De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius)
Part 7
8. De Wegen, te begaan door allen onder den Hemel (zijn) vijf; de (deugden), waarmede ze begaan worden, (zijn) drie. (Het betrachten van de plichten tusschen) Vorst en minister, vader en zoon, man en vrouw, ouderen broeder en jongeren broeder en die (van den) omgang van vrienden, dit zijn de vijf wegen, door allen onder den Hemel te begaan. Kennis, menschelijkheid [51] en energie, dit zijn de drie deugden van allen onder den Hemel. Dat, waardoor ze worden toegepast, is éénheid.
Men herinnere, dat aan dit „menschelijkheid” eigen is, het gehéél zonder egoïsme zijn. Wat dat eene is, zal nader uit dit werk blijken, waar over „Chʼing” wordt gesproken. Wij zouden den eersten zin ook vrijer kunnen vertalen door „De universeele plichten zijn vijf (in getal) enz.” In No. 3 heb ik met de vertaling: „met de ware menschen” niet letterlijk vertaald, omdat ik in twijfel was. Ik heb daarom de door anderen o. a. Legge genomen versie genomen, die vrij en niet letterlijk is vertaald.
9. Sommigen worden met de kennis (dier plichten en deugden) geboren; sommigen leeren haar later; sommigen kennen haar (eerst) na een smartelijk besef van hun onwetendheid. Maar als ze haar (eenmaal) weten is het ’t zelfde. Sommigen betrachten haar gemakkelijk (uit den aard hunner natuur); sommigen om het voordeel (van het goede, er mede te doen); sommigen door krachtdadige pogingen. Maar als het (werk eenmaal) volmaakt is, is het (resultaat) ’t zelfde.”
Hierin wordt No. 8 nader toegelicht. Men lette hier op het verband tusschen de kennis—correspondeerende met het met die kennis geboren worden en het (uit den aard der natuur) gemakkelijk betrachten—de menschelijkheid, correspondeerende met het voordeel (van het goede, er mede te doen)—en de energie—correspondeerende met het krachtdadig pogen. Het resultaat is één. Het volgende nummer gaat hierop logisch door:
10. De Meester zeide: „Houden van de studie is dicht bij kennis zijn. Krachtdadig beoefenen is dicht bij menschelijkheid zijn. Schaamte kennen is dicht bij energie zijn.
11. Wie deze drie kent weet hoe hij zijn karakter heeft te verzorgen. Wie weet, hoe zijn karakter te verzorgen, weet hoe hij (andere) menschen kan regeeren. Wie weet, hoe (andere) menschen te regeeren, weet hoe de staten en families van het geheele rijk te regeeren.
12. Allen, die het rijk regeeren, hebben (zich te houden aan) negen fondamentale regels; „de verzorging van het (eigen) karakter, het eeren van de eerwaardigen, liefhebben (en nabijkomen) van bloedverwanten, eerbied hebben voor hooge ambtenaren, beleefde welwillendheid tegenover alle andere ambtenaren, het geheele volk beschouwen als kinderen, het aanmoedigen van de verschillende ambachten, (vriendelijk en) zacht zijn tegen verafwonenden, liefderijk zijn tegen de vorsten der (onderhoorige) staten.”
13. Verzorgt (de opperheer, de regeerder) het eigen karakter, dan zijn de universeele plichten gegrondvest. Eert hij de eerwaardigen, dan wordt vergissing (in ’t beoordeelen en benoemen) voorkomen. Heeft hij zijne bloedverwanten lief, dan is er geen onaangenaamheid tusschen zijne ooms en broeders over en weer. Eerbiedigt hij de hooge ambtenaren, dan is er geen verwarring. Is hij beleefd en welwillend tegenover alle (andere) ambtenaren, dan beantwoorden zij dit met dankbaarheid. Beschouwt hij het geheele volk als kinderen, dan zal het zich onderling vermanen (tot het goede). Moedigt hij de ambachten aan, dan heeft hij nut van zijne uitgaven. Is hij (vriendelijk en) zacht tegen verafwonenden, dan komen zij van alle vier windstreken (in zijn rijk). Is hij liefderijk tegen de vorsten der staten, dan wordt hij vereerd in het geheele rijk.
14. Zelfbeheersching en helder doorzicht, het verzorgen van zijn kleeding, en geen beweging maken, die niet gepast aan de Lí is,—dat is de manier (voor den Regeerder) om zijn eigen karakter te verzorgen. Laster van zich afstooten, zich verwijderd houden van de schoonheid, rijkdom gering schatten, de deugd hoogachten,—dat is, hoe hij de eerwaardigen moet aanmoedigen. Hun een eervolle positie te geven en hun traktement vast te stellen, met hen gelijk op lief te hebben en te haten,—dat is de manier om tot liefhebben van bloedverwanten aan te moedigen. Hun volop ambtenaren te geven om hunne bevelen en opdrachten te volvoeren,—dat is de manier, om groote ministers aan te moedigen. Hun een loyaal vertrouwen te schenken, en hun traktement solide te maken,—dat is de manier om alle (andere) ambtenaren aan te moedigen. Het slechts op (gepaste) tijden (voor diensten) te gebruiken, en lichte belastingen heffen,—dat is de manier om het volk aan te moedigen. Dagelijks hun werk te onderzoeken en maandelijksche proefwerken te doen houden, en hunne rantsoenen in overeenstemming met hun arbeid te maken,—dat is de manier, om de honderd (verschillende soorten van) ambachtslieden aan te moedigen. Hen bij hun vertrek een uitgeleide te geven, en hen bij hun aankomst tegemoet te gaan, de goeden (onder hen) geluk te wenschen, en de onbekwamen te bemedelijden,—dat is de manier om de verafwonenden (vriendelijk en) zacht te behandelen. Families, welker lijn van afstamming verbroken is, (weer) te herstellen, de orde te handhaven in staten, waar verwarring is, en te helpen, wie in gevaar zijn, op vaste tijden audiënties te geven en hen te ontvangen, ruime geschenken te geven bij hun vertrek, en (slechts) geringe aan te nemen bij hun komst,—dat is de manier om de vorsten van de staten liefderijk te behandelen.
Met die ambachtslieden, die proefwerken doen, zullen wel bedoeld zijn, die welke door het gouvernement worden gebruikt. Het weer-herstellen der families wordt gedaan, door z. g. „stamhouders” te benoemen.
15. Allen, die de regeering over het rijk voeren met zijn staten en families, hebben deze negen fondamenteele regels. Dat, waardoor ze worden toegepast, is éénheid.
Men ziet hier, evenals in No. 9, dat telkens na de opsomming van plichten, deugden of dergelijken wordt gezegd, dat hetgene, waardoor ze worden toegepast, één is. In de voorrede heeft de filosoof Chʼing al gezegd, dat het boek spreekt van het ééne principe dat uitgespreid tien duizend (d. i. in ’t chineesch: alle) dingen omvat. De geheele „Choeng Yoeng” is de verheerlijking van die eenheid.
De bovenbedoelde eenheid, waar alles door wordt toegepast, gaf Confucius (of misschien Tszʼ Szʼ) den naam „Chʼing”, alweer een absoluut onvertaalbaar woord, van zóó mystieke beteekenis, dat geheele scholen van chineesche geleerden er de meest verschillende uitleggingen van gaven. Ik meen, dat de drie begrippen te zamen: „absolute waarheid, absolute puurheid, absolute oprechtheid” het ongeveer omvatten. Ik zal echter het chineesche woord behouden. Samuel Johnson (Oriental Religions: China) zegt er van: „And the chinese Chʼing is confessedly no less than the ideal of personal wholeness or integrity as the motive of conduct or steadfast culture of the shoots of goodness in one’s own being.” Prof. Legge, ook verklarend, dat het eigenlijk onvertaalbaar is, vertaalt het door „sincerity,” en geeft de volgende hoofddefinities op: „Men zegt ons, dat „de geleerden der Han dynastie geheel onwetend waren van zijn (Chʼing’s) bedoeling.” Onder de Soeng dynastie kwam eerst Lie Pang Chih, die het definieerde „Vrij zijn van alle bedrog”. Na hem zeide Sioe Choeng Kioe dat het beteekende „altijddurendheid”. Toen noemde een der Chʼings het „vrij zijn van alle moreele dwaling”, en eindelijk voegde Choe Hie hier het positieve element bij van „waarheid en realiteit”, waarmede de definitie van den term compleet was. Eenvoud of éénheid van ziel schijnt te zijn wat voornamelijk met den term bedoeld wordt; de dispositie tot en capaciteit voor wat goed is, zonder eenig bedervend element, met geen gebrek van verstand, of invoeging van zelfzuchtige gedachten. Dit („Chʼing”) hoort bij den Hemel, bij Hemel en Aarde, en bij den Wijze.”
Ik zou bij deze beschrijvingen van Prof. Legge nog dit willen voegen, dat ik dus geloof dat Chʼing beteekent „de oorspronkelijke toestand van de Sing”, zooals die volmaakt puur en rein is, de zuivere, diviene staat der natuur. Dit dan verwant aan „Yoeng”. Uit een en ander volgt tevens nog deze hoofdidee van de confucianistische leer, die men toch vooral onthoude: „dat alle deugden natuurlijk voortvloeien uit de Sing, en dus geen toevallige door de menschen gemaakte begrippen zijn, maar in de natuurlijke orde der dingen liggen.”
16. Over ’t algemeen, als dingen vooraf voorbereid zijn, zijn zij (vast) gegrondvest; als ze niet voorbereid zijn gaan ze te niet. Als woorden vooraf vastgesteld zijn, heeft er geen struikelen plaats; als zaken vooraf gesteld zijn, is er geen moeilijkheid. Als daden vooraf vastgesteld zijn, is er geen ellende. Is de Tao vooraf vastgesteld, dan is het nut daarvan onuitputtelijk.
17. Als lageren (in positie) (het vertrouwen van hun Heer) niet verkrijgen, kunnen zij er niet in slagen, het volk (goed) te regeeren. Er is een weg om het vertrouwen van zijn’ Heer te verkrijgen: als men het vertrouwen van zijn vrienden niet verkrijgt, zal men het ook niet verkrijgen van zijn’ Heer. Er is een weg, om het vertrouwen van zijn’ vrienden te verkrijgen: als men niet gehoorzaam is aan zijn ouders zal men (ook) niet (loyaal en) oprecht zijn tegen zijn vrienden. Er is een weg, om gehoorzaam te zijn aan zijn ouders: als, zich in zich zelf keerende, men gebrek aan „Chʼing” (ziet), zal men ook niet gehoorzaam zijn aan zijn ouders. Er is een weg om „Chʼing” te hebben: als men niet helder weet wat Goed is, zal men zijn zelf ook niet tot „Chʼing” kunnen brengen.
Men leze toch vooral goed, wat in het No. 15 van dit hoofdstuk bij de bespreking over „Chʼing” gezegd is, daar dit chineesche woord verder herhaaldelijk voorkomt. Ik heb de oorspronkelijke constructie „er is een weg” behouden, hoewel die niet positief maar negatief wordt aangeduid, wat in westersche logica in dezen niet heel mooi is.
Blijkbaar is dit lange hoofdstuk XX als ’t ware een genesis van plichten en deugden, allen nauw verwant, en uit éénen Oorsprong, de Sing, en allen in den weg liggende van Tao, die evenmin één oogenblikje verlaten kan worden, als de volmaakte toestand „Chʼing”, absoluut puur zijnde, één vlekje toelaat.
18. „Chʼing” is de Tao van den Hemel. Het bereiken van „Chʼing” is de Tao van de menschen. Zij, die „Chʼing” hebben treffen precies (het ware) zonder zich (te behoeven) in te spannen, en verkrijgen (het weten) zonder (te behoeven) te denken; die natuurlijkerwijze vanzelf de Tao (precies) treft, is de Wijze. Zij, die „Chʼing” bereiken, zijn zij, die het Goede kiezen, en het stevig vasthouden.
Hier vindt men dus het idee van een ideaal mensch, den Wijze, die geheel vanzelf, zonder dat hij zich behoeft in te spannen, den waren Tao weet en precies treft. Hoe gevaarlijk het is, Tao per se met Weg te vertalen blijkt uit den eersten zin hier, waarin het een toestand is, die van absolute reinheid en puurheid.
19. Zij, die ver (door) studeeren, nauwkeurig onderzoeken (wat goed is) en er navragen, met zorgzaamheid er over nadenken en helder onderscheiden, betrachten ernstig (het bereiken van „Chʼing”).
20. Als er iets is, wat hij niet bestudeerd heeft, of er is iets, wat hij niet kan begrijpen, zal (de Kiün Tszʼ die „Chʼing” wil verkrijgen) niet zijn arbeid staken. Als er iets is, waarover hij niet gevraagd heeft, of er iets is, waarover hij gevraagd heeft, dat hij niet weet, zal hij zijn arbeid niet staken. Als er iets is, waarover hij niet heeft nagedacht, of er iets is, waarover hij heeft nagedacht, (maar) dat hij niet te weten is gekomen, zal hij zijn arbeid niet staken. Als er iets is, wat hij niet onderscheiden heeft, of er iets is in wat hij onderscheiden heeft (en) dat hem niet helder is, zal hij zijn arbeid niet staken. Als er iets is, wat hij niet betracht heeft, of er iets is, wat hij betracht heeft, (maar) waarin hij te kort komt aan ernst, zal hij zijn arbeid niet staken. Als een ander het in één (poging) kan (doen), doet hij het in tien. Als een ander het in honderd kan (doen), doet hij het in duizend.
Een commentator wijst er op, dat wij hierboven een illustratie hebben van het begrip „energie” in No. 8 van dit hoofdstuk.
21. Kan men dus dezen weg begaan, dan zal men, ofschoon (eerst) traag van begrip (zijnde), helderwetend worden, ofschoon (eerst) zwak (zijnde), energiek worden.
HOOFDSTUK XXI.
Als er helderheid (van weten) is als gevolg van „Chʼing” is dat (uit de natuur van) de Sing. Als er „Chʼing” is als gevolg van helderheid (van weten) is dat (door de) Kiao, Leering. Als er „Chʼing” is, is er helderheid (van weten). Als er helderheid (van weten) is, is er „Chʼing”.
Hier vinden wij dus nog eens bevestigd, dat het resultaat hetzelfde is, of men, als de Wijze, al met Chʼing geboren is en het altijd van toen af heeft behouden, of wel, of men door studie en onderwijs de helderheid van weten verkrijgt, en daardoor „Chʼing.”
NAWOORD.
Het bovenstaande is het een en twintigste hoofdstuk. Tszʼ Szʼ noemt er de onderwerpen van Confucius „de Tao van den Hemel” en „de Tao van de menschen” in, in het vorige hoofdstuk opgenoemd, en grondvest daarop zijne woorden. De twaalf volgende hoofdstukken zijn allen van Tszʼ Szʼ, en herhalen, verduidelijken en breiden uit de bedoeling van dit (een en twintigste).
HOOFDSTUK XXII.
Slechts hij, die de opperste „Chʼing” heeft, kan zijn Sing tot den reinen staat volmaken. Kan hij zijn Sing tot den reinen staat volmaken, dan kan hij ook de Sing van andere menschen tot den reinen staat volmaken. Kan hij de Sing van andere menschen tot den reinen staat volmaken, dan kan hij ook de Sing van (alle) dingen tot den reinen staat volmaken. Kan hij de Sing van (alle) dingen tot den reinen staat volmaken, dan kan hij Hemel en Aarde helpen in ’t vervormen en voeden; dan is hij met Hemel en Aarde één orde van drieën.
Letterlijk staat er „kan zijn Sing uitputten (tsin).” De bedoeling is als in de vertaling. (Legge geeft „to give the full development to his nature” wat in den grond op hetzelfde neerkomt.)
Wij komen met dit hoofdstuk in de mystiek van de „Choeng Yoeng”, en het komt mij niet onwaarschijnlijk voor, dat wij hier met filosofie enkel van Tszʼ Szʼ te doen hebben, die hier verder ging dan zijn meester Confucius.
Uit Hoofdstuk I van dit werk hebben wij gezien, dat de Sing is dat „wat de Hemel (als natuur) verleend heeft.” Goed leven is „volgen aan de Sing”, dus leven in Tao. Alle zonde en ongeluk ontstaat door bevlekking, verduistering van de Sing. Ik heb dus gemeend, hier „tsin” te moeten vertalen door „de Sing tot den reinen (oorspronkelijken) staat volmaken.”
Choe Hie zegt er bij „Het „tsin” van de Sing is, als de deugd reëel is.” En de deugd kan natuurlijk alleen reëel zijn, als de Sing volmaakt rein is. Hij, wiens Sing rein is, en die dus Tao begaat, is vanzelf helder-wetend en begaafd met de hoogste deugden. Zoo iemand zal door zijn voorbeeld en zijn moreelen invloed ook andere menschen kunnen verreinen. Niet alleen door de pogingen van zijne door menschenliefde gedreven wil, maar omdat—en hier hebben wij een ook in ’t boeddhisme voorkomend idee—omdat de macht van zijn deugd als een natuurlijke kracht is, van hem uitgaande, die transformeerend werkt. En nu komt het idee—ook reeds in de oude filosofie der Vedanta’s te vinden—dat alle dingen (dus niet alleen de menschen) in de creatie een Sing hebben. Choe Hie zegt er duidelijk bij, dat, ofschoon de vorm en het animale leven niet hetzelfde zijn „de Sing van (andere) menschen en dingen is ook mijn Sing.” De filosofie van de „Choeng Yoeng”, die tot nu toe angstvallig bij de meer enkel menschelijke dingen bleef, rijst hier op tot de beschouwing van de allerhoogste orde der natuur.
Niet alleen verklaart Tszʼ Szʼ, dat menschen èn dingen de Sing hebben, maar ook, dat de volmaakte mensch—d. i. de mensch die zijn Sing onbevlekt puur in zich heeft—de gelijke is van den Hemel. In westersch begrip overgebracht, hij bevestigt „de goddelijkheid van den mensch en een mogelijke vereeniging met het goddelijke.”
Jammer alleen, dat hij de begrippen Hemel en Aarde niet nader omschrijft. (Wie omtrent de vereering van Hemel en Aarde meer wil weten, leze het Hoofdstuk „Eerste Maand, Negende Dag” in Prof. de Groot’s „Jaarlijksche Feesten en Gebruiken van de Emoy-Chineezen”.)
Verder zegt Tszʼ Szʼ, dat de mensch, wiens Sing in den reinen staat is, niet alleen andere menschen, maar ook alle dingen kan verreinen en tot hun hoogste volkomenheid brengen, aldus ageerende en influenceerende als de Hemel en de Aarde (de Natuur). En deze mensch is dan ook één met Hemel en Aarde. Deze chineesche drieëenheid heet „Saan Tsʼai”, de drie Schatten: „Hemel, Aarde, Mensch.” (Th’ien Ti Jen.)
HOOFDSTUK XXIII.
Hierop (n.l. op hem, die reeds de opperste „Chʼing” bezit) volgt hij, die het kromme cultiveert (d. i. het onvolmaakte in hem volmaakt). Van kromheid kan „Chʼing” komen. Deze „Chʼing” wordt (als in vorm) zichtbaar. Van (als in vorm) zichtbaar wordt zij gemanifesteerd. Van gemanifesteerd wordt zij schitterend. Schitterend zijnde beweegt zij (andere menschen en dingen). Bewegende doet zij veranderen. Doende veranderen transformeert zij.
Alleen hij, die de opperste Chʼing heeft onder den Hemel, kan (andere menschen en dingen) transformeeren.
Heeft Tszʼ Szʼ het in Hoofdstuk XXII gehad over degenen, die reeds van nature de opperste „Chʼing” hadden (Vergelijk ook Hfdst. XX. No 9), in dit hoofdstuk behandelt hij degenen, die eerst het kromme (onvolmaakte) in zich nog recht (volmaakt) moeten maken. Is dat kromme eenmaal recht gemaakt, dan is eveneens de „Chʼing” bereikt, die de Wijze al had (Zie Hfdst. XX. No 9: „Maar als het werk volmaakt is, is het resultaat ’t zelfde”).
HOOFDSTUK XXIV.
Het is de natuurlijke eigenschap van de opperste „Chʼing” om (de toekomst) vooruit te weten. Zal een staat of eene familie bloeien, dan zijn er stellig goede voorteekenen. Zal een staat of eene familie ondergaan, dan zijn er stellig kwade voorteekenen. Een en ander is te zien aan het duizendblad en de schildpad, en het beweegt de vier ledematen. Als geluk of ramp naderbij komt zal (hij, die „Chʼing” heeft) het goede stellig vooruit weten, en het kwade ook. Daarom, hij, die de opperste Chʼing heeft, is als een geest.
Dat de volmaakte mensch alwetend is, en de toekomst vooruit kan weten is een idee, dat men in oud-indische systemen van filosofie kan terugvinden, en niet zoo absurd is, als het oppervlakkig wel schijnt. Maar de wijze, waarop dit idee hier in de practijk wordt voorgesteld, n.l. door middel van wichelarij, is belachelijk, en geheel uit den toon van deze serie hoofdstukken.
Het duizendblad (volgens Wells Williams zou „Shʼ”, hier een chineesche, in Europa onbekende plant zijn, gelijkende op Anthemis of Ptormica Sibirica), en de schildpad worden gebruikt in de chineesche wichelarij. Met „de vier ledematen” worden bedoeld de vier pooten van de schildpad, die elk in een ander seizoen voor het wichelen dienen.
HOOFDSTUK XXV.
1. „Chʼing” wordt voortgebracht door zelfvolmaking. Tao is dat, waarnaar men zich moet richten.
2. „Chʼing” is het einde en het begin der dingen. Als er geen „Chʼing” was, zou er niets bestaan. Daarom beschouwt de Kiün Tszʼ „Chʼing” als zijn grootsten schat.
De oorsprong, de Sing der dingen is natuurlijk absoluut waar (reëel) en puur. Het eenige, ware leven is dat van de Sing. Ware deze niet „Chʼing,” niet absoluut reëel en puur, dan zou er ook niets reëel kunnen bestaan.
3. Hij, die „Chʼing” heeft, volmaakt niet enkel zichzelf, (maar) hij volmaakt er (ook andere) dingen (en menschen) mede. Het volmaken van zichzelf (is te danken aan) zijn Menschelijkheid. [52] Het volmaken van (andere) dingen (en menschen) (is te danken aan) zijn Weten. Deze (Menschelijkheid en Weten) zijn de deugden, (eigen) aan de Sing, en dit is de wijze, waarop het uitwendige en inwendige wordt vereenigd. Daarom, wannéér ook (degene, die „Chʼing” heeft) haar aanwendt, werken zij zooals ’t behoort.
Men herinnere zich dat met menschelijkheid geen humaniteit maar „de volmaakte deugd van het menschelijk hart” bedoeld wordt.
Door menschelijkheid en weten (ál-weten, kennen) is er géén verschil meer tusschen inwendige dingen (van ons zelven) en uitwendige (van anderen). Zie in de Bespreking onder Hfdst. XXII het gezegde van Choe Hie: „de Sing van (andere) menschen en dingen is ook míjn Sing.”
HOOFDSTUK XXVI.
1. Daarom, de opperste „Chʼing” houdt niet op.
Choe Hie legt dit op de volgende wijze uit: „daar Chʼing geen leêgheid of schijn heeft, heeft het vanzelf geen ophouding of afbreking.”
2. Niet ophoudende, duurt het lang. Langdurende geeft het bewijs van zijn bestaan.
3. Bewijs gevend van zijn bestaan reikt het ver. Ver-reikende wordt het groot en (als stoffelijk) substantieel. Groot en substantieel, wordt het hoog en schitterend.
4. Groot en substantieel, aldus bevat het alle dingen. Hoog en schitterend, aldus overwelft het alle dingen. Ver-reikende en langdurig, aldus volmaakt het alle dingen.
5. (Chʼing aldus) groot en substantieel (zijnde) is hij (die het bereikt heeft) de gelijke van de Aarde; (Chʼing aldus) hoog en schitterend (zijnde) is hij (die het bereikt heeft) de gelijke van den Hemel; (Chʼing aldus) ver-reikende en langdurig (zijnde) is hij (die het bereikt heeft) eindeloos.
Hier gaat de filosoof verloren in mystiek bij zijne apothéose van den idealen mensch. Niet alleen, dat de mensch, die „Chʼing” heeft bereikt, ál-wetend is, maar ook álomtegenwoordig, en in allen en alles. Dit heeft veel van eene absorptie in de universeele Natuur, zou ik bijna zeggen.
6. Aldus is de Chʼing zonder zich (zichtbaar) te vertoonen (vanzelf) helder gemanifesteerd; zonder te bewegen veroorzaakt het (vanzelf) veranderingen; vanzelf, uit den aard zijner natuur, volmaakt het.
7. De Tao van Hemel en Aarde kan met één zin uitgezegd worden: hij is één-in-zich-zelf, en baart de dingen op een ondoorgrondelijke wijze.
Hier ziet men weer, dat Tao in sommige gevallen méér dan Weg moet beteekenen, en meer in den zin „het principe van actie,” indien het niet volkomen onvertaalbaar was. Choe Hie merkt hierbij op dat „Ching” vanzelf dat „één-in-zich-zelf zijn” van Tao medebrengt. Letterlijk staat er niet één-in-zich-zelf, maar „zonder tweede”, „zonder dubbel”.
8. De Tao van Hemel en Aarde is groot en substantieel, hoog en schitterend, ver-reikend en langdurend.
Dezelfde eigenschappen dus als van „Chʼing”. Dat het hier niet zóómaar „Weg” kan beteekenen is duidelijk. Het is ondoenlijk, precies die ìn-chineesche begrippen als „Chʼing” en „Tao” te doorvoelen en dan uit te drukken in een europeesch woord.