De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 2. Lao Tsz'
Part 4
„—Maakt geen ophef van eerwaardigheid, dan zal het volk niet twisten. Hecht geen hooge waarde aan moeilijk te verkrijgen goederen, dan zal het volk geen diefstal plegen. Ziet niet naar wat begeerlijk is, dan zal het hart van het volk niet in opstand komen. Daarom, de Wijze (vorst) regeert door de harten ledig (van begeerte) te maken, de buiken stevig te voeden, de (slechte) neigingen te verzwakken, en het beenderstelsel te versterken” [79].
„Doe de Wijsheid vàn U, en wèg met het Weten, dan zal het volk honderdmaal meer gelukkig zijn! Doe de Filantropie vàn U, en wèg met Gerechtigheid, en het volk zal (van-zelf) terugkeeren tot liefde voor de ouders en voor de kinderen! Doe de Knapheid van U, en weg met Gewinzucht, en er zullen geen dieven en roovers meer wezen!” [80]
„Als de mensch het rijk wil volmaken met actie, zie ik dat hij niet slaagt. Het rijk is een heilige offervaas, waaraan men niet mag werken. Werkt men er aan, dan bederft men haar, grijpt men er naar, dan verliest men haar” [81].
En nu ook deze mooie hoofdstukken over het oorlogvoeren, en den krijgsroem:
„Zij, die den heerscher over menschen helpen in Tao, onderwerpen het rijk niet met geweld van wapenen. Wat men aan de menschen doet, krijgt men op dezelfde wijze terug als het gegeven is. Overal, waar legers zijn geweest, groeien doornen en distels. Op groote veldtochten volgen stellig jaren van hongersnood. De ware Goede slaat ééns met vrucht een slag, en houdt dàn op, maar durft niet met ruw geweld doorgaan” [82].
„De beste wapenen zijn instrumenten van onheil. Allen verachten ze; die Tao bezitten, houden er zich niet mede op. In de woning van den Kiün Tszʼ is de linkerplaats de eereplaats; hij, die soldaten gebruikt, eert de rechterplaats. Wapenen zijn instrumenten van onheil, geen instrumenten van den Kiün Tszʼ. Deze gebruikt ze alléén als ’t niet anders kàn, en kalmte en rust zijn voor hem het hóógste. Overwint hij, dan verblijdt hij er zich niet over, want zich daarover verblijden zou zijn houden van menschen-doodslag. En wie houdt van doodslag kan nooit zijn doel bereiken in de goede regeering van het rijk. In alles, wat geluk aanbrengt, is de linkerplaats de hoogste, in alles wat onheil aanbrengt de rechter. De onderbevelhebber neemt (dan ook) de linkerplaats in, de opperbevelhebber de rechter. Dat is, men plaatst hen volgens de ceremonieën van den rouwdienst. Hem, die een veldslag gewonnen heeft, moet men plaatsen als in de ceremonieën voor de dooden” [83].
En nog meerdere teksten, allen even kernachtig en juist.
„Als de koningen en vorsten Wu Wei konden blijven, zouden alle menschen zich hervormen” [84].
„De volken van het rijk stroomen toe naar hem, die de groote conceptie van Tao kan omvatten” [85].
„Toen Tao in het rijk regeerde, zond men de vlugge paarden weg om ze op ’t land te gebruiken; toen Tao niet in het rijk regeerde, werden de krijgsrossen gefokt op de grenzen” [86].
„Met rechtheid regeert men den staat, met listen voert men oorlog, met Wu Wei wint men het rijk. Hoe weet ik, dat het zoo met het rijk is? Door dit: Hoe meer bangmakende verbodsbepalingen er in het rijk zijn, des te armer wordt het volk. Hoe meer middelen tot productie van weelde er zijn, des te meer verwarring komt er. Hoe bekwamer en vernuftiger het volk wordt, des te artificiëeler de dingen worden. Hoe rijker en klaarder de wet wordt, des te meer dieven en roovers er komen. Daarom zegt de Wijze: Ik ben Wu Wei, en dan zal het volk zich vanzelf hervormen. Ik houd van de rust, en dan zal het volk vanzelf recht worden. Ik doe geen werk en dan zal het volk vanzelf rijk worden. Ik heb geen begeerten, en dan zal het volk vanzelf (weer) eenvoudig worden” [87].
„Als de regeering tolerant is, zal het volk schuldeloos zijn; als de regeering overal den neus in steekt, zal het volk telkens inbreuk op de wet maken. Falen is de basis van slagen, en slagen is de basis van falen” [88].
„De wijze is vierkant, zonder hoekig te zijn, is belangeloos zonder te kwetsen, is oprecht zonder overdreven stipt te zijn, is schitterend, zonder te verblinden” [89].
„Om de menschen te regeeren en den Hemel te dienen gaat er niets boven de gematigdheid” [90].
„Om een groot rijk te regeeren, moet men even zoo voorzichtig zijn als in ’t bakken van een klein vischje” [91].
„Een groot rijk moet zijn (nederig) als de groote stroomen, in welke zich de wateren van het rijk uitstorten. Het moet de vrouwelijke sekse navolgen, die juist door de rust (passiviteit) de mannelijke overwint. Die rust is een vernedering. Daarom, als een groot rijk zich vernedert voor kleinere staten, zal het die kleinere staten winnen. Als de kleinere staten zich vernederen voor het groote rijk, zullen zij het groote rijk winnen” [92].
„De ouden, die Tao bezaten, gebruikten Het niet om het volk verlicht te maken, maar om het volk simpel te houden. Het volk is moeilijk te regeeren omdat het zooveel weet. Hij, die een rijk regeert door het weten te vermeerderen, is de geesel van het volk; hij, die niet met al dat weten het rijk regeert, is het geluk van het volk” [93].
„Hij, die een goed veldheer is, is niet krijgszuchtig” [94].
„Een veldheer zeide eens: Ik durf niet gastheer te zijn (d.i. aan te vallen), ik ben liever gast (d.i. defensief). Ik durf geen duim vooruit te gaan, ik ga liever een voet terug” [95].
„Het volk heeft honger, omdat zijn vorst veel belastingen heft. Dáárom heeft het honger. Het volk is moeilijk te regeeren, omdat zijn Heer (te veel) doet. Dáárom is het moeilijk te regeeren” [96].
Men ziet, de geheele filosofie van Lao Tszʼ is gebaseerd op het zachte en zwakke, op de nederigheid en den deemoed. De groote fouten van den tijd waren, dat het leven gebaseerd werd op hardheid en sterkte, brutaliteit en trots.—Lao Tszʼ zeide, dat hij drie groote schatten had: liefde, zuinigheid en nederigheid. Door zijne liefde kon hij dapper zijn, door zijne zuinigheid juist kon hij veel geven, door zijne nederigheid, die hem verbood, de eerste te willen wezen, kon hij juist in werkelijkheid de eerste zijn. Maar in den tijd, in welken hij leefde, was men dapper zonder liefde, gaf men veel uit, zónder zuinig te zijn, en ging men weg van de laatste plaats, om toch vooral de eerste te zoeken. Dit alles leidde tot den dood, leerde hij. Alleen als men strijdt met een hart vol liefde is men onverwinlijk. „De Hemel schenkt de gave van liefde aan hem, dien zij beschermen wil” [97]. En als twee legers van gelijke kracht strijden, leerde hij, was die veldheer, die het meeste medelijden had, de overwinnaar.
Zijn ideaal was, om te beginnen een kleinen staat te hebben, met simpele menschen, zooals uit het 80e hoofdstuk blijkt. Hij zag zeker in, dat het onmogelijk was, een heel groot rijk ineens volmaakt te hebben, en droomde zich dus een klein, te verwezenlijken Arcadia. Als hij dat kleine rijk had, met weinig volk, zou hij, al waren er voor tien of honderd man wapenen, die wapenen toch niet gebruiken, noch zouden de schepen en wagenen, noch zouden de kurassen dienst doen. Hij zou het volk doen terugkeeren tot het gebruik der geknoopte koorden [98]. „Het volk zou zoet genieten van zijn eten, zou zijne kleederen mooi maken, rust hebben in zijne woning en vreugde scheppen in zijne simpele zeden” [99].
En zóó bang was Lao Tszʼ dat het zuivere, reine gemoed van zijn volk—de kostbaarste schat in zijn ideaal-rijk—zou bedorven worden door de zoogenaamde beschaving, dat hij er ten slotte aan toevoegde: „Al lag een naburige staat vlak over den mijne, zoodat de honden en hanen aan weêrszijden elkanders geluid konden hooren, mijn volk zou oud worden en doodgaan zonder er gemeenschap mede te hebben gehad.”
En deze man is genoemd een pessimist, een obscurantist, en wat al niet meer,—het staat in véle vertalingen van heel geleerde mannen te lezen,—en zijn leer over de basis, waarop het rijk moet rusten, is genoemd „anti-social pride” en „hostility to popular education and progress,” en die over de superioriteit van Wu Wei is genoemd „negative quietism” en zelfs „idleness” en „self-indulgence”! Is het niet of Lao Tszʼ dit alles voorzien heeft, toen hij zeide: „Zij, die geleerd zijn kennen Tao niet”? En blijkt hieruit niet, dat om Lao Tsz’s pure filosofie te begrijpen, nog wat meer noodig is, dan enkele taalgeleerdheid en spitsvondigheid en woordelijke, letterlijke accuratesse, vooral wanneer, zooals in zijn wondere boek, de woorden zoo subtiel uit hunne sfeer zijn gehaald, om aan de behoefte van eene andere, hoogere spiritueele expressie te voldoen? Waar Lao Tszʼ aangeeft, dat voor óns beperkte begrip Tao als duister en verward is, verwijt men hem het geloof aan een „chaos” en aan „void time”, en zelfs Stanislas Julien, als enkel sinoloog een eminent geleerde, houdt vol dat Tao is „un être dépourvu d’action, de pensées” en dat het gebruik en de definitie van het woord Tao „excluent toute idée de cause intelligente”!
De waarheid is, dat Lao Tsz’s leer, wel verre van den mensch te abrutiseeren en ongevoelig te maken, hem opwekt tot verheven idealen, en aan het leven op aarde hare pure zuiverheid wil teruggeven. Wel vèrre van tot luiheid en anti-socialen trots aan te sporen, heeft Lao Tsz’s leer vooral tot thema de zelf-verloochening en de liefde voor onzen medemensch. Het is bedroevend te zien, hoe geleerden, die in de taalwetenschap een eereplaats innemen, enkel en alleen omdat zij denken, er het Christendom mede te verheffen, alle andere, vreemde leeren bekladden. Zóó zegt de gewezen zendeling prof. Legge, de vertaler der chineesche klassieken, dezelfde die overal à tout prix Confucius neêrhaalt, van Lao Tsz’s gezegde „Wreek kwaad met goed”: „There hardly belongs to it a moral character”! Terwijl zelfs Giles, een der hevigste vijanden van de Tao Teh King, bij die passage moet bekennen: „Those who, wanting in the logical faculty, have been foolish enough to say that the Golden Rule of Confucius ranks lower than the Golden Rule of Christ, have here had to take their shoes from off their feet and admit that they are upon holy ground” [100].
Ik voor mij wil gaarne bekennen, dat ik bijna overal in de Tao Teh King den heiligen grond betreed. Maar met een zuiver hart moeten zijne simpele woorden gevoeld worden, en men moet ze lezen in stille eenzaamheid, vér van de geruchten der wereld, en leêg van aardsche gedachten, zooals men dat wereldwijze boek moet lezen, waarmede het waard is vergeleken te worden: De Imitatione Christi van Thomas à Kempis.
Lao Tsz’s leer, tot het uiterste doorgevoerd zijnde, gaat er een geheel nieuw licht over de dingen der wereld. De begrippen goed en kwaad gaan weg, want wat Lao Tszʼ leerde was niet goed te zijn, daar er in de orde der dingen niet zoo iets als goed, en ook niet zoo iets als kwaad was, er was alleen zuiver, volgens de natuur, van-zelf zijn. De loop der dingen en het wezen der dingen was niet goed of kwaad, het wàs eenvoudig zooals het wàs. Alles gebeurde, omdat het in de natuurlijke orde lag om te gebeuren.
Zóó verliest ook de dood zijne verschrikking, en het leven zijn aan die verschrikking tegenovergestelde vreugde. Wat nog volstrekt geen onverschilligheid en ongevoeligheid in zich sluit, zooals velen beweerd hebben. Integendeel. Zeer mooi wordt dit gezegd in den Nan Hwa King, het mystieke werk van Lao Tsz’s grootsten discipel Chuang Tszʼ [101]: „De geboorte van den wijze is de (natuurlijke) gang des Hemels, zijn dood is de (natuurlijke) loop der dingen. Zijn leven is als drijven, zijn dood is als rust” [102]. Het aannemen van alle dingen als gewoon, natuurlijk, zuiver, was een eerste vereischte. Niets was bizonder blij of bizonder droef, niets pleizieriger of treuriger dan iets anders, als men maar Tao had. En daarom kon Chuang Tszʼ in hetzelfde hoofdstuk zeggen: „Droefheid en Geluk zijn de afvalligen van de Deugd; Vreugde en Toorn leiden af van Tao.”—Er was ook niet zoo iets aparts als leven en dood, als contrasten, elk op zich zelf reëel bestaande. Een andere discipel van Lao Tszʼ, Ljeh Tszʼ, zat eens aan den weg te eten, en zag een honderdjarig doodshoofd liggen. Hij plukte een bosje gras af, en wees daarmede naar den doodskop, zeggende: „Alleen gij en ik weten dat er geen leven bestaat en geen dood.”
Toen Chuang Tsz’s vrouw was gestorven, en men zich verwonderde, dat hij er zoo kalm bij bleef, en tot tijdverdrijf op een schaal sloeg, zeide hij, dat sterven volstrekt niets bizonders was, evenmin als geboren worden; het was enkel maar verandering, en het lag in den natuurlijken gang der dingen. „Dit is gelijk de gang der vier jaargetijden, lente, herfst, winter en zomer. Rustigjes slaapt zij in het Groote Huis (Tao)” [103].
Zóó verhaalt Chuang Tszʼ ook, dat toen, na Lao Tsz’s dood, de filosoof Chʼin Shih op rouwbezoek ging, hij een groote schaar menschen om het lijk zag geschaard, jammerlijk snikkende en huilende zooals het de gewoonte was uren te blijven doen. Chʼin Shih gaf maar drie korte schreeuwen, meer niet, en ging toen heen. Een der discipelen verwonderde zich over dezen inbreuk op de ceremonieën en vroeg Chʼin Shih verwijtend, of hij dan geen vriend van den Meester was. En toen antwoordde Chʼin Shih, dat al dat gejammer en gekrijt maar gekheid was, en afleidde van Tao. „Het is den Hemel weêrstaan, de emoties (der wereld) verdubbelen, en vergeten wat ons oorspronkelijk deel is. De Meester kwam precies omdat het zijn tijd was, hij ging precies heen, omdat hij volgzaam aan zijn tijd was” [104].
Ik weet het, dit schijnt ongevoelig, onverschillig, onsympathiek. Maar, wanneer men dieper doordenkt, getuigt het van een naïef, kinderlijk vertrouwen, en tevens van een wèlbewuste zekerheid in de onsterfelijkheid der ziel, of, meer eigenaardig chineesch uitgedrukt, in het terugkeeren tot Tao. Het sterven was alleen een overgebracht worden tot iets anders, evenals hout, dat verbrandt tot vuur, en het vuur dat verdampt tot schijnbaar niets. Maar niets gaat verloren, de essence is onvernietigbaar.
Dit is de zekerheid die Chuang Tszʼ, doordrongen als hij was van Lao Tsz’s principes, deze schoone woorden deed zeggen, toen hij zijn dood voelde naderen, en zijne familie op het hart drukte, toch vooral niet te jammeren, en hem geen pompeuze begrafenis te geven, maar gewoon buiten te leggen, in het veld:
„Ik wil den Hemel en de Aarde hebben voor mijn sarcophaag, de zon en de maan zullen mijne eereteekenen zijn, waar ik op mijn staatsiebed lig, en de geheele creatie zal de rouwende zijn bij mijn uitvaart.”
Het is treurig te zien, wat het latere geslacht van Lao Tsz’s zuivere leer gemaakt heeft. Den ontzaglijken eenvoud van zijne aphorismen niet begrijpende, begonnen latere chineesche geleerden in zijn boek een mystiek te zien, die over de kunst handelde om onsterfelijk te worden. En men ging... het elixir zoeken, dat de gave schonk om eeuwig te leven! Het lijkt haast onmogelijk de menschelijke dwaasheid zóó hoog opgevoerd te zien, maar uit de Tao Teh King is de chineesche alchimie en de magie geboren! Men begon in alle zinnen verborgen meeningen te zien, dacht dat zij zinspeelden op tot nu toe onbekende Goden, op verre gelukslanden ergens in den oceaan, en op geheime wonderdranken! Men begon Lao Tszʼ zelf te vergoden, noemde hem een zuiver goddelijk wezen, een incarnatie van Tao, die reeds vroeger op aarde was verschenen in verschillende gedaanten, en ook in de toekomst weer verschijnen zou, maar voor ’t oogenblik zalig was, in een paradijs, gelegen in de Poolster, enz. enz. De boeddhisten die—en terecht—zeer veel punten van gelijkenis zagen tusschen hun leer en de zijne, maakten een boeddha van hem, en verzonnen omtrent zijn leven dezelfde legenden, als die welke omtrent Shakyamuni in omloop waren. Men zag, eenmaal zoo ver verdwaald, overal duivels en demonen, en ook heilige geesten en feeën, en zóó ontstond die belachelijke goden- en geestendienst, met zijn eindeloos pantheon van afgoden en mystieke personnages, dien men tegenwoordig in China „het Taoïsme” noemt. Wèl jammer, dat men er dien naam aan gegeven heeft, want dit Taoïsme, met zijn fetischdienst, en zijn verachtelijke priesterschap, heeft absoluut niets te maken met de pure, zuivere, menschelijke leer van Lao Tszʼ, zooals die is neergeschreven in den Tao Teh King. Ik zal mij, hier althans, niet verder in dit latere Taoïsme verdiepen, daar ik in deze studie alleen de oorspronkelijke leer van Lao Tszʼ wensch te bespreken. En laten wij niet ál te veel op de chineezen neêrzien, omdat zij van Lao Tsz’s zuivere ideeën zulke dolle dingen hebben gemaakt. Wat is er in Europa al niet gemaakt van de leer van Jezus Christus, en welke gruwelen en misdaden zijn er niet bedreven, en welke valsche, leugenachtige voorstellingen zijn er niet gemaakt in Zijnen naam, die lijnrecht in strijd zijn met wat Hij heeft gepredikt? Ik heb reeds aangehaald, wat Samuel Johnson daar zoo terecht van gezegd heeft: „a book like the Bible or the Tao Teh King becomes a fetich to crude stages of mind, as well as a companion to higher ones.”
En als ik er in geslaagd ben om, geïnspireerd als ik was door mijne innige bewondering voor China’s grootsten wijze, de leer van Lao Tszʼ zóó in deze studie te hebben voorgesteld, dat zij voor goed een vertrouwde metgezel wordt voor velen, die er de uitdrukking in zullen vinden van reeds lang in hen sluimerende, maar nog niet bewust geworden ideeën, dan zou ik daarmede nog maar een klein weinigje van de dankbaarheid gekweten hebben, die men hem, en álle groote voorlichters van den menschelijken geest, is verschuldigd. Want hij heeft van het reinste en nobelste werk gedaan, dat op aarde kan gedaan worden.
TAO TEH KING.
EERSTE DEEL: TAO.
HOOFDSTUK I.
1. Kon Tao uitgezegd worden, dan zou het de eeuwige Tao niet zijn; kon de naam genoemd worden, dan zou het de eeuwige Naam niet zijn.
2. Als Niet-Zijn kan men Het noemen het begin van Hemel en Aarde; als Zijn kan men Het noemen de Moeder van alle Dingen.
3. Daarom, als het hart voortdurend Niet-Is (d.i. vrij van alle aardsche begeerten) kan men het Mysterie aanschouwen van Tao’s spiritueele essence; als het voortdurend Is (d.i. vol begeerten), kan men er enkel den begrensden Vorm van zien.
4. Deze beiden, Zijn en Niet-Zijn, komen uit hetzelfde voort, en hebben verschillenden naam.
5. Beiden zijn zij geheimzinnig. Het geheimzinnige er van is dubbel geheimzinnig.
6. Dit alles is de Poort van het spiritueele Mysterie.
HOOFDSTUK II.
1. Allen onder den Hemel weten zoo dat mooi „mooi” is; dan komt het „leelijke” voor den dag. Allen weten zoo dat goed „goed” is; dan komt het „slechte” voor den dag.
2. Daarom, Zijn en Niet-Zijn produceeren elkaar wederkeerig.
3. Moeilijk en Gemakkelijk brengen zich wederkeerig voort. Lang en kort geven elkaar wederkeerig verschil in vorm. Hoog en Laag brengen elkaar’s ongelijkheid voort. De Toon en de Stem harmoniëeren wederkeerig. Het Vóór en het Ná volgen elkaar wederkeerig op.
4. Daarom is het, dat de Wijze zijn zaak maakt van Wu Wei (Niet-Doen), en hij begaat de leer zonder woorden.
7. Als het werk volbracht is, hecht hij er zich niet (meer) aan. Juist omdat hij er zich niet aan hecht, gaat het (de verdienste er van) niet van hem weg.
HOOFDSTUK III.
1. Maakt geen ophef van eerwaardigheid, dan zal het volk niet twisten.
2. Hecht geen hooge waarde aan moeilijk te verkrijgen goederen, dan zal het volk geen diefstal plegen.
3. Ziet niet naar wat begeerlijk is, dan zal het hart van het volk niet in verwarring komen.
4. Daarom, de Wijze regeert door de harten ledig (van begeerte) te maken, de buiken stevig te voeden, de (slechte) neigingen te verzwakken, en het beenderstelsel te versterken.
5. Hij maakt voortdurend, dat het volk niet weet, en geen begeerten heeft.
6. Als dit niet geheel gelukt, maakt hij dat zij, die (wèl) weten, niet durven ageeren.
7. Hij doet Wu Wei (Niet-Doen), en dan is er niets, wat hij niet (goed) regeert.
HOOFDSTUK IV.
1. Tao is ledig, en (toch) in Zijne operaties als onuitputtelijk.
2. O! Hoe diep is Het! Het is de Oer-Vader aller dingen.
3. Het verstompt zijn scherpte, ontrafelt zijne verwardheid, tempert zijne (verblindende) schittering, en maakt zich gelijk aan het stof.
4. O! Hoe kalm is Het! Het lijkt wel eeuwig te bestaan.
5. Ik weet niet van wien Het het kind is. Het was vóór Shang Ti (den oppersten God).
HOOFDSTUK V.
1. Hemel en Aarde zijn niet menschlievend, en alle dingen zijn voor hen als de strooien honden (voor de offering).
2. De Wijze is niet menschlievend, en beschouwt het volk als de strooien honden (voor de offering).
3. Te midden van Hemel en Aarde is als een blaasbalg; Het is ledig en (toch) nooit uitgeput; hoe meer Het beweegt, hoe meer (kracht als wind) er uitkomt.
4. Maar met veel woorden raakt men uitgeput. Het is beter, het midden te bewaren.
HOOFDSTUK VI.
1. De Geest van de vallei sterft niet, men noemt haar de mystieke Moeder.
2. De deur van de mystieke Moeder is de Wortel (Oorsprong) van Hemel en Aarde.
3. Het gaat eeuwiglijk door en schijnt altijd (als stoffelijk) te blijven bestaan.
4. Houdt u er altijd aan, en gij zult niet behoeven te bewegen.
HOOFDSTUK VII.
1. Hemel en Aarde duren eeuwiglijk. Hemel en Aarde kunnen dáárom eeuwiglijk duren, omdat zij niet voor zich zelf leven.
2. Daarom stelt de Wijze zich zelf achter de anderen, en wordt dan zelf (juist) de eerste.
3. Hij maakt zich los van zijn lichaam, en dan blijft zijn lichaam (juist) behouden.
4. Is dit niet, omdat hij geen egoïsme heeft?
5. En (toch) wordt dan zijn egoïstisch eigenbelang volmaakt.
HOOFDSTUK VIII.
1. De opperste Goedheid is als water.
2. Water is goed, doet goed aan alle dingen, en twist niet.
3. Het woont in plaatsen, die de menschen verachten.
4. Daarom komt (de Wijze, die als water is) dicht bij Tao.
5. Hij woont (vanzelf) op de goede plaats. Hij houdt er van dat zijn hart diep is als een afgrond. Als hij weldoet meent hij het in menschlievendheid. Als hij spreekt, spreekt hij goed de waarheid. Als hij regeert, houdt hij goed orde. Als hij zaken heeft, doet hij ze goed. Als hij beweegt is het op den rechten tijd.
6. (Maar alleen) als hij niet met anderen in strijd komt is er niets in hem te laken.
HOOFDSTUK IX.
1. Beter dan een gevulde vaas aan beide zijden te dragen, is het, er in ’t geheel geen te dragen.
2. Als men (een lemmet), na het gescherpt te hebben, telkens met de hand voelt (om het te probeeren), zal het niet lang goed kunnen blijven.
3. Als men zijn zaal vol goud en edelgesteenten heeft, zal men haar niet kunnen behouden.
4. Als men, rijk en in aanzien zijnde, trotsch is, zal men zelf zijn ongeluk na zich sleepen.
5. Als het werk volbracht is, en de naam gemaakt, moet men zich terugtrekken. Dit is de Weg van den Hemel.
HOOFDSTUK X.
1. Hij, die het animale aan het spiritueele onderwerpt, kan zijn wil op één ding (d.i. Tao) gericht houden, zoodat hij niet verdeeld is (tusschen wereldsche dingen).
2. Hij temt zijn vitale kracht, tot hij gedwee (en gevoelig) wordt, en als een pasgeboren kind.
3. Als hij zijn inwendig gezicht klaar en puur maakt (vrij van de duisterheden en twijfelingen van het Verstand), zal hij vrij zijn van alle moreele gebreken.
4. Als hij, met liefde voor het volk (als hij een Vorst is) het rijk regeert, zal hij Wu Wei kunnen zijn.
5. Hij zal zijn als de broedende hen, die in volmaakte rust is, terwijl de processen van de natuur voortgaan.
6. Als zijn licht overal doordringt, zal hij als onwetend kunnen zijn.
7. Hij brengt de dingen voort en voedt ze. Hij brengt ze voort, zonder ze (als bezit) te hebben. Hij vermeerdert en vermenigvuldigt, en rekent niet op hun belooning. Hij regeert hen, en beschouwt zich niet als hun Meester.
Dit is wat men noemt de mysterieuze Deugd.
HOOFDSTUK XI.
1. De dertig spaken van een wiel vereenigen zich om een naaf. Maar alleen door de ledige ruimte is de wagen van nut.
2. De vaas is uit klei gekneed tot huisraad. Maar alleen door de ledige ruimte (binnen in) is zij van nut.
3. Men boort deuren en vensters uit om een huis te bouwen. Maar alleen door de ledige ruimte zijn zij van nut.