De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius)
Part 9
Op de badkuip van Thʼang staat gegraveerd: „Als gij u zelf werkelijk iederen dag kunt hernieuwen, hernieuw u dan dag aan dag, en nóg weer eens hernieuw u élken dag.”
2. In de Kʼang Kao wordt gezegd: „Wek het volk op tot hernieuwing.”
3. De Shi King zegt: „Ofschoon Chow een oude staat was, waren toch zijn verordeningen nieuw.”
4. Daarom, er is niets, waarin de Kiün Tszʼ niet zijne uiterste kracht inspant.
NAWOORD.
Bovenstaand tweede hoofdstuk van commentaar legt de hernieuwing van het volk uit.
Over die „uitlegging” kan hetzelfde gezegd worden als in de bespreking van het vorige hoofdstuk. Eigenaardig is in No 1, dat die regels op een badkuip gegrift werden, want hierbij vergeleek men het wasschen van het lichaam met het wasschen, dus verreinen, hernieuwen van de ziel.
HOOFDSTUK III.
1. De Shi King zegt: „Het koninklijke domein van duizend lí [57] is daar waar het volk rust.”
Hiermede wordt bedoeld: „Ieder mensch en ding heeft een eigen plaats waar hij moet rusten.”
2. De Shi King zegt: „Het zingende gele vogeltje rust op den hoek van den heuvel.” De Meester zeide: „Als het rust weet het wáár te te rusten. Kan het zijn, dat men een mensch is en niet gelijk aan het vogeltje?”
3. De diepe en onbereikbare koning Wĕn! Hoe altijddurend en schitterend vereerde hij zijne rustplaatsen! Als vorst rustte hij in menschelijkheid. Als onderdaan rustte hij in reverentie. Als zoon rustte hij in de Hiao (ouderlievendheid). Als vader rustte hij in liefde. In den omgang met zijn onderdanen rustte hij in waarheidlievendheid.
4. De Shi King zegt: „Ziet naar den kronkelenden loop van de Kʼie! O! Hoe schoon en frisch zijn de groene bamboes! Hier is onze elegante en welopgevoede prins! Zooals wij snijden, zooals wij (daarna) vijlen, zooals wij beitelen, zooals wij (daarna) slijpen! Hoe waardig, hoe streng! Hoe majestueus, hoe gedistingeerd! Onze elegante en welopgevoede prins, wij zullen hem nooit vergeten!”—„Zooals wij snijden, zooals wij (daarna) vijlen” beteekent het werk van leeren. „Zooals wij beitelen, zooals wij (daarna) slijpen” beteekent het verzorgen van zijn Zelf (zijn eigen karakter).
„Hoe waardig en streng!” beteekent indrukwekkend en imponeerend. „Hoe majestueus! hoe gedistingeerd!” beteekent een met (eerbiedige) ontzetting slaand gedrag. „Onze elegante en welopgevoede prins, wij zullen hem nooit vergeten!” beteekent, dat als de Tao volmaakt is, en de deugd tot haar uiterste volmaakt, het volk die niet kan vergeten.
De vergelijking van de rivier Kʼie (een zijtak van de rivier Wei in N.-O. Honan) met een’ vorst, dunkt mij niet bizonder zuiver, al is de bedoeling dat een koning, wiens gedrag in de goede richting loopt, het rijk om zich heen vruchtbaar maakt, zooals de rivier dat het land doet. De in dit nummer verheerlijkte vorst was hertog Woe van Wei.
5. De Shi King zegt: „O! De vroegere koningen zijn niet vergeten!” (De latere) vorsten en wijzen vereerden wat zij vereerden, volgden na en hadden lief wat zij liefhadden. En het gewone volk verheugde zich in datgene, waarin zij zich verheugden, en vaarden wel in dat, wat zij tot hun welvaart hadden gedaan. Dit is, hoe de vroegere koningen na hunnen dood niet werden vergeten.
Met de vroegere koningen, hierin verheerlijkt, worden bedoeld koning Wĕn en zijn zoon, koning Woe, van Chow.
NAWOORD.
Het bovenstaande derde hoofdstuk van commentaar legt uit het rusten in het opperste Goede.
Ook voor deze verklaring geldt wat ik voor de nawoorden der vorige hoofdstukken zeide. In stede van uitleggingen, d. i. breed omschrijven van het idee in den hoofdtekst, zijn het eerder toepassingen en toespelingen. Ik zal deze aanteekening voor de hoofdstukken, die nog volgen, niet telkens weer maken, en nu voortaan als bekend beschouwen.
HOOFDSTUK IV.
De Meester zeide: „In het hooren van processen ben ik als alle menschen. Moet niet (de Wijze) stellig maken dat er geen processen zijn? Dan zullen de menschen zonder principes hun redeneeringen niet kunnen ten einde brengen, en een groote vreeze zijn in de neigingen van het volk. Dit is het weten van den Oorsprong.
NAWOORD.
Het bovenstaande vierde hoofdstuk legt uit den Oorsprong en het einde. (Zie No. 3 van den hoofdtekst.)
Hier wordt dus terecht gezegd, dat het beter is, het volk zelf beter te maken (te hernieuwen) dan recht te spreken in de geschillen en processen. Als de heldere deugd van het volk niet langer verduisterd is, zal het vanzelf goed zijn, en geen processen voeren. Is de oorsprong, het volk hier dus, zélf goed, dan is het einde, het resultaat ook goed. De oorsprong der processen zit niet in de processen zelve, maar in het volk dat ze voert en dat door den Wijze verbeterd, hernieuwd moet worden.
HOOFDSTUK V.
1. Dit noemt men het weten van den Oorsprong.
2. Dit noemt men het opperste van het Weten (de kennis).
NAWOORD (VAN CHOE HIE).
Het bovenstaande vijfde hoofdstuk van commentaar legt uit „het doorgronden van de dingen en de kennis tot het hoogste opvoeren” (Zie Hoofdtekst No. 4 en 5), maar is nu verloren. Ik heb gewaagd, de bedoeling van den filosoof Chʼing te nemen om dit aan te vullen als volgt: „Wat men noemt de kennis tot het hoogste opvoeren bestaat uit het doorgronden van de dingen,” beteekent: Als wij onze kennis tot het hoogste willen opvoeren, moeten wij de dingen doorgronden tot wij aan hunne principes komen; want de geest van den mensch is stellig (van eene natuur) om te (kunnen) weten, en er is geen ding onder den Hemel, dat geen principe heeft. Maar als de principes niet doorgrond zijn, is de kennis niet volmaakt. Daarom begint de Ta Hiŏh zijn leer met den leerling, met betrekking op alle dingen onder den Hemel, te leeren om van de kennis hunner principes uit te gaan, en ze dán verder te doorgronden, tot hij het hoogste (weten) bereikt heeft. Als hij zóólang zijne krachten inspant zal hij op eens een reëele, alles doordringende kennis hebben. Dan zal hij aan het uitwendige en inwendige, aan het fijne en grove van alle dingen toe komen, en zal zijn geest in zijn geheele wezen en zijne betrekkingen tot de dingen dan niet helder wezen? Dit noemt men het doorgronden van de dingen. Dit noemt men de kennis tot het hoogste opvoeren.
De uitlegging, in dit Nawoord door Choe Hie gegeven, wordt door anderen betwist, die hunne eigen verklaring er van geven. Ik heb Choe Hie hier gevolgd, omdat de zijne mij het beste toeschijnt. Ik kan niet nalaten, dit hoofdstuk in verband te brengen met de „Choeng Yoeng” (Bespr. Hfdst. XXII), waarin gezegd wordt, dat alle dingen onder den Hemel een Sing hebben. Niet den uitwendigen schijn, den vorm, de gedaante der dingen moeten wij als basis nemen voor onze doorgronding, leert dus de Confucianistische filosofie, maar hun Oorsprong, hun fondamenteele principes, die voortvloeien uit de Sing, en over deze Sing wordt in de „Choeng Yoeng” geleerd.
HOOFDSTUK VI.
1. „Wat wordt genoemd de bedoelingen en gedachten oprecht en ernstig maken” is het weren van zelfbedrog, zooals wij haten een slechten geur en liefhebben een schoone kleur. Dit noemt men zelf-voldoening. Daarom moet de Kiün Tszʼ stellig waakzaam zijn over zijn eenzaamheid.
2. Voor den in ledigheid wonenden kleinen mensch is er niets slechts, waar hij niet toe zal komen. Als hij een Kiün Tszʼ ziet, zal hij dadelijk daarna, van schaamte zich vermommende, zijn slecht verstoppen, en zijn goed ten toon spreiden. De andere mensch ziet hem, alsof hij zijn long en lever zag, en waar diende (dat verbergen) dan voor? Dit noemt men: „Wat werkelijk van binnen is manifesteert zich naar buiten.” Daarom moet de Kiün Tszʼ stellig waakzaam zijn over zijne eenzaamheid.
De laatste regels van No.’s 1 en 2 hierboven vindt men terug in „Choeng Yoeng” Hfdst. I, No. 3. Vergelijk ook voor No. 2 de „Loen Yü” fragmenten, onder Boek II („Kijk naar iemands daden” enz.).
3. De filosoof Tsĕng zeide: „Wat tien oogen zien, waar tien handen naar wijzen, moet in hooge majesteit worden gehouden.”
Wat de filosoof hier bedoelt is eene illustratie van No. 2. Het binnenste van den mensch, dat hij toch niet kan verbergen, en waar de wijzen en de geesten om hem heen in kunnen zien, en naar wijzen, moet in hooge eere worden gehouden en altijd vol majesteit zijn. Altijd moet hij er over waken.
4. Rijkdom siert een huis, de deugd siert een persoon (een karakter). Het hart is verruimd en het lichaam is in rust. Daarom maakt de Kiün Tszʼ stellig zijn bedoelingen en gedachten ernstig en oprecht.
NAWOORD.
Het bovenstaande zesde hoofdstuk van commentaar legt uit „het ernstig en oprecht maken der bedoelingen en gedachten.”
HOOFDSTUK VII.
1. Wat bedoeld wordt met: „Het verzorgen van het zelf (het karakter) bestaat uit het rechtmaken van het hart,” (beteekent het volgende:) Als iemand in woede is, zal hij het rechtzijn niet verkrijgen. Als iemand in vreeze is, zal hij het rechtzijn niet verkrijgen. Als iemand onder den invloed van liefde is, zal hij het rechtzijn niet verkrijgen. Als iemand onder den invloed van smart is, zal hij het rechtzijn niet verkrijgen.
Met recht bedoel ik hier meer ’t engelsche „right”, het absoluut rein en zuiver zijn als een rechte lijn, zonder afwijking of buigen, absoluut rechtvaardig, absoluut puur.
2. Als het hart er niet bij is kijken wij, en zien niets, luisteren wij en hooren niets, eten wij, en proeven den smaak niet.
3. Dit is de bedoeling van: „Het verzorgen van het zelf bestaat uit het rechtmaken van het hart.”
NAWOORD.
Het bovenstaande zevende hoofdstuk van commentaar legt uit het rechtmaken van het hart en verzorgen van het zelf.
HOOFDSTUK VIII.
1. Wat bedoeld wordt met: „Het regelen van de familie bestaat in het verzorgen van zijn karakter,” (beteekent het volgende:) Als menschen genegenheid en liefde voelen, zijn zij partijdig; als zij verachten en haten, zijn zij partijdig; als zij in vreeze en in eerbied zijn, zijn zij partijdig; als zij in droefheid en medelijden zijn, zijn zij partijdig; als zij hooghartig en onverschillig zijn, zijn zij partijdig. Zij, die liefhebben en (toch) het slechte (van wat zij liefhebben) kennen, en zij, die haten en (toch) het goede (van wat zij haten) kennen zijn weinigen onder den Hemel!
2. Daarom luidt een zegswijze: „Een mensch kent niet de slechtheid van zijn zoon, en kent niet de rijpheid van zijn groeiend graan.”
3. Dit wordt bedoeld met: „Als het zelf (karakter) niet wordt verzorgd, kan men er de familie niet mede regelen.”
NAWOORD.
Het bovenstaande achtste hoofdstuk van commentaar legt uit het verzorgen van het zelf en het regelen der familie.
HOOFDSTUK IX.
1. Wat bedoeld wordt met: „Om het rijk te regeeren moet men stellig eerst zijne familie regelen,” beteekent: „Als men zijne familie niet kan leeren, kan men (ook) andere menschen niet leeren. Daarom behoeft de (Vorst die een) Kiün Tszʼ is, niet buiten zijne familie te gaan om zijn leer voor den staat te volmaken. De Hiao, daarmede moet men zijn’ vorst dienen. De Ti (liefde en eerbied voor den ouderen broeder), daarmede moet men zijne superieuren dienen. De Tszʼ (compassie), daarmede moet men de menigte behandelen.
2. In de Kʼang Kao staat: „Als wakende over een kind”. Als het hart er ernstig en oprecht naar streeft, ofschoon het niet altijd het precies juiste zal doen, zal het er toch niet ver van af zijn. Er is nog geen (meisje) geweest, die (eerst) opvoeden leerde, om later te huwen.
Dit artikel wil uitdrukken, dat Hiao, Ti, en Tszʼ (Compassie), zie No. 1 hierboven, geen dingen zijn, die men met geweld expresselijk moet krijgen, maar dat zij ingeboren en natuurlijk zijn en in het menschelijk hart hun oorsprong hebben. De vorst moet over het volk waken als een moeder „wakende over haar kind.” Het kind kan niet spreken en zeggen wat het noodig heeft, maar als de moeder ernstig streeft naar zijn welzijn, zal zij wel niet altijd precies alles doen wat het noodig heeft, maar er toch ook niet ver van af zijn. Dit is de grootheid van een liefhebbend hart, dat het vanzelf doet wat voor het voorwerp dier liefde goed is. Zóó wordt een meisje niet vooraf geleerd, hoe een kind op te voeden, en toch weet zij het na haar huwelijk vanzelf. Zóó ook met den vorst. De Hiao, de Ti en de Tszʼ, waarmede hij het volk bewaken en regeeren moet, zijn eigen aan zijne natuur en in zijn hart geworteld.
3. Heeft ééne familie menschelijkheid, dan wordt de geheele staat menschelijk, heeft ééne familie wellevendheid, dan wordt de geheele staat wellevend. Is één mensch eerzuchtig en verdorven, dan wordt de geheele staat verward en oproerig. Zóó is het met (den invloed) der omstandigheden. Dit is waarom men zegt: „Eén woord kan een zaak bederven, één mensch kan het rijk vestigen (in goed of kwaad).”
Met die ééne familie wordt hier stellig de familie van den vorst, met dien éénen mensch de vorst zelf bedoeld. De vorst heeft den voorspoed of het verderf van den staat in zijne hand.
4. Yaou en Shoen leidden het keizerrijk met menschelijkheid, en het volk volgde hen. Kjeh en Cheu leidden het keizerrijk met geweld en het volk volgde hen. Wat zij bevalen (van wetten) was tegenovergesteld aan waar zij van hielden (van begeerten) en het volk volgde (hunne bevelen) niet. Daarom moet de (Vorst die een Kiün Tszʼ) is, alles (eerst) zelf hebben en dáárna van het volk verlangen dat het zelf (ook) heeft, en moet alles (eerst) zelf niet hebben en dáárna van het volk verlangen, dat het dit zelf óók niet heeft. Een mensch, die zichzelf wegcijfert en (alles) niet wederkeerig op zichzelf doet slaan, en (toch) het volk vermocht te leeren, heeft nog niet bestaan.
Kjeh was de laatste keizer der Hia dynastie, die door zijn wangedrag de dynastie ten val bracht (1818 v. C). Cheu, of Cheu Sin was de chineesche Nero, de laatste keizer der Yin dynastie, [58] die, door koning Wĕns zoon Woe, van den troon verjaagd, zichzelf met zijn paleis verbrandde (1122 v. C.).—De vorst, wordt in dit artikel bedoeld, moet alles wat hij als wet of leer uitvaardigt, allereerst op zichzelf doen slaan, en mag zichzelf daarin niet wegcijferen als daarbuiten staande. Want van hém gaat juist alles uit. Met het eerste „alles” wordt natuurlijk bedoeld „alle goede dingen” en niet het tweede „alle slechte dingen.”
5. Daarom, het regeeren van den staat bestaat in het regelen van zijne familie.
6. De Shi King zegt: Hoe teeder is die perzikboom! Hoe overvloedig is zijn gebladerte! Het meisje gaat naar het huis van haar echtgenoot! Zij zal haar familie (huishouden) behoorlijk regelen. Is de familie geregeld zooals het behoort, dan kan men de menschen van den staat leeren.
7. De Shi King zegt: „Zij dienen hun oudere broeders zooals het behoort, zij doen hun plicht tegenover hun jongere broeders zooals het behoort.” Dient (de Vorst) zijn oudere broeders en doet hij zijn plicht tegenover zijn jongere broeders zooals het behoort, dan kan hij later daarmede de menschen van den staat leeren.
8. De Shi King zegt: „Er is niets verkeerds in zijn houding.” Hij maakt het volk der staten alom recht.—Als (de Vorst) als vader, als kind, als oudere broeder, als jongere broeder geheel aan de wetten (van die kwaliteiten) voldoet, dan maakt later het volk daar hun wet van.
De laatste zin zou, minder getrouw aan den origineelen tekst, maar duidelijker uitgedrukt, ook kunnen vertaald worden: „Als (de vorst) als vader, als zoon, als oudere broeder, als jongere broeder in al die kwaliteiten volmaakt is, dan maakt het volk hem later tot hun voorbeeld.”
9. Dit is de bedoeling van „Het regeeren van den staat bestaat in het regelen van zijne familie.”
NAWOORD.
Het bovenstaande negende hoofdstuk van commentaar legt uit: „Het regelen van de familie en het regeeren van den staat.”
HOOFDSTUK X.
1. Wat men noemt: „Het keizerrijk tot vrede brengen bestaat uit het regeeren van zijn’ staat” beteekent: Als (de Vorst) den Ouden (den eerbied) geeft die den Ouden toekomt, dan zal het volk Hiao krijgen. Als (de Vorst) zijn’ superieuren geeft wat den superieuren toekomt, dan zal het volk Ti (broederliefde) hebben. Als (de Vorst) medelijdend weezen en hulpeloozen behandelt, zal het volk hetzelfde doen. Daarom, de Kiün Tszʼ heeft een principe van beperking, waarnaar hij zijn gedrag kan afmeten.
Ik heb mij (evenals Wells Williams in zijn dictionnaire deed onder „kieh”) een vrijheid veroorloofd met den tekst, ter verduidelijking. Letterlijk staat er, dat de Kiün Tszʼ een principe heeft in den vorm van een vierkant, waarmede hij kan meten. De bedoeling is: „een principe, waarnaar hij zich moet richten.” Onder „Ouden” is hier te verstaan ouders en ouden van dagen, onder superieuren oudere broeders en oude verwanten.
2. Wat men haat in zijn superieuren mag men niet doen aan zijn inferieuren; wat men haat in zijn inferieuren mag men niet gebruiken in ’t dienen van zijn superieuren. Wat men haat in diegenen, die voor ons zijn, daarmede mag men niet diegenen, die ná ons komen, voorgaan; wat men haat in diegenen, die ná ons komen, daarmede mag men niet volgen diegenen, die vóór ons zijn. Wat men haat, van rechts te ontvangen, mag men niet naar links uitdeelen; wat men haat, van links te ontvangen, mag men niet naar rechts uitdeelen. Dit is wat men noemt het principe van beperking, naar welk (de Vorst) zijn gedrag kan afmeten.
3. De Shi King zegt: „Hoe blij zijn wij met deze prinsen, de ouders van het volk.” Als (de Vorsten) liefhebben, wat het volk liefheeft, en haten, wat het volk haat, dan worden zij de ouders van het volk genoemd.
Ook dit, evenals No. 1 en 2, geeft dus aan, waaruit het principe van beperking bestaat.
4. De Shi King zegt: „Hoe verheven is die zuidelijke berg met zijn ruige rotsen! Hoe majestueus zijt gij, onze Meester Yin; het geheele volk ziet tegen u op!” Zij, die den staat regeeren, mogen niet zorgeloos zijn. Als zij afwijken (van het vaste principe) komen zij in het geheele rijk tot schande.
5. De Shi King zegt: „Toen de keizers der Yin dynastie nog niet (de liefde van) het volk hadden verloren, waren zij de gelijken van Shang Ti. Ziet in uw houding naar Yin als (afschrikwekkend) voorbeeld! Het groote Lot (van den Hemel) is niet gemakkelijk (te behouden). Hieruit blijkt als regel, dat als (de Vorst) de liefde der massa verkrijgt, hij ook den staat verkrijgt, en als hij de liefde der massa verliest, hij ook den staat verliest.
Shang Ti is een der alleroudste godheden der chineezen, van lang vóór Confucianisme, Boeddhisme, en Taoïsme, een suprême heerscher in den Hemel. Sommigen personifieeren hem met den Hemel. Dit werk, enkel een werk over Confucianisme zijnde, kan ik hier niet uitvoerig over Shang Ti uitweiden, waarvoor een geheel nieuw werk zou noodig zijn. De protestantsche zendelingen hebben de onvoorzichtigheid begaan, ons God in Shang Ti te vertalen, wat tot groote verwarring aanleiding geeft.
Met „ming”, door mij vertaald het Lot, en dat ook het Noodlot kan beteekenen, wordt hier bedoeld „Het goede Lot, door den Hemel tot geluk aan het rijk beschoren.” Omtrent het uiteinde van den laatsten keizer der Yin dynastie zie men No. 4. (Bespreking.)
Ik wil deze gelegenheid gebruiken om dus nog even te resumeeren, wat wordt bedoeld met het principe van beperking, waarnaar de vorst zijn gedrag moet afmeten. Ten eerste dus, hij moet zijne ouders en de ouden van dagen, en ook zijne superieuren den gepasten eerbied betuigen, ten tweede moet hij niet doen aan inferieuren wat hij haat in inferieuren en omgekeerd, enz. (zie No. 2), ten derde moet hij liefhebben en haten wat het volk liefheeft en haat, dus met het volk één hart hebben, ten vierde moet hij er om denken, dat hij altijd door te zorgen heeft voor zijn eigen gedrag, niet enkel voor dat van het volk, ten vijfde moet hij begrijpen, dat met de liefde van zijn volk het rijk voor hem staat of valt.
6. Daarom zal de Vorst allereerst zorg dragen voor (eigen) deugd. Als hij de deugd heeft, heeft hij (ook) de (liefde der) menschen. Als hij de (liefde der) menschen heeft, heeft hij (ook) het grondgebied. Als hij het grondgebied heeft, heeft hij (ook) bezittingen. Heeft hij bezittingen, dan heeft hij (ook) middelen voor zijne uitgaven.
7. De deugd is de Oorsprong. De bezittingen zijn het einde (het gevolg).
Hier heeft men de toepassing van den Hoofdtekst No. 3.
8. De Vorst, die den Oorsprong bijzaak maakt, en het einde hoofdzaak, zal met het volk in strijd komen, en maken dat overal roof gebeurt.
9. Daarom, als de bezittingen zich verzamelen (bij den Vorst), dan zal het volk zich verspreiden; als de bezittingen zich verspreiden, dan zal het volk zich verzamelen.
10. Daarom, als de woorden (van den Vorst) uitgaan tegen recht in, dan zullen zij ook tegen recht in weer tot hem inkomen. Als de bezittingen (van den Vorst) tegen recht in bij hem inkomen, dan zullen zij ook tegen recht in (weer) van hem uitgaan.
11. De Kʼang Kao zegt: „Waarlijk, het Lot kan niet altijddurend (blijven)”, dat wil zeggen, goedheid verkrijgt het, slechtheid verliest het.
„Lot” hier weer als Besluit des Hemels omtrent het heil des lands, welks besluit door goedheid voor zich gewonnen, door slechtheid voor zich verloren gaat.
12. In het Boek van Tsʼoe staat: „De staat van Tsʼoe beschouwt dit niet als een kostbaarheid. Het beschouwt alleen het Goede als een kostbaarheid.”
Toen een afgezant van Tsʼoe in den staat Tsin was, vroeg een Tsinsch mandarijn hem, wat de kostbare gordel waard was, dien hij droeg, en de afgezant uit Tsʼoe antwoordde met deze beroemd geworden woorden. Dit No. evenals het volgende illustreert het gezegde in No. 7. „Deugd is de Oorsprong, bezitting is het einde (het gevolg).
13. Faan, (hertog Wĕn’s) oom, zeide: „Deze waardelooze mensch beschouwt dat niet als een kostbaarheid; hij beschouwt liefde voor zijne ouders als een kostbaarheid.”
Met dit „dát” wordt bedoeld „het verkrijgen van den staat.” Faan was een neef van hertog Chow Wĕn Koung van Tsʼin, die uit zijn rijk was verjaagd. Toen er sprake van was, om dat rijk weer te heroveren, gaf Faan deze woorden vermanend aan zijn’ oom ten beste, zichzelf nederig „waardeloos mensch” noemend.
14. In de Tsʼin Shiʼ. staat: „Als ik kon hebben één minister, die puur en oprecht was, zonder (pretentie op) andere talenten, sober en sereen, en als hebbende verdraagzaamheid; als anderen talenten hebben, dat het voor hem was, alsof hij ze zélf had; die als hij uitstekende en welopgevoede menschen (ontmoet), van hen meer houdt in zijn hart dan zijn mond het uitspreekt, en hen kan verdragen; zúlk een minister zou mijn kinderen en kleinkinderen kunnen behoeden en het zwartharige volk, en bovendien van voordeel zijn voor het rijk. Maar (als de minister er een is die), als hij (andere) menschen van talent ziet, jaloersch op hen is, en hen haat, en als hij uitstekende en welopgevoede menschen (ontmoet) zich tegen hen keert en niet toelaat, dat zij bevorderd worden, en hen dus wezenlijk niet kan verdragen; zulk een minister zou mijne kinderen en kleinkinderen en het zwartharige volk niet kunnen behoeden, en ook gevaarlijk (voor den staat) worden genoemd.
De Tsʼin Shiʼ of Declaratie van Tsʼin is het laatste boek van de Shoe King. Ik zie hierin de bedoeling, dat een minister, die een simpel en oprecht mensch was vóór alles, al had hij niet allerlei bizondere, uitstekende talenten, de man was, waaraan men behoefte had. Iemand zonder jaloerschheid, die het verheugd kon aanzien als er bizonder talentvolle mannen in het rijk waren. „Het zwartharige volk” is een veel voorkomende uitdrukking voor „het chineesche volk.” Het volgende No. gaat hierop door.