De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius)
Part 4
Confucius kon op den duur aan een hof als dat van Wei niet lang met behoud van zijn waardigheid blijven. Op zekeren dag reed de hertog met de vrouw Nan Tszʼ in ’t openbaar door de straten van de hoofdstad, en beval Confucius in een wagen achter hem te volgen. Het volk begreep dadelijk, wat de vorst hiermede bedoelde, en welke positie hij aan den wijze toekende, en het riep ontevreden uit: „Lust vóórop, en de deugd achteraan!” Toen was Confucius beschaamd, en hij zeide smartelijk: „Ik heb nog niemand gezien, die de deugd even liefheeft als de schoonheid.” [26]
Toen zag hij in, dat hij niet in Wei kon blijven, en ging op weg naar Chʼin, een staat ten Zuiden van Wei. Op zijn gewone reizen vergat hij nooit, ceremoniën te verrichten. Zóó verrichtte hij eene ceremonie onder de schaduw van een pruimeboom op den weg in het staatje Soeng, dat hij door moest trekken. In Soeng leefde toen een mandarijn, Hwan Tʼoey, die reeds lang vijandig was aan Confucius en zijn leer. Deze zond nu een bende op hem af, om den boom te vellen en den wijze te dooden. De discipelen waren hevig verschrikt, maar Confucius bleef kalm, en sprak de schoone, later in de „Loen Yü” vereeuwigde woorden: „De Hemel heeft de deugd in mij voortgebracht; Hwan Tʼoey!—Wat kan hij mij (dan) doen?” Toch was hij met zijn discipelen genoodzaakt te vluchten naar den staat Chʼing, en in die vlucht werd hij van zijne discipelen gescheiden. Zijn discipel Tszʼ Koeng kwam vóór hem in Chʼing aan, en toen hij daar overal naar zijn’ Meester vroeg, antwoordde iemand hem, met de voor Confucius’ persoonlijkheid karakteristieke woorden: „Er was een man, staande bij de oostelijke poort, met een voorhoofd als Yaou, een nek als Kaou Yaou, zijn schouders even hoog als die van Tszʼ Chʼan, maar beneden het middel drie duim lager dan de lengte van Yu, en met geheel en al het troostelooze voorkomen van een verdwaalden hond.” Tszʼ Koeng vond daarna zijn Meester spoedig uit, en toen Confucius hoorde, hoe hij was beschreven, had hij er veel pleizier over, en zeide: „De lichamelijke gestalte is maar een ding van weinig belang, maar te zeggen dat ik als een verdwaalde hond was—die is goed! die is goed!”
Ofschoon men hem in Chʼing niets in den weg legde, was de regeering volstrekt niet van plan hem te onderscheiden en te gebruiken. Na verloop van korten tijd, in 493 v. C., was Confucius weer in Chʼin. In Chʼin was het echter niet rustig, daar de troepen van den staat Woe daar gedurig invallen deden. Daarom besloot Confucius ten laatste maar weer naar Wei terug te gaan. Er is in zijn geheele geschiedenis, en ook aan sommige zijner gezegden in de „Loen Yü” te bemerken, dat hij een onverklaarbare voorliefde voor hertog Ling en den staat Wei had, niettegenstaande de vernedering, die hij daar had ondergaan. Hij had een soort idée fixe dat Wei door den hemel was voorbestemd om zijn modelstaat te worden, hoewel daar geen enkele reden voor bestond. Toch heeft hij tot op het laatste dat voorgevoel behouden, en hij is gestorven zonder er ook maar een schijn van verwezenlijking van te hebben gezien.
Wèl terecht zei hij dan ook eens van zich zelf: „Ik heb de getrouwheid van een hond, en als een hond word ik behandeld. Maar wat doet de ondankbaarheid der menschen er toe? Zij zal mij niet beletten, al het goed te doen dat ik kan. Als mijne lessen onvruchtbaar blijven zal ik ten minste in mij zelf den troost hebben, dat ik trouw mijn plicht heb gedaan.”
Op zijn tocht naar Wei werd Confucius in de plaats Pʼoe tegengehouden en niet losgelaten, dan toen hij zijn woord gegeven had, nooit meer naar Wei te gaan. Dat hij een andere opvatting van een eed had dan de westersche bleek uit de woorden, die hij toen tot zijne discipelen sprak: „Het was een gedwongen eed. De geesten hooren dien niet.” Hij ging daarom toch door naar Wei. Hertog Ling ontving hem heel beleefd, maar luisterde evenmin naar hem als te voren.—In den staat Tsin was in dien tijd een opstand uitgebroken. De mandarijn Peih Heih had zich meester gemaakt van de stad Choung Mow, en verdedigde die tegen zijn wettigen heer. Peih Heih liet Confucius bij zich ontbieden, en hier werd hij voor ’t eerst aan ’t wankelen gebracht. Daar hij in Wei toch niet geapprecieerd werd, en geen verwezenlijking vond van zijn idealen, wilde hij dan maar naar den oproerigen Peih Heih gaan, bij wien hij zeker was, waardeering en voldoening te vinden. Had hij aan zijn plan gevolg gegeven, dan zou hij zijn eigen principes verzaakt hebben. Maar hij zelf had indertijd aan zijn discipelen geleerd, dat de leerling, die vóór alles eerbied en gehoorzaamheid was verschuldigd, toch verplicht was, hem, waar noodig, gepast op zijne fouten te wijzen, en Tszʼ Loe redde hem. Hij zeide tot zijn Meester: „Meester, ik heb u hooren zeggen, dat als een man in eigen persoon schuldig is aan kwaad doen, de Kiün Tszʼ niet met hem kan samengaan. Peih Heih is in rebellie; wat zal men er van zeggen, als gij tot hem gaat?”
En in het antwoord van Confucius was al de opgekropte teleurstelling van zijn leven: „Ja, die woorden gebruikte ik. Maar zegt men niet, dat als een ding werkelijk hard is, het gemalen kan worden zonder fijn te worden; en dat als het werkelijk wit is, het in een donkere vloeistof kan gedompeld worden zonder zwart te worden gemaakt. Ben ik een bittere pompoen? Moet ik ergens langs den weg worden opgehangen zonder gegeten te worden?” („Loen Yü”.)
Maar het eind er van was, dat hij zijn drogreden inzag, en niet naar Peih Heih ging.
In Wei ging het hem maar niet beter. Hertog Ling raadpleegde hem nooit in zaken, waar hij zoo gaarne in wilde gekend worden, maar altijd over krijgskunde. In de „Loen Yü” (Boek XV) wordt verhaald, hoe hij daarom Wei weer verliet:
„De hertog Ling van Wei vroeg Confucius over tactiek. Confucius antwoordde: „Ik heb alles gehoord (ik weet alles) van offervazen, maar militaire zaken heb ik niet geleerd.” Hierna aanvaardde hij den volgenden dag zijn vertrek.”
De staat waar hij nu weer heentrok was Chʼin. Confucius was toen zestig jaar. Hij bleef niet lang in Chʼin, ziende dat men hem daar evenmin waardeerde.
In zijn vaderland Loe, waar hij sinds al die jaren niet was terug geweest, was intusschen èn hertog Ting èn het machtige hoofd van de Kie clan, Kie Hwan, gestorven. Kie Hwan, die indertijd Confucius verloochend had, door de van Tsʼi gekomen vrouwen niet terug te zenden, maar er den hertog mede had doen verleiden, voelde op zijn sterfbed berouw, en droeg zijn opvolger Kie Kʼang op, om Confucius terug te roepen. Ware dit gebeurd, dan zou Confucius zijn vaderland ten laatste nog groot hebben gemaakt, maar Kie Kʼang, naar den raad van een zijner mandarijnen luisterend, zond niet om Confucius zelf, maar om Yen Kʼioe, een zijner discipelen. Confucius, verlangende naar zijn vaderland, en wetende dat Yen Kʼioe nog niet ver genoeg was om eene goede regeering te leiden, riep smartelijk uit: „Laat mij terugkeeren! Laat mij terugkeeren! De kleine kinderen van mijn school zijn te wild en onbezonnen. Zij zijn wèl volmaakt volleerd in de schoone kunsten, maar zij weten zich niet te verbeteren en te vormen.” („Loen Yü”.)
In 490 v. C. ging hij weer uit Chʼin naar Tsʼae, een klein staatje, afhankelijk van het rijk Tsʼoe. Die reis is vol kommer en gebrek geweest, en eens was zijn voorraad levensmiddelen geheel op. Zijn discipelen waren geheel op van vermoeienis en Tszʼ Loe riep uit: „Moet de Kiün Tszʼ werkelijk zóó (ellende) verduren?” Maar waardig antwoordde Confucius: „De Kiün Tszʼ kan werkelijk gebrek te verduren hebben, maar de kleine mensch, als hij in gebrek is, geeft zich over aan toomelooze buitensporigheid („Loen Yü”). In de „Kʼoeng Tszʼ Kia Yü” staat vermeld, dat deze ellende zeven dagen duurde, en Confucius al dien tijd even waardig bleef, ja zelfs vroolijk was, op zijn luit speelde en zong.
Hij bleef ongeveer een jaar in Tsʼae, en trok toen naar Shie, een ander district van Tsʼoe, waar de district-mandarijn den titel van hertog had aangenomen. Deze hertog, niet wetende wat hij van zijn’ vreemden bezoeker moest denken, informeerde naar hem bij Tszʼ Loe. Toen Confucius later hoorde, dat Tszʼ Loe niet had durven antwoorden, zeide hij: „Waarom zeidet gij niet: hij is een man, die in zijn ijverig zoeken (naar wijsheid) zijn voedsel vergeet, die in de vreugde (van het verkrijgen) zijn smart vergeet, en niet bemerkt dat de ouderdom naderende is?” („Loen Yü”.) De hertog vroeg Confucius over regeering, en kreeg weer een zijner typische, kernachtige antwoorden: „(Er is een goede regeering als) zij die nabij zijn gelukkig zijn en zij, die ver zijn, komen (worden aangetrokken).”
Van Shie ging hij weer terug naar Tsʼai. Op dien terugtocht had Confucius twee ontmoetingen, die in de „Loen Yü” (Hoofdstuk 18. No 5) zijn vereeuwigd, en waarin hij, niet voor den eersten keer, vermaand werd om zijn hopelooze pogingen op te geven. Ik vertaal daarom deze ontmoetingen hieronder:
„De krankzinnige van Tsʼoe, Tsieh Yü, [27] ging zingende voorbij Confucius: „O Feniks! O Feniks! Hoe is uw deugd zoo vergaan? Wat verleden is kan u niet meer vermaand worden, maar voor de toekomst kan gezorgd worden. Houdt op! Houdt op! Wie nu aan de regeering meedoen loopen gevaar.”
Confucius steeg uit en wilde met hem spreken. Maar (Tsieh Yü) ging ijlings weg, zoodat hij niet met hem kon spreken. Onmiddellijk hierop volgt in de „Loen Yü” de volgende ontmoeting, waarin hem ongeveer hetzelfde werd gezegd:
„Chʼang Tsü en Kieh ’Neih waren aan ’t werk op het veld. Confucius ging voorbij en stuurde Tszʼ Loe op hen af om naar het veer te vragen. Chʼang Tsü zeide: „Wie is het, die den wagen daar bestuurt?”—Tszʼ Loe zeide: „Het is Kʼoeng Kʼioe.” [28]—„Kʼoeng Kʼioe van Loe?” (vroeg Chʼang Tsü).—„Die is hij” (zeide Tszʼ Loe).—„Die weet het veer wel.” (was het antwoord.) [29]
„Toen vroeg (Tszʼ Loe) aan Kieh Neih. Kieh Neih zeide: „Wie zijt gij?”—„Ik ben Choeng Yioe” [30] (was het antwoord).—„Zijt gij niet de discipel van Kʼoeng Kʼioe van Loe?” (vroeg de andere).—„Dat ben ik” (antwoordde Tszʼ Loe). (Waarop Kieh Neih) zeide: „Het geheele rijk is (in wanorde als) een zwellende stroom en wie zal dat veranderen? En dan volgt gij nog wel een Meester, die (van de eene plaats naar de ander trekkend telkens verschillende) menschen ontwijkt! Deed gij niet beter met degenen na te volgen, die zich geheel hebben teruggetrokken van de wereld?” [31] (Daarna) bedekte hij het zaad en hield niet (weder) op.
Tszʼ Loe ging het aan Confucius vertellen. Deze zeide, met een zucht: „Ik kan niet met vogels en beesten in eenzelfde kudde (of vlucht) zijn. Als ik niet samenga, met deze menschen (het volk), met wien dan? Als er recht in het rijk was zou ik het niet (behoeven te) veranderen.””
De koning van Tsʼoe, die veel van Confucius gehoord had, liet hem ten laatste bij zich ontbieden. Het scheen wel, of nu eindelijk de uitvoering van Confucius’ plannen nabij was, want de koning, die hem eerst als raadsman had gebruikt, wilde hem zelfs een eigen grondgebied geven. Zijn eerste minister bracht den koning echter van dit voornemen af, door hem te doen gelooven, dat een staat in den staat met zulke uitstekende ministers en mandarijnen als Confucius’ discipelen en zulk een hoofd als Confucius gevaarlijk voor Tsʼoe zou worden. Hierdoor argwaan gekregen hebbend, hield nu de koning geheel op, den wijze om advies te vragen. Toen kort hierop de koning stierf wilde Confucius niet langer in Tsʼoe blijven, en ging weer naar Wei. Daar was sinds Confucius’ laatste verblijf veel veranderd. Hertog Ling was gestorven, en zijn kleinzoon Chʼoeh had de regeering geüsurpeerd en moest die verdedigen tegen zijn eigen vader, Ling’s zoon. Dit was wel het ergste, wat, volgens Confucius’ eigen leer, kon gebeurd zijn, want geen ouderlievendheid hebben was de grootste zonde die maar mogelijk was. Geen wonder dan ook dat Confucius, toen Chʼoeh hem als raadsman bij zich liet roepen, die betrekking weigerde, ofschoon Chʼoeh in dezen zijn grootmoeder Nan Tszʼ had geholpen, die door haar zoon, dus zijn vader, bijna vermoord was. Welk een toestand voor Confucius in zijn vaderland! Een zoon, die getracht had, zijn eigen moeder te vermoorden, en een zoon, die met zijn grootmoeder oorlog voerde tegen zijn’ vader en onrechtmatig den troon in bezit had genomen! En dat nadat hij zooveel jaren en jaren zijn leer had verkondigd!
Hij bleef toen vijf jaren in Wei zonder betrekking. In het eerste jaar stierf zijn meest geliefde discipel Yen Hwoey.
Toen hij stierf riep Confucius zuchtend uit: „De Hemel verlaat mij! De Hemel verlaat mij!” Hij had gedacht, dat na zijn’ dood Yen Hwoey zijn leer zou verspreiden, dien hij voor de beste zijner discipelen hield, en toen hij nu stierf, was hij bang, dat zijn principes niet zouden overgeleverd worden. Zijne discipelen wilden Yen een schitterende begrafenis geven, maar Confucius hechtte zóó aan de Lí (’t Decorum) dat hij dit verbood, omdat Yen, die uit eene arme familie was, daar geen recht op had. Confucius, oud als hij nu was, zou toch niet sterven, vóór zijn vaderland te hebben teruggezien. In 483 werd hij, op aanraden van zijn daar vertoevenden discipel Yen Yioe, teruggeroepen. Yen Yioe had zich namelijk zeer verdienstelijk gemaakt in een oorlog tegen Tsʼi en toen hij aan Kie Kʼang had verklaard, dat hij ook zijne militaire bekwaamheden aan Confucius had te danken, besloot Kie hem terug te doen roepen. De regeerende hertog zelf, toen Ngai, nam hiertoe het initiatief. Confucius was toen 69 jaar. Hoewel hij nu met de grootste voorkomendheid aan het hof werd ontvangen, nam hij toch geen deel aan de staatszaken. Hij hield zich verder uitsluitend bezig met literairen arbeid, het bestudeeren en bewerken der Shoe King (Canon der Historie) en de Shi King (Canon der Poëzie); voor de eerste schreef hij een voorrede. Maar zijn geliefkoosde studie was de Yih King. „Als nog eenige jaren bij mijn leven werden gevoegd, zou ik er vijftig wijden aan de studie van de Yih King en dan zou ik misschien zonder groote fouten komen te zijn.”
Ook gaf hij aan den filosoof Tseng Sin de gegevens voor de Hiao King, het later klassiek geworden Boek der Ouderlievendheid.
In het voorjaar van 480 v. C. werd op een jacht een vreemd dier gevangen, dat niemand nog ooit gezien had. Toen het voor Confucius gebracht was, zag hij dat het een „kʼi lin” was, hetzelfde dier, dat bij zijne geboorte aan zijne moeder was verschenen, en het droeg dan ook op zijn hoorns het stuk lint, door zijn moeder indertijd daarop gehecht.
Toen wist hij, dat zijn einde nabij was en hij riep uit:
„Dit is het einde van mijn Leer! [32] Dit is het einde van mijn Leer!” Toch stierf hij niet onmiddellijk na de verschijning van de „kʼi lin” maar bleef hij nog twee jaar in het leven. In dien tijd hield hij zich druk bezig niet zijn werk „Chʼoen Chʼioe,” Lente en Herfst (annalen), het eenige, dat hij zelf geheel en al heeft geschreven. Al de andere confucianistische werken heeft hij wel gezegd, in gesprekken en leeringen aan zijn discipelen, maar zijn niet door hem nedergeschreven. Hij zeide van de „Chʼoen Chʼioe”: „Het is de Chʼoen Chʼioe, die zal maken, dat de menschen mij kennen en het is de Chʼoen Chʼioe, die zal maken, dat de menschen mij veroordeelen.” En Meng Tszʼ (Mencius) getuigde later: „Confucius voltooide de Chʼoen Chʼioe, en oproerige ministers en slechte zonen waren geslagen van angst.”
De „Chʼoen Chʼioe” kan opgevat worden als een vervolg op de Shoe King, en bevat de geschiedenis van Loe (Confucius’ geboortestaat) in verband met die der andere staten onder Chow, van 722–484 v. C. Het moet wèl hard voor hem zijn geweest, die geschiedenis van verval en verwarring te schrijven, hij, die zelf zulke droomen van een ideaal-staat had. Voor den liefhebber der historie is zijn werk zeer gewichtig, maar voor het begrijpen zijner filosofie kan het evengoed gemist worden. Ook durfde hij er niet de volle waarheid in zeggen. Nog slechts éénmaal trachtte Confucius invloed op de regeering uit te oefenen, toen de hertog van Tsʼi door een zijner ambtenaren was gedood, en hij den hertog van Loe bezwoer, deze daad te wreken. Deze poging bleef echter zonder gevolg. In 479 ontviel hem zijn trouwe discipel Yen Yioe, of Tszʼ Loe. Toen Confucius uit Wei naar Loe was gegaan, had hij Tszʼ Loe met een anderen discipel, Tszʼ Kaou, daar achtergelaten, waar dezen een ambt hadden gekregen. Confucius had vroeger al voorspeld, dat Tszʼ Loe, de dappere, nog eens zou worden gedood. „Yioe daar! Hij zal geen natuurlijken dood sterven!” is een zijner gezegden uit de „Loen Yü”. Toen er later in Wei een opstand uitbrak en de zaken hopeloos stonden, wist Tszʼ Kaou te ontvluchten. Tszʼ Loe wilde den vorst niet in het ongeluk verlaten, die hem zoo onderscheiden had, en kwam om in den strijd.
Op zekeren morgen voelde Confucius zich ziek, en ging voor zijn deur zitten. Tszʼ Koeng kwam bij hem en hoorde hem zuchtend de sinds beroemd geworden woorden spreken. „De groote berg valt in puin. De stutbalk breekt. De wijze sterft weg als een plant.”
Zooals te verwachten was van iemand als Confucius, die zijn geheele leven lang het Decorum zoo hoog had gehouden, waren zijne laatste beschikkingen over de „Li” die men bij zijn’ dood moest in acht nemen: „Volgens de (regelen der) menschen van de Hia dynastie werd het lijk gekist op de westelijke trappen, volgens die der Chow dynastie op de oostelijke trappen, volgens die der Yin dynastie tusschen de twee pilaren. Gisteren nacht droomde ik, dat ik met offeringen voor mij tusschen de twee pilaren zat. Ik ben van ’t begin af een man van Yin geweest. Zeven dagen daarna stierf hij” („Shʼ Ki”).
Zijn dood was op den 11en dag van de 4e maand van 478 v. C. [33] acht jaar vóór de geboorte van Socrates. Hij was toen 71 jaar.
Uit dit verslag van zijn levensloop, zooals wij dien vooral uit Kiang Yoeng’s Leven van Confucius en Szʼ Ma Tsʼien’s „Shʼ Ki” met nauwkeurigheid kunnen nagaan, blijkt duidelijk, dat zijn leven ééne teleurstelling is geweest, ook zijn huiselijk leven. Hij trok van land tot land, en werd overal afgewezen. Wèl deed zijn treurig leven hem dikwijls wanhopige uitroepen doen als: „Ik ben toch geen rhinoceros of geen tijger, dat ik zoo in ’t wild moet leven. Mijn Leer is toch niet ontaard, waarom moet het dan zóó met mij zijn!” („Shʼ Ki”), maar meestal bleef hij sterk, en rees hij boven zijn smart op. En dan liet zijn hooge berusting en wijze zekerheid hem grandioze woorden zeggen, die zouden vereeuwigd worden, en meer dan tweeduizend jaren daarna nog door een volk van honderd millioenen met eerbied aangehoord uit zijne werken: „Ik murmureer niet tegen den Hemel. Ik toorn niet op de menschen. Laag begint mijn studie en hoog doordringt zij den Hemel. Wie mij kent, dat is de Hemel.” („Shʼ Ki” en „Loen Yü”.)
Dat zijn Leer geen opgang maakte was omdat zij veel te hoog was voor den ellendigen toestand van het rijk en zijne tijden eeuwen vooruit was. Wèl voelde dit zijn discipel Yen Hwoey toen hij zeide: „Als de Tao niet begaan wordt is dat mijn schande. Maar als de Tao eenmaal begaan is en het niet wordt gebruikt (reeds dat voorbeeld hebbende) is dat de schande van de wereld” („Shʼ Ki”). En dat zijne discipelen zulk een onbegrensd geloof in hem hadden, dat zij het eene onmogelijkheid achtten, dat Tao werd begaan zonder in Confucius het voorbeeld te eeren, blijkt uit het gezegde van Tszʼ Koeng: „Lang kan Tao niet begaan worden in het rijk, want men kan den Meester niet vereeren!” („Shʼ Ki”.)
Confucius werd begraven aan de oevers van de rivier Szi, ten Noorden van Loe. Een zijner discipelen plantte op zijn graf den boom „kiai”. Een tronk van dezen boom is nog blijven staan, en een teekening van deze reliquie is onmisbaar geworden in de studeerkamer van literati. Zijne discipelen droegen drie jaren rouw voor hem. Zooals het met alle groote mannen is gegaan, ging het ook met Confucius. Men wacht slechts op hunnen dood om hen te vereeren en te verafgoden.
Hertog Ngai van Loe, die Confucius nooit de volle eer had bewezen die hem toekwam, besefte na zijn dood op eens wat hij in hem had verloren, en riep uit: „De Hemel heeft den ouden man niet aan mij gelaten! Nu is er niemand om mij op den troon te steunen. Wee mij! Helaas! O eerwaardige Ni!”
Wat wij van Confucius’ wijsheid overhebben is, zoo als ik reeds zeide, alleen wat de „Chʼoen Chʼioe” en de voorredes en bewerking der „Kings” aangaat van zijne eigen hand.
De drie voornaamste werken, waarin zijn leer zuiver is bewaard zijn 1o de „Choeng Yoeng”, dat gewoonlijk, doch niet geheel correct met „De Leer van het Midden”, „Het Gouden Midden”, „Het Onveranderlijke Midden” enz. wordt vertaald, 2o de „Ta Hiŏh”, vertaald met „De Groote Leering”, en 3o de „Loen Yü”, of „Confucianistische Fragmenten.” [34]
De „Choeng Yoeng” is geschreven door Confucius’ kleinzoon, dus Li’s zoon, genaamd Kʼoeng Keih, doch gewoonlijk bij zijn studienaam Tszʼ Szʼ genoemd. Deze Tszʼ Szʼ had van jongs af aan veel van zijn’ grootvader geleerd, en het volgende incident doet zien, dat Confucius veel hoop op hem gevestigd had, en als een voorgevoel had, dat door hem zijn leer zou worden vereeuwigd:
Eens, toen Tszʼ Szʼ alleen met zijn’ grootvader was, en hem hoorde zuchten, vroeg hij hem, na driemaal te hebben gebogen: „Is het omdat gij denkt, dat uwe afstammelingen, door hun karakter niet te verzorgen, u onwaardig zullen zijn? Of is het, dat gij in uwe bewondering voor de wegen van Yaou en Shoen bedroefd zijt, dat gij er in te kort komt?”—„Kind,” antwoordde Confucius, „hoe kent gij zoo mijne gedachten?”—„Ik heb dikwijls van u de les gehoord,” zeide Tszʼ Szʼ, „dat als de vader het brandhout heeft verzameld en bereid, en de zoon den bundel niet kan dragen, die zoon ontaard en onwaardig wordt verklaard. Die opmerking heb ik dikwijls in mijne gedachten, en vervult mij met vrees.” Toen zeide Confucius verheugd, met een glimlach: „Nu behoef ik voorwaar niet meer bezorgd te zijn. Mijn onderneming zal niet op niets uitloopen. Zij zal worden voortgezet en bloeien.”
De toekomst heeft geleerd, dat Tszʼ Szʼ inderdaad den bundel heeft gedragen.
Na Confucius’ dood werd Tszʼ Szʼ een leerling van Tseng. Hij leefde in groote armoede. Alleen graan wilde hij aannemen als men hem wilde helpen, maar wijn en andere weelderige spijzen weigerde hij. Er wordt van hem verhaald, dat hij eens in dertig dagen slechts negen maaltijden gebruikte. Hij droeg schamele kleeren, en toen men hem een pels aanbood, wees hij dien af. Eigenaardig is het, dat ook hij, evenals zijn grootvader, in zijn huiselijk leven zeer ongelukkig was, en zich ten laatste van zijne vrouw liet scheiden. In tegenstelling met het lot, dat zijn’ grootvader trof, was hij overal in hoog aanzien, en werd hij in Loe, zoowel als in Wei, Soeng en Pie met groote eer ontvangen. Zijn eenvoud en armoede behield hij echter trouw. Dat hij een democraat was in den grond van zijn hart en tegen de vorsten rond voor zijne meening uit durfde komen, blijkt uit het volgende geval, waaruit men tevens kan zien, hoe hij de beginselen van zijn’ grootvader wist te handhaven.
Toen de hertog van Wei hem bedankte voor de eer, dat hij uit Loe naar hem toe was gekomen en hem verzocht, hem met raad en daad van dienst te zijn, sprak hij: