De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 2. Lao Tsz'

Part 7

Chapter 74,005 wordsPublic domain

5. Zooals Stanislas Julien terecht opmerkt, beteekent dit niets anders dan „Hij brengt het volk tot zijnen primitieven (natuur) staat terug.”

7. De natuurstaat is van-zelf Wu Wei, en daarin gaat alles vanzelf zijn juisten gang.—

Men vergelijke dit geheele hoofdstuk met in de „Imitation de Jésus Christ”: „Dès que l’homme convoite une chose désordonnément, aussitôt il devient inquiet en lui même. L’Orgueilleux et l’avare ne sont jamais en repos. Le pauvre et l’humble en esprit vivent dans la plénitude de la paix.” (Chap. VI. trad. L. Moreau.)

HOOFDSTUK V.

1. Alle wezens hebben van Tao dezelfde impulsie, hetzelfde rythme gekregen, en deze impulsie doet het geheele Heelal vanzelf zijn natuurlijken gang gaan. Daarom gaat het niet aan, te veronderstellen, dat de Hemel en de Aarde nog eens eene aparte affectie voor enkele wezens zouden hebben.

2. Zoo ook met den Wijze, die alle menschen gelijkelijk liefheeft, en niet nog eens apart den een boven den ander.

3. Tao is als ledig, en toch onuitputtelijk, en hoe meer het beweegt, hoe meer kracht het voortbrengt.

4. Hoe meer woorden men gebruikt om Tao uit te drukken, des te eerder raakt men uitgeput, en bereikt toch niet zijn doel. Daarom is het beter het midden te bewaren, d.i. Wu Wei te zijn.

HOOFDSTUK VI.

1. Deze mystieke chineesche uitdrukking beteekent heel eenvoudig, dat Tao is als de geest van eene vallei, even als een vallei ledig en toch bestaande, eene figuurlijke uitdrukking voor „eene diepte van ziel” die niet sterft, maar eeuwig is, eene onvergankelijke ziele-oneindigheid. Dit is de mystieke Moeder, uit wie alle dingen worden geboren.

2. Dit beteekent eenvoudig, dat alles en allen uit Tao geboren zijn, dus hebben Hemel en Aarde hun oorsprong in Tao.—

4. Dan zal namelijk alles van-zelf gaan, Wu Wei.—

HOOFDSTUK VII.

1. „Hemel en Aarde duren lang” omdat dit hun natuur is, n.l. Tszʼ Jan (van-zelf), zonder dat zij er iets voor doen (Wei). Zij leven niet met het doel, toch vooral voor zichzelf te zorgen.

2. Zoo ook moet de Wijze niet aan zichzelf, zijn (egoïstisch) Ego denken, maar zich absorbeeren in Tao. En dáár één mede, is hij dan vanzelf al vér vóór de anderen.

3. Letterlijk staat er „hij doet zijn lichaam (hier in den zin van „zijn Zelf”) buiten zich” enz.—Zijn éénige doel is één zijn met Tao.

5. Terwijl hij dus zijn (onreëel) eigenbelang schijnbaar verwaarloost, heeft hij zijn (éénige, reëele) belang, het één zijn met het Absolute, toch eigenlijk volmaakt.

HOOFDSTUK VIII.

2. De menschen trachten in hun eerzucht zoo hoog mogelijk in de maatschappij te stijgen, verachtend het lage; maar het water (en ook de Goedheid) stroomt naar de laagten en diepten.

5. Er is verschil van gevoelen tusschen de chineesche commentators of hier „de Wijze” of „Tao” bedoeld wordt. Ik méén de Wijze. Met het „op de goede plaats wonen” wordt bedoeld, dat hij geen bizondere keuze heeft, en het nederige hem tevreden stelt. Met „menschlievendheid” liefde voor allen, géén bizondere voor enkelen. Met „goed regeeren” het tot rust en vrede brengen van het rijk, zoodat het volk van-zelf goed werd. Met „bewegen op den rechten tijd” wordt bedoeld, dat hij alles precies doet (b.v. ambt aanvaarden, ontslag nemen, enz.) als het moment het op dat oogenblik zoo meêbrengt, en het in de natuurlijke orde ligt.

6. Lao Tsz’s discipel Chuang Tszʼ vergeleek den mensch, die in Tao leeft, met een ledige boot. Géén schipper zou in woede ontsteken tegen een ledige boot, als hij daarmede toevallig in aanvaring kwam.

HOOFDSTUK IX.

1. Letterlijk staat er „aan twee zijden (een vaas) vasthouden en (haar) te vullen is niet zoo goed als er mede uit te scheiden.” De bedoeling is figuurlijk n.l. dat het veel beter is, iets niet te doen dan het door te zetten in het wilde, en niet van uitscheiden te weten.

2. Dit is eveneens figuurlijk. Het laatste zou misschien ook wel kunnen beteekenen „zal men zichzelf niet lang goed kunnen bewaren,” dus „zal men zich wonden.”

4. Voor „na zich sleepen,” staat lett. „nalaten.”

5. Als het werk volbracht is, zal de Wijze, het onwezenlijke er van inziende, zich terugtrekken, en streven naar het éénig wezenlijke, naar Tao.

Ik teeken hierbij aan, dat waar ik hier en in volgende noten van „letterlijk” spreek men dit om zoo te zeggen niet „letterlijk” moet opvatten, daar er in ’t chineesch geen letters zijn. Ik bedoel dan „het dichtst bij de bedoeling en opvolging der karakters komende.”

HOOFDSTUK X.

1. Alexander vertaalt dit met „He who makes the investigation of his spiritual nature his chief object” enz. St. Julien met „L’âme spirituelle doit commander à l’âme sensitive” enz. Beiden, evenals ik, hebben iets in den tekst moeten veranderen en verplaatsen.

2. De ongetemde vitale kracht leidt n.l. tot woestheid en losbandigheid.

Het „als een pas geboren kind” zijn duidt aan een zuivere gevoeligheid voor indrukken, en het volkomen puur zijn, zonder verwarring, van het spiritueele.

5. Letterlijk staat er voor „de processen van de natuur”: „het openen en sluiten van de deuren des Hemels,” en wel deze operaties precies op de juiste tijden gedaan.

7. Het is niet recht duidelijk of Tao hier het onderwerp is dan wel de Wijze.

HOOFDSTUK XI.

1. In den ouden tijd had een wiel dertig spaken, correspondeerende met de dertig dagen van de maan (Lo Tchin Kong en Julien).

2. Julien vertaalt „C’est pourquoi l’utilité vient de l’être, l’usage vient du non-être.” Alexander door „however beneficial the material may be, without the immaterial it would be useless.” Giles vindt dit geheele hoofdstuk zoo absurd, dat hij het niet eens vertaalt, en zegt: „This chapter is beneath contempt.”

De commentator Peh Yü Sjen van een mijner edities zegt nog van den laatsten zin: „Dat ik dit lichaam van mijne ouders kreeg is voordeel” en vergelijkt dan het immaterieele met „het eeuwig behouden van den Oorsprong, de eeuwige natuur, voor welke geen in- of uitwendig bestaat.”

HOOFDSTUK XII.

1. „De vijf kleuren” zijn blauw, geel, rood, wit en zwart. Er zal hier wel bedoeld zijn „alle kleuren,” in ’t algemeen.

„De vijf tonen” zijn de chineesche tonen, „kung, shang, kioh, chʼi en yü.”

De vijf smaken: „zoet, scherp, zuur, zout, bitter.”

3. Letterlijk staat er „zijn binnenste vullen,” in den zin van „vullen met spiritueele dingen” en „ledigen zoowel van animale dingen als van belemmerende affecties.”

4. Men vergelijke Thomas à Kempis „Imitation de Jésus Christ”: „Travaille donc à retirer ton cœur de l’amour des choses visibles pour te porter aux invisibles. (Livre I, Ch. I, trad. L. Moreau.)

HOOFDSTUK XIII.

1. Er is in verschillende edities van den Tao Teh King geen overeenstemming wat de volgorde van eenige karakters in dit hoofdstuk aangaat. Zóó geven enkele commentators voor den tweeden volzin: „geëerdheid en groote rampen zijn als het lichaam”.—De hoofdidee blijft echter dezelfde. Peh Yü Shen teekent bij dit nummer aan: „De van-zelve (d.i. natuurlijke) toestand van het hart (hier meer in den zin van ziel) is zonder glorie of vernedering.”

2. Is men bij den vorst in hooge gratie, dan is men in vreeze, dat men haar niet behoudt, en is men in degradatie, dan is men in vreeze, dat het misschien nooit weer beter kan worden.

3. Peh Yü Shen teekent hierbij aan: „Ben ik Ik, dan heb ik ook een lichaam, ben ik niet Ik, dan heb ik ook geen lichaam”. M.a.w. men moet vrij zijn van alle begeerten en behoeften van het lichaam, en geheel opgaan in Tao; dan kunnen rampen ons niet meer bereiken.

4. Dezelfde commentator zegt: „het Ik vergeten, en de wereld vergeten, dit is de reëele en Tszʼ Jan (van-zelve) toestand van den Hemel”.

5. Wie het vorst-zijn in ’t geheel niet als iets bizonder glorieus’ beschouwt, maar zich eigenlijk veel liever van alles terugtrok, om zich geheel over te geven aan Tao, zóó iemand zou alleen als vorst geschikt zijn, en zich nooit te buiten gaan aan eerzucht, haat, enz. Een commentator maakt de vergelijking er bij: „Het hart (de ziel) is de Vorst, het lichaam is het rijk.”

HOOFDSTUK XIV.

1. Rémusat, Strauss en nog anderen zagen in deze drie woorden „I” „Hi” en „Wei” een verbastering voor „Jehovah” en groot was de verrassing toen men hoorde, dat de chineezen vóór onze jaartelling reeds van Jehovah afwisten. Er is echter geen kwestie van, of deze woorden hebben den zin, die ik hier gebruik, evenals zij in authentieke commentaren voorkomen. Julien en Legge hebben het ook nooit geloofd. De bedoeling is: „Tao is kleurloos, aphoon, en onstoffelijk.”

2 en 3. Wat deze drie dingen zijn is niet met woorden uit te drukken, omdat zij met niets zijn te vergelijken, en ook niet van elkaar te onderscheiden. Samen geven zij het immaterieele aan van Tao.

4. Omdat het onstoffelijk is, is het ook niet, als alle stoffelijke dingen van boven meer verlicht dan van onderen. Het kan licht noch schaduw hebben.

5. Het Niet-Zijn, hierin voorkomend, is het voor ons Niet-Zijn, daar wij alleen stoffelijke, met de zintuigen waar te nemen dingen Zijn noemen. Maar, hooger denkend, is dit Zijn reëel, want niet eeuwigdurend, en onderhevig aan geboorte en dood, terwijl het zoogenaamde Niet-Zijn eigenlijk het éénige reëele, eeuwigdurende Zijn is.—Een vorm, die vergaat (als die van alle sterfelijke dingen) is eigenlijk geen vorm, evenmin als een beeld, dat weer uitgewischt wordt een beeld is, dat uit-zich-zelf eeuwig bestaat. Tao is voor ons onzichtbaar, dus voor ons beeldeloos en vormeloos. Maar Tao bestaat uit zich-zelf eeuwig, en daarom belichaamt Tao eigenlijk het éénige reëele beeld, den éénigen reëelen vorm.

6. Tao heeft verder begin noch einde, verleden noch toekomst.

7. Het Tao weten van de Oudheid is weten, dat er oorspronkelijk geen leven en dood is, dat er geen leven en dood als reëele dingen bestaan. Het Begin van het Oude weten is weten, dat er geen verleden of toekomst bestaat voor Tao, dat, voor hem, die in Tao opgaat, het heden morgen en het morgen heden is, daar Tao alleen reëel in en nooit vergaat, vermindert of vermeerdert.

HOOFDSTUK XV.

1. Deze volzin is een verwijt tegen de filosofen in Lao Tsz’s tijd, die wanhopig waren, als zij miskend en onbekend bleven. De filosofen uit de Oudheid waren één met Tao, en, evenals Tao zelf, schenen zij voor de gewone menschen als gering, subtiel en duister, en drongen toch in alles door.

3. Het doorwaden van een stroom in den winter symboliseert hier een groote moeilijkheid, waar men niet lichtvaardig aan begint. Het als gast zijn beteekent zich mindere voelen en reverend zijn.—Het versmelten als ijs in water symboliseert het terugkeeren van het lichaam om te vergaan in Tao.—Als onbewerkt hout zijn is in den natuurlijken staat zijn, zonder fraaiigheid.—Het ledig zijn als een vallei symboliseert het vrij zijn van alle begeerten en stoffelijke aantrekkingen.—Het vaag zijn duidt aan, dat zij zich volstrekt niet als bizonder verlicht voordeden, maar dat de menschen hen als troebel en duister vonden, en dachten, dat zij onwetend waren, daar zij zich niet boven hun gewone dingen trachten te verheffen.

4. Iedere beweging maakt de ziel onzuiver, evenals een beweging in water. Alleen door volkomen kalmte blijven de ziel en het water helder en puur.—Gedachten, begeerten, affecties, deze bewegen de ziel, en alleen rust en kalmte houden haar rein.

5. Wat vol is, loopt spoedig over, en verandert dus, of vermindert. Tao is van een natuur, dat er niets bij kan of af kan gaan, dat het grooter of kleiner maakt. Peh Yü Shen vergelijkt hier direct de ziel met Tao door te zeggen: „Tao kan niet uitgeput worden, de ziel kan niet uitgeput worden.”

De filosofen van den nieuwen tijd, dacht Lao Tszʼ, wilden altijd maar vol schijnen, vol glorie en geleerdheid. Die der Oudheid waren oogenschijnlijk als ledig, maar bleven dan ook altijd hetzelfde, in Tao.

HOOFDSTUK XVI.

1. „Ledig” beteekent hier weer „ledig van begeerten en egoïsme”.—Ik heb hier letterlijk vertaald, waar Johnson, minder getrouw, maar misschien duidelijker heeft: „Whoso has wholly ceased from self shall find immovable rest”.

„Het ledig en de ruste”, zegt Sie Hoei hierbij, „zijn de wortel (basis) van onze natuur” (Julien).

4. Met „Leven” wordt hier bedoeld het Leven zooals het oorspronkelijk is, het eeuwige leven, zonder passies, van Tao. En dit is voor ieder te bereiken, daar het de oorsprong van zijne natuur is. Alle beweging ontstaat uit en is geworteld in rust.

6. Wie niet weet wat eeuwigdurend is houdt zich op met voorbijgaande verschijningen, en leeft van sterfelijke hartstochten, die hem ongelukkig maken, omdat zij niet reëel zijn.

7. Hier doet Lao Tszʼ wat ook Confucius deed: het exalteeren van den Wijze, en hem één verklaren met den Hemel (zie Confucius’ „Choeng Yoeng”). Alleen hij, die de hoogste rechtvaardigheid bezat, was volgens Lao Tszʼ en Confucius waard koning te zijn, en over allen zonder onderscheid zijne weldaden te verspreiden.

8. Volgens enkele commentators moet de laatste zin luiden: „tot aan den dood is er voor hem geen gevaar”.—Ik kan hier niet met hen medegaan. Johnson vertaalt hier gelijk ik; Julien echter niet.—Johnson haalt bij dit hoofdstuk de volgende twee schoone teksten aan uit de Vedanta: „Those who know the Supreme Brahma become even Brahma”, en „When He is known as the nature of every thought, than immortality is known”.

HOOFDSTUK XVII.

1. Lao Tszʼ bedoelde, dat vroeger de regeering zoo van-zelf (Tszʼ Jan), zoo „Wu Wei” ging, doordat de Vorsten in Tao leefden, dat er niets bizonders behoefde gedaan te worden, doordat alles van-zelf ageerde, en zóó wist het volk alleen van de vorsten, dat zij bestonden.

2, 3, en 4. Dit is een voorlooper van Hoofdstuk XVIII. Het verval wordt erger en erger, zoodra alles niet meer „Wu Wei” is. In plaats van natuurlijke dingen kwamen wetten, die dan veinzerij veroorzaakten, enz. enz.

5. Zoo de vorsten strenge wetten noodig hadden in plaats van natuurlijk vertrouwen in het volk, vertrouwde het volk hen ook niet meer.

7. Alles „Wu Wei” gaande, was er ook niets bizonders aan als alle zaken gelukten en er voorspoed was. Dit was niet anders dan „Tszʼ Jan”, vanzelf.

HOOFDSTUK XVIII.

1. Toen het volk nog in Tao leefde was er vanzelf liefde van de menschen onder elkaar, was er vanzelf geen strijd en misdaad. Alles was Wu Wei. Vanzelf was er dus ook geen begrip Menschlievendheid en geen begrip Gerechtigheid. Zoodra die kwamen, was Tao al verlaten.

2. De vorst, die in Tao leefde, regeerde Wu Wei (zie het vorige Hoofdstuk), en behoefde geen bizondere slimheid te gebruiken; deed hij dit, dan ging het volk dat met dezelfde wapenen te keer, en de Huichelarij ontstond.

Johnson geeft: „With the sharpening of the wits come trickery and sham.”—Ik ga in dezen eerder mede met Thi We Tszʼ, The Thsing en Julien, die dit gezegde betrekking doen hebben op de regeering (in verband dus met het vorige hoofdstuk).

3. Van ouds was er vanzelf harmonie in de familie (lett. staat er: „de zes bloedverwanten” d.i. vader—zoon, oudere broeder—jongere broeder, en man—vrouw). Het was Wu Wei, natuurlijk. Toen er Hiao (liefde voor de ouders) en Tszʼ (hier: liefde voor de kinderen) kwamen was de harmonie natuurlijk niet meer natuurlijk bestaande.

4. Johnson zegt hiervan terecht: „The call for examples of this kind is a sign. Lao Tszʼ is showing that what causes the boast or claim of special virtues is the consciousness of self, the absence of spontaneous goodness in an old traditioned state of society beset by formulas and prescriptions.”

HOOFDSTUK XIX.

In verband met het vorige hoofdstuk is dit negentiende duidelijk genoeg. Véél beter dan te weten achtte Lao Tszʼ het, zijn oorspronkelijken natuurstaat te behouden.

In den natuurstaat is men, volgens Lao Tszʼ, vanzelf (Tszʼ Jan) wijs, filantropiesch en knap, maar zonder het te weten, onbewust, en zijn die dingen dus een onbewuste realiteit. Zoodra men ze echter met namen gaat noemen, als iets bizonders, ontaardt die realiteit in een schijn.

Men vergelijke dit Hoofdstuk en ook het volgende met Hoofdstuk 3 uit de „Imitation de Jésus Christ.” O.a. „L’humble connaissance de toi-même est une voie plus sûre pour aller à Dieu que les profondes enquêtes de la science,” en „Combien périssent par la vaine science dans le siècle, insouciants du service de Dieu.” (trad L. Moreau.) Treffend is ook de gelijkenis met Hoofdstuk 2 uit hetzelfde boek. O.a. „Tout homme désire naturellement savoir; mais la science, sans la crainte de Dieu, que produit-elle? Certainement, l’humble paysan qui sert Dieu vaut mieux que le philosophe superbe qui, négligeant son âme, observe le cours des astres.” Dit slaat ook op den eersten tekst van het volgende Hoofdstuk XX.

HOOFDSTUK XX.

5. Ik vertaal hier „kalm” bij gebrek aan beter woord. Het karakter „poh” beteekent „ankeren, ten anker liggen”, wat Alexander wel wat vrij, maar zeer schoon doet vertalen: „I am as a solitary ship at anchor on an unknown shore”. De commentator The Thsing merkt bij den laatsten zin op: „Ik ben als een vaartuig, welks kabeltouw is gebroken”.

6. Lao Tszʼ meent met „alles verloren”: „alle aardsche dingen verloren, maar het ééne, Tao, behouden. Ik heb een chaos van verwarring”, daar „tun” beteekent „het neerstorten van een stroom, chaotisch, verward” (Wells Williams.) Julien, op gezag van Sie Hoeï, vertaalt met „dépourvue de connaissances, ignorant” deze herhaling „tun tun”.

9. Dit correspondeert met in Hfdst. I: „Als Zijn kan men Het noemen de Moeder aller dingen”.

Ik heb na 2 een zin uitgelaten, luidende: „Voor dat, wat de menschen vreezen, mogen wij niet onbevreesd zijn”, daar deze mij geheel buiten het verband van dit zoo schoone hoofdstuk leek te liggen.

HOOFDSTUK XXI.

1. Hier gebruikt Lao Tszʼ „Deugd” (Teh) voor Tao. Letterlijk staat er niet „manifestatie”, maar „uiterlijk, voorkomen, vorm”. In het tweede deel van dit werk zal ik nader over deze verwisseling spreken.—Tao heeft geen lichaam, maar in circulatie in het heelal noemt Lao Tszʼ het Teh (Deugd), zoodat Teh (Deugd) de manifestatie van Tao is (Sou Tszʼ You).

2. Tao, met andere woorden, is de essence, het transcendentale, mystieke, eeuwige Wezen van alle sterfelijke lichamen en dingen.

Julien voegt hier bij: „In medio ejus est spiritus”.

De onfeilbare getuigenis van het Wezen dier spiritueele essence is dat zij onsterfelijk is, terwijl ál het andere buiten haar sterft.

3. Het karakter, dat dit „geboorte geven” uitdrukt, bevat een poort. Julien zegt er, op den commentator Sie Hoeï afgaande, bij: „Lao Tszʼ vergelijkt hier Tao met een poort, waar alle wezens uitkomen om in het leven te gaan.”

HOOFDSTUK XXII.

2. „Het” is hier Tao.

5. Volgens anderen „Als iemand het volmaakte bereikt heeft, keeren allen tot hun oorspronkelijken staat van eenvoud terug”.

HOOFDSTUK XXIII.

1. Zooals ik reeds in mijn vorige werk, over Confucius, zeide, is Tszʼ Jan: „van-zelf, natuurlijk”. Sie Hoeï merkt hierbij aan, wat ik ook reeds vroeger opmerkte vóór dit te lezen, dat Tszʼ Jan in Lao Tszʼ gelijk is aan Wu Wei.

5. Dit is weer iets uit het verband, of het geloof hebben zou moeten slaan op het gelooven in de woorden van dit hoofdstuk, wat ik niet waarschijnlijk vind.

HOOFDSTUK XXV.

2. Ik vertaal hier „tsih” met rustig-kalm, omdat het zoowel rustig als kalm beteekent, en dit eigenlijk nog gecombineerd met „eenzaam”.—En „liao”, dat „leeg, stil” beteekent, vertaal ik, evenals Julien, op gezag van eenige chineesche commentators, met „onstoffelijk”.

4. Lo Tchin Kong voegt hier aan toe: „De warmte van de zon verbrandt Het niet, de vocht beschimmelt Het niet. Het gaat door alle lichamen en is aan geen enkel gevaar blootgesteld” (Julien).

5. Vergelijk Hoofdstuk I, 2.

6 en 7. Deze teksten zijn wel het duidelijkste bewijs, dat Tao hier niet, als in Confucius, kan vertaald worden en in Lao Tszʼ geen „Weg” of „Pad” beteekent. Met „een karakter” wordt hier bedoeld „een chineesch schriftteeken.”

10. „Ver” hier meer in den zin van „die ver gaat, die in de verte gaat, als in de grieksche werkwoorden τηλέπορος, μακροπορος (Julien).

14 en 15. Op Tao komt dus alles neer, en wie koning wil zijn kan dus niet buiten Tao.

HOOFDSTUK XXVI.

1. „Beweging” hier vooral als haastige, overijlde beweging. De geleerde commentator Peh Yü Shen van een mijner edities, die heel korte, maar treffende commentaren geeft, merkt bij dezen tekst op: „Het hart is de wortel (lett. voorvader) van alle dingen, en Tao is het eigenlijke Wezen van het hart”.

3. Peh Yü Shen merkt hier bij op: „Het hart gaat buiten de dingen”.

4. Vele commentators meenen dat met dezen „Heer van tienduizend wagenen” de Keizer wordt bedoeld. Peh Yü Shen ziet er echter weder „het hart” in.

HOOFDSTUK XXVII.

Dit Hoofdstuk is een der duisterste uit het geheele werk, wat de constructie der chineesche zinnen aangaat, en heeft, zoowel van chineesche als europeesche zijden, tot de meest verschillende en uiteenloopende verklaringen aanleiding gegeven. Ik zou dan ook niet gaarne volhouden dat mijne vertaling hier onfeilbaar is.

1. Deze eerste tekst lijkt mij duidelijk genoeg. Ik ga hier gaarne mede met den commentator Shun Yang van een mijner chineesche edities, die hier in ziet de verheffing van Wu Wei (van-zelf doen) boven Wei (onnatuurlijk doen). Alles wat Wu Wei gedaan wordt, staat er figuurlijk, is onvernietigbaar.

Vroeger rekende men met bamboe-tabletjes.

2. Het „daarom” hier lijkt mij niet logisch te volgen in zinsverband met het vorige.

3 en 4. Deze teksten zijn zeer duister in het chineesch, zoodat ik niet kan instaan voor de vertaling. Ik heb hier „yaou miao” met „teh Tao”, eene mystieke uitdrukking voor „de Al-Wijsheid, het Al-Weten”, vertaald, op gezag van Shun Yang.

HOOFDSTUK XXVIII.

1. De „vallei” is een geliefkoosd beeld van Lao Tszʼ om uit de drukken het lage, nederige, waar toch alles zich aan onderwerpt en zich in uitstort.

HOOFDSTUK XXIX.

1 en 2. Alleen met „Wu Wei” is het rijk te regeeren. De grondvesten van het rijk zijn de diviene principes van Tao, dus dingen, die van-zelf, natuurlijk uit Tao voortvloeien. Alleen door dus „Wu Wei” te zijn, d.i. in alles gehoorzaam aan het rythme van Tao, is een goede regeering mogelijk.

4. De bedoeling is, dat de vorst aan de zoo verschillend aangelegde menschen vrijheid moet laten om hun eigen natuur te volgen, maar ze niet met alle geweld anders moet maken dan ze zijn.

HOOFDSTUK XXXI.

3. De eereplaats is ook thans nog bij de chineezen de linkerzijde. De gast zit ter linkerzijde van den gastheer.

6. Letterlijk staat er niet „verblijdt hij er zich niet over” maar „vindt hij het niet mooi”.

12. Als in den ouden tijd een generaal een veldslag gewonnen had, nam hij den rouw aan, en ging hij in den tempel, in rouwkleederen, weenende de ceremonieën der dooden verrichten.

HOOFDSTUK XXXII.

1. Zie de noot bij Hfdst. XXV 6 en 7.

3. Letterlijk staat er niet „zich onderwerpen” maar „zouden alle dingen (d.i. de geheele creatie) hun gasten zijn.”

5. Toen Tao, het (schijnbaar) zoo simpel-kleine (want één-in-zich-zelve), zich verdeelde (verspreidde), ontstond de creatie.

6. Dit beteekent hier „De creatie eenmaal ontstaan zijnde,” dus ook „de wezens eenmaal uit Tao geboren zijnde”. „Inhouden” is hier „zich aan Tao houden,” zich niet door de actie van begeerten, hartstochten enz. laten medesleepen.

De commentator Peh Yü Shen van een mijner edities, wiens uitstekende, geserreerde commentaren ik reeds menigmaal aanhaalde, ziet bij tekst 3 in de „koningen en hertogen” slechts een symbolieke uitdrukking voor „het hart”, in „de tienduizend dingen” de geheele creatie en in „het volk” een uitdrukking voor „het lichaam.” In „het verspreiden van Tao” ziet hij eene verborgen beteekenis voor „het zich verdeelen van Tao in de menschelijke harten.” Zoodat hij in dit Hoofdstuk eigenlijk de bedoeling ziet, dat als het hart slechts Tao behoudt, en daar nooit buiten gaat, het lichaam ook vanzelf tot rust en harmonie komt, en het hart dan de gastheer, de Meester is over alle wezens en dingen in de creatie, die als zijne gasten zijn. Ik teeken hierbij aan dat „hart” in ’t chineesch dikwijls synoniem is met ziel.

HOOFDSTUK XXXIII.