De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 2. Lao Tsz'
Part 2
„Zijn familienaam was Li, zijn bijnaam Rhʼ, zijn titelnaam Peh Yang en zijn posthume naam Tan. Hij bekleedde het ambt van bewaarder der archieven van het rijk Chow [16]. Confucius kwam in het rijk Chow, om Lao Tszʼ te vragen over de Li [17] (het Decorum). Lao Tszʼ zeide: „De menschen, over wie gij spreekt, zijn niet meer, en hunne beenderen zijn allen vergaan. Alleen hun woorden bestaan nog. Als de Kiün Tszʼ (de Goede Mensch) de gunstige omstandigheden treft stijgt hij in den wagen (d.i. komt hij tot hooge betrekkingen), maar treft hij die gunstige omstandigheden niet, dan zwerft hij als een bosje stroo over het zand. Ik heb gehoord dat een goed koopman zijn schatten diep verbergt en als leêg van alle goed schijnt, en dat de Kiün Tszʼ, wiens deugd volmaakt is, een gezicht heeft als een domme. Doe vàn u dien trots, en die vele begeerten, doe van u dat hooghartige air en die buitensporige neigingen, want die zullen u tot niets dienen. Dit is, wat ik u te zeggen heb.”
Confucius, die in ’t geheel niet in Lao Tsz’s filosofie komen kon, welke even zooveel dieper was dan de zijne als de essences dieper zijn dan de uiterlijke schijn, was door de majesteit van Lao Tsz’s persoon en den statigen toon zijner woorden blijkbaar diep getroffen, want, verhaalt Szʼ Ma Ts’ien verder:
„Confucius ging, en zeide tot zijne discipelen: „Ik weet, dat de vogels kunnen vliegen, ik weet, dat de visschen kunnen zwemmen, ik weet, dat de beesten kunnen loopen: zij, die loopen, kunnen in een net worden gevangen, zij die zwemmen, kunnen aan den haak worden geslagen, en zij die vliegen, kunnen met een pijl worden getroffen. Maar nu de Draak! Ik kan niet weten, hoe hij op de wolken en den wind stijgt en ten hemel rijst. Heden heb ik Lao Tszʼ gezien. Hij is als de Draak!””
Confucius bekende dus zelf, dat hij Lao Tszʼ niet kon begrijpen.
Verder gaat Szʼ Ma Ts’ien door:
„Lao Tszʼ cultiveerde de Tao en de Deugd, en legde er zich op toe om eenzaam en onbekend te leven. Hij leefde lang in Chow, en toen hij zag, dat Chow in verval raakte, nam hij haastig zijn ontslag, en ging naar den bergpas (op de grens). I Hie, de bewaker van dien bergpas, zeide tot hem: „Nu gij u in de eenzaamheid gaat terugtrekken, moet gij absoluut een boek maken om mij tot leering te zijn.”—Toen schreef Lao Tszʼ een werk in twee boeken, dat over de beteekenis van de Tao en de Teh (Deugd) handelde, en vijfduizend karakters bevatte. Daarna ging hij heen. Men weet niet hoe het einde was van zijn leven.”
Deze weinige gegevens zijn alles, wat wij op zuiver historische gronden van Lao Tsz’s leven weten. Enkele bizonderheden omtrent zijne zonen, voor dit werk van geen belang, zal ik maar voorbijgaan. Welk een verschil zien wij echter uit dit weinige al tusschen Confucius en Lao Tszʼ! Confucius, die, toen Chow in verval was, met veel omslag van rijk tot rijk trok om toch vooral propaganda te maken voor zijne ideeën, Lao Tszʼ die, toen hij al de droevigheid zag aankomen, stil zijn ambt neerlegde, en wegging uit het land der ongerechtigheid, om in den vreemde kalm en rustig te leven, eenzaam met zijn ziel!......
Szʼ Ma Ts’ien geeft niet het geboortejaar op van Lao Tszʼ, maar volgens eene geloofwaardige traditie was dit het 3e regeeringsjaar van Ting Wang, van de Chow dynastie, alzoo het jaar 604 v. C.—Lao Tszʼ was dus reeds 53 à 54 jaar, toen Confucius geboren werd.—Volgens overleveringen en legenden—op welke men echter volstrekt niet zoo vertrouwen kan als op Szʼ Ma Ts’ien’s Annalen „Shʼ Kiʼ”—was zijn vader een oude boer, die eerst op zeventigjarigen leeftijd een vrouw van ongeveer vijf en dertig trouwde. Zijne moeder ontving hem op bovennatuurlijke wijze, in een lichtstraal van een vallende ster.—Zij droeg de vrucht twee en zeventig jaren lang, zoodat het kind ter wereld kwam als een oud man, met grijze haren. Vandaar, dat men den pas geborene Lao Tszʼ, d.i. het Oude Kind noemde.—Dadelijk na zijne geboorte rees hij in de lucht op, en zeide, met de linkerhand naar den hemel, en met de rechter naar de aarde wijzende: „In den Hemel boven en op de Aarde beneden is alleen Tao waardig om geëerd te worden.” Zijn gelaatskleur was wit, bij geel, zijne ooren waren buitengewoon lang, en met drie gaten doorboord. Hij had schoone wenkbrauwen, groote oogen en een vierkanten mond. Aan iedere voet had hij tien teenen, en iedere hand was geörnamenteerd met tien lijnen, enz. enz. Men merke hier de overeenkomst op met de geboorte van Shakyamuni, Kwan Yin, en andere boeddha’s en heiligen. Vermoedelijk zijn deze legenden door latere boeddhistiesche vereerders [18] van Lao Tszʼ verzonnen, daar zij lijnrecht in strijd zijn met zijne ideeën omtrent de onfeilbaarheid en heiligheid van de processen der natuur.—In de Nan Hwa King, een boek van Lao Tsz’s voornaamsten discipel, Chuang Tszʼ, vinden wij nog meer bizonderheden omtrent ontmoetingen tusschen Confucius en Lao Tszʼ.—
Lao Tszʼ vond Confucius eens bezig met lezen, en vroeg hem, wat hij daar aan ’t studeeren was.
„Het is de I King,” antwoordde Confucius, „die lazen de heilige mannen der oudheid ook.”
„Dat konden die heilige mannen doen,” zeide Lao Tszʼ, „maar met welk doel leest gij die? Wat is de grondbedoeling van dat boek?”
„Het komt neer op menschlievendheid en rechtvaardigheid,” was het antwoord.
En Lao Tszʼ zeide: „Rechtvaardigheid en menschlievendheid zijn tegenwoordig maar holle namen; zij zijn een masker voor wreedheid, en brengen de harten in verwarring; er is nooit meer strijd geweest dan nu. De duif baadt zich niet altijd expres om wit te worden, de kraai verft zich niet om zwart te zijn. De Hemel is van nature laag; zon en maan schijnen van zelve; de sterren en planeten staan natuurlijk op hun plaats, de planten en boomen vallen natuurlijk onder klassen, volgens hunne soorten. Zoo, geleerde dokter, als gij Tao betracht, en u er met uw geheele ziel naar ópheft, dan zult gij er vanzelf wel komen. Waar zijn die menschlievendheid en rechtvaardigheid toch goed voor? Gij lijkt op iemand, die op een trom gaat roffelen om een verloren schaap terug te brengen. Meester, gij brengt de menschelijke natuur maar in verwarring!”
Maar ziet, er waren groote, essentieele verschillen tusschen Confucius en Lao Tszʼ. Beiden leefden in ongeveer dezelfde omstandigheden, in het verval van de Chow dynastie, toen het geheele rijk in wanorde was. [19] Confucius wilde toen, door de verschillende deugden, als menschlievendheid, oprechtheid, rechtvaardigheid, plichtmatigheid, ouderlievendheid enz. te prediken, het volk hervormen. Lao Tszʼ zag hier geen heil in, en hield het er voor, dat al deze dingen de verwarring nog maar grooter zouden maken.
Robert K. Douglas in zijn werk „Confucianism and Taouism” zegt hierover zeer terecht: „Confucius dacht dat de voornaamste vereischte van den tijd was, om goede namen te hebben (voor de dingen). Hij wilde de menschen humaniteit doen betrachten, en dat (dan ook) liefde-voor-de-ouders (Hiao) noemen; hij wilde de menschen met hun geheele hart hun souverein doen dienen, en noemde dat getrouwheid. Lao Tszʼ, daarentegen, hield vol, dat als de menschen zich uitgaven voor menschlievend, ouderlievend en getrouw, dit een zeker teeken was, dat de substantie verdwenen was, en alleen de schaduw overbleef. De duif is niet wit omdat zij veel baadt, noch verft de kraai zich zwart. Als de duif zich ging baden, en de kraai zich ging verven, zou dat geen teeken zijn, dat zij hunne oorspronkelijke kleuren hadden verloren? Zoo ook met de menschen. Als alle menschen menschlievend, ouderlievend en getrouw waren, zou niemand zich op die deugden openlijk beroepen, en die zouden daarom niet genoemd worden. En op dezelfde manier, als alle menschen deugdzaam waren, zouden zelfs de namen der ondeugden onbekend zijn.”
Krachtig zegt Lao Tszʼ dit zelf in zijn Tao Teh King [20]: „Toen Tao werd verwaarloosd kwamen Menschlievendheid en Gerechtigheid. Toen de „scherpzinnigheid” en het „schrandere doorzicht” voor den dag kwamen, ontstond de groote Huichelarij. Toen de familie niet meer in harmonie leefde, kwamen de Hiao (Ouderlievendheid) en de Ts’zʼ (compassie). Toen de staten van het rijk in verwarring waren, kwamen de getrouwe onderdanen.”—
En in een ander hoofdstuk [21]: „Doe de Filantropie vàn u, en wèg met Gerechtigheid, en het volk zal (vanzelf) terugkeeren tot liefde voor de ouders en voor de kinderen!”
Zooals ik reeds zeide, het verschil tusschen Confucius en Lao Tszʼ is op zeer veel punten dat tusschen Schijn en Wezen.
Het Boek, dat Lao Tszʼ als eenig aandenken aan zijn leven bij den wachter I Hie van den bergpas achterliet, was de Tao Teh King, het Boek van Tao en Teh.—De Tao Teh King is wel het moeilijkste boek, waar de sinoloog zich aan kan wagen, en ook voor den chineeschen literator is het de zwaarste arbeid in zijne literatuur. Maar jaren van studie loonen den ijverigen leerling met rijke winst.—Uit de diepe mijnen van dit wondere wereldboek haalt de verrukte delver steeds edeler en blinkender schatten van onvergankelijke wijsheid. „La sagesse humaine n’a peut-être jamais exprimé des paroles plus saintes et plus profondes,” roept de sinoloog Pauthier in bewondering uit. En Samuel Johnson, een geleerde en een poëet, die, met minder geleerdheid maar meer intuïtie en wijsgeerigen aanleg dan anderen in de essentieele waarheden van oostersche godsdiensten en filosofieën is doorgedrongen, zegt er zeer schoon en juist van: „He is a word; a protest and prophecy in one; a book, the Tao Teh King, a voice of universal truth and sentiment, appealing to all ages.” En ook nog: „Nothing like this book exists in Chinese literature, nothing, so far as yet known, so lofty, so vital, so restful at the roots of strength: in structure as wonderful as in spirit; the fixed syllabic characters formed for visible and definite meaning, here compacted into terse aphorisms of a mystical and universal wisdom, so subtly translated out of their ordinary spheres to meet a demand for spiritual expression, that it is confessedly almost impossible to render them with certainty into another tongue”. [22]
De lezer zal wel reeds gemerkt hebben, dat ik het hiermede geheel ééns ben, en dat ik slechts met moeite mijn enthoesiasme en innige vereering voor Lao Tszʼ, die ik zoo vrij kon uiten in mijne fantazie „Wu Wei”, bedwing, om precies bij de daadzaken eener op zuiver wetenschappelijken grond berustende studie te blijven. Inderdaad is het in China gegaan als in zoovele landen. Een wèl sereen en eerbiedwaardig, maar toch maar heel zelden subliem wijsgeer als Confucius heeft een wereldvermaardheid verkregen, en is in alle beschaafde landen op gezag bekend als zijn grootsten man, terwijl zijn waarlijk allergrootste filosoof, een zoo rein en simpel voeler en denker als Lao Tszʼ, die zich wist op te droomen tot nabij de allerzuiverste conceptie van het goddelijk Wezen die een mensch kan naderen, zoo goed als onbekend is gebleven buiten het kleine kringetje der sinologen-vakgeleerden.—
Lao Tszʼ leerde in zijn Tao Teh King in hoofdzaak het volgende:
Vóór Hemel en Aarde bestonden, vóór de formatie der werelden, vóór het begrip Shang Ti (de opperste Godheid) was er een Wezen, een essence, voor ons niet te begrijpen, voor ons vaag en verward, voor ons, die aan alle Zijn een zichtbaren vorm en eene gedaante verbinden, een Niet-Zijn, een Wezen, of een Wereld-Ziel (al deze namen kunnen het natuurlijk niet omschrijven), die alleen-in-zich-zelf eeuwig en onsterfelijk bestond.—Natuurlijk kan zulk een Wezen, dat alleen in-zich-zelf bestond, geen naam hebben, daar namen alleen dienen om verschillende dingen te onderscheiden.—Omdat Lao Tszʼ er echter over zou schrijven, moest hij het absoluut een naam geven, en, een goede, juiste naam onbestaanbaar zijnde voor zulk een Wezen, noemde hij het Tao, een woord, dat in de vroegere chineesche filosofie, en vooral in Confucius meer bepaald „de Weg” of „het Pad” beteekent [23]. Hij zegt er echter herhaaldelijk uitdrukkelijk bij, dat het Wezen, dat hij bedoelt, niet Tao heet of kan heeten, maar dat hij dien naam maar gebruikt, omdat er geen naam mogelijk is. Dit Wezen, deze Al-Ziel, deze Essence [24] (men voelt, ook deze omschrijvingen zijn maar vage benaderingen) was de Oorsprong aller dingen, en baarde de werelden en de schepselen op ondoorgrondelijke wijze, ze allen doorvloeiende, en gemanifesteerd zijnde in alles en allen, natuur, menschen, en dingen. Als in-zich-zelf-bestaande Essence het Tao noemende, noemde hij het als manifestatie in de creatie Teh, met een woord, dat in de gewone beteekenis met Deugd is te vertalen, maar m. i., evenals Tao, zooveel mogelijk onvertaald moet blijven.—Maar niet alleen, dat alle dingen uit Tao geboren zijn, allen keeren ook weder tot Tao terug.—Aan alle dingen is bij hun geboorte een beweging gegeven, een divien levensrythme, dat hen onfeilbaar weer tot Tao zal terug brengen. Het eenige en simpele middel om weer tot Tao terug te keeren is, zich eenvoudig aan dat rythme over te geven, alles te weren, wat er van afleidt en aan die beweging tegenstrijdig is.—Als pas-geboren kind is de mensch volkomen zuiver en natuurlijk, en de hoogste levenswijsheid is, zich altijd zoo zuiver te bewaren als het pasgeboren kind. Deze pure wijze van leven, dit zich-laten-meêvoeren op het oorspronkelijke rythme, maar men vergete hierbij niet, ook den energieken strijd tegen alles, wat van dat rythme afwijkt en er tegenovergesteld aan is, noemde Lao Tszʼ Wu Wei. Dit woord Wu Wei, samengesteld uit Wu—niet of niets,—en Wei,—doen, zou, letterlijk, met een dictionnaire vertaald, beteekenen „niets-doen”.—Deze letterlijke vertaling heeft vele sinologen [25] aanleiding gegeven om te beweren dat Lao Tszʼ in een lui, bruut niets-doen het hoogste heil zag, en daarom leerde om, onverschillig voor alles en allen, maar in een soort slaperigheid het leven uit te soezen. Ik behoef zeker niet te zeggen, dat precies het tegendeel waar is, en dat Wu Wei geen niet-doen, geen inactie of inertie is, maar juist zeer sterke en reëele actie en wel actie van het onsterfelijke principe in den mensch, van de in hem gemanifesteerde Tao.—Deze actie zal zijn eene beweging van het onsterfelijke in den mensch naar den eindeloozen, eeuwigen Oorsprong, naar dat voor menschenbegrip onbenaderbare en onbeschrijfelijke Wezen, die Al-Ziel, die bestond vóór Hemel en Aarde, vóór gedaante en vorm bestonden, en die Lao Tszʼ, voelende hoe onmogelijk zij met een naam aan te geven was, alleen met den naam Tao noemde, omdat hij dien noodig had om haar concreet in een letterteeken aan te duiden. Maar deze actie Wu Wei zal tevens zijn een beweging tegen alle actie, die aan haar tegenstrijdig is, en den weder-ópgang naar Tao stuit, dus tegen alle actie van menschelijke, relatieve dingen als eerzucht, trots, woede, haat, hebzucht, passie, enz. enz. En wie weet dat deze dingen de felste, sterkste en hevigste van het geheele menschenleven zijn, zal begrijpen hoe moeilijk en zwaar de strijd dáártegen moet zijn, dus hoe intens de actie Wu Wei moet zijn, die zulke geduchte vijanden moet weêrstaan. Daar Tao het eenige in-zich-zelf-bestaande en dus reëele is, en de menschelijke hartstochten en begeerten allen sterfelijk en dus onreëel zijn, zouden wij de gewone, alledaagsche beweging van het menschenleven naar die hartstochten en begeerten onreëele actie, en Wu Wei, het ópgaan náár Tao, reëele actie kunnen noemen, of ook wel, de eerste de actie van den Schijn, en de tweede de actie van het Wezen.
Zéér schoon zegt alweer Johnson hiervan, krachtig protesteerend tegen velen, die Wu Wei maar door „niets-doen” vertaalden, en dus precies het tegenovergestelde kregen van wat Lao Tszʼ bedoelde [26]:
„Such misinterpretations as have been quoted simply reduce the Tao-Teh-King to a mass of self-contradictions. Its „nonaction” does not propose that man shall forbear while the work is done by heaven, but is defined as a living union with Tao, as secret power to make all things new through humility and self-renunciation: a still and unapparent strength that „does not strive” but „hides itself while it lifts up men”. Its paradoxes, putting the least above the greatest, and rest above work, are intuitions of the spiritual mind; enforcements of substance against shadow, of living soul against dead mass.”
Zóó spreekt Lao Tszʼ ook dikwijls in zijn boek over „Wu Yiu”, letterlijk vertaald „Niet-Zijn”.—Dit beteekent alweer niet zóó maar niet-bestaan, in-’t-geheel-niet-zijn, maar enkel niet-sterfelijk-zijn, niet zooals menschen, dieren en dingen zijn, die immers ééns moesten sterven; dus eigenlijk beteekent het wel dégelijk Zijn, maar het Zijn van het Wezen, in tegenoverstelling met het Zijn van den Schijn. Men kan niet te voorzichtig zijn met woorden indien er sprake is van zulke boven alle woordbegrip verheven dingen als b.v. God, of Nirvâna, of Tao.—Men vergete dan niet, dat juist dat wat wij omschrijven willen van zulk een transcendent, subtiel, spiritueel wezen is, dat alle woorden, waarmede wij het willen aanraken, en die alleen veel meer nabije dingen kunnen bereiken, slechts als steenen zijn, die ópgeworpen in de lucht, toch nooit het azuur omhoog kunnen treffen. Onze woorden kunnen alleen benaderen, richting aangeven in zoo’n geval, en men wachte zich wel, het punt, waartoe zij komen, en dat in gewone gevallen het doel is, ook nu voor het hoogste en juiste doel te houden.—
Lao Tszʼ beschouwt nu Tao èn als Oorsprong van alles, ongemanifesteerd en in-zich-zelf bestaande, èn als gemanifesteerd zijnde in de creatie, of, mag ik nu wel na mijne juist omschreven opheldering zeggen, als Wu Yiu (lett. Niet-Zijn) en als Yiu (lett. Zijn).—
Ik zal, na al de voorgaande beschouwingen voorop gezet te hebben, nu door een aantal vertalingen uit de Tao Teh King zelve, dus met Lao Tsz’s eigen woorden, verder het idee Tao benaderen. De lezer kan dan zelf oordeelen en zich een begrip vormen.
„Als Niet-Zijn kan men Het [27] noemen het begin van Hemel en Aarde; als Zijn kan men Het noemen de Moeder (dus: dat wat baarde) van alle Dingen” [28].
„Tao is ledig en toch in Zijne operaties als onuitputtelijk. O! Hoe diep! Het is de oer-vader aller dingen. Het verstompt zijn scherpte, ontrafelt zijn verwardheid, tempert zijn verblindende schittering, en maakt zich gelijk aan het stof. O hoe kalm is Het! Het lijkt eeuwig te bestaan! Ik weet niet van wien Het het kind is. Het was vóór Shang Ti (de Opperste God)” [29].
„Gij kijkt er naar, en gij ziet Het niet; men noemt Het kleurloos. Gij luistert er naar, en hoort Het niet, men noemt Het aphoon. Gij tast er naar, en raakt Het niet, men noemt Het onstoffelijk.—Zijn bovenste is niet verlicht, Zijn onderste heeft geen schaduw. Het is eeuwig en kan niet met een’ naam worden genoemd. Het keert terug tot het Niet-Zijn (Wu Yiu). Dit noem ik het beeld van het beeldelooze, den vorm van het vormelooze. Dit noem ik vaag en onbestemd. Gij nadert Het, en gij ziet niet Zijn begin. Gij volgt Het en gij ziet niet Zijn einde” [30].
„—Als men tot het opperste ledig is gekomen, behoudt men een onbewegelijke rust. Alle dingen worden te samen geboren; ik zie ze weder terugkeeren. Alle dingen bloeien overvloediglijk; daarna keert elk terug tot zijn Oorsprong. Tot den Oorsprong terugkeeren noem ik in rust zijn. In rust zijn noem ik terugkeeren tot het (eeuwige, reëele) Leven. Terugkeeren tot het Leven noem ik Eeuwigdurend zijn. Tao zijnde is men altijddurend. Al sterft het lichaam, er is (dan toch) geen gevaar (meer te duchten)” [31].
„De zichtbare manifestaties van de groote Teh (Deugd) zijn eene emanatie van Tao. Ziehier de natuur van Tao: „Het is vaag en verward.... Hoe verward.... Hoe vaag!.... En (toch) bevat Het de vormen der dingen! Hoe vaag!.... Hoe verward!.... En (toch) bevat Het wezens!.... Diep en duister!.... En (toch) bevat het eene spiritueele essence! Deze spiritueele essence is ten zéérste reëel, en bevat de onfeilbare getuigenis (van wat zij is). Het geeft geboorte aan de geheele creatie” [32].
„Vóór Hemel en Aarde bestonden, was er een vaag Wezen. Hoe rustig-kalm! Hoe onstoffelijk! Het staat alléén-op-zich-zelf en verandert niet. Het doorvloeit alles en loopt geen gevaar. Het mag wel de Moeder van alles onder den Hemel worden genoemd. Ik weet niet Zijnen naam. Het een karakter [33] willende geven schrijf ik Het Tao. Wil ik Het met alle geweld omschrijven, dan noem ik Het groot. Van groot noem ik Het vervliedend. Van vervliedend noem ik Het vèr. Van vèr noem ik Het weêr-terugkeerend. De wet van den koning is van de Aarde. De wet van de aarde is van den Hemel. De wet van den Hemel is van Tao. (Maar) de wet van Tao is van-zich-zelve” [34].
„Tao is eeuwig en heeft geen naam. Ofschoon zoo simpelklein van natuur, durft de geheele wereld Het niet onderwerpen. Tao is verspreid in het Heelal. Alles keert tot Tao terug, als de bergstroomen tot de rivieren en zeeën” [35].
„Hoe oneindig strekt Tao zich uit! Het kan naar links gaan, Het kan naar rechts gaan. Alle wezens steunen op Tao om geboren te worden, en het weigert géén. Als het werk volbracht is noemt Tao het niet het Zijne. Het heeft alle wezens lief, en voedt ze, en beschouwt zich toch niet als hun Meester. Het is eeuwig zonder begeerte; men zou Het (dus) klein kunnen noemen. Alle wezens keeren er toe terug, en toch beschouwt Het zich niet als hun Meester; men zou Het (dus) groot kunnen noemen. Daarom doet de Wijze zijn geheele leven lang niet groot, en daardoor juist volmaakt hij zijne grootheid” [36].
„Als Tao uit onzen mond komt lijkt Het flauw en zonder smaak.—Wij kijken er naar, en zien Het niet duidelijk; wij luisteren er naar, en hooren Het niet genoeg; wij willen Het (geheel) gebruiken, maar Het is onuitputtelijk” [37].
„Tao is eeuwig Wu Wei en toch is er niets, wat Het niet doet” [38].
„Het is een onvergankelijke ziele-oneindigheid” [39].
„De beweging van Tao is terugkeer (tot-zich-zelf). Zachtheid is zijn functie. Alle bestaan is uit Zijn (Yiu). Alle Zijn is uit Niet-Zijn (Wu Yiu)” [40].
„Tao baarde één; één baarde twee; twee baarde drie; drie baarde alle dingen. Want alle dingen komen uit het duister naar het licht, en worden in harmonie gebracht door den adem der Natuur” [41].
„Zich toeleggen op de studie is dagelijks „meer krijgen.” Zich wijden aan Tao is dagelijks „minder krijgen,” minder, en steeds minder, tot Wu Wei bereikt is. Wu Wei eenmaal bereikt, is er niets, wat men niet doen kan, naar ik meen” [42].
„Tao brengt de dingen voort. Het brengt ze groot door Zijne manifestatie (Teh) in hen, Het vormt ze door Zijne substantie, Het volmaakt ze door Zijne impulsie. Daarom, van alle wezens is er géén, dat niet Tao vereert, en Teh hoogacht. Die majesteit van Tao en die eerwaardigheid van Teh zijn niet aan hen gegeven; zij bezitten die eeuwig uit-zich-zelven. Daarom, Tao baart alle dingen, kweekt ze op, doet ze groeien, brengt ze groot, volmaakt ze, doet ze rijpen, voedt ze, beschermt ze. Te baren, en toch niet als eigendom te beschouwen, te formeeren, en dat toch niet als glorie te beschouwen, te regeeren, en toch vrij te laten,—dit noem ik de mysterieuze Deugd” [43].
„Als het hart voortdurend vrij van aardsche begeerten is kan men het Mysterie aanschouwen van Tao’s spiritueele essence; als het hart voortdurend vol begeerten is, kan men er enkel den begrensden Vorm van zien” [44].
„Tao is de veilige rustplaats van alle dingen, de schat van de goeden, de steun van de slechten. Hoe is het, dat de Ouden Tao zoo vereerden? Is het niet, omdat men Het van-zelf vindt, zonder den ganschen dag te zoeken, en Het de misdaden vergeeft? Daarom is Tao het eerbiedwaardigste onder den Hemel” [45].
„De hemelsche Tao heeft geen lievelingen, en is toch altijd mild voor de Goeden” [46].