geen begeerte hebbende, is Het in rust”.
TWEEDE DEEL: TEH.
HOOFDSTUK XXXVIII.
Dit hoofdstuk is een van de moeilijkste van het geheele werk, en iedere vertaler heeft weer een andere versie. De meesten nemen „teh” verkrijgen voor „teh” deugd, maar dit behoeft hier in ’t geheel niet. Wie goed heeft gelezen wat ik in mijn Voorwoord over vertalingen uit het chineesch heb gezegd, zal begrijpen, hoe weinig het verschil in zinswending enz. er toe doet, mits het hoofdidee maar juist is. Verscheidene vertalers hebben, op eigen beter weten, den chineeschen tekst veranderd, en er een eigen chineeschen tekst van gemaakt. Toch lijkt mij de hoofdbedoeling vrij duidelijk, in verband met den geheelen geest van de Tao Teh King. Een zin uit Chuang Tszʼ: „Het hoogste Geluk is geen geluk” correspondeert er mede.
1 en 2. De hoogste Deugd is van-zelf, uit Tao, is dus Wu Wei. Maar zoodra men, deugdzaam zijnde, het idee heeft: „dit is nu deugd,” dan is het al geen Deugd meer, dan krijgt men den schijn voor de realiteit, den naam voor het ding zelf.
3. De hoogste Menschlievendheid doet goed van-zelf, omdat zij niet anders kan, uit haar natuur. Zoodra er het idee „dit is mijn plicht” bijkomt, wordt het al onzuiver.
4. Hier ga ik mede met de van alle anderen afwijkende vertaling van Giles. Deze zin komt mij ietwat misplaatst voor in het hoofdstuk. De bedoeling schijnt te zijn: „De ware Liʼ is de Liʼ van het hart, meer als een ding van zelf-respect gedaan dan als respect voor anderen. En hierop kan natuurlijk geen antwoord zijn behalve de uitwendige en zichtbare gebaren.”
5. Dit correspondeert met de dingen in Hoofdstuk XVIII. Decorum (Liʼ) is hier blijkbaar genomen in den lageren zin van alleen het uiterlijke decorum, dat slechts een oppervlakkig ding is als de schors van een boom.
7. Met het „schijn-weten”, letterlijk „vooraf-weten”, wordt hier bedoeld het geleerde, buitenissige weten van allerlei bizondere dingen, zonder het ware al-wetten in Tao, dus het oppervlakkige weten van den schijn der dingen, zonder het wezen te kennen.
HOOFDSTUK XXXIX.
1 en 2. De hoofdbedoeling hiervan is, te doen voelen, dat alle wezens en dingen hunne verschillende naturen hebben te danken aan één ding, Tao, de Eenheid. Die Eenheid is de basis van alle uiterlijk zoo verschillende dingen. Zonder die Eenheid zou de Hemel niet puur zijn, de Aarde niet in rust, enz. enz.
3. De hoogheid en gedistingeerdheid der vorsten hebben tot basis de laagheid en gewoonheid van het volk. De koningen geven zich uit bescheidenheid die lage titels om te doen uitkomen, dat zij hun oorsprong hebben gehad in het volk.
4. Letterlijker staat er, véél wielen, géén wagen. De bedoeling is duidelijk in verband met het vorige over de Eénheid.
HOOFDSTUK XL.
1. Deze zin correspondeert met wat ik in mijne Inleiding zeide, n.l. dat niet alleen alle dingen uit Tao zijn voortgekomen, maar hun tevens eene natuurlijke, van-zelve beweging is medegegeven, die hen onvermijdelijk weder naar Tao terugvoert. Zich op die beweging in gehoorzaamheid te laten meêgaan is, volgens Lao Tszʼ, de hoogste levenswijsheid, is Wu Wei zijn.
2. Zie Inleiding en Hfdst. I.
2. Het „daarom” schijnt niet in direct logisch verband met het vorige onder 1 te staan. De bedoeling is verder duidelijk genoeg, n.l. dat de verlichten in Tao, in stede van trotsch te zijn, nederig blijven enz. enz. De meeste vertalers hebben verder: „Hij, die de opperste deugd heeft, enz. wat op hetzelfde neerkomt. In den tekst staat alleen, zooals ik heb, „de opperste deugd,” „de groote reinheid” enz.
3. Het volgende, ook al weer niet in direct verband met het vorige, slaat weer op Tao.
HOOFDSTUK XLII.
1. Tao vóór de creatie, éénig in-zich-zelf, bestaande was er natuurlijk niet eens het begrip één. Tao baarde één. Eén verdeelde zich in twee, en wel de principes Yin (vrouwelijk, rust, duister), en Yang (mannelijk, beweging, licht). De chineesche filosofie van de „I King” leert dat door de verbinding in harmonie—dit is dus drie, de harmoniesche samensmelting van Yin en Yang—dezer twee principes alle dingen ontstaan zijn. Eén ontstond zoodra Tao zich naar buiten manifesteerde, twéé zoodra één zich verdeelde in Yin en Yang, en drie zoodra de harmonie ontstond tusschen die twee.
Onnoodig te zeggen dat zendelingen in dezen tekst een chineesche uitdrukking voor de Drieëenheid hebben gezocht!
2–6. Dit volgt alweer niet in direct verband met het vorige, maar is een tekst apart.
HOOFDSTUK XLIII.
1. Men vergelijke dit met het nog te volgen Hoofdstuk LXXVIII, waarin Lao Tszʼ spreekt van water, dat, hoe zacht ook, het hardste kan vernietigen.
2. Letterlijk staat er „Het Niet-Zijn dringt binnen in waar geen opening is”.
3. Juist zooals het immaterieele het ondoordringbare doordringt, zoo overwint ook Wu Wei, de zuivere ziele-actie, álle andere actie, die niet uit de zuivere ziel komt.
HOOFDSTUK XLIV.
3. „Liefheeft” neme men hier in den lageren zin van passies, begeerten hebben. Hij, die zoo liefheeft, zal veel van zijn beste goed verkwisten.
2. De bedoeling zal wel zijn die van Li Si Tchaï, door Julien overgenomen, dat de beweging, die de koude overwint door warm te maken, en de rust, die de warmte overwint door te verkoelen, beide hun grenzen hebben. Maar als de mensch Wu Wei is, zoekt hij niet te overwinnen, en daardoor kan ook niets hém overwinnen.
3. Letterlijk staat er „puurheid en rust zijn het rechte van de wereld”.
HOOFDSTUK XLVI.
1. Letterlijk staat er: „Toen het rijk Tao had” enz. De commentator Peh Yü Shen neemt dezen tekst figuurlijk, en ziet in het rijk het hart, in de paarden de hartstochten en begeerten. Ik geloof met anderen dat men hier den tekst evengoed in letterlijken zin kan nemen.
HOOFDSTUK XLVII.
Men zou dit hoofdstuk in ’t kort kunnen verklaren door: „Alles moet van binnen, niet van buiten komen. Het hoogste weten wordt alleen bereikt door zelf-contemplatie, en de oorsprong van alle weten is in de eigen ziel”.
HOOFDSTUK XLVIII.
1. Met „minder krijgen” is natuurlijk bedoeld „minder verlangens, begeerten, aardsche dingen krijgen.”
2. De woordspeling is hier alweer eigenaardig. „Als Wu (niets) Wei (doen) bereikt is, is er niets (Wu) wat men niet kan doen (Wei). Ik leg er nog eens den nadruk op voor de zóóveelste maal, en kan dit niet genoeg doen, dat „Wu Wei” volstrekt niet zoo maar beteekent inactie, indolentie, of niets doen, maar zooals ik in de Inleiding duidelijk maakte, „niets tegen Tao in doen”, dus „zich bewegen, en doen, zuiver en geheel volgens het rythme van Tao dat (zie Hoofdstuk XL weer) naar Tao terugvoert. En dat met „doen” wordt bedoeld „onnatuurlijk, aardsch gedoe van begeerten en verlangens”.
HOOFDSTUK XLIX.
1. Letterlijk staat er „geen eeuwig (onveranderlijk) hart”. Hart hier ook in den zin van „gevoelens”.
2. Van de juiste vertaling, hoe mooi die ook klinken moge, ben ik hier lang niet zeker. Ik heb hier „Teh” deugd moeten vervangen door „teh” verkrijgen, maken, eene verwisseling die in het oude chineesch veel voorkomt, en die ook o.a. Giles e.a. en veel chineesche commentators maken. Anderen behouden Teh als deugd, en vertalen dan aan het slot van den zin: „Dit is het toppunt van de deugd”, waarvan „toppunt” echter niet in den tekst staat. Weer andere chineesche commentaren zien in dezen tekst niet anders dan ongenaakbaarheid, alsof Lao Tszʼ wilde zeggen dat goeden en slechten, oprechten en niet-oprechten voor hem hetzelfde waren, iets wat ik niet kan aannemen.
3. Ook van deze vertaling ben ik niet zeker. Evenmin van die van Julien: „Le Saint vivant dans ce monde reste calme et sincère et conserve les mêmes sentiments pour tous”. Hij vat „hwun”, d.i. verward, vuil, chaotisch, op als „het geheel, allen”. Beide beteekenissen staan o.a. in Wells Williams’ dictionnaire. Maar „calme et sincère” voor „tieh” vreesachtig, verlegen, bezorgd, kan ik niet aannemen.
4. „De honderd families” is eene uitdrukking voor „het volk”.
HOOFDSTUK L.
2. Wie die dertien dienaren (sommigen vertalen „dienaren”, anderen „oorzaken”) zijn, is niet recht duidelijk. De eene chineesche commentator zegt dat het zijn 13 deugden (als b.v. zuiverheid, zwakheid, nederigheid, zachtheid, armoede, enz.), die van ’t leven, en 13 ondeugden (b.v. onzuiverheid, rijkdom, kracht, hoogheid, zucht om uit te blinken, enz.), die van den dood. De ander (b.v. Han Fei Tszʼ) zegt dat de beide dertien identiek zijn, n.l. de vier leden, de mond, de oogen, de neus, enz. die in ’t leven gebruikt worden en toch naar den dood leiden.—Maar ik zou niet durven zeggen, wie nu eigenlijk de dertien zijn.
4. Dat „te intens leven” is hier „zijne hartstochten opzweepen, en zoo zijn levenskracht verspillen”.
5–6. Met „zijn leven regeeren” bedoelt Lao Tszʼ hier „Wu Wei” worden, het spiritueele tot het hoogste opvoeren.—Hij, die alleen in ’t spiritueele leeft, heeft als ’t ware geen lichaam meer, en is dus niet meer blootgesteld aan den dood, die alleen ’t lichaam treft.—Johnson vergelijkt deze regelen terecht met Markus XVI, 18: „Slangen zullen zij (die gelooven) opnemen; en al is het dat zij iets doodelijks zullen drinken, het zal hun niet schaden”.
HOOFDSTUK LI.
1. Ik herinner aan wat ik in de Inleiding uitlegde, n.l. dat Lao Tszʼ Tao, in-zich-zelf beschouwd, Tao noemde, en dat hij Teh noemde: Tao als gemanifesteerd zijnde in de creatie.
Ik heb hier eene vrijheid genomen. Letterlijk staat er: „Tao brengt de dingen voort, Teh brengt ze groot”.—Ik nam mijne vrije vertaling om nog eens goed te doen uitkomen wat Teh is.
5. Met dit „vrij laten” wordt bedoeld, dat Tao niet, zooals b.v. een koning, nog eerst krachtige wetten behoeft te maken, en hen voortdurend onder bedwang houdt, maar hen hun natuur laat volgen.
Immers, als ze maar Wu Wei zijn, is alles vanzelf goed.
Johnson vergelijkt den eersten tekst, 1, met den schoonen tekst uit de Prasna Upanishad. „As the birds to a tree, so all beings repair to the supreme Soul”.
HOOFDSTUK LII.
1. Vergelijk Hoofdstuk I. 2.
2. De moeder is hier Tao, hare kinderen de door Hem gecreëerde wezens en dingen. Hij, die weet hoe de wereld gecreëerd is, en waaruit zij is ontstaan, vreest natuurlijk den dood van zijn lichaam niet.
3. Voor „druk maken” (lett. staat er „zijn zaken redden”) hebben sommigen eene uitdrukking voor „zijne begeerten vermeerderen” gezien.
4. Het kleine, d.i. het subtiele.
5. Deze tekst is niet heel duidelijk. De uitlegging van een chineesch commentator Lüi Kie Fou, ook door Julien aangehaald, komt mij vrij aannemelijk voor. Volgens dezen is zij „hij, die gebruik maakt van de afschittering van Tao om de menschen en dingen te leeren kennen en zich aan hen te onttrekken, en dan weer terug keert tot het licht van Tao zelf, om tot de absolute rust te komen, zal niet in rampen komen”. Maar dubieus blijft het.
HOOFDSTUK LIII.
1. Hier hebben wij weer een voorbeeld, dat Tao gewoon Weg, of Pad beteekent, als zoo dikwijls in Confucius.—Hier dus, het Pad, de Weg van Tao, het Pad, waarin men gaat (en dit is door Wu Wei te zijn) als men in Tao leeft. Wells Williams, in zijn dictionnaire dit hoofdstuk aanhalende, spreekt van „the way of truth” in dit geval.
2. Door er een karakter bij te voegen, krijgen vele vertalers, er een dat „doen” beteekent (Wei), achterplaatsende dézen zin: „wat ik vrees, is om te ageeren”. Maar, het karakter zoo latende, krijg ik mijne versie, die toch ook aannemelijk is, en wèl in verband met het volgende.
3. „Vlak” ook in den zin van „eenvoudig”.
4. „Veel treden hebben”, d.i. dus hoog gelegen zijn, mooi en weelderig zijn.
6. Een zoo groot geleerde als keizer Khang Hi volgende, heb ik hier, zooals hij in zijn beroemd „Khang Hi’s Woordenboek” deed, hier in deze passage het karakter „ting” bijgevoegd, waardoor ik deze versie kreeg. Letterlijk staat er „dit noem ik zich beroemen op diefstal”.
Het geheele hoofdstuk, bemerkt men, is eene tirade tegen de toen ter tijde regeerende vorsten, die Tao verzaakten in de regeering van het rijk.—Het „de groote Weg” in den eersten volzin is een der voornaamste argumenten van velen, dat Lao Tsz’s „Tao” met „Weg” zou moeten vertaald worden.—Maar dat het karakter Tao hier even „Weg” beteekent, daaruit volgt nog volstrekt niet, dat het dit per se nu ook overal elders moet beteekenen.
HOOFDSTUK LIV.
1. „Grondvesten”, d.i. hier „grondvesten op Tao”. „Vast houden”, d.i. hier „de beginselen van Tao goed vasthouden”.—Vergelijk in Confucius, Choeng Yoeng, Hfdst. VIII, blz. 88.
3. „Het” is hier weer „Tao”.—De opvolging van zich-zelf, zijne familie, zijn dorp, zijn staat, zijn Rijk, doet hier aan een ideeëngang van Confucius denken. Vergelijk „Confucius, Ta Hioh”, Hfdst. I, 5 en 6, blz. 148.
Sommige vertalers lezen hier voor „teh” niet overal deugd, maar de gevolgen dier deugd, en krijgen dan o.a. „Hij, die Het in zijn dorp betracht, zal „de bevolking (daarvan)” vermeerderd zien”.
5. „Door Dit”, d.i. door Tao.
HOOFDSTUK LV.
1. D. i. „Hij die in Tao leeft”.
4. Indien menschen schreeuwen van pijn of van pleizier, wordt de keel schor, en is er geen harmonie in dien mensch. In het kind is de volkomen harmonie der vitale krachten.
5. Zie Hfdst. XVI.—Verlicht is hier synoniem met wijs. Letterlijk staat er „het hart de vitale energie besturende”.
6. Zie Hfdst. XXX.
HOOFDSTUK LVI.
2. Letterlijk staat er „sluit zijn deuren”, maar volgens verscheidene chineesche commentators beteekenen die deuren hier „oogen en ooren”.
3. Ik vertaal hier „hij haalt zijn hooge aspiraties neder”, maar letterlijk staat er, als in Hfdst. IV: „Het verstompt zijn scherpte”.—Men lette op de woordelijke gelijkenis met Hfdst. IV, waar Tao het onderwerp is. Deze gelijkheid van uitdrukking maakt de gelijkenis nog sterker.
HOOFDSTUK LVII.
1. Men denke er vooral om, wat ik reeds zoo herhaaldelijk releveerde, dat „Wu Wei” niet zoomaar niets-doen beteekent.
3. Herbert Giles vertaalt de laatste zinsnede kernachtiger, maar minder getrouw aan den tekst: „Overlegislation increases crime”.—Denkt men bij dezen tekst niet onwillekeurig aan den ontzaglijken berg folio’s van Staatsbladen, die een ambtenaar in Ned.-Indië moet kennen?
4. Men versta hier in dit speciale geval „de Wijze, die een vorst is”. Met „géén werk” wordt bedoeld „geen militaire expedities, groote ondernemingen”, enz.
HOOFDSTUK LVIII.
1. „Shun” is hier zoowel puur als eerlijk, ongemengd, zuiver.—Ik heb mijn commentator Peh Yü Shen gevolgd, die een ander klassenhoofd voor het karakter geeft dan er staat. Anderen, het oorspronkelijke behoudend, krijgen „rijk, liberaal”.
2. Letterlijk staat er „ongeluk is de basis van geluk” enz.
3. Julien en anderen hebben: „Si le prince n’est pas droit, les hommes droits deviendront trompeurs, et les hommes vertueux pervers”.
HOOFDSTUK LIX.
2. Op autoriteit van keizer Khang Hi neem ik, evenals Julien, hier een kleine vrijheid met het woord „fuh”. Letterlijk staat er dan „Gematigdheid is de eerste zaak van den mensch”.
4. Letterlijk staat er „Wie de moeder van het rijk bezit”.
In den laatsten volzin komt Tao hier voor in den zin van „leer”.
HOOFDSTUK LX.
1. Letterlijk staat er: „Het regeeren van een groot rijk is als ’t bakken van een klein vischje”. Ik vertaalde vrijer, om beter de bedoeling te doen uitkomen.
2–3. De rest van dit hoofdstuk is vrij duister. De tekst spreekt hier van „kwei” (zie „kwei-shin” in Confucius blz. 100), maar mij dunkt dat Lao Tszʼ die niet kan bedoeld hebben, en daarom nam ik „kwade invloeden”.
4. Dit is niet erg duidelijk.
HOOFDSTUK LXII.
1. „De steun van de slechten”, omdat de slechten er altijd weer op kunnen steunen om goed te worden.
3. Dit is een heel lastige zin door de woordschikking in het chineesch. Daarom geef ik hier twee andere versies er bij. Julien geeft n.l.: „Si un homme n’est pas vertueux, pourrait-on le repousser avec mépris?” Alexander: „By what means is it possible to get rid of the effects of a mans vileness?”
4. Het keizerschap en de ministers zijn n.l. juist ingesteld om er voor te zorgen dat de slechten beter worden en
5. daarvoor is het allereerst noodig dat zij zelf Tao betrachten, en niet dat zij praal maken met jaspisstaven (teekenen van waardigheid der hooge mandarijnen) en vierspannen.
HOOFDSTUK LXIII.
2. In het chineesch staat, zonder verdere verbinding, enkel achter elkaar: „groot—klein—veel—weinig”. Men begrijpt hoe moeilijk de vertaling wordt. Johnson, von Strauss aanhalend, heeft: „Let thy great be as little, thy many the few”. Julien „Les choses grandes et petites, nombreuses ou rares (sont égales à ses yeux)”. Alexander: „Turn the small into the great, and the few into the many”, enz. Ik nam mijne versie, omdat deze mij het nauwkeurigst scheen aan te sluiten aan wat volgt.
3. Letterlijk staat er: „Hij wreekt kwaad met deugd”.
5. Letterlijk staat er niet „uit” maar „met”.
HOOFDSTUK LXIV.
Dit Hoofdstuk biedt vele moeilijkheden, zoodat ik vooruit moet verklaren, niet in te durven staan voor de juistheid van de vertaling op eenige punten. Ik zal deze nader aangeven.
1. Ik volg hier, zelf geen rechte versie wetende, Stanislas Julien, in wiens vertaling als letterlijke vertaling der woorden, zooals ik reeds zeide, ik het meest vertrouw, maar ik betwijfel of zij de bedoeling wel weergeeft. Giles, toch ook een eminent sinoloog, heeft: „While times are quiet, it is easy to take action; ere coming troubles have cast their shadows before, it is easy to lay plans”. Men ziet, het scheelt nog al wat!
2. Als boven. Alexander heeft „It is easier to prevent than to suppress”. De chineesche commentaren, die ik bezit, verschillen allen.
4. „Doet” hier in den zin als reeds zoovele malen, en in de inleiding, door mij aangegeven.
8. „Daardoor ontkomt hij aan de fouten der menschen”. Dit is op gezag van eenige chineesche commentators, die ook Julien volgt.—Giles heeft: „And you (hier dus he) will revert to a condition which mankind in general have lost”.
HOOFDSTUK LXV.
3. Letterlijk staat er: „Hij die met het weten het rijk regeert”.
5. Letterlijk staat in plaats van vrede: „gehoorzaamheid, volgzaamheid”.
HOOFDSTUK LXVII.
1. De bedoeling van deze in ’t hollandsch moeilijk weer te geven woordspelingen (siao is n.l. zoowel „gelijk als” als „klein” en met „niet” er voor „gedegenereerd”) is blijkbaar, dat indien men iemand groot noemt, en hij zich groot vindt, hij al niet groot meer is. Het is dan niet Wu Wei meer. Zie ook Hfdst. II.
3. Er staat niet in het chineesch „nederigheid” maar omschreven: „niet durven de eerste in het rijk zijn”.
6. Letterlijk staat er: „Als men strijdt met liefde”.
HOOFDSTUK LXIX.
2. Letterlijk staat er: „Gaan zonder te gaan”. Mijn commentator Peh Yü Shen merkt hier terecht op dat deze tekst niets dan eene illustratie is van „Wu Wei”, van „werken aan géén werk”, enz.
4. „De liefde” hier vooral als het „medelijden”, meen ik. Anderen zien er in „de liefde voor het vaderland”.
HOOFDSTUK LXXI.
De eigenaardige woordspeling, met het achtmaal in dit korte hoofdstukje voorkomende karakter „ping”, dat zoowel „ziekte” als „ziek zijn” beteekent, en hier zelfs ook „lijden door de ziekte”, gaat natuurlijk in de vertaling geheel verloren. De bedoeling blijft echter, hoop ik, duidelijk genoeg.
Ik ben strikt getrouw aan den tekst gebleven, waarin staat: „weten niet weten (is) superieur”.
Anderen vertalen: „te weten, maar te doen alsof men niet weet is superieur”. Maar het eerste is veel mooier en juister, en waar het bovendien precies accuraat den tekst weergeeft, vond ik het verre te verkiezen.
HOOFDSTUK LXXII.
1. „Dat wat te vreezen is”, is hier: „de dood”.
4. „Het eene” is hier: „zelf gezien willen worden”, het andere „zich zelf kennen”. Zoo ook met het tweede.
HOOFDSTUK LXXIII.
1. Als een bewijs hoe weinig in ’t chineesch letterlijke accuratesse van vertaling er toe doet, diene de volgende vertaling van Alexander: „He, whose courage amounts to rashness, will lose his life, but he in whom it is tempered with discretion, will save it”.
Mijne vertaling is getrouwer aan den tekst, maar de bedoeling blijkt dezelfde.
3. Het verband is mij hier niet duidelijk.
4. Hetzelfde geldt voor dezen tekst, waarin ik alleen analogie vind met Hfdst. LXIII.
5. M.a.w.: De Tao van den Hemel is Wu Wei. Het „geantwoord” is hier ook „gehoorzaamd”.
6. „Hij” is hier „de Hemel”; „tʼan” is hier stil, rustig, dus in dezen zin als niets doend, bijna lui.
HOOFDSTUK LXXIV.
1 en 2. Lao Tszʼ wilde zeggen dat hoe strenger en wreeder het gouvernement met doodstraffen optreedt, hoe meer misdadigers er juist zullen zijn, en hoe minder het volk den dood zal gaan vreezen.
3. Alleen de Opperrechter, hier de Hemel (men vergete hierbij niet dat de Keizer is de Zoon des Hemels) mag dooden, dus alleen een werkelijk goed en rechtvaardig gouvernement of Keizer. Zij, die de regeering usurpeeren en woest met de onderdanen te werk gaan, zullen zichzelf snijden, d.i. ten onder brengen.
4. Hoe ongeloofelijk het ook moge klinken van enkele geleerden, waaronder zelfs de gewezen zendeling, later prof. Legge, hebben zij uit deze eenvoudige vergelijking van een timmerman alweer den christelijken God ontdekt, n.l. den grooten Architect (timmerman) van het Heelal!!!
HOOFDSTUK LXXVII.
1. Als de chineesche boogschutter zijn boog spant, heft hij het benedenste eind op en brengt hij het bovenste eind naar de laagte, en hij neemt zijn afstand door de hoogte van den boog minder of grooter te maken naarmate het doel lager of hooger is.
2. In 2 en 3 is hier Tao weer meer de weg, de manier van doen.
HOOFDSTUK LXXVIII.
1. Letterlijk staat er: „Daarom is er niets, dat het water kan vervangen”.
3. Alleen de zachte en zwakke kan die schande en die rampen verduren zonder morren en beklag.
4. Want de meeste menschen denken dat iemand een laag, verachtelijk karakter moet hebben, om te verduren zonder in woede op te vliegen.
HOOFDSTUK LXXIX.