De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius)
Part 8
9. De Hemel van nu (boven ons) is maar wat schittering; maar in al Zijn eindeloosheid beschouwd, zijn zon, maan, sterren en sterrenbeelden er in opgehangen, en overdekt Hij alle dingen. De Aarde van nu (vóór ons) is slechts een handvol aarde, maar in al Hare uitgebreidheid en dikte beschouwd, steunt Zij bergen als de Hwa Yoh, zonder hun zwaarte te voelen, beweegt rivieren en zeeën, zonder te lekken, en bevat tienduizend (alle) dingen. De berg nu (vóór ons) is slechts een stuk steen; maar in al de uitgestrektheid van zijn grootte beschouwd, brengt hij gras en boomen voort, vogels en beesten wonen er op, en kostbaarheden zijn er in verborgen. Het water nu (vóór ons) is slechts een lepel vol, maar in zijn onpeilbare diepten worden er de grootste schildpadden, krokodillen, draken, visschen en zeeschildpadden in voortgebracht, en bevat het koopwaren en dingen van waarde in overvloed.
Het verband tusschen dit nummer en de vorige is niet heel direct. Het komt mij voor, een symbool te geven van de tallooze dingen, die door de „Chʼing” van Hemel en Aarde worden voortgebracht, de immense verscheidenheid, geproduceerd door het Ééne. Maar dan zou hier die zuiver stoffelijke werking als symbool moeten dienen ook voor de spiritueele, en het is lang niet met zekerheid te bepalen, of Tszʼ Szʼ dit wel bedoelde.
10. De Shi King zegt: „Hoe majestueus en eindeloos zijn de beschikkingen des Hemels!” De bedoeling is, dat dáárom (juist) de Hemel de Hemel is. (En ook zegt de Shi King:) „O! hoe doorluchtig was de puurheid van koning Wĕn’s deugd!” De bedoeling is, dat dáárom (juist) koning Wĕn Wĕn was. Puurheid is eveneens zonder ophouden (eindeloos).
Men ziet hier, hoe opzettelijk een der oude Wijzen, koning Wĕn van Chow, met den Hemel vergeleken wordt. Hier komt in den tekst een karakter „shoen” voor, dat eigenlijk beteekent „rein, puur als witte zijde.” Met die „puurheid” is vanzelf ook bedoeld „volmaaktheid” van de Sing, den éénen, reinen staat van oorsprong der Sing.
HOOFDSTUK XXVII.
1. Hoe groot is de Tao van den Wijze!
2. Eindeloos als een oceaan (zijnde) doet het [53] alle dingen ópkomen en voedt het hen, en het rijst óp tot de opperste hoogte van den Hemel!
3. Volmaakt is zijn grootheid. Het omvat de driehonderd regels van de Lí en de drieduizend regels van gedrag.
4. Het wacht op den (rechten) mensch, en daarna wordt het begaan.
5. Daarom zegt men: „Als het niet door de opperste deugd is, kan de opperste Tao niet verwezenlijkt worden.”
6. Daarom eert de Kiün Tszʼ zijn deugd en zijn Sing, en zal hij steeds onderzoek doen en studeeren, totdat hij het in al zijn uitgebreidheid en grootheid kent, van het grofste tot het fijnste, het doende oprijzen tot die hoogte en die helderheid, totdat hij in „Choeng Yoeng” gaat. Hij oefent (door herhaling) het oude, en (maakt dat hij) het nieuwe weet. Hij betracht een (absoluten) ernst om de Lí hoog te houden.
Men lette er op, hoe in No 2 het begrip van Tao nog mystiek is, en in No 3 weer terugkeert tot de gewone dingen en verrichtingen der menschen, als b. v. de Lí. Ook blijkt hier weer uit, welke diviene waarde aan de Lí wordt gehecht, daar zij onafscheidelijk van Tao is.
7. Daarom, in een hooge positie is de Kiün Tszʼ niet trotsch, en in een lage positie niet oneerbiedig. Als het rijk wordt geregeerd volgens recht zullen zijn woorden voldoende zijn om hem hoog te doen rijzen; als het rijk wordt geregeerd niet volgens recht zal zijn stilzwijgen voldoende zijn het hem te doen verdragen. De Shi King zingt: „Verstandig is hij en schrander, en zoo behoedt hij zijn persoon.” Is dit niet zoo?
HOOFDSTUK XXVIII.
1. De Meester zeide: „Een domme, die gaarne zijn eigen zin volgt; iemand van inferieuren rang, die zichzelf gaarne bestuurt; iemand van tegenwoordig, die strijdig doet aan de wegen der Ouden; over dezulken, die aldus doen, zullen stellig rampen komen.”
In dit hoofdstuk daalt Tszʼ Szʼ weder neer uit zijn mystische bespiegelingen, om weer eenvoudig de woorden van Confucius aan te halen.
2. Alleen de Keizer mag de Lí regelen, de afmetingen vaststellen, en de karakters bepalen.
3. Tegenwoordig hebben over het geheele rijk de wagens dezelfde wielen, het schrift dezelfde karakters, het gedrag dezelfde regels.
4. Men moge (al) den (vorstelijken) rang bezitten, als men de deugd (daartoe behoorende) niet heeft, mag men het niet wagen, Lí of Muziek te maken. Men moge al de deugd bezitten, als men den vorstelijken rang niet (daarbij) heeft, mag men het niet wagen, Lí of Muziek te maken.
5. De Meester zeide: „Ik vertel van de Lí der Hia dynastie, maar Kie kan daar niet genoeg getuigenis van geven. Ik heb de Lí van de Yin dynastie geleerd, die in Soeng overgebleven is. Ik heb de Lí van Chow geleerd, die nu in gebruik is, en ik volg Chow.”
Legge merkt hier zeer juist bij aan, dat uit dit hoofdstuk blijkt, hoe drie dingen noodig zijn om de wet aan het keizerrijk te geven: „de deugd, de rang, en de geschikte tijd.” In No 2 wordt met de Lí bedoeld: „de ceremoniën in godsdienstige bijeenkomsten en in gezelschap”, met afmetingen: „de voorschriften omtrent het bouwen van huizen, den vorm van wagens, van kleederen” enz. enz. Bij No 5 zij aangeteekend, dat Kie een klein staatje was, waar de Hia’sche ceremoniën nog in gebruik waren. Zoowel in Kie als in Soeng waren de schoone kunsten en beschaafde vormen en gebruiken niet meer geëerd, en voor een groot deel verloren gegaan, en er leefden geen wijze mannen, zoodat Confucius niemand had kunnen vinden om voldoende voor de waarheid zijner beschrijving van de ceremoniën der oude Hia dynastie te kunnen getuigen. Daarom gebruikte hij gewillig de nieuwere Lí van Chow.
HOOFDSTUK XXIX.
1. Hij, die tot het opperheerschap over het rijk komt, en deze drie gewichtige dingen heeft, zal weinig fouten maken.
De chineesche geleerden zijn het niet eens, wat met „deze drie gewichtige dingen” wordt bedoeld. Ik meen dat Legge, (die deze uitlegging overnam van den commentator Loeh, uit de Thʼang dynastie) de juiste verklaring geeft als te zijn „de deugd, de rang en de geschikte tijd.”
2. De Lí van vroegere tijden, ofschoon (nóg zoo) goed, kan niet door getuigenis bevestigd worden. Niet bevestigd, wordt er niet in geloofd, en niet geloofd, volgt het volk haar niet. De Lí van iemand van lageren rang, ofschoon (nóg zoo) goed, wordt niet geëerbiedigd (door dien lagen rang). Niet geëerbiedigd, wordt er niet in geloofd, en niet geloofd, volgt het volk haar niet.
3. Daarom, de instellingen en wetten van den (Vorst die een) Kiün Tszʼ (is), hebben hun Oorsprong in zijn eigen karakter, en de bevestiging er van gebeurt door de groote massa van het volk. Hij toetst ze aan die der drie Koningen, en bevindt (dan) dat ze vlekkeloos zijn. Hij stelt ze op voor (het gezicht van) Hemel en Aarde, en vindt er (dan) niets in tegen de natuur. Hij houdt ze den geesten voor, zonder er aan te twijfelen. Hij (is voorbereid te wachten) honderd eeuwen daarna tot (de oprijzing van) een Wijze, en weet dat er geen dwalingen in zijn.
4. Dat hij ze den geesten voorhoudt, zonder er aan te twijfelen, bewijst, dat hij den Hemel kent. Dat hij (voorbereid is te) wachten, honderd eeuwen daarna, tot de oprijzing van een Wijze, en weet dat er geen dwalingen in zijn, bewijst, dat hij de menschen kent.
Dit is een der hoofdideeën van Confucius, dat de regeering van den vorst haar Oorsprong heeft in zijn eigen karakter. De Sing van den Vorst de oorsprong van de geheele regeering. Is die rein, dan zullen zijne wetten niets bevatten wat strijdig is tegen den Hemel. De drie bedoelde koningen zijn Yü, Thʼang en Wĕn (met Woe).
5. Dit aldus zijnde, zijn de bewegingen van den Vorst van invloed op het geheele rijk, voor eeuwen. Zijn daden zijn wet voor het geheele rijk, voor eeuwen. Zijn woorden zijn regel voor het geheele rijk, voor eeuwen. Die ver van hem zijn, zien bewonderend naar hem op, die dicht bij hem zijn, zijn hem nooit moede.
6. De Shi King zegt: „Hier niet gehaat, dáár niet benijd, zal men zijn lof dag en nacht roemen.” Er is nog nooit een Vorst geweest, die niet hieraan beantwoordde, en vroeg door het geheele rijk beroemd was.
HOOFDSTUK XXX.
1. Choeng Ni (Confucius) leverde de leer van Yaou en Shoen over, als waren zij zijne voorvaderen, en handhaafde de wetten van Wĕn en Woe als zijn model. Hij harmonieerde met de tijden des Hemels bóven, en was aangepast aan de (natuur) van het water en het land beneden.
„De tijden des Hemels” is „de onophoudelijke, regelmatige beweging van den Hemel”, en „het water en het land” hier in tegenstelling met den Hemel, is gebruikt, omdat die massief en onbewegelijk zijn. Aldus Choe Hie, en op diens gezag Legge. Heel helder is het voor europeesch begrip niet.
2. Hij was als de Hemel en de Aarde in hun steunen en omvatten, hun overschaduwen en overhuiven van alle dingen. Hij was als de vier seizoenen, in hun afwisselenden gang, als de zon en de maan, in hun successievelijk schijnen.
De hoogste verglorieïng van den Wijze, hier Confucius, is dus het gelijk zijn in wezen en actie aan de natuur, daar deze dan ook precies in Tao is.
3. Alle dingen worden te zamen gevoed, zonder elkaar te kwetsen. De Tao van alle dingen gaat denzelfden weg, zonder botsing onderling. De kleinere deugden zijn als stroomen van een rivier, de grootere zijn machtig transformeerend. Dit is (juist) wat Hemel en Aarde zoo groot maakt.
Werd dus de Sing maar rein bewaard, zoodat alles in Tao ging, dan zou alles naast elkaar vredig kunnen bestaan, zonder kwetsing en botsing onderling. Als men diep doordenkt, zal men zien dat Tao, het precies volgen van de Sing, de hemelsche natuur, ook zeer gerust zou kunnen genoemd worden „De natuurlijke gang der dingen”! In het begin is het volgen van Tao eenvoudig als het stroomen van rivierstroompjes, later wordt het een hooger leven van machtige transformaties. (Zie ook Hfdst. XXII en XXIII.)
HOOFDSTUK XXXI.
1. Alleen hij, die de opperste wijsheid heeft onder den Hemel, kan voldoende vlug van bevatting, helder van doorzicht, van vér-reikende intelligentie, àlomvattend van kennis zijn, om de regeering uit te oefenen; voldoende grootmoedig, edelaardig, vriendelijk en zacht om verdraagzaam te zijn; voldoende impulsief, krachtig, ferm en resoluut om zich te handhaven; genoeg zelfbeheersching hebben, ernstig zijn, in „Choeng” blijven en correct zijn, om reverentie af te dwingen; genoeg algemeen ontwikkeld zijn, oordeel hebben, doordringen in (het wezen der) dingen, om te kunnen onderscheiden (wat recht en onrecht, goed en slecht is).
2. Alles-omvattend en oneindig groot is hij, en diep als een springbron, en zendt zijne deugden voort in de juiste seizoenen.
3. Alles-omvattend en oneindig groot is hij, als de Hemel. Onpeilbaar als een springbron, is hij als een afgrond. Hij wordt gezien, en het geheele volk vereert hem; hij spreekt, en het geheele volk gelooft hem; hij handelt, en het geheele volk verblijdt in hem.
Zou daarom een bron en een afgrond als symbool zijn genomen als vergelijking met de Sing?
„Hij wordt gezien” als hij zich in staatsiegewaad en muts vertoont, „hij spreekt” als hij zijne wetten, bepalingen, bevelen enz. uitvaardigt, „hij handelt” in de ceremoniën, de muziek, de bestraffingen, en regeeringsdaden. (Legge.)
4. Daarom, zijn roem overvloeit het geheele Rijk van het Midden, en strekt zich uit tot alle barbaarsche stammen. Wáár schepen en wagenen komen, wáár de menschelijke kracht doordringt, wáár de Hemel overwelft en de Aarde draagt, wáár zon en maan schijnen, wáár rijp en dauw vallen, eerbiedigen hem allen, die bloed en levensprincipe hebben, en volgen allen hem na. Daarom zegt men „Hij is de gelijke van den Hemel.”
HOOFDSTUK XXXII.
1. Alleen hij, die de opperste „Chʼing” heeft onder den Hemel, kan de hoogste, natuurlijke betrekkingen der menschen onder den Hemel regelen, kan de groote, oorspronkelijke deugden van den Hemel grondvesten, kan de transformeerende en voedende acties van den Hemel weten. Hoe zou hij iets buiten zich zelf kunnen hebben, om op te steunen?
Hieruit blijkt alweer duidelijk, dat de Vorst in zich zelf alles moet hebben, wat voor een goede regeering noodig is. Onder die „betrekkingen” wordt hier voornamelijk verstaan de te voren in dit werk reeds besproken „vijf Loen”.
2. Ontwijfelbaar is zijn menschelijkheid! Onpeilbaar is hij, als een afgrond! Hoe eindeloos, als de Hemel!
3. Niemand kan hem kennen dan hij, die werkelijk vlug is van bevatting, helder van doorzicht, wijs en allesomvattend (van verstand), en die de deugden van den Hemel heeft.
„Alleen de Wijze kan den Wijze kennen,” merkt de commentator Ching Su hierbij op.
HOOFDSTUK XXXIII.
1. De Shi King zegt: „Om haar beborduurden pels doet zij een eenvoudig kleed aan,” om aan te duiden een afkeer van vertoon van het mooie. Daarom is het de Tao van den Kiün Tszʼ om (zijn deugd) te verbergen, die dan met den dag (juist) mooier uitkomt; de Tao van den kleinen mensch is vertoon, en hij wordt met den dag minder. De Tao van den Kiün Tszʼ (gelijkt) smakeloos, maar men wordt hem nooit moede; hij lijkt kortaf, maar is volkomen beschaafd; hij is eenvoudig, maar volgens de rede. Hij weet dat wat veraf is geworteld is in ’t nabijë. Hij weet van waar de wind komt. Hij weet het (groot-) gemanifesteerde van het (schijnbaar) kleine. Hiermede zal hij de deugd kunnen binnentreden, naar ik meen.
2. De Shi King zegt: „Ofschoon de visch zinkt en ligt op den bodem, wordt zij toch duidelijk gezien.” Daarom onderzoekt de Kiün Tszʼ zijn binnenste, opdat er daar niets verkeerds zij, en hij niets hatelijks zie in zijne neigingen. Dit is het onbereikbare (voor ons) in den Kiün Tszʼ: „dat, wat andere menschen niet kunnen zien.”
3. De Shi King zegt: „Weest vrij van (dingen van) schaamte in uw kamer, waar licht doorkomt. Daarom, (zelfs) al beweegt hij niet, is de Kiün Tszʼ (toch) in reverentie, al spreekt hij niet, is hij (toch) vol oprechtheid.”
Vergelijk voor No 2 hierboven Hfdst. I. No 3. De bedoeling van No 3 is, dat de Kiün Tszʼ vooral in het private leven, al is hij alleen in zijn kamer, waar het licht (van den Hemel) hem toch altijd ziet, het gevoel van reverentie moet hebben, en volkomen oprechtheid.
4. De Shi King zegt: „In eerbiedige stilte wordt geofferd, en wordt (den geest) genaderd; er is geen oogenblikje wanklank (strijd).”
Daarom, de Kiün Tszʼ geeft geen belooningen en (toch) is het volk (tot de deugd) vermaand. Hij toont geen toorn, en het volk vreest voor hem als voor bijlen en strijdaksten.
5. De Shi King zegt: „Wat geen vertoon behoeft, is de deugd.” Alle vorsten maken er hun voorbeeld van. Daarom, als de Kiün Tszʼ (die Vorst is) ernstig en reverent is, is er rust en vrede over het geheele rijk.
6. De Shi King zegt: „Ik zie met blijdschap uw heldere deugd, die geen vertoon maakt met klanken en kleuren.” De Meester zeide: „Klanken en kleuren zijn maar kleinigheden voor de hervorming van het volk.” De Shi King zegt (ook): „De deugd is licht als een haar.” Maar haren zijn nog te vergelijken met elkaar (naar de grootte). De verrichtingen van den Hemel hebben geen geluid en geen reuk. Dít is de opperste deugd.
BESLUIT.
Het bovenstaande is het drie en dertigste hoofdstuk. Tszʼ Szʼ, na zijne beschrijvingen tot het opperste gebracht te hebben in de vorige hoofdstukken, keert in dit hoofdstuk weer terug en beschouwt (het punt van) oorsprong (van zijn onderwerp); dan weer, van het lagere werk (van de studie) af, vrij van alle egoïsme, en wakende over zijn eenzaamheid, zet hij zijne woorden (zijn rede) voort, tot het (verkrijgen van) den strengen ernst en de reverentie, waarmede het geheele rijk tot de volmaking van rust en vrede komt. Hij roemt verder de mystiek er van, tot hij er op het laatst (van spreekt) als (te zijn) zonder geluid of reuk. Hierna neemt hij den totalen (inhoud) van het geheele Werk, en behandelt dat in het kort. In dit telkens herhalen, terechtwijzen en onderrichten van de menschen was zijne bedoeling allerdiepst en ernstig. Zal hij, die dit studeert, niet zijn uiterste best moeten doen?
TA HIŎH.
INLEIDING.
Mijn Meester, de filosoof Chʼing zegt: „De Ta Hiŏh is een nagelaten boek van Confucius, en is de poort der deugd van de eerste leerlingen. [54] Het is enkel te danken aan de bewaring van dit werk, dat wij nu de orde kunnen zien in welke de Ouden studeerden; de Loen (Yü) en Mencius komen hierná. Leerlingen moeten van hieruit hunne studie beginnen, en dan is het te verwezenlijken, dat zij geen dwalingen maken.
DE TEKST VAN CONFUCIUS.
1. De Leer van Ta Hiŏh is: de schitterende deugd helder te maken, het volk te hernieuwen, en te rusten in het opperste Goede.
Met „de schitterende deugd” wordt bedoeld, datgene, die deugdelijke natuur, die de mensch oorspronkelijk van den Hemel heeft verkregen. (Vergelijk „Choeng Yoeng”). Door de slechte lusten en begeerten van den mensch wordt die schitterende deugd dikwijls verduisterd. De wijze mensch, die zijn eigen oorspronkelijke schitterende deugd helder maakt en houdt, maakt ook door zijn Leer, zijne wijze lessen, en zijn voorbeeld, de deugd van andere menschen weer helder, weer nieuw. Nieuw is hier te verstaan in den zin van „rein, na verduisterd te zijn, dus weer helder, weer nieuw geworden.” Steeds zal het volk zijn oorspronkelijke deugd door lust en begeerte weer verduisterd zien, maar door de Leer van de wijzen wordt zij vernieuwd, herreind.
Met het „rusten in het opperste Goede” wordt bedoeld èn te blijven volgen het uitmuntendste gedrag, èn het opvoeren van de twee hierboven bedoelde zaken (n.l. het verhelderen van zichzelven en hernieuwen van ’t volk) tot den hoogsten graad van volkomenheid. Deze drie dingen worden genoemd „de drie hoofden” van de Ta Hiŏh.
2. Weet men, wáár te moeten rusten (in het opperste Goede) dan is (het doel van ons levensstreven) vastgesteld. Is dit eenmaal vastgesteld, dan kan er kalmte zijn. Is er kalmte, dan kan er (stabiele) rust zijn. Is er (stabiele) rust dan kan er (ernstige) meditatie zijn. Is er (ernstige) meditatie, dan zal (het einddoel) worden verkregen.
Het hoofdidee van dezen tekst is dus: „uit het weten wáár te moeten rusten in het opperste Goede volgt ook het verkrijgen van die rust in het opperste Goede.”
Weet men het eenmaal, dan is het levensdoel vastgesteld, en is men dus zeker van het feit, dat het leven niet nutteloos is, maar naar een hoog doel leidt. Dit zal den mensch kalmte geven, d. w. z. dat de gedachten op het innerlijk leven zullen gericht zijn en niet langer naar dingen van buiten, naar dingen van begeerte. Is die kalmte verkregen, dan is er ook rust, dus geen weifeling en verwarring; is die rust in ons, dan is het ook mogelijk, zuiver na te denken zonder afdwaling; en in die zuivere, reine overpeinzing wordt gevonden de rust in, het blijven in het opperste Goede.
3. Dingen hebben een oorsprong en een einde. Zaken hebben een einde en een begin. Weten wát eerst en wát laatst is, is dicht bij Tao zijn. [55]
Het helder maken van de deugd is de oorsprong, het hernieuwen van het volk is het einde. Te weten wáár te rusten in het opperste Goede is het begin, het verkrijgen daarvan is het einde.
4. De ouden, die de schitterende deugd door het geheele keizerrijk wilden heldermaken, regeerden eerst hun rijk (goed).
Wilden zij hun rijk regeeren, dan regelden zij eerst hunne families. Wilden zij hunne families regelen, dan verzorgden zij eerst zichzelven (hun eigen karakter). Wilden zij zichzelf (hun eigen karakter) verzorgen, dan maakten zij eerst hunne bedoelingen en gedachten ernstig en oprecht; wilden zij hunne bedoelingen en gedachten ernstig en oprecht maken, dan voerden zij hun kennis tot het allerhoogste op. De kennis tot het hoogste opvoeren bestaat in het doorgronden van de dingen.
Deze acht dingen heeten „De acht détails.”
Voor „bedoelingen en gedachten” staat in den tekst één woord, „i”; voor ernstig en oprecht ook één, „Chʼing”. Ik vreesde met één enkel begrip te weinig van de ware beteekenis te geven. Het laatste „het doorgronden der dingen”, dat ik meen te kunnen doen equivaleeren met „het doorgronden van het ware Wezen van alle dingen en verschijningen” lijkt mij toe, eene geheele, mystieke filosofie apart te wezen. Dit sluit zich aan met de mystiek van de „Choeng Yoeng” waarin de Wijze één met Hemel en Aarde wordt genoemd en zelfs verondersteld met dezen in hare operaties en acties samen te werken.
Evenals in de „Choeng Yoeng” zien we dus hier het regeeren van een staat en transformeeren van het volk slechts als een uitvloeisel van en onvermijdelijk verbonden aan de cultivatie van het Zelf.
5. Werden de dingen doorgrond, dan werd de kennis tot het hoogste opgevoerd. Werd de kennis tot het hoogste opgevoerd, dan werden de bedoelingen en gedachten oprecht en ernstig. Werden de bedoelingen en gedachten oprecht en ernstig dan werden de menschen zelven (hun karakter) verzorgd. Werd hun karakter verzorgd, dan werden hunne families geregeld. Werden de families geregeld, dan werden de staten (goed) geregeerd. Werden de staten (goed) geregeerd, dan was er vrede en rust over het geheele rijk.
6. Van den Keizer af tot de massa van het volk toe moeten allen het verzorgen van zichzelf (zijn eigen karakter) als de Oorsprong (van al het andere) beschouwen.
7. Wordt de Oorsprong verward, dan kan er niets wat daaruit voortkomt tot goede orde worden gebracht. Het is nog nooit gebeurd, dat wat van groot gewicht was, licht werd geacht en tegelijkertijd dat wat van geen belang was, van groot gewicht werd geacht.
NAWOORD (VAN CHOE HIE).
Het voorgaande hoofdstuk bestaat uit de woorden van Confucius, overgeleverd door den filosoof Tsĕng. De volgende tien hoofdstukken, die het verduidelijken, zijn de opvatting van Tsĕng, zooals die neergeschreven is door zijne discipelen. In oude exemplaren van dit werk zijn nogal eens de tabletten verward. [56] (en is dus verwarring in de hoofdstukken. Vert.) Nu heb ik, volgens wat de filosoof Chʼing heeft vastgesteld, en na nog eens den klassieken tekst te hebben bestudeerd, het werk als volgt gerangschikt:
Evenals bij „Choeng Yoeng” zien wij ook hier weder, dat het eerste hoofdstuk eigenlijk reeds de geheele Leer in essentieelen vorm is. Eene geheele filosofie in 204 chineesche karakters! De volgende hoofdstukken, niet ééne aaneengeschakelde logica vormende, zijn slechts fragmenten en toespelingen ter verduidelijking.
COMMENTAAR VAN DEN FILOSOOF TSĔNG.
HOOFDSTUK I.
1. In de Kʼang Kao wordt gezegd: „Hij kon zijn deugd helder maken.”
2. In de Tʼai Kiă wordt gezegd: „Hij beschouwde en bestudeerde de heldere decreten van den Hemel.”
3. In de Canon van keizer Yaou wordt gezegd: „Hij kon zijne verheven deugd helder maken.”
4. Al deze (artikelen) loopen over het heldermaken van zichzelf.
NAWOORD.
Dit boven geschreven hoofdstuk van commentaar legt de heldermaking uit der schitterende deugd.
Ik ben het niet met de verklaring in dit Nawoord eens. In stede van eene uitlegging hebben wij hier enkel een aanhaling van een paar oude teksten, die men zou kunnen toepassen op het vorige hoofdstuk van Confucius. De Kʼang Kao of „Aankondiging” aan Kʼang is. een boek uit de Chow dynastie. De aangehaalde woorden werden door koning Woe gesproken over zijn’ vader Wĕn en gericht tegen zijn broeder Foeng. De Tʼai Kia is een boek uit de Shang dynastie, en in de aangehaalde woorden is de „hij” de beroemde koning Thʼang. De „hij” in No 3 is keizer Yaou zelf. Veel van een commentaar, d. i. eene uitlegging, heeft dit hoofdstuk nu juist niet.
HOOFDSTUK II.