De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius)

Part 5

Chapter 53,941 wordsPublic domain

„Als ik uw vorstelijke gunst zou willen winnen met geld en zijde, dan zouden uwe schatkamers er toch reeds vol van zijn, en ik ben arm. Als ik haar zou willen winnen met goede woorden, ben ik bang dat zij niet met uwe ideeën zouden strooken, zoodat ik tevergeefs zou spreken en niet aangehoord worden. De eenige wijze om haar te winnen is om menschen van waarde onder uw’ aandacht te brengen.” De hertog zeide: „Menschen van waarde is juist wat ik hebben moet.”—„Maar,” zeide Keih (Tszʼ Szʼ) „gij kunt ze niet apprecieeren.”—„Ik zou toch wel willen weten wien gij denkt dat dien naam (mannen van waarde) verdienen,” zeide de hertog. Tszʼ Szʼ antwoordde: „Wilt gij uwe ambtenaren kiezen om den naam dien zij hebben of om hun werkelijke waarde?”—„Natuurlijk om hun werkelijke waarde,” antwoordde de hertog. Toen zeide zijn gast: „Op de oostelijke grenzen van uw staat is een zekere Lie Yin, die een man van werkelijke waarde is.”—„Wat waren zijn grootvader en zijn vader?” vroeg de hertog. „Zij waren landbouwers,” was het antwoord; waarop de hertog in luid lachen uitbarstte en zeide: „Ik houd niet van het landbouwvak. De zoon van een’ landbouwer kan niet geschikt voor eene betrekking zijn. Ik geef zelfs niet al de jongeren van families wier ambten erfelijk zijn, eene betrekking.” Tszʼ Szʼ merkte op: „Ik noem Lie Yin om zijne bekwaamheden; wat heeft het feit, dat zijne voorvaderen landbouwers waren, te maken met dit geval? En bovendien was de hertog van Chow een groote wijze en Kʼang Shoeh een waardig man. Toch, als gij hun begin nagaat, zult gij zien, dat zij van het landbouwvak afkomende stichters van den staat werden. Ik twijfel er nu stellig aan, of gij in de keuze van uwe ambtenaren wel het oog hebt op hun werkelijk karakter en hunne bekwaamheden.” Hiermede was het gesprek uit. En de hertog zweeg.

Tszʼ Szʼ bereisde vele landen, en sleet de laatste jaren van zijn leven in Loe. Treffend is zijne uitlating omtrent de bekendwording van de Leer van groote mannen. Toen de hertog van Loe hem eens vroeg, of hij goed deed zonder daarvoor eenigen lof van menschen te willen ontvangen, antwoordde hij: „Neen, dat is niet mijn sentiment. Als ik betracht wat goed is wensch ik, dat de menschen dit weten, want als zij het weten en mij prijzen voel ik mij aangemoedigd om nog ijveriger in die betrachting te zijn. Dit is wat ik wil, en (maar) niet verkrijgen kan. Als ik betracht wat goed is, en de menschen weten het niet, is het waarschijnlijk, dat zij in hun onwetendheid kwaad van mij zullen spreken. Zoo word ik door al mijn goed doen maar kwaad besproken. Dit is, wat ik niet wil, maar niet kan vermijden. Als iemand opstaande met het hanengekraai begint te betrachten wat goed is, en volhardend met die poging doorgaat tot middernacht, en tegelijkertijd zegt dat hij niet wil, dat de menschen het weten, zou ik van zoo iemand zeggen dat hij zoo niet bedriegelijk dan toch dom is.”

Tszʼ Szʼ gaf in de „Choeng Yoeng” een werk van een’ prachtigen, statigen stijl, dat na meer dan twintig eeuwen nóg een der groote standaardwerken van de chineesche litteratuur is. Kort en laconiek geeft zijn stijl slechts de essence van de bedoeling, zonder noodelooze uitweiding. De ideeën staan onsterfelijk in hun simpelste gedaante, met het hart der divine waarheid bloot, zonder gewaden van daaromheen zwevende en golvende woorden, in de naaktheid van het essentieele Wezen.

Van de „Ta Hiŏh” weet men den auteur niet met zooveel zekerheid als van de „Choeng Yoeng.” Volgens eene oude traditie zou ook dít werk van Tszʼ Szʼ zijn, maar door velen wordt dit betwist. Hoe het ook zij, dat het een werk uit de school van Confucius is, en geheel en al in den geest en volgens de leer van Confucius is, enkel opgebouwd uit zijne principes, is zeker.

De „Loen Yü”, „redeneeringen en gezegden” zijn niets dan aanhalingen van Confucius’ eigen gezegden, van stukken van gesprekken, die hij met zijne discipelen had, en gezegden van zijne discipelen onderling. Het is niet één logisch geheel, maar een verzameling fragmenten. Vermoedelijk is het niet door Confucius’ discipelen geschreven, ofschoon velen dit gelooven, maar door de discipelen van zijne discipelen, en wel op het einde van de vierde eeuw vóór Christus. De authentiekheid staat vast, en niemand twijfelt er aan, of het bevat de origineele gezegden van Confucius, door zijne discipelen trouw overgeleverd.

Van groote waarde is de uitgave en de commentaren en inleidingen van den filosoof Choe Hie, die de „Choeng Yoeng” en de „Ta Hiŏh” bestudeerde. De tegenwoordig overal in gebruik zijnde edities zijn allen voorzien van Choe Hie’s aanteekeningen en door hem gerangschikt. Deze filosoof leefde in de Soeng dynastie. [35] Zonder Choe Hie zou wellicht alles verloren zijn gegaan of verkeerd opgevat. De klassieken zijn in groot gevaar geweest in den tijd der eerste Tsien dynastie. Toen de verzwakte Chow dynastie was gevallen voor de macht der Tsien vorsten, brak onder de regeering van Chie Hwang Ti, (d. i. „de Eerste Keizer”) voor de Confucianisten een tijd van vervolging aan. Deze keizer, wiens eenige verdienste is, dat hij den grooten muur liet bouwen, en die door geweld zijn macht had verkregen en moest handhaven, vreesde terecht, dat de leer van Confucius een blijvende beschuldiging tegen hem zou worden. Het was dan ook waar, dat zijne wetten en verordeningen door de litterati werden getoetst aan de leer van Confucius, en daardoor vanzelf veroordeeld.

Toen eindelijk zijn eerste minister, om hem te vleien, verklaarde, dat niet hém een nieuwe era zou beginnen, en dus al het oude moest worden weggedaan, en het voorstel deed, aan allen, uitgezonderd het hoogste litterarische College, het bezitten van de Confucianistische boeken, de Shi King (Canon der Poëzie) en de Shoe King (Canon der Historie) te verbieden, volvoerde Chie Hwang Ti dit plan met genoegen. Allen, die zelfs maar over deze boeken durfden spreken, zouden met den dood worden gestraft. Verder werd aan ieder, op straffe van brandmerking en vier jaar dwangarbeid aan den grooten muur, bevolen, de in zijn bezit zijnde boeken onmiddellijk te verbranden. Een jaar na dien brand vluchtten twee geleerden van het keizerlijke hof. De keizer, voorziende, dat het hun te doen was, om de verboden litteratuur weer te doen herleven, en het volk tot opstand aan te zetten, liet hen vervolgen en door de Censoren eene inquisitie instellen. Deze inquisitie had ten gevolge, dat vierhonderd en zestig geleerden en studenten werden betrapt op overtreding van het verbod, en als afschrikkend voorbeeld levend werden verbrand.

Tot overmaat van ramp werd in den strijd, die later ontstond toen de Han’s de Tsien dynastie aanvielen, de hoofdstad (toen Hien Yang) door Hiang Yu, den grootsten vijand der Han’s, verbrand. Drie maanden lang duurde de brand van de paleizen en gebouwen.

Lioe Ping, een beroemd veldheer der Han’s, slaagde er in, de Tsien dynastie te verdrijven en verhief zich tot keizer, onder den naam Kao Tsoe. Met de Han [36] dynastie begon een gouden tijdperk voor China, waarin kunsten en wetenschappen een ongekenden bloei bereikten. Onder de Han dynastie werd de oude litteratuur weer in eer hersteld. Natuurlijk waren, niettegenstaande de felle maatregelen der Tsiens, niet alle copieën van de boeken verloren gegaan, die niet op papier, maar op bamboe-tabletten waren geschreven of gegraveerd. De achtereenvolgende keizers der Han dynastie beijverden zich zeer voor de herleving der litteratuur. Honderden verschillende edities der oude werken werden nog gaaf gevonden, en door bekwame handen gerangschikt en gecatalogiseerd. De thans in ons bezit zijnde boeken, zooals die door geheel China worden gelezen, zijn zonder eenigen twijfel de authentieke. Alleen aan de echtheid van de „Chʼoen Chʼioe” wordt wel eens getwijfeld.

Het is wel nagenoeg aan iedereen bekend, dat Confucius thans door geheel China als zijn grootste wijze vereerd wordt.

Van af 57 n. C. verspreidde zich de aanbidding van Confucius, die eerst uitsluitend in Loe werd betracht, over het geheele rijk, en werd er bepaald, dat in het keizerlijke college en alle colleges van het rijk offeringen aan hem moesten worden gedaan. En op dezen tijd zijn in China bijna twee duizend tempels voor hem opgericht. Vroeger werden in deze tempels beelden van hem aangebeden, maar deze zijn thans bijna overal vervangen door tabletten, zooals die nu ook voor de afgestorvenen bij het geheele volk in gebruik zijn. In die tempels zijn niet alleen de tabletten van Confucius, maar ook die van zijne voorvaderen en al zijne discipelen, en wel in een zaal achter die, waar de tablet van hemzelf is. Op den 1en dag van elke maand worden er offeringen van vruchten en groenten aangeboden, en op den 15en van wierook. Tweemaal in het jaar, in de middenste maanden van lente en herfst, gebeurt de grootste, plechtigste ceremonie. In Peking wordt deze door den keizer zelf geleid, die, na tweemaal geknield en zesmaal het hoofd gebogen te hebben, den geest van Confucius aanroept met de woorden: „Groot zijt Gij, o volmaakte Wijze! Uw deugd is volkomen, uw leer is volmaakt. Alle koningen eeren U. Uwe statuten en wetten zijn in glorie overgeleverd. Gij zijt het voorbeeld in deze keizerlijke school. Eerbiediglijk zijn de offervazen uitgezet. Vol van eerbiedigen angst slaan wij onze trommen en bellen!”

In de plechtige aanspraak na het aanbieden der offeringen worden ook zijne discipelen herdacht met de woorden: „Met U zijn saamverbonden de filosoof Yen (Hwoey), voortzetter van U; de filosoof Tseng (Sin), uitlegger van uwe fondamenteele principes; de filosoof Tszʼ Szʼ, uw overleveraar; en de filosoof Meng, [37] de tweede na U!”

Het graf van Confucius is thans nog te zien, en wordt door Dr. Williamson die het in 1865 bezocht, aldus beschreven: „Een mooie avenue van cypressen leidt noordelijk van de noordelijke poort (van de vroegere hoofdstad van Loe) naar de begraafplaats. Het graf ligt in een bosch van eiken, cypressen, en andere boomen, omringd door een hoogen muur. Het kerkhof binnentredend, gingen wij door een mooi geornamenteerde poort, en toen door een tweede laan, met leeuwen en anderen beesten, in steen, aan elke hand, en de onvermijdelijke cypresboomen [38] boven onze hoofden. Bij het graf staan twee steenen beelden, grooter dan levensgroot tegenover elkaar, wijzen, met plechtig gezicht. Voorbij het huis gaande, waar de offeringen worden bereid, en de aanbidders komen rusten, werd ons een boom gewezen, indertijd geplant door zijn discipel Tszʼ Koeng, en een paviljoen, opgericht door keizer Kien Loeng. Het graf van Confucius is een kolossale wal, overgroeid door boomen en struiken, met de gebruikelijke gelegenheden voor offering in het front. Naast het graf staat een tablet, 25 voet hoog bij 6 voet breed, waarop de namen van den wijze en zijne daden zijn gegraveerd.—Ten Westen van het graf van den wijze is dat van zijn’ zoon Lí, en overal in ’t rond de graven van de hoofden van zijn clan.” [39]

Behalve uit de Confucianistische werken, hebben wij vaste en correspondeerende gegevens omtrent zijn levensloop in het werk „Shʼ Ki” (Historische Annalen) van den beroemden historieschrijver Szʼ Ma Tsʼien, [40] het leven van Confucius door Kiang Yoeng, de „Kʼoeng Tszʼ Kia Yü” (Familiegezegden van Confucius), en de werken van Kʼoeng Toe, „Kʼoeng Tsʼoeng Tszʼ”, een afstammeling van Confucius, die bij de uitvaardiging van het gebod tot verbranding de werken van Confucius in den muur van zijn huis verborg. Het zijn deze werken, vooral de „Shʼ Ki” (in het hoofdstuk over Confucius „Koeng Tszʼ Shi Kia”), die door de westersche geleerden, o. a. James Legge, als voorbeeld en bron voor hunne beschrijving van Confucius’ leven zijn gebruikt.

CHOENG YOENG.

INLEIDING.

Mijn Meester, de filosoof Chʼing zegt: „Zonder overneiging zijn is Choeng; zonder verandering zijn is Yoeng.” Choeng is de rechte Tao van alles onder den Hemel; Yoeng is het vaste principe van alles onder den Hemel. Dit Boek is de overgeleverde wet van het hart [41] uit de school van Confucius. Tszʼ Szʼ, vreezende dat zij op den duur verkeerd zou (overgebracht) worden, schreef haar neer in een Boek, dat hij aan Meng Tszʼ [42] overhandigde. Dit Boek spreekt eerst van het ééne principe; dan spreidt het dit uit, en het omvat alle dingen; ten laatste keert het terug en vereenigt ze (weer) tot één principe. Ontrol het, en het vult het Heelal; rol het op, en het keert terug, en verbergt zich in mysterie. Het genot er van is onuitputtelijk. Het is alles waarachtige leering. Als de aandachtige leerling het met genot heeft gelezen en begrepen, zal hij hebben, wat niet kan worden uitgeput.

HOOFDSTUK I.

1. Wat de Hemel (als natuur) verleend heeft, wordt genoemd Sing. Het volgen van de Sing wordt genoemd Tao. Het regelen van Tao wordt genoemd Kiao (onderwijs).

2. Tao mag geen oogenblikje verlaten worden; kon Tao verlaten worden, dan zou het Tao niet zijn. Daarom is de Kiün Tszʼ [43] waakzaam al ziet hij niet, en in vreeze al hoort hij niet.

3. Er is niets zichtbaarders dan wat duister is, niets openbaarders dan wat klein is. Daarom is de Kiün Tszʼ waakzaam over zijne eenzaamheid.

4. Als pleizier, toorn, smart of geluk niet bewegen, noemt men dat Evenwicht; als zij bewegen, maar in de juiste middenmaat, noemt men dat Harmonie. Dit Evenwicht nu is de groote Oorsprong van alles onder den Hemel. Deze Harmonie nu is de manifestatie van Tao.

5. Als men de staten van Evenwicht en Harmonie tot het uiterste heeft opgevoerd, zijn Hemel en Aarde gevestigd, en alle dingen zijn (overvloediglijk) gevoed en bloeiend.

Dit ééne hoofdstuk bevat de essence van het geheele boek Choeng Yoeng. Het is niet doenlijk, met europeesche woorden de veelbeteekenende chineesche karakters precies met equivalenten weer te geven. Men kan de begrippen wel naderen, en met vage omtrekken weergeven, maar niet geheel met europeesche woorden omvatten. Daarom is eene bespreking altijd noodzakelijk.

Het komt mij voor, dat de meeste vertalers, die dit hoofdstuk vertaalden, den inhoud te veel beperkt hebben, daar zij de begrippen Sing en Tao exclusief op menschen toepasten, en dit toch stellig op de geheele natuur, dieren en dingen moet gedaan worden. Het is, of men bang geweest is voor een schijnbaar pantheïsme, dat men er door krijgen zou. Toch verklaarde Choe Hie zeer stellig, dat de Sing in alles en allen is.

Wat ik uit dit hoofdstuk voel—in de meeste gevallen samenvoelende met Choe Hie, is het volgende:

Er bestaat in alles en allen als oorsprong en natuur een essence van den Hemel. Deze noemde Confucius Sing. Het volgen van, het zich volkomen richten naar die Sing, met andere woorden het ware, aan de Sing aangepaste levensbewegen, noemde hij Tao. Dit Tao zou—(althans in Confucius’ werken) met de Weg, het Pad kunnen vertaald worden. Aan den mensch kan de regeling van dat pad geleerd worden door Kiao, onderricht, leering, en diegenen, die dit kunnen doen, heette Confucius Wijzen. Tao kan geen oogenblik verlaten worden, anders zou het de ware Tao niet zijn. Immers Tao is aangepast aan de eeuwige, eindelooze Sing, en kan dus evenmin als de Sing ooit veranderen, of afwijking gedoogen. De ware Tao is dus een weg, streng en recht als een rechte lijn, die geen kromming gedoogt, uit den aard van haar rechtheid. Maar Tao is niet alleen het pad, dat de mensch moet begaan; het is ook de natuurlijke (d. i. aan de Sing aangepaste) gang van de geheele wereld, menschen, dieren en dingen, zooals ook de Sing niet alleen aan de menschen, maar in de geheele creatie is gegeven.

Omdat Tao geen oogenblik kan verlaten worden, en niet gebonden is aan met de zinnen waarneembare dingen, evenmin als de Sing zelve, zal de Kiün Tszʼ niet wachten tot hij iets met de oogen ziet, om steeds er voor te waken, dat hij Tao toch vooral volgt, noch zal hij wachten met er voor in vreeze te zijn dat hij misschien zou afwijken, tot hij met de ooren iets hoort. Want zijn Sing, zijn natuur van den Hemel, is niet een uitwendige schijn, maar ligt verborgen in mysterie, en do Tao doordringt toch alles; hij is in het allerkleinste gemanifesteerd, en zijn Weg gaat in het allerduisterste evengoed. Daarom is de Kiün Tszʼ steeds wakende als hij eenzaam is, want, ofschoon schijnbaar alleen, heeft hij toch als waarachtige wezen de Sing in zich, die hij aldoor moet blijven volgen in Tao.

Het zonder overneiging zijn naar eene of andere zijde, noemde Confucius Choeng, met een hiëroglyphisch karakter, dat „het midden” verbeeldt (n.l. een vierkant, dat precies in het midden door een rechte lijn in twee gelijke deelen wordt gesneden). Dit Choeng drukt uit de richting van Tao, het aan de Sing aangepaste levensbewegen, dat alles onder den Hemel moet volgen, en dat (evenmin als het juiste midden) nooit een oogenblik verlaten kan worden, of afwijking gedoogt. Wat onveranderlijk is—, dus: in zich zelf eeuwig bestaat, noemde Confucius Yoeng, en dit was het principe, dat alles onder den Hemel regelt.

Als géén emoties van pleizier, toorn, smart, of geluk bewegen, noemde Confucius dit een toestand van Evenwicht. Dit Evenwicht was de groote Oorsprong van alles onder den Hemel. Is het noodig te zeggen, dat dit Evenwicht dus de toestand is, waarin de Sing oorspronkelijk verkeert?

Als deze emoties wél worden bewogen, maar in een juiste maat, zonder bruuskheid of schokken, dan is er een toestand van Harmonie in den mensch. Deze Harmonie is het bewijs, dat de mensch zich inspant om de Sing te volgen, is dus de manifestatie van zijn Tao, en het is alleen mogelijk Tao te begaan als er Harmonie is.

En nu nog over die gewichtige woorden aan het eind van het vijfde artikel:

Als de mensch zich door groote inspanning weer kan brengen tot den toestand van Choeng Yoeng,—zonder neiging naar eene of andere zijde zijn, in stabiel evenwicht, en onveranderlijk, zooals de Sing oorspronkelijk is—dan zou hij één zijn met Hemel en Aarde en met álle dingen. Choe Hie voegt er in zijn commentaar bij: „(dan zijn) Hemel en Aarde en alle dingen met mij één lichaam. Is mijn hart (hier in den zin van ziel) recht, dan is dat van Hemel en Aarde ook recht.” Als de mensch het tot Choeng heeft gebracht, zal hij Hemel en Aarde en alle dingen zien zooals zij zijn, zullen zij dus, wat de chineesche filosoof noemt, „gevestigd” zijn, en wel één met hem.

De op dit eerste hoofdstuk volgende hoofdstukken zijn geen voortgaan op het daarin vastgestelde, maar eerder eene verduidelijking en omschrijving, meestal met voorbeelden uit de geschiedenis. De volzinnen beginnende met „De Meester zeide” zijn oorspronkelijke gezegden van Confucius, de andere zijn waarschijnlijk van Tszʼ Szʼ. Velen gelooven, dat de Choeng Yoeng oorspronkelijk van Tszʼ Szʼ is zonder dat hij de hoofdideeën alle van Confucius had, en in dat geval zouden de ideeën als van de Sing enz. niet van Confucius maar van Tszʼ Szʼ zijn. Wij zullen ons hier niet in verdiepen.

Op den hoofdtekst volgt nog het:

NAWOORD.

In dit eerste hoofdstuk publiceert Tszʼ Szʼ de aan hem overgeleverde bedoelingen, als basis van zijne woorden. Eerst maakt het duidelijk, dat de Oorsprong van Tao in den Hemel is, dat Tao onveranderlijk is, en belichaamd is in ons eigen lichaam, en geen oogenblik kan worden verlaten. Dan spreekt het van het noodzakelijke om (het van den Hemel gegevene) (goed) te bewaren en te onderhouden, en om steeds (waakzaam) onderzoek (in ons zelven) te doen. Ten laatste spreekt het van de verdiensten en den (ten goede) veranderenden invloed van de Wijzen en spiritueele menschen, tot het uiterste opgevoerd. Die dit alzoo willen leeren moeten het in zich zelf zoeken, en zullen het (dan) vanzelf (in zich) verkrijgen. Dan zullen zij alle uitwendige verleiding, die op hun egoïsme werkende is, van zich wegdoen, en hun natuurlijke Goedheid zal vervuld zijn. Dit hoofdstuk is wat de schrijver Yang het noemde: „Het lichaam (hier: Wezen) van het geheele Boek.” In de tien volgende hoofdstukken haalt Tszʼ Szʼ des Meesters woorden aan, om de bedoeling compleet te maken.

HOOFDSTUK II.

1. Choeng Ni (Confucius) zeide: „De Kiün Tszʼ is Choeng Yoeng; de kleine mensch is tegenovergesteld aan Choeng Yoeng.

2. Dat de Kiün Tszʼ Choeng Yoeng is, is omdat hij een Kiün Tszʼ is, en altijd in Choeng is. Dat de kleine mensch tegenovergesteld aan Choeng Yoeng is, is omdat hij een klein mensch is, en niet in vreeze.”

HOOFDSTUK III.

De Meester zeide: „Hoe uitstekend is Choeng Yoeng! (Maar) zeldzaam zijn er onder het volk die het lang kunnen (handhaven).”

HOOFDSTUK IV.

De Meester zeide: „Ik weet hoe het is, dat Tao niet wordt begaan! Die weten overschrijden het, die dom zijn komen er niet aan toe! Ik weet hoe het is, dat Tao niet helder is! Die waardig (en deugdzaam) zijn overschrijden het, die onwaardig zijn komen er niet aan toe!

2. Er zijn geen menschen, die niet drinken en eten. (Maar) weinigen kennen den (waren) smaak!”

HOOFDSTUK V.

De Meester zeide: „Helaas! Hoe is Tao onbegaan!”

HOOFDSTUK VI.

De Meester zeide: „Shoen! Hij was een wijs mensch! Shoen hield er van om anderen te vragen, en onderzocht (schijnbaar) oppervlakkige woorden. Het kwade (er in) verborg hij, het goede spreidde hij uit. Hij greep de twee uitersten, nam er het Midden (Choeng) van, en gebruikte dat (in de regeering). Daardoor was hij (juist) Shoen!”

In bovenstaande hoofdstukken wordt gezinspeeld op het feit dat Tao, en dus ook het bereiken van Choeng Yoeng, geen oogenblik uit het oog moet worden verloren, en de mensch altijd door, in waakzaamheid en vrees, op zijn gedrag moet passen. Alleen door niet-nadenken overschrijdt de goede mensch Choeng, en de domme komt er niet eens aan toe. Iedereen drinkt en eet, maar weinigen kennen den smaak, zóó ligt Choeng eveneens in al de dingen en daden van het leven, maar weinigen beseffen het, en denken niet om het gewicht van al die schijnbaar gewone acties en dingen.

Volgens gewoonte haalt Confucius hier een Wijze uit de Oudheid aan, keizer Shoen, die in de meest gewone woorden, in de benèden hem staande menschen toch door het bepalen van het Midden het goede ontdekte, en dat ook aanwendde in de regeering.

HOOFDSTUK VII.

De Meester zeide: „De menschen zeggen allen: „Wij weten,” maar voortgedreven, en gevangen in een net, een val, of een kuil, weten zij niet hoe er uit te komen. De menschen zeggen allen: „Wij weten,” maar als zij Choeng Yoeng uitkiezen kunnen zij er zich niet voor den tijd van een maand in handhaven.”

HOOFDSTUK VIII.

De Meester zeide: „Het menschzijn van Hwoey [44] bestond daarin, dat hij Choeng Yoeng uitkoos. Als hij iets goeds verkreeg hield hij het stijf vast, als droeg hij het op zijn borst, en verloor het niet (weer).”

HOOFDSTUK IX.

De Meester zeide: „Het keizerrijk, de staten en de families kunnen goed geregeerd worden; waardigheden en jaarwedden kunnen geweigerd worden; blanke wapenen kunnen worden vertreden. Maar Choeng Yoeng kan niet bereikt worden!”

Choe Hie zegt hiervan, dat de drie bovenbedoelde dingen, hoe moeilijk ook, toch nog licht zijn in vergelijking met het verkrijgen van Choeng Yoeng. Want om dit te bereiken mag de mensch „geen greintje egoïsme en begeerten” (dus overneiging) hebben, en dit is het allermoeilijkste, en schier onmogelijk.

HOOFDSTUK X.

1. Tszʼ Loe [45] vroeg wat geweldigheid was.

2. De Meester zeide: „Meent gij de geweldigheid van het Zuiden, die van het Noorden, of die van U zelf?”

3. Geduldigheid en zachtheid in ’t onderwijzen, geen onrecht met onrecht beantwoorden; dit is de geweldigheid van het Zuiden, en hierin woont de Kiün Tszʼ.

4. Onder de wapenen zijn en den dood vinden zonder morren; dit is de geweldigheid van het Noorden, en hierin woont de geweldige.