De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 2. Lao Tsz'
Part 5
4 Daarom, het Zijn (het materieele) heeft zijn voordeel, maar van het Niet-Zijn (het immaterieele) hangt het eigenlijke nut af.
HOOFDSTUK XII.
1. De vijf kleuren verblinden het oog van den mensch. De vijf tonen verdooven het oor. De vijf smaken bederven den smaak.
2. Dolle ritten en jachten brengen het menschelijk hart in verdwaling. Moeilijk te verkrijgen goederen brengen den mensch tot verderfelijke daden.
3. Daarom maakt de Wijze werk van zijn binnenste en niet van zijne oogen.
4. Hij verwerpt wat van buiten komt, en langt naar wat van binnen is.
HOOFDSTUK XIII.
1. Hooge gratie en degradatie zijn dingen van vreeze. Het lichaam is als een groote ramp.
2. Hoe is het, dat men (dit) zegt (van) hooge gratie en degradatie? Hooge gratie is iets inferieurs. Verkrijgt men haar, dan is men als in vreeze. Verliest men haar, dan is men als in vreeze. Daarom zegt men: hooge gratie en degradatie zijn dingen van vreeze.
3. Hoe is het, dat men zegt: „Het lichaam is als eene groote ramp”? Ik heb dáárom groote rampen, omdat ik een lichaam heb.
4. Als ik zoover was, dat ik géén lichaam had, welke rampen zou ik dan hebben?
5. Daarom, wie het als een zware karrewei beschouwt, om het rijk te regeeren, dien kan men het rijk toevertrouwen; wie het iets verwerpelijks vindt om zelf het rijk te regeeren, dien kan men de regeering van het rijk opdragen.
HOOFDSTUK XIV.
1. Gij kijkt er naar, en gij ziet Het niet; men noemt Het kleurloos (I).
Gij luistert er naar, en gij hoort Het niet; men noemt Het aphoon (Hi).
Gij tast er naar, en gij raakt Het niet; men noemt Het onstoffelijk (Wei).
2. Deze drie dingen zijn niet met eigen woorden uit te leggen.
3. Daarom, zij smelten samen tot één.
4. Zijn bovenste is niet verlicht, Zijn onderste is niet duister (heeft geen schaduw).
5. Het is eeuwig, en kan niet met een naam worden genoemd! Het keert terug tot het Niet-Zijn! Dit noem ik het beeld van het beeldelooze, den vorm van het vormelooze. Dit noem ik vaag en onbestemd (een mysterie).
6. Gij nadert Het, en gij ziet niet Zijn begin. Gij volgt Het, en gij ziet niet Zijn einde.
7. Gij moet het Tao van de Oudheid doorgronden, om over het bestaan van het Heden te regeeren. Wie het Begin weet van het Oude, heeft de draad van Tao in handen.
HOOFDSTUK XV.
1. In de Oudheid waren de goede filosofen, die zich aan Tao wijdden, (als) gering, subtiel, duister, en vèr-doordringend. Zij waren zóó diep, dat het niet is te begrijpen.
2. Maar omdat het niet te begrijpen is, zal ik mij moeite doen om er een beeld van te geven.
3. Zij waren bedeesd als een, die in den winter een stroom doorwaadt. Zij waren op hun hoede, als een, die zijne buren vreest. Zij waren ernstig als een gast (tegenover zijn gastheer). Zij verdwenen als het ijs, dat gaat smelten. Zij waren simpel, als onbewerkt hout. Zij waren ledig, als een vallei. Zij waren als troebel water.
4. Wie kan de onzuiverheden (van zijn hart) verreinen tot rust?
Wie kan langzamerhand geboren worden (in Tao) door een langdurig betrachte kalmte?
5. Hij, die Tao behoudt, wenscht niet vol te zijn. Juist omdat hij niet vol is, is hij voor altijd gevrijwaard tegen verandering.
HOOFDSTUK XVI.
1. Als men tot het opperste Ledig is gekomen, handhaaft men eene onvergankelijke rust.
2. Alle dingen worden te samen geboren; ik zie ze (daarna) weder terugkeeren.
3. Alle dingen bloeien overvloediglijk; (daarna) keert elk terug tot zijn Oorsprong.
4. Tot den Oorsprong terugkeeren heet in rust zijn. In rust zijn heet terugkeeren tot het (eeuwige, reëele) Leven.
5. Terugkeeren tot het Leven heet ik eeuwigdurend zijn.
6. Te weten wat eeuwigdurend is heet verlicht zijn. Niet te weten wat eeuwigdurend is heet eigen ellende bewerken.
7. Weten wat eeuwigdurend is is een groote ziel hebben. Een groote ziel hebbende is men rechtvaardig. Rechtvaardig zijnde is men koning. Koning zijnde is men de Hemel. De Hemel zijnde is men Tao.
8. Tao zijnde is men altijd-durend. Al sterft het lichaam, er is (dan toch) geen gevaar (meer te duchten).
HOOFDSTUK XVII.
1. In de hooge Oudheid wist het volk alleen van de vorsten dat zij bestonden.
2. De vorsten die dáárna kwamen had het volk lief en prees hen.
3. Die dáárna kwamen, vreesde het.
4. Die dáárna kwamen, verachtte het.
5. Hij, die anderen niet vertrouwt, krijgt het vertrouwen van anderen niet.
6. (De Ouden) waren langzaam en ernstig in hun woorden.
7. Als zij de verdiensten hadden gemaakt, en de zaken volvoerd, zeide het volk: „Wij zijn vanzelven (zooals onze natuur is)”.
HOOFDSTUK XVIII.
1. Toen Tao werd verwaarloosd, kwamen Menschlievendheid en Gerechtigheid.
2. Toen de „scherpzinnigheid” en „het schrandere doorzicht” voor den dag kwamen, ontstond de groote Huichelarij.
3. Toen de familie niet meer in harmonie leefde, kwamen de Hiao en de Ts’zʼ.
4. Toen de staten van het rijk in verwarring waren, kwamen de getrouwe onderdanen.
HOOFDSTUK XIX.
1. Doe de Wijsheid vàn u, en weg met het Weten, dan zal het volk honderdmaal meer gelukkig zijn.
2. Doe de Filantropie vàn u, en weg met Gerechtigheid, en het volk zal (vanzelf) terugkeeren tot liefde voor de ouders en voor de kinderen.
3. Doe de Knapheid vàn u, en weg met Gewinzucht, en er zullen geen dieven en roovers meer wezen.
4. Doet afstand van deze drie dingen. Hebt niet genoeg aan den schijn.
5. Daarom toon ik u, wáár gij u aan moet houden: Ziet uzelf in uwen (oorspronkelijken) eenvoud en behoud uw (oorspronkelijke) puurheid. Hebt weinig egoïsme en weinig begeerten.
HOOFDSTUK XX.
1. Doe de Studie vàn u, dan zult gij geen zorgen hebben.
2. Wat doet het er eigenlijk toe of we het karakter „wei” dan wel het karakter „oh” voor „ja!” gebruiken? (Maar) het is héél iets anders (om te weten) het onderscheid tusschen goed en kwaad.
3. Helaas! de wereld is een wildernis geworden, en er is nog geen einde aan!
4. Alle menschen zijn blij en vroolijk, als hij, die geniet van rundvleesch, als hij, die in de lente een hoog terras heeft bestegen.
5. Ik alleen ben kalm, en heb nog niet éven bewogen; ik ben als een klein kindje, dat nog niet geglimlacht heeft. Ik ben vrij, zonder belemmering, alsof er niets was, waarheen ik zou willen terugkeeren.
6. De gewone menschen hebben over; ik alleen ben als een, die (alles) verloren heeft. Ik heb het hart van een domme, ik ben een chaos van verwarring.
7. De gewone menschen zijn schitterend verlicht, ik alleen ben als duister. De gewone menschen zijn doordringend van doorzicht; ik alleen ben droevig ongerust. Ik ben vaag als de zee, ik word door de golven heen en weêrgedreven, als rusteloos.
8. Alle menschen hebben overal een reden voor; ik alleen ben dom, als iemand van het land.
9. Ik alleen ben anders dan de (gewone) menschen, omdat ik de Moeder vereer, die alles voedt (Tao).
HOOFDSTUK XXI.
1. De (zichtbare) manifestaties van de groote Teh zijn eene emanatie van Tao.
Ziehier de natuur van Tao.
2. Tao is vaag en verward. Hoe verward!... Hoe vaag!... En (toch) bevat het de vormen (der dingen)! Hoe vaag!... Hoe verward!... En (toch) bevat het eene spiritueele essence! Deze spiritueele essence is ten zéerste reëel, en bevat de onfeilbare getuigenis (van wat zij is).
3. Van oudsher tot nú toe was Zijn naam onvergankelijk, en Het geeft geboorte aan de geheele creatie.
4. Hoe weet ik, dat de geheele creatie hierin haar oorsprong heeft? Door Tao zelf.
HOOFDSTUK XXII.
1. Het onvolmaakte zal volmaakt worden. Het gebogene zal recht worden. Het holle zal vol worden. Het versletene zal nieuw worden.
2. Met weinig wordt Het verkregen, met véél dwaalt men er van af.
3. Daarom, de Wijze omvat het Eene (Tao), en maakt zich (zoo) het voorbeeld van de wereld.
4. Hij wenscht zelf niet licht te schijnen, en dáárom juist is hij verlicht. Hij wenscht niet zelf de ware man te wezen, en dáárom juist steekt hij boven de anderen uit. Hij pocht niet op zijn werk, en dáárom juist heeft hij verdienste. Hij stelt zichzelf niet hoog, en is dáárom juist de meerdere. Hij strijdt niet, en dáárom juist is er niemand in de wereld die tegen hem op kan.
5. Hoe zou het een leeg gezegde kunnen zijn wat de Ouden noemden: „Het onvolmaakte wordt volmaakt”? Als iemand het volmaakte bereikt heeft, onderwerpt zich alles aan hem.
HOOFDSTUK XXIII.
1. Wie weinig spreekt is van-zelf natuurlijk (Tszʼ Jan).
2. Wat is het, dat maakt dat een strenge wind geen geheelen morgen duurt, en een hevige regen geen geheelen dag? (De actie van) Hemel en Aarde. Als de Hemel en de Aarde niet lang kunnen duren, hoeveel te minder dan de mensch!
3. Daarom de mensch die al zijne daden regelt naar Tao zal gelijk aan Tao worden; degenen, die zich regelen naar de Deugd zullen gelijk aan de Deugd worden; die zich regelt naar de Misdaad zal gelijk aan de Misdaad worden.
4. Wie gelijk aan Tao is verkrijgt ook Tao, wie gelijk aan de Deugd is verkrijgt ook de Deugd, wie gelijk aan de Misdaad is verkrijgt ook de Misdaad.
5. Niet genoeg geloof hebben is géén geloof hebben.
HOOFDSTUK XXIV.
1. Wie op zijn teenen gaat staan kan niet rechtop blijven; wie de beenen ver uitstrekt kan niet loopen.
2. Wie zelf licht wenscht te schijnen is niet verlicht. Wie zelf de ware man wenscht te wezen steekt niet boven de anderen uit. Wie op zijn werk pocht heeft geen verdienste. Wie zich zelf hoog stelt is niet superieur.
3. Zulke manieren van doen, vergeleken bij (de goddelijke principes van) Tao, zijn als overblijfseltjes van eten, of andere walgelijke dingen, die altijd verafschuwd worden.
4. Daarom, wie in Tao leven, houden er zich niet mede op.
HOOFDSTUK XXV.
1. Vóór Hemel en Aarde bestonden, was er een vaag Wezen.
2. Hoe rustig-kalm! Hoe onstoffelijk!
3. Het staat alleen, op-zich-zelf, en verandert niet.
4. Het doorvloeit alles en loopt (toch) geen gevaar.
5. Het mag wel de Moeder van alles onder den Hemel worden genoemd.
6. Ik weet niet Zijnen naam.
7. (Maar) Het een karakter willende geven noem ik Het Tao.
8. Wil ik Het met alle geweld omschrijven, dan noem ik Het groot.
9. Van groot noem ik Het vervliedend.
10. Van vervliedend noem ik Het vèr.
11. Van vèr noem ik Het (weer) terugkeerend.
12. Daarom, Tao is groot, de Hemel is groot, de Aarde is groot, de Koning is groot.
13. Er zijn vier groote machten in de wereld, en de Koning is er één van.
14. De wet van den Koning is van de Aarde; de wet van de Aarde is van den Hemel; de wet van den Hemel is van Tao.
15. (Maar) de Wet van Tao is van-zich-zelven.
HOOFDSTUK XXVI.
1. Het zware is de wortel van het lichte; de rust is Overheerser van de beweging.
2. Daarom laat de Wijze nooit af van zwaarte en rust.
3. Al is er nóg zooveel schoons te zien, hij blijft wonen in de rust, en gaat er vér van.
4. Maar helaas, de Heer van tienduizend wagenen acht het Rijk licht om zich zelf.
5. Door ze gering te achten verliest hij zijne ministers, door zich te laten medesleepen verliest hij de heerschappij.
HOOFDSTUK XXVII.
1. Hij, die goed (in Tao) gaat, laat geen sporen achter. Hij, die goed spreekt, geeft geen reden tot blaam. Hij, die goed telt, gebruikt geen bamboe-tabletjes. Hij, die goed sluit, gebruikt geen houten bouten, en toch kan men niet openen (wat hij sluit). Hij, die goed bindt, gebruikt geen koorden, en toch kan men niet losmaken (wat hij bindt).
2. Daarom, de Wijze munt altijd uit in het helpen van menschen, en hij verwerpt er géén; hij munt altijd uit in het helpen van dingen, en hij verwerpt er geen. Dit noem ik dubbel verlicht zijn.
3. Daarom, de goede is de leermeester van den slechte; de slechte is de leermeester van den goede.
4. Hij, die geen waarde hecht aan macht, en niet houdt van weelde, al moge zijn wijsheid als dom schijnen, heeft de Al-Wijsheid verkregen.
HOOFDSTUK XXVIII.
1. Hij, die zijne mannelijke kracht kent, en toch vrouwelijke zachtheid behoudt, is de vallei van het rijk.
2. Als hij de vallei is van het rijk, zal de altijddurende deugd hem niet verlaten, en hij zal terugkeeren tot den simpelen staat van een kind.
3. Hij, die zijn licht kent, en toch in de schaduw blijft, is het voorbeeld voor het rijk.
4. Is hij het voorbeeld van het rijk, dan zal de altijddurende deugd in hem niet falen, en hij keert terug tot het eindelooze.
5. Hij, die zijne glorie weet en blijft in de schande, is de vallei van het rijk.
6. Als hij de vallei is van het rijk zal de altijddurende deugd in hem haar volmaaktheid bereiken, en hij zal tot den oorspronkelijken, simpelen staat terugkeeren.
7. Toen de oorspronkelijke, simpele staat zich verspreidde, zijn de dingen gevormd.
8. De Wijze, als hij (dit alles) gebruikt, zal het hoofd der mandarijnen zijn.
9. Hij regeert met grandeur, en kwetst niemand.
HOOFDSTUK XXIX.
1. Als de mensch het rijk wil volmaken met actie, zie ik dat hij niet slaagt.
2. Het rijk is een heilige offervaas, waaraan men niet mag werken.
3. Werkt men er aan, dan bederft men haar, grijpt men er naar, dan verliest men haar.
4. Daarom, onder de menschen zijn er die vooruitgaan en die volgen, die verwarmen en die verkoelen, die sterk zijn en die zwak zijn, die bewegen en die stilstaan.
5. Daarom, de Wijze verwerpt den wellust, de luxe en de buitensporigheid.
HOOFDSTUK XXX.
1. Zij, die den heerscher over menschen helpen in Tao, onderwerpen het rijk niet met geweld van wapenen.
2. Wat men aan de menschen doet krijgt men op dezelfde manier terug als het gegeven is.
3. Overal, waar legers zijn geweest, groeien doornen en distels.
4. Op groote veldtochten volgen stellig jaren van hongersnood.
5. De ware Goede slaat ééns met vrucht een slag en houdt dán op, maar durft niet met ruw geweld doorgaan.
6. Hij slaat één goeden slag, maar verheft zich niet.
7. Hij slaat één goeden slag, maar roemt er niet over.
8. Hij slaat één goeden slag, maar is er niet trotsch over.
9. Hij slaat één goeden slag, maar alleen omdat hij niet anders kan.
10. Hij slaat één goeden slag, maar wil niet sterk en geweldig lijken.
11. Vanaf het toppunt van kracht worden de (menschen en) dingen oud, dat wil zeggen, zij zijn niet gelijk aan Tao, en wat niet gelijk is aan Tao neemt een spoedig einde.
HOOFDSTUK XXXI.
1. De beste wapenen zijn instrumenten van onheil.
2. Allen verachten ze, daarom, zij die Tao bezitten houden er zich niet mede op.
3. In de woning van den Kiün Tszʼ is de linkerplaats de eereplaats, hij, die soldaten gebruikt, eert de rechterplaats.
4. Wapenen zijn instrumenten van onheil, geen instrumenten van den Kiün Tszʼ.
5. Deze gebruikt ze alléén als ’t niet anders kán, en de kalmte en de rust zijn voor hem het hoogste.
6. Overwint hij, dan verblijdt hij er zich niet over, want zich daarin verblijden zou zijn houden van menschen-doodslag.
7. En wie houdt van doodslag kan nooit zijn doel bereiken in de goede regeering van het rijk.
8. In alles, wat geluk aanbrengt, is de linkerplaats de hoogste, in al wat ongeluk aanbrengt de rechterplaats.
9. De onderbevelhebber neemt de linkerplaats in, de opperbevelhebber de rechter.
10. Dat is, men plaatst hen volgens de ceremonieën van den rouwdienst.
11. Hij, die een groote menigte menschen gedood heeft, moet over hen rouwen en weenen.
12. Hem, die een veldslag gewonnen heeft, moet men plaatsen als in de ceremonieën voor de dooden.
HOOFDSTUK XXXII.
1. Tao is eeuwig en heeft geen naam.
2. Ofschoon zoo simpel-klein van natuur durft de geheele wereld Het niet te onderwerpen.
3. Als prinsen en koningen Het konden handhaven zouden de tienduizend wezens en dingen zich aan hen onderwerpen.
4. Hemel en Aarde zouden zich vereenigen, en een zoeten dauw doen nederdalen, en het volk zou zonder bevelen van zelf tot harmonie komen.
5. Van (het moment) dat Tao verdeeld was, kreeg Het een naam.
6. Die naam, eenmaal bepaald zijnde, moet men zich weten in te houden.
7. Wie zich weet in te houden komt in géén gevaar.
8. Tao is verspreid in het Heelal.
9. Alles keert tot Tao terug, als de bergstroomen tot de rivieren en zeeën.
HOOFDSTUK XXXIII.
1. Hij, die de menschen kent, is verstandig, maar hij, die zichzelf kent, is verlicht.
2. Hij, die andere menschen overwint, is sterk, maar hij, die zichzelf overwint, is almachtig.
3. Hij, die zich weet te matigen, is rijk, maar hij, die energiek is, heeft kracht van wil.
4. Hij, die niet van zijn essentieele natuur afwijkt, zal lang leven, maar hij, die sterft, en toch niet verloren gaat, geniet het eeuwigdurend leven.
HOOFDSTUK XXXIV.
1. Hoe oneindig strekt Tao zich uit!
2. Het kan naar links gaan, het kan naar rechts gaan.
3. Alle wezens steunen op Tao om geboren te worden, en Het weigert géén.
4. Als het werk volbracht is, noemt Tao het niet het Zijne.
5. Het heeft alle wezens lief, en voedt ze, en beschouwt zich toch niet als hun Meester.
6. Het is eeuwig zonder begeerte; men zou Het (dus) klein kunnen noemen.
7. Alle wezens keeren er toe terug, en toch beschouwt Het zich niet als hun Meester, men zou Het (dus) groot kunnen noemen.
8. Daarom doet de Wijze zijn geheele leven lang niet groot, en daardoor juist volmaakt hij zijne grootheid.
HOOFDSTUK XXXV.
1. Alle volken van het rijk stroomen toe naar hem, die de groote conceptie van Tao kan bevatten.
2. Zij stroomen toe, en komen niet in gevaar, en hij zal ze tot rust en vrede brengen.
3. Voor muziek en fijne gerechten houdt de voorbijgaande vreemdeling op.
4. (Maar) als Tao uit onzen mond komt lijkt Het flauw en zonder smaak.
5. Wij kijken er naar, en zien Het niet duidelijk; wij luisteren er naar, en hooren Het niet genoeg; wij willen Het (geheel) gebruiken, maar Het is onuitputtelijk.
HOOFDSTUK XXXVI.
1. Als een ding gaat contracteeren, moet het stellig oorspronkelijk expansie hebben gehad.
2. Als een ding gaat verzwakken, moet het stellig eerst sterkte hebben gehad.
3. Als een ding gaat vervallen moet het stellig eerst in bloei zijn geweest.
4. Als iemand op ’t punt staat beroofd te worden, moet hem stellig eerst gegeven zijn.
5. Dit noem ik een vage, en (tegelijk) heldere leer.
6. Het zachte overwint het harde, het zwakke overwint het sterke.
7. Visschen kunnen niet uit het water worden genomen; de instrumenten van de regeering kunnen niet aan het volk worden gegeven.
HOOFDSTUK XXXVII.
1. Tao is eeuwig Wu Wei, en toch is er niets, wat Het niet doet.
2. Als koningen en vorsten Wu Wei konden blijven, zouden alle menschen zich hervormen.
3. Als zij na die hervorming toch nog bewegen wilden, zou ik ze met het simpele Wezen dat geen naam heeft (Tao) bedwingen.
4. Het simpele Wezen dat geen naam heeft bevrijdt ons van begeerte, en, vrij van begeerte, komen wij tot de Rust.
5. En dan komt het Rijk van-zelf terecht.
TWEEDE DEEL: TEH.
HOOFDSTUK XXXVIII.
1. De hoogste Deugd (Teh) is geen deugd, en is dáárom juist Deugd. De lagere deugd verliest niet (het idee) deugd, en is dáárom juist geen Deugd.
2. De hoogste Deugd is Wu Wei, zonder er (expres) iets voor te doen. De lagere deugd is Wei (doende) en doet (alles) met opzet.
3. De hoogste Menschlievendheid ageert, zonder er (expres) iets voor te doen; de hoogste Plichtmatigheid ageert, maar doet (alles) met opzet.
4. De hoogste Li (Decorum) ageert, maar er is geen antwoord op. Zij wordt erkend door een beweging van den arm.
5. Daarom, als Tao verloren is, komt daarna de deugd; als de deugd verloren is, komt daarna de menschlievendheid; als de menschlievendheid verloren is, komt daarna plichtmatigheid; als de plichtmatigheid verloren is komt daarna het decorum.
6. Welnu, het decorum is maar de schors van rechtheid en waarheid, en het begin van verwarring.
7. Het schijn-weten is maar de bloem van Tao, en het begin van domheid.
8. Daarom houdt de wijze mensch zich aan wat substantieel en niet aan wat oppervlakkig is, aan wat reëel en niet aan wat mooie schijn is. Hij verwerpt het eene en langt naar het andere.
HOOFDSTUK XXXIX.
1. De dingen, die eertijds de Éénheid hebben verkregen zijn:
de Hemel, die puur is door de Eénheid.
de Aarde, die in rust is door de Eénheid.
de Geesten, die spiritueel zijn door de Eénheid.
de Valleien, die vol zijn door de Eénheid.
de tienduizend Dingen die baren door Eénheid.
de Prinsen en Koningen, die het voorbeeld der wereld zijn door hun Eénheid.
Dát heeft de Eénheid voortgebracht.
2. Als de Hemel zijn puurheid niet had zou hij dreigen uiteen te scheuren.
Als de Aarde haar rust niet had zou zij gevaar loopen uiteen te barsten.
Als de Geesten hun spiritualiteit niet hadden zouden zij gevaar loopen van optehouden te bestaan.
Als de valleien niet gevuld werden, zouden zij gevaar loopen van te verdrogen.
Als de tienduizend Dingen niet baarden zouden zij gevaar loopen uit te sterven.
Als de prinsen en koningen trotsch waren op hun hoogheid, en niet het voorbeeld der wereld waren, zouden zij gevaar loopen van den troon te worden gestooten.
3. Daarom, het aanzienlijke heeft zijn basis in het ordinaire, het hooge heeft zijne grondvesten in het lage.
Daarom noemen de prinsen en koningen zich weezen, menschen van weinig verdienste, zonder deugd. Is dit niet omdat zij hun basis zien in het ordinaire, en terecht?
4. Wie véél basissen heeft, heeft géén basis.
5. De Wijze wil niet hooggeschat worden als jaspis, maar ook niet veracht als (gewone) steen.
HOOFDSTUK XL.
1. De beweging van Tao is terugkeer (tot zichzelf).
Zachtheid is Zijne functie.
2. Alle bestaan op de wereld is uit Zijn. Alle Zijn is uit Niet-Zijn.
HOOFDSTUK XLI.
1. Als superieure geleerden van Tao hooren, begaan zij Het (dadelijk) ijverig. Als middelmatige geleerden van Tao hooren, handhaven zij Het nú, en verliezen Het dán weer. Als inferieure geleerden van Tao hooren, lachen zij er hard om. Als zij er niet om lachten zou het Tao niet zijn.
2. Daarom, een oud gezegde luidt: De verlichten in Tao zijn als duister; de vergevorderden in Tao zijn als achteruitgaande; zij, die de opperste deugd hebben zijn (laag) als een vallei; de uiterst reinen zijn als vuil; zij, die deugd in overvloed hebben, zijn alsof ze niet genoeg hebben; zij die (vast) gegrondveste deugd hebben, zijn als lui; zij, die waar en simpel zijn, zijn als verachtelijk.
3. Als een groot vierkant zonder hoeken, als een groote vaas, die nog lang niet afgewerkt is, als een groot geluid, waarvan men den klank zelden hoort, als een groot beeld zonder vormen, zóó is (voor ons) Tao verborgen, en heeft geen naam.
4. Het helpt de wezens en dingen en volmaakt ze.
HOOFDSTUK XLII.
1. Tao baarde één; één baarde twee; twee baarde drie; drie baarde alle dingen.
Want alle dingen komen uit het duister tot het licht, en worden in harmonie gebracht door den adem der Natuur.
2. Wat de menschen verafschuwen is te zijn weezen, menschen van weinig verdiensten, zonder deugd, en toch noemen koningen en hertogen zich zoo (als met een eerenaam).
3. Daarom, wie zich vernedert zal verheven worden, en wie zich verheft zal vernederd worden.
4. Wat de menschen leeren, dat leer ik ook.
5. De geweldigen en tyrannen zullen geen natuurlijken dood sterven.
6. Ik zal hen tot het voorbeeld van mijn leer nemen.
HOOFDSTUK XLIII.
1. Het allerzachtste in de wereld overwint het allerhardste.
2. Het immaterieele dringt binnen in het ondoordringbare.
3. Vandaar, dat ik het nut weet van Wu Wei.
Er zijn er maar weinigen onder den Hemel die toe zijn aan de Leer zonder woorden, en aan het nut van Wu Wei.
HOOFDSTUK XLIV.
1. Wat is ons het naaste, onze naam of ons Zelf?
Wat is ons het meeste, ons Zelf of onze rijkdommen?
2. Wat is het ergste, ze te verkrijgen of ze te verliezen?
3. Daarom is het, dat wie veel liefheeft, veel zal verkwisten.
Wie veel (schatten) verbergt zal stellig veel verliezen.
Wie genoeg weet te hebben zal niet onteerd worden. Wie weet (waar) op te houden zal niet ondergaan. Deze zal langen tijd bestaan.
HOOFDSTUK XLV.
1. (De Wijze) is ganschelijk volmaakt, en lijkt onvolmaakt; zijne middelen raken nooit op. Hij is ganschelijk vol en lijkt ledig; zijne middelen (bronnen) zijn nooit uitgeput. Hij is ganschelijk recht en lijkt krom. Hij is ganschelijk bekwaam en lijkt dom. Hij is zéér welsprekend en lijkt een stamelaar.
2. De beweging overwint de koude, de rust overwint de warmte.