De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius)
Part 6
5. Daarom betracht de Kiün Tszʼ Harmonie, zonder week te zijn. Hoe recht is zijne geweldigheid! Hij staat rechtop in Choeng (het Midden) en neigt niet over! Hoe recht is zijn geweldigheid! Als er recht is in de regeering van het rijk verandert hij niet van wat hij was toen hij nog particulier was. Hoe flink is zijn geweldigheid! Als er geen recht is in de regeering van het rijk verandert hij niet, tot in den dood. Hoe flink is zijn geweldigheid!
Beide soorten „geweldigheid”, die van ’t Zuiden en Noorden (geïnfluenceerd door het klimaat), de ééne verkeerdelijk zacht- en weekheid, de tweede woestheid gingen ver van het juiste Midden. Daarom betracht de Kiün Tszʼ het Midden er van; hij betracht harmonie, dus zoover het kon vriendschap met staten en menschen, maar blijft tegelijkertijd vast op zijn stuk. Of er recht of niet in het rijk is (lett. staat er, of het rijk Tao heeft of niet), dus goede principes [aangepast aan de Sing] of niet, hij laat er zichzelf niet door veranderen, en staat pal. Dit was volgens Confucius de ware geweldigheid.
HOOFDSTUK XI.
1. De Meester zeide: „In duisternis te leven, en wonderen te doen opdat het nageslacht die zal vertellen, dit is, wat ik niet doe.
2. De Kiün Tszʼ gaat volgens den gang van Tao, maar halverweg wijkt hij er van af; dit is, wat ik niet doe.
3. De Kiün Tszʼ voegt zich aan Choeng Yoeng. Ofschoon hij onbekend is, en de wereld hem niet ziet, voelt hij geen verdriet. Alleen de Wijze is hiertoe in staat.”
Hier is de toepassing van Kiün Tszʼ ietwat verward. Met den eersten, in No 2, bedoelt hij meer den gewonen, goeden mensch, met den tweeden den hoogeren Wijze.
HOOFDSTUK XII.
1. De Tao van den Kiün Tszʼ is eindeloos, en (toch) verborgen.
2. Gewone mannen en vrouwen, in hun domheid, kunnen met de kennis er van iets te maken hebben; maar wat betreft het opperste er van, al is iemand een Wijze is er iets in, wat hij niet weet. Gewone mannen en vrouwen, in hun onwaardigheid, kunnen er iets van begaan; maar wat betreft het opperste (van Tao), is er (altijd) iets, wat zelfs een Wijze niet kan. (Zelfs) in de grootheid van Hemel en Aarde is iets wat den menschen (nog) hatelijk is.
Daarom, als de Kiün Tszʼ de grootheid (van Tao) wilde zeggen, zou er niets onder den Hemel zijn, dat het kan omvatten; als hij de kleinheid (er van) wilde zeggen, zou er niets onder den Hemel zijn, dat het kan splijten.
De meeste vertalers zijn het eens, dat dit tweede artikel zeer duister is. Legge o. a. is zoo eerlijk om ronduit te verklaren „I confess to be all at sea in the study of this paragraph.” Ook met de commentaar van Choe Hie kan ik in dezen niet meegaan.
Mijn bescheiden meening—die ik gaarne voor een betere geef—is de volgende:
„De Tao (d. i. levensweg aangepast aan de Sing) van den Kiün Tszʼ is eindeloos en toch verborgen,” begint Tszʼ Szʼ (want hier is het niet meer Confucius’ die spreekt). De Tao n.l. gaat tot in het oneindige (n.l. één zijn met Hemel en Aarde en alle dingen, zie Bespreking Hfdst I No. 5). Maar Tao moet ook gevolgd worden in het allerkleinste, verborgenste. Gewone menschen doen ook wel eens zoo iets aan Tao, maar aan het opperste, oneindige er van komen zelfs Wijzen wel eens niet toe. Want er is altijd nog iets, zelfs in de grootheid van Hemel en Aarde, dat den mensch hatelijk is (omdat hij ’t niet kan begrijpen), en ook dus in de grootheid van Tao. Daarom wijken zij er dan weer van af, terwijl het geen oogenblik mag verlaten worden. Wil iemand de oneindige grootheid van Tao zeggen, de eindeloosheid waar Tao toe leidt, hij zou geen woorden vinden, die het omvatten. Wilde hij de kleinheid zeggen—want de allerkleinste dingen hebben een Tao, in het allerminiemste en geringste en duisterste is altijd nog een Tao te volgen—hij zou het zóó klein moeten vinden, dat het door niets nog te splijten (d. i. nog kleiner gemaakt) zou kunnen zijn.
3. De Shi King [46] zegt: „De havik vliegt op in den Hemel; de visschen springen in de diepte.” Dit zegt, hoe (Tao overal) boven en onder (alles) doordringt.
4. De Tao van den Kiün Tszʼ begint met (den gewonen omgang, het gewone leven van) mannen en vrouwen. Maar, aan het opperste er van gekomen, strekt Tao zich uit over Hemel en Aarde.
De twee artikelen schijnen mij juist aan te passen aan mijne opvatting van het vorige. Zoo hoog als haviken vliegen, zóó reikt ook Tao hoog, en het is eveneens diep en laag, zooals visschen springen naar den bodem van het water. De Tao begint met het heel gewone leven, het huiselijk leven, den gewonen omgang met menschen, maar het opperste er van is eindeloos, en doordringt en omvat het Heelal. Immers, zooals Choe Hie zeide, „wordt Tao ganschelijk begaan, en is Choeng Yoeng geheel bereikt, dan zijn „Hemel en Aarde in mij”.” Dit twaalfde hoofdstuk eindigt met het:
NAWOORD.
Dit twaalfde Hoofdstuk bevat de woorden van Tszʼ Szʼ, dienende om het eerste te doen uitkomen en duidelijk te maken, namelijk „dat Tao niet mag verlaten worden.”
In de acht hoofdstukken hieronder haalt hij door elkaar woorden van Confucius aan, om het (verder) te illustreeren.
HOOFDSTUK XIII.
1. De Meester zeide: „Tao is niet ver van de menschen.”
Als menschen Tao (trachten te) begaan, en ver gaan van de menschen, kan het (de ware) Tao niet zijn.
Confucius bedoelde, dat Tao begint met het instandhouden der vijf menschelijke betrekkingen of z. g. „Loen” (die van vader tot zoon, ouderen broeder tot jongeren broeder, vorst tot minister, man tot vrouw, vriend tot vriend, en omgekeerd). Tao, is reeds gezegd, ligt in het kleinste zoowel als in het grootste, en mag geen oogenblik verlaten worden. In den gewonen omgang der menschen, in al het menschelijke is Tao te betrachten. Wie Tao wil begaan buiten de menschen en het menschelijke om, heeft den waren Tao reeds verlaten.
2. De Shi King zegt: „In ’t hakken van een bijl-handvatsel, in het hakken van een bijl-handvatsel is het model niet ver weg.” Wij grijpen één handvatsel om het andere te hakken, en (toch) als wij terloops van het eene naar het andere kijken is het of zij apart zijn. Daarom, de Kiün Tszʼ regeert de menschen naar wat aan menschen eigen is, en zoodra zij veranderen houdt hij op.
Heel duidelijk is mij dit bovenstaande niet. Legge teekent in zijne vertaling aan (maar zegt er eveneens bij „the object of this paragraph seems to be” enz.) dat Tszʼ Szʼ het volgende bedoelde: „De regel, om menschen te behandelen, volgens de principes van het Midden (Choeng) is nader tot ons dan de bijl in de hand tot dengene, die er mede uitgehouwen moet worden, en naar háár gemodelleerd. De tak is gehouwen en de vorm veranderd van den natuurlijken vorm. Niet zoo met den mensch. De verandering brengt hem slechts tot den gepasten staat. Men moet dadelijk met die behandeling ophouden als hij verandert.”
3. Als iemand tot het uiterste zijn eigen principes van de Sing verzorgt, en tegelijk beschouwt dat andere menschen zijn als hij, dan is hij niet ver van Tao. Wat gij niet wilt dat aan U zelven gedaan wordt, doe dat (ook) aan anderen niet.
Hier hebben wij de karakters „chung” en „shoe”, waarvan ik in ’t begin van mijne „Inleiding tot de Filosofie van Confucius” heb gesproken. Zooals ik daarin reeds zeide, waren deze woorden niet met precies twéé equivalente hollandsche woorden te vertalen. Prof. Legge noemt „shoe” zeer juist „het principe van reciprociteit,” het beginsel van wederkeerigheid. Het eerste „chung” noemt hij „het zijn plicht doen met het oog op zich zelven.” Ik zal deze vertaling bijwijlen overnemen.
4. In Tao van den Kiün Tszʼ zijn vier dingen, die ik nog niet gekund heb: „Mijn vader te dienen zooals ik zou willen, dat mijn zoon mij diende, dat heb ik nog niet gekund. Mijn vorst te dienen, zooals ik zou willen, dat mijn minister mij diende, dat heb ik nog niet gekund. Mijn ouderen broeder te dienen, zooals ik zou willen, dat mijn jongere broeder mij diende, dit heb ik nog niet gekund. Mijn’ vriend ten voorbeeld zijn in behandeling, zooals ik zou willen, dat hij mij behandelde, dat heb ik nog niet gekund.” Ernstig in ’t betrachten der deugd, altijd er van sprekende met zorgzaamheid als hij in iets te kort schiet, durft (de Kiün Tszʼ) niet nalaten, zich in te spannen, (en) als hij in zijne woorden iets te veel heeft, durft hij ze niet allen uit te putten (d. i. te spreken). Zoo correspondeeren zijne woorden met zijne daden, en zijne daden met zijne woorden. Is de Kiün Tszʼ dus niet geheel eerlijk en waarachtig?
HOOFDSTUK XIV.
1. De Kiün Tszʼ doet wat gepast is aan zijne positie, en wenscht daar niet buiten te gaan.
2. In een positie van weelde en aanzien doet hij wat gepast is aan een positie van weelde en aanzien. In een positie van armoede en lagen stand doet hij wat gepast is aan eene positie van armoede en lagen stand. Onder barbaarsche stammen doet hij wat gepast is aan barbaarsche stammen. In een toestand van droefheid en moeilijkheden doet hij wat gepast is aan droefheid en moeilijkheden. De Kiün Tszʼ kan nooit in een toestand komen, waarin hij niet zelf (het weten van hoe te moeten doen) verkrijgt.
3. Is hij in een hooge positie, dan verguist hij niet zijne inferieuren. Is hij in een lage positie, dan vleit hij niet zijne superieuren. Hij maakt zich zelf recht, en zoekt het niet bij anderen, zoodat hij geen teleurstellingen heeft. Hij murmureert niet tegen den Hemel en mort niet op de menschen.
4. Daarom woont [47] de Kiün Tszʼ in de rust, wachtende op wat (de Hemel) beschikken zal, en de kleine mensch gaat op gevaarlijke paden, en hoopt op de fortuin.
5. De Meester zeide: „Met boogschieten hebben wij iets als met (de handelwijze van) den Kiün Tszʼ. Als de schutter de schijf mist keert hij zich om en zoekt de fout in zich zelf.”
HOOFDSTUK XV.
1. De Tao van den Kiün Tszʼ kan vergeleken worden met reizen. Men moet stellig eerst het nabijë bereiken om tot het vèrafgelegene te komen. Ook is het er mede als met het bestijgen van een hoogte. Men moet stellig eerst het lage begaan om tot het hooge te komen.
2. De Shi King zegt: „De goede vereeniging met vrouw en kinderen is als de muziek van harpen en luiten. Als er eendracht is onder broeders, is de harmonie gelukkig en langdurig. Zóó behoort gij uwe familie te regelen en te genieten van uwe vrouw en kinderen.
3. De Meester zeide: „En wat zullen uwe ouders dan rustig en gelukkig zijn!”
In bovenstaande hoofdstukken ziet men, dat Confucius Tao aanwees in de gewone verhoudingen der menschen. De Kiün Tszʼ, wetende dat de Sing in hem is, zal, waar hij ook is, steeds Tao begaan, in armoede, of rijkdom, of onder barbaren. Hij maakt zich zelf „recht”. Dit recht, lett. vertaald, is hier het engelsche „right”, goed, zooals het behoort, puur en rein als een rechtopgaande lijn. Ook in de familie moet Tao begaan worden, en moet er dus Harmonie zijn.
HOOFDSTUK XVI.
1. De Meester zeide: „Hoe overvloedig is de deugd, die de geesten ten toon spreiden!”
2. Wij zien naar hen uit, maar zien hen niet; wij luisteren naar hen, maar hooren hen niet. Zij zijn in alle dingen belichaamd. Er is niets zonder hen.
3. Zij maken, dat de menschen onder den Hemel eerbiedig zijn, zich rein maken, zich volmaken, aan hen onderworpen zijn, ten einde hun offeringen te brengen. Zij zijn overal in overvloed, en het is, of zij overal boven, en links en rechts zijn!
4. De Shi King zegt: „Gij kunt niet zeker zijn (in ’t denken over) het komen der geesten; des te meer moogt gij er niet lichtvaardig over denken!”
5. Het waarachtige wezen van de manifestatie van het kleine, kunt gij maar zóó niet verbergen!
Confucius hield zich niet veel op met beschouwingen over geesten, dit blijkt uit al zijne gezegden. In de „Loen Yü” zegt hij o. a., dat men de geesten moet eeren, maar altijd op een afstand van hen blijven. Toen hij verder eens door zekeren Kie Loe (Zie „Loen Yü” Boek XI) werd gevraagd, hoe men de geesten moet dienen, antwoordde hij: „Terwijl gij niet in staat zijt menschen te dienen, hoe kunt gij dan hunne geesten dienen?”
Ik schaam mij niet,—waar zoo vele vertalers hier in twijfel waren, en o. a. Legge eerlijk verklaarde (van No. 2) dat de juiste bedoeling hier niet te bepalen is—te zeggen, dat ik van mijne vertaling niet zeker ben, noch van mijne uitlegging. Vooral weet ik niet zeker of hij de geesten van afgestorvenen bedoelt dan wel anderen. Geesten is in ’t chineesch „kwei shin”. Kwei is de geest, correspondeerende met het principe „Yin” (duister), „shin” is de geest, correspondeerende met het principe „Yang” (licht). Deze twee principes, Yin het vrouwelijke en Yang het mannelijke, zijn ontstaan uit het openscheuren van den Chaos, en alle menschen en wezens en dingen, alle leven, is ontstaan door het samenkomen van Yin en Yang. Als het leven sterft gaan Yin en Yang weer uit elkaar. Daarom, ook kwei en shin zijn in alles wat leeft. De chineezen hebben een verbazende vrees voor „kwei shin,” maar weten eigenlijk zelf niet wat daarmede bedoeld wordt. Volgens dit hoofdstuk zouden zij in alles en allen zijn, altijd vlak bij en om en in de menschen, onzichtbaar. Men is nooit zeker, wanneer die van om ons heen bij ons zullen komen. Een oude chineesche literator, met wien ik over dit onduidelijke hoofdstuk—dat mij voorkomt te onpas in „Choeng Yoeng” te zijn opgenomen—sprak, gaf mij als zijne meening, dat het een voorzichtige twijfel en een fijne ironie uitdrukte. Confucius zou zelf wel eens aan het bestaan van „kwei shin” getwijfeld hebben, daar hij het voor zich zelf hierover nog niet eens was, geraden hebben, in elk geval respect voor hen te hebben „omdat men nooit kan weten”. En dan zouden No. 1 en 2 dien twijfel zeer fijn uitdrukken. Dit klopt ook wel met de boven aangehaalde gezegden uit de „Loen Yü”. Ook een der chineesche commentators in mijne editie zegt dat Confucius „lichtvaardig” van de „kwei shin” sprak.
Op dit hoofdstuk volgen weer eenige over oude vorsten en wijzen, en over familie en regeering.
HOOFDSTUK XVII [48].
1. De Meester zeide: „Hoe groot was de Hiao van Shoen! Zijn deugd was die van den wijze. Zijn eerwaardigheid was die van den keizer. Zijn rijkdom die (welke bevat was binnen al) de vier zeeën. Hij deed zijne offeringen in den voorvaderlijken tempel, en zijne kinderen en kleinkinderen zorgden steeds voor de offeringen aan hem.
2. Daarom, de groote deugd krijgt stellig haar (verdiende) positie, stellig haar jaarwedde, stellig haar roem, stellig een lang leven.
3. Aldus is het, dat de Hemel in het voortbrengen der dingen mild is volgens hun natuur (hoedanigheden). De (gezaaide) bloeiende (boomen) ondersteunt Hij. De ten val neigenden werpt Hij om.
4. De Shi King zegt: „De eerbiedwaardige, gelukwaardige prins! Hij deed eerwaardiglijk zijn groote deugd zien, hij regelde het volk en regelde zijne ambtenaren, hij kreeg zijne jaarwedde van den Hemel. De Hemel beschermde hem, stond hem bij en beschikte dat hij den troon zou krijgen; zendende herhaaldelijk deze gunsten van den Hemel.”
5. Daarom, zij die de groote deugd hebben, krijgen stellig de belooning van den Hemel.
Het „jaarwedde” dat in dit hoofdstuk in ’t hollandsch eenigszins vreemd klinkt is in ’t chineesch „loeh” en dit woord is een der drie heilige en gelukaanbrengende karakters „foeh” (geluk), „loeh” (jaarwedde van mandarijnen), en „sjoe” (lang leven). Dit „loeh” wordt eveneens uitgesproken als „loeh” hert, en vandaar, dat men in chineesche decoraties op zijde, in bouwstijl enz. veel een hert ziet gebezigd, wat dan jaarwedde beteekent. Zoo ziet men voor „foeh” dikwijls een reiger, daar deze eveneens een gelijkluidenden naam draagt.
Met den „prins” in No. 4 wordt koning Wĕn, van Chow bedoeld.
Het is curieus, Confucius, wiens deugd nooit beloond werd, zulke optimistische woorden als hierboven te hooren uitspreken. Shoen werd 100 jaar oud, vandaar ook de toespeling op het lange leven.
HOOFDSTUK XVIII [49].
1. De Meester zeide: „Het is alleen koning Wĕn, die geen verdriet had. Zijn vader was koning Kie en zijn zoon was koning Woe. Zijn vader maakte (zijne waardigheid), zijn zoon leverde (haar) over.”
2. Koning Woe zette het werk van de koningen Ta, Kie en Wĕn voort. Hij gordde (slechts) ééns zijne wapenrusting aan, en verkreeg het keizerrijk. Hij verloor zijn uitstekenden naam in het keizerrijk niet. Zijne eerwaardigheid was die van den keizer. Zijn rijkdom was die (welke bevat is binnen) de vier zeeën. Hij deed zijne offeringen in den voorvaderlijken tempel, en zijne kinderen en kleinkinderen zorgden steeds voor de offering aan hem.
3. Het was aan het eind van zijn leven dat koning Woe de beschikking (van den Hemel) kreeg (over den troon), en de hertog van Chow volmaakte de deugd van Wĕn en Woe. Hij voerde het koningschap op tot Ta en Kie, en offerde aan alle hertogen boven hen met de keizerlijke ceremonieën. En dezen regel verbreidde hij over alle vorsten van het rijk, de hooge ambtenaren, de geleerden, en het gewone volk. Was de vader een hoog mandarijn en de zoon een geleerde, dan was de begrafenis die van een hoog mandarijn, de offering die van een geleerde. Was de vader een geleerde en de zoon een hoog mandarijn, dan was de begrafenis die van een geleerde, en de offering die van een hoog mandarijn. De rouwtijd van één jaar werd uitgebreid (tot gebruik) enkel bij hooge mandarijnen.
De rouwtijd van drie jaren werd alleen uitgestrekt tot den keizer. In den rouw om vader en moeder werd geen verschil gemaakt tusschen aanzienlijken en minderen.
Het verband tusschen deze oude vorsten en het in vorige hoofdstukken behandelde is niet heel duidelijk. De chineesche filosoof gaat niet van één punt uit, dat hij dan streng logisch beschouwt en ontwikkelt, zooals b. v. Plato deed. Zóó hebben wij hier een verheerlijking van eenige instellingen over Lí (Decorum) die eigenlijk met Choeng Yoeng niet in logisch verband staan. Het bizondere geluk van koning Wĕn was, dat hij èn een goeden vader had èn een goeden zoon (iets wat b. v. met Yau en Shoen, die zeer slechte zoons hadden en een’ ordinairen vader, en met Yu, niet het geval was geweest). Deze omstandigheid verhoogt in chineesche oogen de glorie van koning Wĕn.
Een groote verdienste van den hertog van Chow was, dat hij ook zijne voorvaderen in de glorie van Chow deed deelen, en hen met keizerlijke ceremonieën vereerde, alsof ook zij keizerlijke vorsten waren geweest. Kie, of Kie Leih, de hertog van Chow destijds (niet te verwarren met den hertog van Chow, Woe’s broeder, die Tan heette van zich zelf) was Wĕn’s vader, en Kie Leih’s vader was Ta.
Toen Woe Wang keizer werd, was hij 87 jaar.
HOOFDSTUK XIX.
1. De Meester zeide: „Hoe vèr reikte de Hiao [50] van koning Woe en den hertog van Chow!”
2. Nu, de Hiao is het goed voortzetten van de wenschen der voorvaderen, het goed voortzetten van de zaken der voorvaderen.
3. In de lente en in den herfst herstelden zij de voorvaderlijke tempels, rangschikten zij de voorvaderlijke offervazen, maakten zij de gebruikelijke gewaden in orde, en offerden de offeringen der seizoenen.
4. Door de ceremoniën van den voorvaderlijken tempel onderscheidden zij de (keizerlijke) bloedverwanten volgens hun afstamming. Door het regelen volgens den adellijken rang onderscheidden zij aanzienlijken en minderen. Bij het regelen der diensten onderscheidden zij talent en bekwaamheid. Bij de ceremonie van het drinken boden de lageren den beker aan de hoogeren en kregen (dus) óók iets (in die ceremonie) te doen. Bij het (tot besluit aangerichte) feest werden de plaatsen geregeld volgens het haar, en zoo werden de jaren (van leeftijd) onderscheiden.
5. Zij namen de plaats in van hun voorvaderen, verrichtten hunne ceremoniën, speelden hun muziek. Zij vereerden diegenen, die hun voorvaderen hadden vereerd, hadden diegenen lief, die hun voorvaderen hadden liefgehad. Zóó dienden zij de dooden, zooals zij de levenden zouden gediend hebben; zij dienden de verschenenen, zooals zij hen zouden gediend hebben indien zij bij hen waren gebleven. Dit is de opperste Hiao.
6. Met de ceremoniën aan den Hemel en de Aarde dienden zij Shang Ti, en met de ceremoniën van den voorvaderlijken tempel dienden zij hun voorvaderen. Hij, die de ceremoniën van de offeringen aan Hemel en Aarde, en de bedoeling van de verschillende offeringen aan de voorvaderen begreep, zou de regeering van een koninkrijk even gemakkelijk vinden als het kijken in zijn handpalm.
Wij zien uit een en ander dat de Hiao niet enkel bestaat uit het liefhebben en eerbiedigen van de ouders, maar ook uit het navolgen van hun leven, het treden in hun voetspoor. Zóó staat in de „Loen Yü” dat men eerst van iemand zeggen kan dat hij Hiao heeft als hij drie jaren na zijn’s vaders dood niet afgeweken is van diens gedragslijn. Het buitengewoon gewicht, dat Confucius aan ceremoniën van de Lí hechtte, schijnt wel wat overdreven, maar men vergete hierbij vooral niet, dat hij het begaan van Tao daarvan onafscheidelijk achtte, en het hem niet om den uiterlijken schijn te doen was, maar om het ware wezen er van, de reverentie, die er mede werd uitgedrukt. Zoo zegt hij („Loen Yü,” Boek XVII) zeer terecht: „Zijn edelsteenen en zijde (die bij ceremoniën worden gedragen) dan alles wat bedoeld wordt met de Lí?” Zóó opgevat, als symboliek van de reverentie voor het diviene, wordt Confucius’ hooge opvatting van de Lí begrijpelijker. Het eerbiedigen der familiebetrekkingen en der rangen en standen was eveneens voor hem niet zoozeer bekrompenheid als wel eerbied voor de „hemelsche orde der dingen.”
HOOFDSTUK XX.
1. De hertog N-gai (van Loe) vroeg over regeering.
2. De Meester zeide: „De regeering van Wĕn en Woe is (te vinden) in de tabletten van hout en bamboe (de annalen). Als er (ware) menschen zijn zal de regeering bloeien; als er geen (ware) menschen zijn zal de regeering vergaan en ophouden.”
3. Met de ware menschen gaat de regeering vlug, zooals met de ware aarde de boomen bloeien, ja, hun regeering mag genoemd worden een overvloedig groeiend riet.
4. Daarom, de regeering bestaat uit (het weten te krijgen) van de (ware, geschikte) menschen. Het kiezen van de (ware, geschikte) menschen ligt in het zelf (karakter van den regeerder). Het verzorgen van het zelf (karakter) bestaat uit het doen van plicht en recht. Het betrachten van plicht en recht ligt in (het betrachten van) menschlievendheid.
5. Menschlievendheid is (eigen aan) den mensch. Het voornaamste daarvan is, zijn bloedverwanten lief te hebben. Rechtmatigheid is doen wat behoort gedaan te worden. Het voornaamste daarvan is het eeren van de eerwaardigen. Steeds meer en meer zijn bloedverwanten lief te hebben en de graden van het eeren van de eerwaardigen, is wat uit de Lí geboren wordt.
6. Als de lageren (in positie) het vertrouwen (van hun Heer) niet verkrijgen kunnen zij er niet in slagen, het volk (goed) te regeeren.
Deze tekst No. 6, neemt men algemeen aan, is hier abusievelijk ingelascht en behoort bij No. 17.
7. Daarom mag (de Vorst die) een Kiün Tszʼ (is) niet verzuimen, zijn eigen karakter te verzorgen. Wil hij zijn eigen karakter verzorgen, dan mag hij niet verzuimen, zijn ouders te dienen. Wil hij zijn ouders dienen, dan mag hij niet verzuimen, de menschen te kennen. Wil hij de menschen kennen, dan mag hij niet verzuimen, den Hemel te kennen.
Het directe, logische verband tusschen deze graden van kennen is niet heel duidelijk, ook bij de commentators niet.