De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 2. Lao Tsz'

Part 3

Chapter 33,967 wordsPublic domain

Met deze teksten kan ik voorloopig volstaan. Het begrip Tao is er op verschillende wijzen in benaderd. Welk een grootsche conceptie! Tao was, vóór Hemel en Aarde bestonden, onzichtbaar, onhoorbaar, vormeloos, beeldeloos, de eeuwige Oorsprong van alles en allen, altijd zonder verlangen en behoefte, altijd in rust, zonder actie, en toch in Zijne operaties onuitputtelijk, en de voeder, volmaker van alles wat leeft! Het is lichaamloos, en voor ons vaag en duister, maar is een zuiver spiritueel licht!

Het is álom bestaande, links en rechts. Alle schepselen wachten er op, om geboren te worden, en Het weigert geen! Het is ledig, roerloos, en doet toch het Heelal bewegen. Is alles uit Tao ontsprongen, alles keert ook weder tot Tao terug, want terugkeeren tot Tao is het rythme van het leven van elk wezen. Het doordringt het ondoordringbare, en toch kan het nooit worden gedeerd. Het is eene onvergankelijke, eeuwige ziele-oneindigheid. Het is liefderijk zonder liefde, genadig zonder genade, de veilige rustplaats der Goeden, de verlosser der slechten..........

En dan te denken—hoe is ’t mógelijk—dat met al deze dingen gesold is zooals een speelsche hond solt met een mooi boek, dat hij te pakken heeft gekregen, zooals een klein kind knoeit met een ei! Hoe men van de woorden: onzichtbaar—I, aphoon—Hi, en onstoffelijk—Wei, dus I Hi Wei, een verchineeschten vorm van Jehovah, en van het „Tao baarde één, één baarde twee, twee baarde drie,” een chineesche expressie voor de Drieëenheid heeft gemaakt, en dan verkondigde, dat de kennis van den waren (d.i. onzen christelijken) God al in het oude China bekend was! Hoe zelfs Stanislas Julien, die zich een onschatbare verdienste heeft verworven door voor het eerst eene goede vertaling [47] van Lao Tszʼ te leveren, welke van alle altijd, qua taalwerk, de beste is gebleven, gansch de essentieele beteekenis van Tao (dat hij met „de Weg” vertaalde als in Confucius) en Wu Wei (dat hij met „inactie” vertaalde) geheel verkeerd heeft voorgesteld, en dikwijls door precies het tegenovergestelde heeft omschreven!

De vertalers, zelfs ook Julien, hebben durven volhouden dat Lao Tszʼ geloofde in een „chaos,” een „immens ledig” vóór de creatie, en zelfs leerde „zonder te werken te leven ten koste van de lichtgeloovigheid zijner medemenschen.”!! Men verweet hem „een meer negatieven en vernielenden geest te hebben dan het boeddhisme,” „de zinnen tot totale impotentie terug te willen brengen,” „een pessimist en obscurantist,” ja, een „epicurist” te zijn, en te protesteeren tegen „alle actie van het intellect” enz. enz. Wèl hebben deze menschen Lao Tsz’s eigen gezegde geïllustreerd: „Mijne woorden zijn heel gemakkelijk te begrijpen, heel gemakkelijk om te betrachten. Maar niemand in het rijk kan ze begrijpen, noch ze betrachten. Mijne woorden hebben een Oorsprong, mijne daden hebben een Meester. Maar de menschen weten dat niet, en daarom begrijpen zij mij niet [48].

Veel beter, maar in een tegenovergestelde richting weer te vér gaande, hebben de duitsche sinoloog von Strauss en de engelsche sinoloog G. G. Alexander over Lao Tsz’s Tao geschreven.

Von Strauss zegt—na, evenals ik hierboven deed, zij het met hier en daar van de mijne afwijkende vertaling en met hier iets meer en daar iets minder voorbeelden, uit de origineele teksten het begrip Tao te hebben benaderd—:

„Wir meinen, jeder Unbefangene, den man fragte, wie man in unserer Sprache das Wesen bezeichne, von dem dies Alles ausgesagt werden könnte, musste antworten: Gott, und nur Gott! Und wer die vorstehenden Aussagen zusammenfasst, dem kann gar kein Zweifel bleiben, das Lao Tszʼ ein überraschend grosses und tiefes Gottbewusstsein, einen erhabenen und sehr bestimmten Gottesbegriff gehabt habe, der sich fast durchgängig mit dem Gottesbegriff der Offenbarung deckt sofern dieser nicht über ihn hinaus tiefer und reicher entwickelt ist, was denn allerdings keiner Nachweisung bedarf. Aber ausserhalb Israels wird aus allen vorchristlichen Jahrhunderten nichts Aehnliches nachzuweisen sein.”

Ja, Lao Tszʼ Tao is een Godsbegrip. En de éénige vertaling voor Tao is God. Indien ik deze vertaling niet genomen heb, is dit alleen om niet in een babylonische verwarring te geraken. Want, niet waar? het woord „God” is zoo vertrouwd en gewoon geworden, men kent zoo goed zijn God uit den bijbel en uit de kerk, zijn „persoonlijken God,” en men is er niet bang voor, over Hem te spreken als ware Hij een of ander bekend wezen, van wien men precies weet hoe hij er uitziet, wat hij aanheeft, wat zijn natuur is. En die „God” zou op verre na niet eene goede vertaling van Tao zijn. Lao Tszʼ kent Tao niet zoo goed, hij noemt het vaag, en onbestemd, en verward, en duister voor zijn zwakke oogen.—Maar indien ik met God bedoel dat majestueuze, zuiver geestelijke, onsterfelijke Wezen, dat nooit éénig menschelijk woord heeft kunnen beschrijven, dat nooit aan één onfeilbaren, alleen zaligmakenden godsdienst heeft behoord als de ware, de eenige God, maar waar alle godsdiensten van alle volkeren, allen met verschillende woorden en namen, maar met dezelfde intuïtie naar gereikt hebben, dan is dat Wezen, dat, eindeloos-in-zich-zelf-bestaande, geen naam kan hebben, en alléén door het woord God wordt uitgedrukt omdat wij, bij het schrijven daarover, een concreet letterteeken behoeven, in essentie hetzelfde als het Wezen, door het chineesche karakter Tao voorgesteld.—Ja, Tao is niet anders dan de leer van de goddelijkheid en de onsterfelijkheid der ziel, en in essentie volstrekt geen andere, dan zooals wij die vinden in den—goed gelezen—Bijbel, en in de Upanishads, en de Bhagavad-Gita. G. G. Alexander heeft den moed de „Tao Teh King” te vertalen met „Thoughts on the Nature and Manifestations of God” [49] en vertaalt Tao overal door „God”, wat uitstekend zou zijn, als het, zooals ik hierboven zeide, niet zooveel verwarring gaf, en zijne vertaling niet van vrij, ongebonden ware geworden, want te veel aangepast aan dingen uit den Bijbel, waar zij essentieel chineesch had behooren te blijven.—Dat de „Tao Teh King” zoo weinig begrepen is, en men er zoowat van alles van gemaakt heeft, was te voorzien. Vooral chineesche commentaren, van welke honderden bestaan, geven verschrikkelijke dingen te hooren. De filosoof Choe Hi, dezelfde, aan wien wij de bewerking en uitgave der Confucianistische boeken hebben te danken, zegt dat „kwakzalvers en toovenaars den naam van Lao Tszʼ stalen om er winst uit te kloppen, zonder iets van zijne bedoelingen te begrijpen,” en de beroemde geschiedschrijver Ma Touan Lin zegt van de Tao Teh King: „de ware geest ervan werd hoe langer hoe meer verkeerd begrepen, naarmate de menschen verder verwijderd waren van Lao Tsz’s tijd.” En Samuel Johnson zegt nog zeer juist: „The attractions of spiritual genius are universal; and a book like the Bible or the Tao Teh King becomes a fetich to crude stages of mind, as well as a companion to higher ones.”

Heb ik nu het begrip Tao zoo ver trachten te benaderen, als met alléén ’t concrete goed treffende woorden mogelijk is, nu wil ik duidelijk maken, hoe Lao Tszʼ zich het zuivere leven van den mensch voorstelde in zijne betrekking tot Tao, om dan te eindigen met zijne conceptie van een ideaal-rijk, gegrondvest op Tao.—

Ik begin met deze drie wonderschoone teksten voorop te stellen:

„Als de mensch geboren wordt, is hij zacht en zwak, als hij sterft is hij stijf en sterk. Als het gras en de boomen geboren worden zijn zij soepel en teêr, als zij sterven zijn zij droog en schraal. Stijfheid en Sterkte zijn de volgelingen van den dood; Zachtheid en Zwakheid zijn de volgelingen van het leven. Wat sterk en groot is, is inferieur; wat zacht en zwak is, is superieur. [50]

„—De opperste Goedheid is als water. Water is goed, doet goed aan alle dingen, en twist niet. Het woont in plaatsen, die de menschen verachten.” [51]

„—Niets is in de wereld zachter en zwakker dan het water, en toch is er niets dat het overtreft in het breken van wat hard en sterk is. Daarom is er niets, dat water evenaart. Het zachte overwint het harde, het zwakke overwint het sterke.” [52]

Deze drie teksten karakteriseeren Lao Tsz’s opvatting geheel.—Hij predikt den deemoed, de zelf-verloochening, de nederigheid. Vér van eerzucht en hartstocht en begeerte naar grootheid, zal de mensch eenvoudig, simpel leven, rustig in de veilige schuilplaats van Tao. Hij moet zijn zuiver en rein als het pasgeboren kind. Hij moet zijn grootheid en zijn kennis verbergen, en als klein en onwetend schijnen. Nooit moet hij met geweld en heftigheid optreden, maar tegenover kracht stelle hij zachtheid, en tegenover beleediging weldaden. Want juist die zachtheid en die zwakheid, die liefde, zouden wij in ’t europeesch zeggen, overwint de wereld, en is onverbrekelijk. De ware wijze maakt geen ophef van zijn weten, maar blijft bescheiden op den achtergrond, want wèl wist Lao Tszʼ, dat de laatsten de eersten zullen zijn! Tao is niet heftig en luidruchtig, en hij, die zich aan Tao houdt, is in rust, als niet-doende, Wu Wei, maar biedt een onvernietigbaren tegenstand aan het sterke en forsche, juist door zijn passieve taaiheid.—

En, als eeuwig-stralende lichten van onvergankelijke levenswijsheid, leidende de menschheid door alle tijden naar haar onsterfelijken Oorsprong Tao, staan die wonderschoone woorden in dezen chineeschen bijbel van vijf eeuwen vóór Christus:

„Hemel en Aarde duren eeuwiglijk. Hemel en Aarde kunnen dáárom eeuwiglijk duren, omdat zij niet voor-zich-zelf leven. Daarom stelt de Wijze zichzelf achter, en wordt dan zelf (juist) de eerste. Hij maakt zich los van zijn lichaam en dan blijft zijn lichaam juist behouden.” [53]

„—Alleen als de Wijze niet met anderen in strijd komt, is er niets in hem te laken.” [54]

„—Als het werk volbracht is en de naam gemaakt, moet men zich terugtrekken.” [55]

„—Hij, die het animale aan het spiritueele onderwerpt, kan zijn wil op één ding (Tao) gericht houden, zoodat hij niet verdeeld is. Hij temt zijn vitale kracht, tot hij gedwee wordt, en als een pasgeboren kind. Als hij zijn inwendig gezicht klaar en puur maakt, zal hij vrij zijn van gebreken. Hij zal zijn als de broedende hen, die volmaakt in rust is, terwijl de processen van de natuur doorgaan. Als zijn licht overal doordringt, zal hij als onwetend kunnen zijn.” [56]

„De Wijze maakt werk van zijn binnenste en niet van zijn oogen; hij verwerpt wat van buiten komt, hij langt naar wat van binnen is.” [57]

„—In de Oudheid waren de goede filosofen, die zich aan Tao wijdden als gering, subtiel, duister, en vérdoordringend. Zij waren bedeesd als een, die in den winter een stroom doorwaadt. Zij waren op hun hoede, als een, die zijn buren vreest. Zij waren ernstig als een gast (tegenover zijn gastheer). Zij verdwenen als het ijs, dat gaat smelten. Zij waren simpel, als onbewerkt hout. Zij waren ledig, als een vallei. Zij waren als troebel water. Hij, die Tao behoudt, wenscht niet vol te zijn. Juist omdat hij niet vol is, is hij voor altijd gevrijwaard tegen verandering.” [58]

„Ziet Uzelf in Uwen (oorspronkelijken) eenvoud, en behoudt Uw (oorspronkelijke) puurheid. Hebt weinig egoïsme, en weinig begeerten.” [59]

„—Het onvolmaakte zal volmaakt worden. Het gebogene zal recht worden. Het holle zal vol worden. Met weinig wordt Het verkregen; met véél dwaalt men er van af. Daarom, de Wijze omvat het Eéne (Tao), en maakt zich (zoo) het voorbeeld van de wereld. Hij wenscht zelf niet licht te schijnen, en daarom juist is hij schitterend. Hij wenscht zelf niet de ware man te wezen, en dáárom juist steekt hij boven anderen uit. Hij pocht niet (op zijn werk) en heeft daarom juist verdienste. Hij stelt zichzelf niet hoog, en is dáárom juist de meerdere. Hij strijdt niet, en daarom juist is er niemand in de wereld, die tegen hem op kan” [60].

„Wie op zijn teenen gaat staan kan niet vast rechtop blijven; wie de beenen ver uitstrekt kan niet loopen” [61].

„Hij, die zijne mannelijke kracht kent, en toch vrouwelijke zachtheid behoudt, is de vallei van het rijk. Hij, die zijn licht kent, en toch in de schaduw blijft, is het voorbeeld van het rijk. Hij, die zijne glorie weet, en blijft in de schande, is de vallei van het rijk” [62].

„—Hij, die de menschen kent, is verstandig, maar hij die zich-zelf kent is verlicht. Hij, die anderen overwint is sterk, maar hij, die zich-zelf overwint, is almachtig” [63].

„De hoogste Deugd (Teh) is geen deugd en is daarom juist Deugd; de lage deugd verliest nooit (het idee) deugd, en is daarom juist géén Deugd” [64].

„De verlichten in Tao zijn als duister, de vergevorderden in Tao als achteruitgaande; die aan Tao toe zijn, zijn als gewone menschen; zij, die de opperste Deugd hebben, zijn (laag) als een vallei; de uiterst reinen zijn als vuil; zij, die deugd in overvloed hebben, zijn alsof ze niet genoeg hebben, die vast gegrondveste deugd hebben, zijn als lui; die waar en simpel zijn, zijn als verachtelijk. Tao is verborgen, en heeft geen naam” [65].

„(De Wijze) is ganschelijk volmaakt, en lijkt onvolmaakt; zijne middelen raken nooit op. Hij is ganschelijk vol en lijkt ledig; zijne bronnen zijn nooit uitgeput. Hij is ganschelijk recht en lijkt krom. Hij is ganschelijk bekwaam en lijkt dom. Hij is zéér welsprekend en lijkt een stamelaar. Hij, die puur en rustig is, wordt het voorbeeld van de wereld” [66].

„Zonder uit te gaan ken ik de wereld; zonder uit mijn venster te kijken zie ik den Weg des Hemels. Hoe verder gij gaat, hoe minder gij zult weten. Daarom, de Wijze komt er zonder te loopen, noemt de dingen zonder ze te zien, en volmaakt zich zonder actie” [67].

„(De Wijze) is voor de goeden goed. Voor de niet-goeden is hij ook goed, om ze goed te maken” [68].

„Hij, die de reëele deugd bezit, is als een pasgeboren kind, dat de venijnige insecten niet steken, de wilde beesten niet grijpen, en de roofvogels niet meêvoeren” [69].

„Zij, die Tao weten, spreken er niet over; die er over spreken weten Het niet. (De Wijze) doet zijn mond dicht, sluit zijne oogen en ooren, haalt zijne hooge aspiraties neder, ontrafelt het verwarde, tempert het (verblindend) schitterende, en maakt zich gelijk aan het stof. Dit noem ik eene mystieke gelijkenis met Tao. Gunst noch ongenade, voorspoed noch schade, eer noch verachting kunnen hem treffen. Daarom is hij de eerbiedwaardigste mensch onder den Hemel” [70].

„De Wijze doet Wu Wei [lett. niet-doen], werkt aan géén werk, en savoureert wat zonder smaak is. Hij wreekt kwaad met goed. Hij zoekt geen groote dingen te doen, en daardoor juist volbrengt hij groote dingen” [71].

„De Wijze begeert géén begeerten te hebben, en hecht geen waarde aan moeilijk te verkrijgen dingen. Zijne studie is géén studie, en daardoor ontloopt hij de fouten der menschen” [72].

„Waarom kunnen de groote rivieren en zeeën de koningen zijn van alle stroomen? Omdat zij zich onder hen weten te houden, dáárom kunnen zij de koningen aller stroomen zijn. Daarom, als de Wijze superieur wil zijn aan het volk, moet hij in zijn spreken ónder het volk blijven. Als hij voor het volk uit wil staan, moet hij zich op den achtergrond houden. Daar hij allen strijd vermijdt is er niemand in het rijk, die tegen hem strijden kan” [73].

„Te weten dat wij niet weten, is superieur; niet te weten en denken te weten, dat is de ziekte der menschen. Als men om deze ziekte lijdt, zal men haar ontkomen. De wijze heeft deze ziekte niet, juist omdat hij er het lijden van weet” [74].

„Ware woorden zijn niet mooi; mooie woorden zijn niet waar. Zij, die goed zijn, zijn niet welsprekend, zij, die welsprekend zijn, zijn niet goed. Zij, die Tao kennen, zijn niet geleerd; zij, die geleerd zijn, kennen Tao niet. De Wijze stapelt niet op (wat hij bezit). Hoe meer hij gebruikt om de menschen te helpen, des te meer heeft hij over; hoe meer hij den menschen geeft, des te rijker wordt hij.—De Weg des Hemels is: wèl te doen en niet te schaden. De Weg des Menschen is: te handelen, maar niet te strijden” [75].

Reine, zoete woorden van deemoed, klinkende door twee en twintig eeuwen heen, en thans nog onvergankelijk van simpele waarheid! Leer van liefde en genade, gepredikt in de zesde eeuw vóór Jezus Christus, door den grootsten Wijze van China, en thans nog waardig om naast de leer van christelijke liefde te schijnen als een Licht voor de menschheid. Begint men te begrijpen, dat, áls China uit zijn diep verval zal worden opgeheven, dat zéér goed zijn kan met geheel eigen hulpmiddelen, zonder de inmenging der gehate vreemden? „The answer to Confucianism is China,” heeft Prof. Legge eens gezegd, een zendeling. Dus ook „The answer to Lao Tsz’ism is China!”—En daarom is het mij een groote vreugde, de woorden van China’s grootsten wijze nog eens te doen klinken, twee duizend twee honderd jaar later, in deze verlichte, christelijke tijden.

Is óns christelijke volk in Europa zoo deemoedig, en nederig, en puur, zóó ongevoelig voor die nietigheden der wereld als eer, en roem, en rijkdom? Zijn ónze groote mannen zoo bescheiden en simpel, zoo afkeerig van glorie en naam, en zoo sterk en devoot van ziel? Zijn ónze tijden, in welke de vrede alleen kan bestaan gegrondvest op bruut geweld en de vrees van enkele machthebbers onderling, die vooral voor verlies van eigen heerlijkheid bang zijn, zijn onze christelijke tijden zoo rein en zuiver? Zijn onze tijden niet, met enkele uitwendige verschillen, gelijk aan de tijden van Lao Tszʼ? Hebben wij niet de namen der dingen voor de dingen zelven, niet de schaduw voor de substantie, den schijn voor het wezen? Hebben wij niet „eminente, beroemde” geleerden met ridderorden en palmen getooid, waarvan de lintjes elken dag gedragen worden? Hebben wij niet staatslieden en ambtenaren, die zoo „belangloos, en actief, en uiterst capabel, en vol dienstijver” zijn, hebben wij geen „groote” o! „groote, groote” artiesten, die „hoog” o! „hoog, hoog” boven ons uitsteken, vèr boven de gewone stervelingen, en die, dronken van trots, dit elken dag met boller en boller opblazing toonen, en klinkt de geheele europeesche pers niet van namen, en namen, en nogeens namen, die toch vooral op den voorgrond moeten worden gezet?

Maar waar is de eenvoud, en de deemoed, en de puurheid des harten?......

Hoe rein en bizonder wordt die figuur van Lao Tszʼ, als we ons haar voorstellen in de verwarring der tijden tegen het einde der Chow-dynastie. Men wist het toen toch zoo! De heilige woorden van hertog Chow, van koning Wên, en van koning Woe [76], men had ze zóó lang herhaald, en van buiten geleerd, tot ze leêg van alle beteekenis, enkel holle klanken waren geworden. Men wist precies hoe het gaan moest, en hoe alles in elkaar moest zitten. Men wist precies de inrichting van het goevernement, en de namen der deugden, waarmede men het waarnemen moest.—De menschen waren o! zoo geleerd, en zoo verlicht, en schepten zulk een vreugde in ’t leven! En toen zeide Lao Tszʼ deze onsterfelijke woorden:

„Alle menschen zijn blij en vroolijk, als hij, die geniet van rundvleesch, als hij, die in de lente een hoog terras bestegen heeft.

„Ik alleen ben kalm, en heb nog niet éven bewogen; ik ben als een klein kindje, dat nog niet geglimlacht heeft. Ik ben vrij, zonder belemmering, àlsof er niets was, waarheen ik zou willen terugkeeren.

„De gewone menschen hebben óver, maar ik alleen ben als een die (alles) verloren heeft. Ik heb het hart van een domme, ik ben een chaos van verwarring.

„De gewone menschen zijn schitterend verlicht; ik alleen ben als duister. De gewone menschen zijn doordringend van doorzicht; ik alleen ben droevig ongerust. Ik ben vaag als de zee, ik word door de golven heen en weer gedreven, rusteloos... Alle menschen weten overal een reden voor, ik alleen ben dom, als iemand van het land.

„Ik alleen ben anders dan de (gewone) menschen, omdat ik de Moeder vereer, die alles voedt (Tao)” [77].

En alles ging zoo goed in het rijk, al was alles in verwarring! Dat, waarop het geheele rijk moest steunen, de reinheid en puurheid van het volk en van den vorst, bestond niet meer, maar men had dan toch de namen van de dingen! Men had menschlievendheid, en filantropie, en gerechtigheid, men had ouderlievendheid, en getrouwheid en oprechtheid!—Men was ook verbazend knap geworden, scherpzinnig, en doordringend van doorzicht. Maar de essentie ontbrak. De essentie van het zuivere, reine gemoed, waardoor vrede alleen mogelijk is, het gemoed zonder égoïsme en begeerten, dat in een vorst onmisbaar is. De grondvesten van het rijk, dit zuivere gemoed èn van het volk èn van den vorst, waardoor alles vanzelf goed zoude gaan, waardoor alle deugden vanzelf bestaan zouden, zonder nogeens apart met mooie namen te worden genoemd omdat de natuurlijke loop der dingen, het leven der dingen volgens de beweging van Tao, vanzelf zuiver is, deze grondvesten ontbraken. De zoogenaamde beschaving, met hare precies geformuleerde moraal, die aan alle dingen een juisten naam had gegeven, en die èn vorst èn volk maar voller had gemaakt van altijd groeiende begeerten, die verlichtheid en die studie, die, oorspronkelijk goed, de ijdelheid en de eerzucht hadden opgezweept, hadden het reine gemoed van de menschen verduisterd, en zóó de basis, waarop het geheele rijk moest rusten, verwaarloosd. „Wat doet het er eigenlijk toe, of we het karakter „wei” dan wel het karakter „oh” voor „ja!” gebruiken?” zeide Lao Tszʼ, „maar het is héél iets anders om te weten het onderscheid tusschen goed en kwaad” [78].

Beter dan de beschaving, die schijn en huichelarij ten grondslag had, vond Lao Tszʼ dan nog de tijden, toen het volk onwetend, maar gelukkig; ónbeschaafd, maar simpel; onceremonieus, maar rein van hart was, toen de koningen van-zelf regeerden, zonder veel moeite te moeten doen, omdat alles op natuurlijke wijze goed ging, en toen er minder rijkdom en weelde was, maar het volk geen honger leed. Want óók, dit wist de chineesche wijze, wat de meesten nú nog niet weten, die zoo vér zijn in socialisme en humaniteit, dat het alleréérste vereischte tot geluk voor het volk is, om geen honger te hebben. Alle andere dingen komen dan later wel. En hij leerde, dat vóór alles noodig was een terugkeer naar den oorspronkelijken, primitieven staat van éénvoud van lang voorheen. Dat hij, zooals vele vertalers beweerd hebben, het volk daardoor voor altijd in een soort bruten gelukstoestand wilde houden, ongeveer als die van een rumineerende koe in de weide, geloof ik niet. Mijns inziens was het hem vooral te doen, om een sterken nadruk dáárop te leggen, dat vóór alles (het andere kwam dan later wel) de oorspronkelijke, zuivere, pure menschennatuur moest wederkomen, de primitieve toestand, waarin de menschheid eeuwen geleden had verkeerd, in een geluksstaat, een thans ongeloofelijk schijnenden eenvoud, waarin het chineesche rijk in zijn eerste stadium schijnt verkeerd te hebben, met ideaal-vorsten als Yaou en Shoen aan het hoofd, meer dan tweeduizend jaren vóór onze jaartelling.—Wetenschap, en kennis, en knapheid, en ook weelde van kunst, waren mooi, maar zonder den eenvoud des harten, zonder het diviene principe, door Tao in den mensch gelegd, was dat alles voos en zonder reëel wezen. Dan liever onwetend, maar rein; dom, maar kinderlijk; ongeciviliseerd, maar zuiver; dan liever geen oorlogen en geen roemruchtige daden, maar vrede en liefde onder de menschen. Als het hart van het volk en van den vorst maar weer rein was, dan zou de regeering vanzelf wel gaan, zonder ingenieuze staatsinstellingen en spitsvondige systemen en wetten, omdat dan de staat bezield zou wezen met den heiligen adem van Tao, op welken alles, de geheele natuur, in de onvermijdelijk juiste richting beweegt. Zóó, van déze dingen uitgaande, en niet als onbereikbare, onmogelijke droomen moeten we de leer van Lao Tszʼ over het volk, en het rijk, en den vorst opvatten.—En de eenvoudige gezegden, die ik thans hieronder zal aanhalen, zouden zij misschien ook nú niet, zóó opgevat, van toepassing zijn?