De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius)
Part 14
Choe Hie teekent hierbij aan, dat hier niet de „Sing” wordt bedoeld (uit de „Choeng Yoeng”) maar de complexe, actueele natuur, „met haar elementen van het materieele, het animale, en het intellectueele.”
De Meester zeide: „Alleen de opperste wijzen en de laagste dommen (kunnen niet) veranderd (worden).”
De Meester zeide tot Poh Yü: „Maak werk van de Chow Nan en de Shaou Nan. De mensch, die geen werk maakt van de Chow Nan en de Shaou Nan is als iemand die recht tegenover een muur staat. Is dat niet zoo?”
De Chow Nan en Shaou Nan zijn de eerste twee boeken in de Shi King. Hij, die deze boeken, waarin zooveel over deugd en regeering staat, niet had gelezen, kon volgens Confucius evenmin vooruit als iemand, die tegenover een muur staat.
De Meester zeide: „(Het is volgens) de Lí, zeggen zij. Zijn edelsteenen en zijde (alles) wat zij bedoelen met de Lí? Muziek, zeggen zij. Zijn bellen en trommen (alles) wat zij bedoelen met muziek?”
Ziehier dus een klacht van Confucius, dat in zijn’ tijd de menschen alleen het uitwendige, den schijn van Decorum en Muziek hoog achtten, maar het waarachtige wezen daarvan verwaarloosden.
De Meester zeide: „Hij, die een uiterlijk vertoont van ernstige strengheid, en van binnen zwak is, is als een klein mensch; is hij zelfs niet als een dief, die zich door een muur heendringt, of er overheen klimt?” (en ieder oogenblik bang is, betrapt te worden?)
De Meester zeide: „Het volk van de oudheid had drie fouten, die tegenwoordig misschien verloren zijn gegaan.”
„Het hoogvliegen van de oudheid was een niet achtslaan op kleine dingen; het hoogvliegen van heden is losbandigheid. De strenge waardigheid van de oudheid was een ernstige teruggetrokkenheid; de strenge waardigheid van heden is twistzieke gemeenheid. De domheid van de oudheid was oprechtheid; de domheid van tegenwoordig is enkel bedrog.”
Eigenaardig is deze wijze, om uit het falen van de oudheid hare deugd te bewijzen.
De Meester zeide: „Ik zou wenschen, niet te spreken.”
Tszʼ Koeng zeide: „Als de Meester niet spreekt, hoe moeten uwe kleine kinderen (discipelen) dan overleveren?”
De Meester zeide: „Spreekt de Hemel dan? De vier jaargetijden gaan (hunnen loopgang). Alle dingen worden geboren. Maar spreekt de Hemel?”
Ziehier een episode, die eerder in een werk van Lao Tszʼ of Chuang Tszʼ te verwachten ware dan in een van Kʼoeng Tszʼ (Confucius). Ching Tszʼ geeft van dezen tekst de dichterlijke verklaring: „De Leer van Confucius had de helderheid van de zon en de sterren.” Zijn leer behoefde dus geen woorden om duidelijk te zijn, maar straalde uit van zijn persoon en al zijne daden. Om in Lao Tszʼs zin te spreken, zijn Leer was „Wu Wei,” behoefde geen actie van woorden, maar werkte vanzelf, zooals ook de natuur doet.
De Meester zeide: „Hard (is het geval van) iemand, die zich den geheelen dag zat eet, zonder zijn geest ergens voor te gebruiken. Zijn er (dan) geen spelers en schakers? Daar één van te zijn is (nog) waardiger dan niets te doen.”
Tszʼ Loe vroeg: „Waardeert de Kiün Tszʼ dapperheid?” De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ houdt rechtmatigheid voor het hoogste. De Kiün Tszʼ, die dapperheid heeft en geen rechtmatigheid, zal insubordinent worden; de kleine mensch, die dapperheid heeft en geen rechtmatigheid zal gaan stelen.”
De Meester zeide: „Alleen meisjes en dienstknechten zijn moeilijk te onderhouden. Komt gij dicht bij hen (dus: wordt gij familiaar met hen) dan zijn zij niet eerbiedig. Houdt gij u ver van hen dan zijn zij boos.”
Door sommige vertalers is dit „meisjes” ook voor „vrouwen” in ’t algemeen genomen. Dit „meisjes” beteekent hier, zooals ook Legge zegt, meer het engelsche „girls”, dus concubinen. Dienstknechten in den chineeschen zin van slaven hier te nemen.
De Meester zeide: „Yioe, hebt gij gehoord van de zes woorden en de zes overschaduwingen?” (Tszʼ Loe) antwoordde: „Neen.”
„Ga zitten, ik zal het U zeggen” (zeide Confucius). „Houden van menschelijkheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing (veroorzaakt domme) naïeveteit. Houden van wijsheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing (veroorzaakt) losbandigheid (van den geest.) Houden van oprechtheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing (veroorzaakt) kwetsing (of benadeeling). Houden van openheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing (veroorzaakt) grofheid. Houden van dapperheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing (veroorzaakt) insubordinatie. Houden van onwankelbaarheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing (veroorzaakt) dolzinnigheid.”
De Meester zeide: „Als iemand, als hij veertig jaar is, met haat wordt aangezien, zal hij zijn geheele leven blijven zooals hij is.”
Choe Hie merkt hierbij aan, dat „veertig jaar is de tijd van de volmaking der deugd,” de tijd „om te verhuizen naar het goede en de fouten te verbeteren.” De stelling dat iemand, die bij de menigte gehaat is, slecht moet zijn, en dus ook, dat iemand, die bij de menigte geliefd is, goed, komt mij zeer gewaagd voor, en is lijnrecht in strijd met andere principieele uitingen van Confucius. Had hij er, zooals elders bijgezegd „Als er Tao is in het rijk” dan ware het iets anders geweest.
BOEK XVIII.
Hwoey van Lioe Hia was strafrechter, en werd driemaal ontslagen. Iemand vroeg hem: „Zoudt gij, Heer, nog niet kunnen weggaan (naar elders)?” (Hwoey) zeide: „Als ik op oprechte wijze de menschen dien, wáár zou ik heen moeten gaan om niet driemaal ontslagen te worden? Als ik de menschen op een kromme wijze dien, waarom zou ik dan absoluut uit het land van mijne ouders gaan?”
Hwoey hier was een rechterlijk hoofdambtenaar in Loe. Hij was een opperste strafrechter, boven magistraten staande, maar onder den minister van Justitie. Zijn antwoord getuigt van de verdorvenheid zijner tijden. Ik heb hier opzettelijk „krom” vertaald om de tegenstelling met recht, zooals in ’t chineesch staat, waar „oneerlijk” of „onoprecht” beter zou zijn in het hollandsch.
Hertog King van Tsʼi zeide omtrent zijne behandeling ten opzichte van Confucius: „Ik kan hem niet behandelen als het hoofd der clan Kie. Ik zal hem behandelen als tusschen deze en het hoofd der Meng clan in.” (En hij) zeide: „Ik ben oud. Ik kan (zijn leer) niet gebruiken.” En Confucius ging (heen).
Het volk van Tsʼi zond meisjes-muzikanten (naar Loe); Kie Hwan ontving haar en in drie dagen werd geen audiëntie gehouden. En Confucius ging (heen).
(In „Het Leven van Confucius” reeds besproken.)
Tszʼ Loe, den Meester volgende, bleef (eens) achter en ontmoette een oud man, die een mandje voor onkruid op zijn’ schouder droeg aan een staf. Tszʼ Loe zeide vragend: „Heer, hebt gij mijn’ Meester gezien?” De oude zeide: „Uwe vier leden (zijn) niet (gewoon om te) bewegen. Gij kunt de vijf soorten graan niet onderscheiden. Wie is uw Meester?” Hij stak zijn staf in den grond, en wiedde.
Tszʼ Loe bracht zijne handen samen voor de borst en bleef voor hem staan.
De oude hield Tszʼ Loe bij zich om bij hem te overnachten, slachtte een kip, bereidde gierst, gaf hem te eten, en deed hem kennismaken met zijn twee zonen. Den volgenden dag ging Tszʼ Loe (verder) en deelde het (aan Confucius) mede.
De Meester zeide: „Het is een, die zich teruggetrokken heeft” en zond Tszʼ Loe terug om hem weer te ontmoeten, maar toen deze (aan zijn woning) aangekomen was, was hij heengegaan.
Tszʼ Loe zeide: „Geen ambt aanvaarden is geen plichtmatigheid. De betrekking tusschen oud en jong mag niet veronachtzaamd worden, hoe zou dan de betrekking tusschen Vorst en onderdaan veronachtzaamd kunnen worden? Zich zelven rein wenschende te houden, laat (deze oude) die groote betrekking in verwarring komen. De Kiün Tszʼ aanvaardt een ambt en oefent het uit met (de plichten volgens) zijn plichtmatigheid. Dat zijn Leer niet begaan wordt, dát weet hij al (vooruit).”
Dit geval sluit zich aan bij de in „Het Leven van Confucius” door mij geciteerde van de ontmoeting met den krankzinnige Tsieh Yü en die met de twee landbouwers op het veld, Chʼang Tsü en Kieh Neih, die in hetzelfde Boek XVIII hier onmiddellijk aan vooraf gaan. De oude man, hier bedoeld, was oorspronkelijk geen landbouwer, maar een geleerde of wijze, die, de slechtheid der tijden inziende, zich wijselijk in de eenzaamheid had teruggetrokken. De oude man verweet als ’t ware Tszʼ Loe met zijn antwoord, dat hij, in stede van zich ook als gewoon landbouwer terug te trekken en zich met handenarbeid bezig te houden, maar steeds overal met Confucius mede rondzwierf om toch maar ergens diens Leer als hoog gezagbekleeder ingang te doen vinden. Confucius begreep dit, en zond Tszʼ Loe terug, om hem te halen. Tot wien Tszʼ Loe later sprak, toen de Oude er niet was, wordt niet vermeld, vermoedelijk tegen zijn zonen. Confucius, die de vijf Loen, of betrekkingen (vader-zoon, vorst-onderdaan, [75] man-vrouw, oudere broeder-jongere broeder, vriend-vriend) als de door den Hemel ingestelde orde der dingen beschouwde, vond het een zonde tegen den Hemel, om niet zijn’ vorst te dienen, ook al wist men vooruit, dat zijn Leer geen ingang zou vinden (of, zooals er letterlijk staat „dat de Tao niet begaan wordt”) en dat niets dan teleurstelling het loon zou zijn. Hierin verschilde hij in principe met Lao Tszʼ die, eenmaal archiefbewaarder geweest zijnde, toen de tijden slecht waren, verdween, en nooit meer iets van zich liet hooren.
Het samenbrengen van de handen op de borst en dan stilstaan, wat Tszʼ Loe deed, is een betuiging van eerbied volgens de Lí.
De hertog van Chow zeide tegen den hertog van Loe: „De Kiün Tszʼ verwaarloost zijn bloedverwanten niet. Hij maakt, dat de hooge ministers niet op hem toornen, doordat hij hen niet (in den dienst) zou gebruiken. Als er geen groote oorzaak voor is, ontslaat hij niet de ambtenaren uit oude families. Hij zoekt niet naar vaardigheid (voor alle ambten) in één mensch.”
De hertog van Loe was de zoon van den hertog van Chow, en werd door zijn vader, die zelf recht had op de regeering, maar daartoe geen tijd had, naar Loe als regeerder gezonden met deze wijze les. De geleerde Koei Shi zegt hierover: „Deze vier dingen zijn de zaken van den Kiün Tszʼ en het opperste van de trouw en de eerlijkheid.”
BOEK XIX.
De geleerde (die in staatsdienst is) is, als hij gevaar ziet, gereed zijn leven te geven. Als hij (winst) te verkrijgen ziet denkt hij om rechtmatigheid. In de offering denkt hij om reverentie. In het rouwen denkt hij om de smart. Deze is, zooals hij wezen moet.
Tszʼ Hia zeide: „Elken dag erkennen, wat ons (nog) ontbreekt, en elke maand niet vergeten, wat men (reeds) kan, kan met recht liefde voor de studie heeten, naar ik meen.”
Tszʼ Hia zeide: „Handwerkslieden wonen in hun winkels om hun werk te volmaken. De Kiün Tszʼ studeert om zijne principes tot het hoogste op te voeren.”
Tszʼ Hia zeide: „De Kiün Tszʼ heeft drie gedaanteverwisselingen. Van ver af gezien is hij streng; naderbij gekomen is hij zacht; als zijne woorden worden gehoord is hij beslist en ernstig.”
Tszʼ Hia zeide: „Als de Kiün Tszʼ (eerst) het vertrouwen van zijn volk heeft, kan hij het later werk opleggen. Als hij dat vertrouwen niet heeft, zal het voor hem zijn of hij het verdrukt. Als hij eerst het vertrouwen (van zijn’ Vorst) heeft, kan hij hem later vermanen. Als hij dat vertrouwen niet heeft, zal (de Vorst) van hem denken, dat hij hem belastert.”
Met „de Kiün Tszʼ” wordt hier blijkbaar bedoeld „de Kiün Tszʼ, die een minister of hoog ambtenaar is.” Als voorbeeld van de uitgebreide en dikwijls geheel met elkaar in contrast zijnde beteekenissen, die één chineesch karakter kan hebben, diene, dat het woord „Lī” dat in het vorige fragment „majestueus”, „ernstig” en „beslist” kon beteekenen, hier „verdrukken” is.
Tszʼ Hia zeide: „De ambtenaar (als zijn dienst is afgedaan) moet zijn overige krachten besteden aan de studie; de (geleerde) als zijne studies (afgedaan zijn) moet zijn overige krachten besteden aan (de studie van) regeeren.”
Tszʼ Hia zeide: „De rouw moet tot het hoogste opgevoerd worden van de smart, en daarmede uit.”
Ook hier, evenals in vele vorige gevallen, zien wij, dat buitensporig uiterlijk rouwvertoon volstrekt niet werd vereischt, maar het ware wezen van den rouw, de smart, het eenige was dat hare waarde bepaalde.
De filosoof Tseng zeide: „Ik heb onzen Meester hooren zeggen: „Iemand kan nog niet het alleruiterste waartoe hij in staat is getoond hebben, en het dan (later) toonen in den rouw voor zijne ouders.”
M. a. w. het beste wat in den mensch is komt dikwijls eerst te voorschijn als een groote smart over hem is gekomen.
De filosoof Tseng zeide: „Ik heb onzen Meester hooren zeggen: De Hiao (ouderlievendheid) van Meng Choeang was iets, wat andere menschen ook (wel) kunnen, maar zijn niet veranderen van de ministers zijns vaders en van de regeering zijns vaders, dat was iets moeilijks om te kunnen (doen).”
Meng Choeang was het hoofd van de groote clan Meng, en leefde kort voor Confucius.
Tszʼ Koeng zeide: „De fouten van den Kiün Tszʼ zijn als de zon- en maaneclipsen. Hij faalt, en alle menschen zien het; hij verandert (weer) en alle menschen zien er tegen op.”
Shoeh Soen Woe Shoeh zeide tot de hooge ambtenaren aan het hof: „Tszʼ Koeng is eerwaardiger (mensch) dan Choeng Ni (Confucius).”
Tszʼ Foeh King Poh deelde dit mede aan Tszʼ Koeng. Tszʼ Koeng zeide: „Laat mij dit vergelijken met een huis en zijn ommuring. Mijn muur komt (slechts) tot de schouders. Als men er (overheen) gluurt ziet men wat er voor goeds in moge zijn.
„De muur van mijn’ Meester is vele vademen hoog. Als men de deur niet (te vinden) krijgt om binnen te komen, ziet men niet de schoonheid van den voorvaderlijken tempel en de rijke glorie van de vele mandarijnen. Maar er zijn er misschien weinigen, die de deur vinden.
„Was (dus) het gezegde van uwen Meester (die immers die deur niet wist) niet, wat hij wel móest zeggen?”
Shoe Soen Woeh Shoeh was het hoofd der groote clan Shoeh Soen. Tszʼ Koeng, die beroemd was om zijn vaardigheid in ’t spreken, geeft hier in een zeer dichterlijk beeld een goed bewijs van zijne welsprekendheid. Het volgende sluit hierbij aan:
Toen Shoeh Soen Woe Shoeh (eens) beleedigend van Choeng Ni (Confucius) sprak, zeide Tszʼ Koeng: „Doe maar geen moeite. Choeng Ni kán niet besmet worden. De deugden en talenten van andere menschen zijn (als) heuveltjes en walletjes waar men overheen kan stappen. Choeng Ni is (als) de zon of de maan, waar men niet overheen kan stappen. Al wil iemand zich geheel afsnijden (van zijn omgang) hoe kan hij (ooit) de zon of de maan kwetsen?”
Chan Tszʼ Kʼin sprak Tszʼ Koeng aan, en zeide: „Gij zijt (te) nederig. Hoe kan Choeng Ni eerwaardiger zijn dan gij, Heer?”
Tszʼ Koeng zeide: „Om één woord wordt iemand (veelal) voor wijs gehouden, en om één woord wordt iemand (veelal) voor dom gehouden. Wij moeten stellig voorzichtig zijn met onze woorden.
„Men kan niet aan den Meester toe komen, evenals men den Hemel niet langs trappen op kan stijgen.
„Als onze Meester eens (de regeering over) een staat of eene familie verkreeg, zou hij wat hij deed precies doen zooals het wezen moest.
„Hij zou het volk planten, en het zou dadelijk gevestigd zijn. Hij zou het leiden en het zou dadelijk (achter hem aan) gaan. Hij zou het tot rust brengen, en (uit verre streken) zou het dadelijk aankomen (naar zijn staat). Hij zou het opwekken en het zou dadelijk in harmonie zijn. In zijn leven zou hij beroemd zijn. Bij zijn’ dood zou hij diep betreurd zijn. Het aldus zijnde, hoe zou hij (ooit) te bereiken zijn?”
Met het „planten” zal wel bedoeld zijn het volk in een goede omgeving plaatsen, elke klasse en soort in die voor haar eigen positie.
BOEK XX.
Yaou zeide: „O Shoen, de orde van successie van den Hemel rust (nu) op úw lichaam. Houdt ernstig het Midden (Choeng) vast! Als er ellende is binnen de vier zeeën zal uw traktement van den Hemel tot een eeuwig einde komen.”
Met „de hemelsche orde van successie”, waar letterlijk staat: „de voorgestelde en berekende getallen van den hemel” wordt bedoeld de nalatenschap van vorige keizers en koningen, die elkaar telkens opvolgden „als de seizoenen van den hemel.” Het „traktement” van den Hemel, welk woord hier eenigszins vreemd klinkt, is in het chineesch niet zoo leelijk, omdat verondersteld wordt, dat het „loeh” van hooge mandarijnen hun door den Hemel beschoren is, en het woord „loeh” eenigszins een heilig woord is.
Dezen last gaf ook Shoen aan Yü.
(Thʼang) zeide: „Ik, het kleine kind Lí, durf gebruiken een donker gekleurd offerdier, en durf u aankondigen, alleropperste Shang Ti, dat ik den zondaar niet durf vergeven, en ik uw ministers niet in het duister zal laten. Het onderzoek van hen is in uw hart! Als ik zelf fouten bega, ligt dat niet aan (het volk) der tienduizenden streken. Als (het volk) in de tienduizenden streken fouten begaat, rust dat op míjn lichaam.”
Vertaler moet bekennen, dat hij hier niet voor zijne versie instaat, daar de tekst hem nog lang niet helder is. Thʼang uitte deze woorden—een mannelijk rund tot offering daarbij gebruikende—tegen het volk en de verschillende edelen, toen hij hen opriep tegen Kjeh Wang, den tyran der Hia dynastie. Met den zondaar wordt bedoeld Kjeh. Ik vermoed, dat zijne aanroeping tot Shang Ti geschiedde (Legge vertaalt het door „God” wat geen chineesch idee is), maar ik ben er niet geheel zeker van. Wat mij wèl duidelijk is, is, dat hij beloofde, de waardige ministers niet in duisternis, d. i. ongebruikt te laten; dat als hij zelf misdaden of fouten beging, dit niet aan het volk lag, maar als het volk fouten beging, dit aan hem, den vorst lag, omdat hij het dan niet goed genoeg geleerd had. Dit laatste werd ook later een der hoofdstellingen van Confucius. De „ministers van Shang Ti” zijn de waardigen en goeden, die dus in staatsdienst moeten zijn.
Chow gaf groote gaven, en de goeden werden verrijkt.
Hij droeg nauwlettend zorg voor maten en gewichten, onderzocht de wetten, herstelde de ten onrechte afgedankte ambtenaren (in dienst) en de regeering ging haar (goeden) weg.
Hij deed uiteengevallen staten weer opbloeien, herstelde families, welker afstammingslinie was afgebroken, hief in den staatsdienst ambtenaren weder op, die zich teruggetrokken hadden, en de harten van het volk in het geheele rijk keerden zich tot hem. Wat hij van gewicht beschouwde was het voedsel van het volk, de rouw, en de offering. Met zijn edelmoedigheid verkreeg hij (de liefde van) allen. Door zijn oprechtheid vertrouwde het volk in hem. Door zijn activiteit verkreeg hij (groote) werken. Door zijn gerechtigheid waren allen verheugd.
Met Chow wordt hier bedoeld Woe Wang.
Tszʼ Chang vroeg aan Confucius, en zeide: „Hoe moet iemand doen, zóó dat hij de regeering (goed) kan leiden?”
De Meester antwoordde: „Laat hem de vijf schoone dingen eerbiedigen, en de vier slechte dingen verbannen; dan zal hij de regeeringen (goed) kunnen leiden.” Tszʼ Chang zeide: „Wat is het, dat gij de vijf schoone dingen noemt?” De Meester zeide: „Weldadig zijn en niet verkwistend zijn; het opleggen van werk (aan het volk) zonder dat het mort; verlangen zonder begeerigheid; waardig zijn zonder trotsch te wezen; majestueus zijn en niet woest.”
Tszʼ Chang zeide: „Wat noemt gij weldadig zijn en niet verkwistend?” De Meester zeide: „De dingen, waar het volk (natuurlijk) voordeel van heeft nog voordeeliger te maken, is dit niet weldadig zijn en niet verkwistend? Uit te kiezen de werken die kúnnen gedaan worden, en die als werk opleggen, wie zal (daarover) morren? Zijn verlangen zetten op menschlievende (regeering), en die menschlievendheid (dan ook) verkrijgen, wie zal dat begeerigheid noemen? Zonder er op te letten of hij met allen of met weinigen te doen heeft, met groote of kleine zaken, geen oneerbiedigheid te toonen, is dit ook niet waardig zijn en niet trotsch? Hij zet zijne kleederen en zijn muts recht, en maakt dat hij waardigheid heeft in zijne blikken, zoodat hij, aldus in zijne gestrengheid, met ontzag wordt aangezien; is dit niet majestueus zijn en niet woest?”
Hier zij even tusschengevoegd, dat met de „iemand” in de beginvraag van Tszʼ Chang natuurlijk wordt bedoeld „iemand die een hoogen regeeringspost bekleedt, b. v. die van minister.”
Tszʼ Chang zeide: „Wat is het, dat gij de vier slechte dingen noemt?” De Meester zeide: „Het niet geleerd hebben en (toch) het volk ter dood brengen,—dit wordt genoemd wreedheid. Niet (eerst) gewaarschuwd hebben en (direct) het volmaakte werk eischen (van het volk),—dit wordt genoemd verdrukking. Zonder aandrang bevelen uitvaardigen en, als de tijd aangebroken is (met de uiterste gestrengheid onmiddellijke opvolging eischen),—dit wordt genoemd mishandeling. Over ’t algemeen, (belooningen of salarissen) geven, en dat op een gierige manier doen, dit is als enkel maar „ambtenaar” handelen (zonder menschelijkheid).”
De Meester zeide: „Zonder de decreten van den Hemel te kennen kan men geen Kiün Tszʼ zijn.
Zonder de Lí (het Decorum) te kennen is het karakter nog niet gevestigd.
Zonder te weten (wat) woorden (zijn) kan men de menschen niet kennen.”
AANTEEKENINGEN
[1] „The Life and Teachings of Confucius,” 7th edition, London. Kegan Paul, Trench, Trübner & Co.
[2] De in dit werk voorkomende chineesche woorden heb ik in ’t zoogenaamde „mandarijn-chineesch” gegeven.
[3] In deze meer het sanskriet „dana”.
[4] Dus „wat den mensch eigen is, zooals een mensch (oorspronkelijk) is.”
[5] De mystiek hier en daar in de „Choeng Yoeng” is n.l. hoogstwaarschijnlijk van Tszʼ Szʼ en niet van Confucius zelf.
[6] Zoo bekent eveneens Prof. Legge, die van het in de „Choeng Yoeng” voorkomende „Chʼing” terecht zegt „The ideal of humanity,—the perfect character belonging to the sage—is indicated by a single character, and we have no single term in English which can be considered as the complete equivalent of it.”
[7] Dr. H. C. Muller. Schets der Helleensche of Grieksche letterkunde, blz. 166. De cursiveeringen zijn van mij.
[8] Uit Plato’s „Wetten”, 5e boek, en Confucius’ „Loen Yü”, 11e boek. Schoonheid hier in den zin van lichamelijke schoonheid natuurlijk, niet in den allerhoogsten zin.
[9] Wetten. Boek 3, naar de fransche vertaling van de Grou en Becker.
[10] Wetten. Boek 4.
[11] Choe Hie leefde van 1130 na C. tot 1200 n. C.
[12] Letterlijk staat er „alle menschen binnen de vier zeeën” enz. (In de „Loen Yü”.)
[13] Prof. Legge zegt o. a.: „The answer to Confucianism is China!” Maar kan men dan niet even goed in China zeggen: „Het antwoord op Christendom is Europa?”—Opium en christendom zijn in China met geweld van ironclads ingevoerd, en het christendom handhaaft in China de leer van oog om oog, tand om tand. Men kan onmogelijk eene filosofie of een godsdienst beoordeelen naar den toestand van het land, waarin zij ontstonden. Evenmin als Confucianisme China heeft het Christendom Europa rein gemaakt. Maar niet naar den uitslag, naar de innerlijke waarde moet hier gezien worden.
[14] Ik behandel hier de chineesche geschiedenis tot Confucius zoo beknopt en kort mogelijk, alleen juist genoeg om te doen uitkomen, wie de vorsten waren, die Confucius verheerlijkt.
[15] De zendelingen der protestante missies hebben God met Shang Ti vertaald. Maar ofschoon deze naam nog de beste was, hebben de chineezen daardoor meestal hun chineeschen Shang Ti voor den christelijken God gehouden.
[16] Dat gebed om regen is ook nog tegenwoordig in gebruik.
[17] De familienaam van dezen Shoeh Liang Heih (dat zijn aparte mandarijnennaam is) was Khʼoeng, dien dus later ook zijn zoon droeg, dien men „Khʼoeng Foe Tsoe” ging noemen. Foe Tsoe is een titel, die ongeveer ons „Meester” beteekent en aan vele geleerden werd gegeven.