De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius)

Part 15

Chapter 151,148 wordsPublic domain

[18] De naam „Kʼioe” is heilig geworden, en mag niet uitgesproken worden met dien klank maar als „moh”. Moet de chineesche geleerde of student het karakter schrijven, dan zet hij het eerbiedig in een vierkantje □, om het te onderscheiden.

[19] „Loen Yü.”

[20] In een volgend deel van dit werk hoopt de schrijver meer speciaal de taoïstische filosofie te beschouwen, en zal hij bij die gelegenheid ook de gesprekken tusschen Confucius en Lao Tszʼ behandelen.

[21] Hwang Ti (de Gele Keizer), een keizer uit de oudheid, die van af 2697 v. C. 100 jaar regeerde. Thʼang of King Thʼang bevrijdde het rijk van den tyran Kjeh Wang (1765 v. C.) of Kjeh Kwei en werd zelf keizer. Hij is een der beroemde „Ouden”, de eerste van de Shang dynastie.

[22] Yiau en Shoen (2356 v. C. en later) zijn twee keizers, onder wier regeering een tijd van volmaakten bloei moet hebben geheerscht. Zij zijn dan ook het ideaal gebleven van keizers, die zich beschouwden als de vaders van het volk.

[23] „Loen Yü” XII.

[24] „Loen Yü” XVIII.

[25] Eigenaardig is dat de eerwaarde abbé Grosier hiervan zegt: „Quel système de philosophie aurait pu tenir contre un essaim aussi redoutable de jeunes beautés folâtres, empressées de plaire, et armées de tous les moyens de séduction?” En dat nog wel een abbé! (Zie zijn „De la Chine, ou Description Générale de cet Empire.” Paris, Pillet. 1820.)

[26] Waar ik in vertalingen in dit werk „schoonheid” gebruik, lett. „kleur”, is dit volgens de chineesche beteekenis van dat woord altijd in slechten zin b. v. schoonheid van vrouwen als verleiding tot lust en slechte hartstochten.

[27] Tsieh Yü was niet werkelijk krankzinnig; hij hield zich maar zoo, om niet geroepen te worden tot een publiek ambt. Zijne woorden zinspelen er op, dat Confucius verkeerd deed, zijne principes in zulk een’ tijd van wanorde aldoor maar tevergeefs, zonder de minste kans op succes, te verkondigen en als weg te werpen. Tsieh Yü’s echte naam was Loeh Tʼoeng.

[28] Zooals in ’t begin van dit hoofdstuk reeds door mij is vermeld heette Confucius ook „Kʼoeng Kʼioe.”

[29] De bedoeling was ironisch „dat hij (Confucius), die zoo voortdurend van land naar land trok, en zoo overal een betrekking bij de regeeringen zocht, dan ook dat veer diende te weten.”

[30] Andere naam van Tszʼ Loe.

[31] Den zin heb ik tot goed begrip niet letterlijk van den tekst naar de letter vertaald, maar naar de bedoeling, verduidelijkt in den commentaar.

[32] Lett.: „mijn Leer is uitgeput.”

[33] Volgens anderen was Confucius’ dood in 479 v. C.

[34] Met de werken van Meng Tszʼ (Mencius) samen vat men deze werken samen onder den naam „Szʼ Shoe”, „De vier Boeken.”

[35] Deze heerschte van 960–1127 n. C.

[36] De chineezen noemen zich dan ook volgaarne „Han Jen” d. i. Han-menschen.

[37] Mencius.

[38] Symbool van trouw en onvergankelijkheid.

[39] Een verre afstammeling van Confucius leeft nog, en wordt met groote onderscheiding behandeld en aan het hof toegelaten.

[40] Szʼ Ma Tsʼien is een der beroemdste geschiedschrijvers van China, wien europeesche geleerden den naam van „de Herodotus van China” hebben gegeven. In zijn werk „Shʼ Ki” wordt de geschiedenis van China gegeven van af keizer Hwang Ti tot den tijd van Woe Wang van Chow.

[41] Men versta hier meer onder „geest.” Het chineesche hiëroglyphische karakter voor hart drukt èn hart èn geest uit. Ook wordt het hart beschouwd als de zetel der ziel.

[42] Dit is gelatiniseerd in „Mencius,” zooals Khʼoeng Foe Tszʼ in Confucius.

[43] Zie „Inleiding” blz. 13 over „Kiün Tszʼ.”—

[44] Yen Hwoey was de lievelingsdiscipel van Confucius.

[45] Tszʼ Loe, of Yioe, was een der beste en trouwste discipelen van Confucius, die echter een groote neiging tot strijden had en beroemd was meer om zijn groote dapperheid dan om zijn helder doorzicht. In de „Loen Yü” hooren wij meer van deze discipelen.

[46] D. i. Het heilige Boek der Odes, één der vijf „Kings.”

[47] Dit „wonen” (lett. vertaald) heb ik behouden, daar ik deze chineesche uitdrukking zeer juist vind voor „altijd iets blijven betrachten zonder verandering.”

[48] Men zie vooral tot goed begrip van dit hoofdstuk eerst de „Historische Ophelderingen,” vóór in dit boek.

[49] Zie „Historische Ophelderingen.”

[50] Ouderlievendheid.

[51] Zie vooral Inleiding blz. 8 over „menschelijkheid, Jên”.

[52] Let op blz. 8 (Inleiding) over wat hier met „menschelijkheid” bedoeld wordt. n.l. „de volmaakte deugd van het hart.”—

[53] Ik heb hier Tao onzijdig genomen, waar elders mannelijk, om verwarring met „den Wijze” te voorkomen. Strikt genomen kan het geenerlei geslacht hebben natuurlijk.

[54] Zooals ik reeds in „Het Leven van Confucius” zeide, wordt het betwijfeld, of Confucius wel dezen tekst ooit uitsprak en of Tsĕng Sin wel de uitlegger en schrijver der volgende hoofdstukken was, en bestaat hieromtrent geen zekerheid. Vertaler geeft echter Choe Hie’s opinie er bij, omdat die nu eenmaal in bijna alle chineesche edities aan den tekst is toegevoegd.

[55] Dit zou óók volgens de chineesche constructie kunnen beteekenen: „is dicht bij den Tao (dan hier „Leer”) (van den Ta Hiŏh) zijn” en is ook door velen zoo opgevat.

[56] Vroeger werd met penseelen op tabletten van bamboe of zijde geschreven, nog niet op papier.

[57] Een geografische lí is 1458,53 voet, waarvan tien een fransche „lieu” uitmaken (Wells Williams).

[58] Het einde der Shang dynastie wordt ook Yin dynastie genoemd.

[59] Men zou kunnen lezen „een grooten Weg” maar dit is het juiste toch niet. Tao is in Confucius „het volgen van de Sing” dus „het volgen van zooals goddelijk is,” „the doing of what is right.”

[60] Wells Williams geeft: „De ster Dubhe α in Ursus Major.”

[61] Dit is werkelijk het geval met de hooge chineesche poëzie die niet alleen aan aesthetische, maar vooral aan ethische vereischten moet voldoen.

[62] Meng Ie was een hoog mandarijn in Loe. Zijn eigen naam was Ho Kie.

[63] Faan Chʼi was een der mindere discipelen van Confucius.

[64] Meng Woe was de zoon van Meng Ie.

[65] Tszʼ Yioe was een van Confucius’ voornaamste discipelen, beroemd om zijn kennis van Lí. Zijn naam was Yen Yang.

[66] Deze Hwoey is de beroemde Yen Hwoey, Confucius’ liefste discipel, die in de „Loen Yü” herhaaldelijk wordt geprezen.

[67] Yioe was de familienaam van Tszʼ Loe.

[68] De hertog van Loe.

[69] Koning Woe verjoeg de Shang dynastie en werd onder den naam Kie Fa de eerste keizer der Chow dynastie.

[70] Familienaam van Tseng Sin.

[71] Vooral hiermede bedoeld „de literatuur” wat echter in chineeschen zin vanzelf ook godsdienst, ethica en moraliteit medebrengt.

[72] De afstand van de vorstelijke plaats wordt gerekend met graden of stappen, naar gelang het aantal hooge staatsdienaren, die volgens rang daar op zijde van staan.

[73] In den zin van „niet in gala gekleed”, „huisdracht.”

[74] Anderen naam van Fan Chʼi.

[75] somtijds meer als „vorst en minister” op te vatten.