De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius)

Part 13

Chapter 133,921 wordsPublic domain

Ik heb expresselijk weer het woord Tao behouden. „Geen Tao hebben” is dus „niet de Sing volgen”, dus ook vanzelf niet „het principe van den Hemel volgen.” Legge vertaalt het met „the unprincipled” wat daar eveneens uit volgt. Ik houd gaarne het woord Tao in zijne beteekenissen, die in het Boeddhisme en Taoïsme weer zoo geheel anders zijn.

Fan Chʼi vroeg over menschlievendheid. De Meester zeide: „(dat is) de menschen liefhebben.” (Fan Chʼi) vroeg over weten. De Meester zeide: „(dat is) de menschen kennen.”

Hier is een voorbeeld dat „Jên” elders in dit werk „menschelijkheid” (in den zin van de menschelijke deugden hebbend) beteekenend, thans „de menschen liefhebben” beteekent, zooals in boeddhistische werken.

Fan Chʼi begreep het nog niet.

(Toen) zeide de Meester: „Gebruik de rechten, en zet de krommen aan den kant; dan kunnen de krommen recht worden.”

Fan Chʼi trok zich terug, zag Tszʼ Hia, en zeide: „Heer, (zooeven) had ik een onderhoud met den Meester, en vroeg hem over weten, en de Meester zeide: „Gebruik de rechten en zet de krommen aan den kant, dan kunnen de krommen recht worden.” Wat kan hij daarmede bedoeld hebben?” Tszʼ Hia zeide: „Hoe rijk zijn deze woorden! Toen Shoen het rijk bezat koos hij uit allen, en gebruikte Kaou Yan, en zij, die geen menschelijkheid hadden waren ver (te zoeken). Toen Tʼang het keizerrijk bezat koos hij uit allen, en gebruikte Ie Yin en zij, die geen menschelijkheid hadden, waren ver (te zoeken).”

De ware menschelijkheid van een’ vorst, zoowel als zijn ware kennis, bestaat dus, volgens Confucius, uit het kiezen van de geschikte ministers en ambtenaren. De rechten, d. i. de oprechten moeten gebruikt worden (lett. staat er „opgeheven worden”) in den staatsdienst, en de krommen, d. i. de heimelijken, valschen, aan wal gezet. Want dan alleen bestaat er gelegenheid, dat de krommen onder het volk door het voorbeeld der regeeringsambtenaren, en den van hen uitgaanden transformeerenden invloed, ook recht worden.

Tszʼ Hia vroeg over vriendschap. De Meester zeide: „Vermaan (uw vriend) trouwelijk en leid hem goed. Als (gij ziet) dat het niet kan, schei dán uit. Breng uzelf niet tot schande.”

Als voorbeeld van de veelvuldig verschillende beteekenis van het karakter Tao diene, dat het hier voorkomt in den zin van „leiden”. Niet alleen kan het dus beteekenen „weg” maar zelfs „leiden” (op een weg).

BOEK XIII.

Fan Chʼi vroeg (den Meester) om hem landbouwkunde te leeren. (De Meester) zeide: „Ik ben niet zoo goed daarvoor als een oude landbouwer.”

(Fan Chʼi) vroeg (den Meester) om hem tuinieren te leeren. (De Meester) zeide: „Ik ben niet zoo goed daarvoor als een oude tuinman.”

Toen Fan Chʼi uitgegaan was, zeide de Meester: „Wat een klein mensch, die Fan Sü! [74] Als die van boven de Lí (het Decorum) liefheeft, dan zal het volk niet oneerbiedig durven zijn. Als die van boven de plichtmatigheid liefheeft, dan zal het volk het niet durven, zich niet (aan hem) te onderwerpen. Als die van boven de oprechtheid en trouw liefheeft zal het volk niet durven, niet oprecht te zijn. Welnu, als het zóó is, zal het volk uit alle vier windstreken naar hem toe komen, hunne kinderen op den rug dragend. Van wat voor nut zou dan landbouwkunde (voor hem) zijn?”

Confucius vond dus, dat dingen als landbouwkunde, tuinieren enz. voor het volk waren, maar dat „die van boven”, d. i. de Kiün Tszʼ, de minister en de vorst de hoogere dingen hadden te kennen. Choe Hie zegt dan ook „Lí, Iʼ en Sin zijn de zaken van den grooten mensch.” Ik wijs er nog eens op dat men Lí vertalende door Decorum, Iʼ door plichtmatigheid (of, zooals Legge geeft, righteousness), en Sin door oprechtheid en trouw, wel heel dicht bij het chineesche begrip is, maar het niet gehéél omvat. Lí heb ik reeds omschreven door Choe Hie’s gezegde: „De kuische beschaving van het principe van den Hemel,” voor Iʼ geeft Wells Williams „dat, wat het hart in staat stelt, zichzelf te regeeren, en de dingen om op hun juiste plaats te zijn,” en ook „dat wat per se gepast en juist is.” Sin is zoowel oprechtheid, waarheid, integriteit en trouw, volgens Wells Williams.

De Meester zeide: „Als iemand (al) driehonderd Odes kan opzeggen, (maar) als hij in de regeering met iets belast wordt, niet bedreven is, (of) als hij naar een der vier windstreken met een opdracht wordt gezonden, niet (zelf) alleen kan antwoorden, al (leerde hij) ook nóg zooveel, wat presteert hij er mede?”

De Odes van de Shi King zijn van dien aard, dat, als men ze goed bestudeerd en gevoeld had, men vanzelf van regeeringszaken en opdrachten af moest weten, zóóveel staat er van in. Het opzeggen van de Odes zonder ze practisch te kunnen toepassen vond Confucius echter van geen nut.

De Meester zeide: „Als zijn eigen karakter recht is, zal de regeering (van den Vorst) goed gaan zonder (het uitvaardigen van) bevelen. Als zijn eigen karakter niet recht is, al (vaardigt de Vorst) bevelen uit, men zal ze niet opvolgen.”

De Meester zeide: „Als eenigen onder de Vorsten mij wilden gebruiken, zou ik in twaalf maanden iets (belangrijks) hebben kunnen doen. In drie jaren (zou de regeering) volmaakt zijn.”

De Meester zeide: „Als goede menschen een’ staat honderd jaren achtereen regeerden, zouden zij ook de allerslechtsten kunnen vervormen (tot goeden) en de doodstraf afschaffen. Hoe volmaakt waar zijn deze woorden!”

De Meester zeide: „Als er eens een (echte) koning was, zouden er stellig dertig jaar verloopen en daarna zou er menschelijkheid zijn.”

Choe Hie wijst er op, dat deze koning een heilige wijze zou moeten zijn. Chʼing Tsoe wijst hierbij op het feit, hoe onder de regeering van koning Woe (de eerste regeerder der Chow dynastie) de Lí en de Muziek gingen bloeien.

De Meester zeide: „Als een minister zijn eigen karakter recht maakt, wat zal er dan (moeilijks) voor hem zijn in het deelnemen aan de regeering? Als hij zijn eigen karakter niet recht maakt, wat heeft hij dan (andere) menschen recht te maken?”

De hertog Ngai vroeg over regeering. De Meester zeide: „(Eene goede regeering bestaat) als zij die nabij zijn gelukkig zijn, en zij die veraf zijn (naderbij) komen.”

Fan Chʼi vroeg over menschelijkheid. De Meester zeide: „(Dat is) thuis zijnde bedaard en ernstig zijn, in het behandelen van zaken een eerbiedige nauwgezetheid hebben, en in den omgang met anderen loyaal zijn. Al mocht gij onder barbaarsche stammen zijn, mocht gij deze dingen niet veronachtzamen.”

Tszʼ Koeng zeide, vragend: „Hoe moet iemand zijn, om ambtenaar te mogen genoemd worden?” De Meester zeide: „Hij, die in zijn eigen gedrag (gevoel voor) schaamte heeft en ergens in de vier windstreken gezonden, den last van zijn’ Vorst geen oneer aandoet, mag een ambtenaar worden genoemd.”

De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ is waardig en niet trotsch. De kleine mensch is trotsch en niet waardig.”

De Meester zeide: „Als een goed mensch het volk zeven jaren onderwijst, dan kan men het ook in den oorlog gebruiken.”

Het volk, om moreel geschikt te zijn, zijn vaderland te verdedigen, moet eerst onderwezen zijn in de deugden die zijn land groot maken. „Ouderlijke liefde, broederlijke liefde, loyauteit en trouw” noemt Choe Hie onder dezen op.

De Meester zeide: „Een niet-onderwezen volk voor den oorlog gebruiken is het weggooien.”

De laatste chineesch-japansche oorlog heeft de waarheid dezer woorden nog eens bewezen. Men ziet, dat het den chineezen niet aan goeden raad heeft ontbroken.

BOEK XIV.

Hjen vroeg, wat schaamte was.

De Meester zeide: „Als er goede regeering in den staat is (alleen om) traktement te denken, en als er geen goede regeering in den staat is (ook alleen om) traktement te denken, dat is om schaamte over te hebben.”

Er staat weer letterlijk „Als de staat Tao heeft” enz. Een goede regeering is n.l. óók volgen van de hemelsche natuur. Hjen of Yuen Szi was een der discipelen van Confucius, die zich bizonder onderscheidde door zijn onverschilligheid voor rijkdom en wereldsche dingen, en in groote armoede leefde. Hij bekleedde eerst het ambt van gouverneur eener stad, maar na Confucius’ dood trok hij zich geheel terug.

De Meester zeide: „Een geleerde, die veel van gemak houdt, is niet genoeg waard om een geleerde te zijn.”

De Meester zeide: „Als er een goede regeering in den staat is (mogen) de woorden hoog-verheven en de daden hoog-verheven zijn; als er geen goede regeering in den staat is (mogen) de daden hoog-verheven zijn, maar de woorden bescheiden.”

De Meester zeide: „Kiün Tszʼs, die toch niet (altijd) menschelijkheid hadden, zijn er geweest, maar er zijn nog geen kleine menschen geweest, die menschelijkheid hadden.”

De Meester sprak er over dat hertog Ling van Wei geen Tao had. Kie Kʼang zeide: „Als het zóó met hem was, hoe komt het dan, dat hij het rijk niet verloor?” Confucius zeide: „Yü, de Choeng Choeh, was de superintendent voor (de ontvangst van) gasten en vreemden; Tʼo, de litanist, had het beheer over den voorvaderlijken tempel, en Wang Soen Kia had het beheer over het leger; welnu, dit aldus zijnde, hoe zou hij het rijk verliezen?”

De goede, hooge staatsdienaren behielden het rijk, waar de vorst alleen het zoude verliezen. „Choeng Choeh” is een naam voor zekeren familiegraad.

De Meester zeide: „Als iemands woorden niet bescheiden zijn, zal het uitvoeren (daarvan) moeilijk zijn.”

Kü Pih Yuh zond een bode naar Confucius. Confucius zat met hem, en vroeg: „Wat doet uw Meester (alzoo)?” (De bode) antwoordde: „Mijn Meester begeert zijne fouten weinigen te maken, maar heeft het nog niet gekund.” De bode ging uit, en de Meester zeide: „Wat een bode! Wat een bode!”

Dit bewijst, dat Confucius ook kernachtige antwoorden in anderen apprecieerde. Kü Pih Yuh was een mandarijn van den staat Wei, en een van Confucius’ discipelen.

Iemand zeide: „Hoe denkt gij over het met vriendelijkheid beantwoorden van beleediging?”

De Meester zeide: „Waarmede moet men dan vriendelijkheid beantwoorden? Beantwoordt beleediging met recht, beantwoordt vriendelijkheid met vriendelijkheid.”

Het „met vriendelijkheid beleediging beantwoorden” is een der teksten uit de Tao Teh King van Lao Tszʼ. Uit dit enkele fragmentje kan men reeds zien, hoe véél verder en hooger Lao Tszʼ ging dan Confucius.

De Meester zeide: „Helaas, er is niemand, die mij kent!”

Tszʼ Koeng zeide: „Wat bedoelt gij met dat men u niet kent?” De Meester antwoordde: „Ik murmureer niet tegen den Hemel. Ik toorn niet op de menschen. Laag (begint) mijne studie en hoog doordringt zij den Hemel. Wie míj kent, dat is de Hemel!”

Confucius’ studie begon dus laag, bij de eenvoudigste dingen, om daarna den Hemel te doordringen, te omvatten.

Tszʼ Loe vroeg over den Kiün Tszʼ. De Meester zeide: „(De Kiün Tszʼ betracht) cultivatie van zijn Zelf, in reverentie.” (Tszʼ Loe) zeide: „En is het hiermede uit?” (De Meester) zeide: „(De Kiün Tszʼ) betracht de cultivatie van zijn Zelf om anderen tot rust te brengen.” (Tszʼ Loe) zeide: „En is het hiermede uit?” (De Meester) zeide: „(Hij) cultiveert zijn Zelf om het geheele volk tot rust te brengen. (Hij) cultiveert zijn Zelf om het geheele volk tot rust te brengen. (Zelfs) Yaou en Shoen waren hier nog begeerig naar.”

BOEK XV.

De hertog Ling van Wei vroeg Confucius over tactiek. Confucius antwoordde: „Ik heb alles gehoord van offervazen, maar militaire zaken heb ik niet geleerd.” Den volgenden dag aanvaardde hij zijn vertrek.

De Meester zeide: „Tsʼze, gij ziet mij meen ik aan voor iemand, die veel leert en dat onthoudt?”

Tszʼ Koeng antwoordde: „Ja, of is het niet zoo?”

De Meester zeide: „Neen,—ik breng het (alles) tot Één (terug).”

Zie Boek IV. No. XV met de Bespreking. Letterlijk staat er „ik rijg het (alles) met één aan elkaar.”

Tszʼ Chang vroeg over het gedrag (van den Kiün Tszʼ zoodat hij overal geapprecieerd zou worden). De Meester zeide: „Zijn woorden (moeten) oprecht en waar (zijn), zijn daden eerlijk en reverent; al is men onder de wilde barbarenstammen van ’t Zuiden of Noorden, moet men zich zoo gedragen. Zijn zijne woorden niet oprecht en waar, en zijne daden niet eerlijk en reverent, al is hij in (zijn eigen) „cheu”, hoe zal zulk een gedrag geapprecieerd worden?”

„Als hij staat, laat hem (dan) die twee dingen zien, alsof ze vóór hem waren. Als hij in zijn wagen is, laat hem ze dan zien (als) aan zijn juk gehecht. Dan zal hij ze later ook in practijk kunnen brengen.”

Tszʼ Chang schreef deze raadgevingen op zijn gordel.

Een „cheu” is een streek van 2500 families.

De Meester zeide: „De vastbesloten geleerde en de mensch van volmaakte deugd willen niet leven als zij hun menschelijkheid er door benadeelen. Zij willen hun lichaam dooden om hun menschelijkheid te volmaken.”

Confucius leerde dus, dat, liever dan te leven ten koste zijner menschelijkheid, de geleerde (of de deugdzame) zijn leven opofferde om zijn menschelijkheid te redden.

De Meester zeide: „Als een mensch niet bezorgd denkt om wat veraf is, zal het verdriet nabij zijn.”

De Meester zeide: „Het is gedaan! Ik heb nog géén gezien, die de deugd liefheeft als de schoonheid.”

De Meester zeide: „Hij, die van zichzelf véél vergt, en van anderen weinig, zal wrok vér van zich hebben.”

De Meester zeide: „Als een mensch niet (gewoon is) te zeggen: „Wat moet ik hier van denken? Wat moet ik hier van denken?” zou ik niet weten wat ik van hem moest denken.”

De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ is in nood over zijn (eigen) onkunde; hij is niet in nood omdat de menschen hem niet kennen.”

De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ heeft er een afkeer van dat na zijn’ dood zijn naam niet (meer) genoemd zal worden.”

Hierin verschilt Confucius geheel van Lao Tszʼ die leerde, dat als het werk maar overbleef, de naam van den mensch er niets meer toe deed.

De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ zoekt (het) in zich zelven. De kleine mensch zoekt (het) in anderen.”

De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ steekt geen mensch in de hoogte (enkel) om zijn woorden, (maar) verwerpt (ook) geen woorden om den mensch (die ze uitspreekt).”

De Meester zeide: „Als alle menschen iemand haten, moet men daar stellig onderzoek in doen. Als alle menschen iemand liefhebben, moet men daar stellig onderzoek in doen.”

Tszʼ Koeng vroeg over deugd. De Meester zeide: „De handwerksman, die zijn zaken goed wil doen, moet stellig eerst zijne gereedschappen scherpen. Als gij in een staat leeft, neem dan dienst met de meest eerwaardigen onder de hooge ambtenaren, en wees vrienden met de menschelijken onder de geleerden.”

De meester zeide: „Fouten hebben en ze niet verbeteren, dit is (eerst recht) fouten hebben te noemen.”

De Meester zeide: „Voor het volk is menschelijkheid méér dan water of vuur. Ik heb gezien, dat wie op water of vuur traden stierven, (maar) ik heb nooit gezien, dat wie in (het pad van) de menschelijkheid traden stierven.”

De Meester zeide: „(Ieder) moet de menschelijkheid op zichzelf nemen. Men mag haar niet aan zijn’ Meester overlaten.”

De Meester zeide: „In ’t dienen van zijn’ Vorst doet (de Kiün Tszʼ) zijn dienstzaken in reverentie, en zijn eten beschouwt hij als een latere zaak.”

Dit sloeg op de begeerigheid der ambtenaren, die hun traktement als de hoofdzaak beschouwen.

De Meester zeide: „Is er onderricht dan zijn er geen klassen (van menschen).”

Confucius was alzoo het liberale en democratische beginsel toegedaan, dat door goed onderricht alle menschen, van welken rang of stand ook, gelijken konden worden.

De Meester zeide: „Zijn hunne principes niet gelijk, dan kunnen menschen niet samen plannen maken.”

Letterlijk staat er „Is de Tao niet gelijk,” wat ik meen hier met „principes” te mogen vertalen. Confucius bedoelde, dat als de grondbeginselen, de fundamenteele ideeën „van wat goed of slecht is,” zooals Choe Hie in zijn commentaar zegt, niet gelijk zijn, er ook verder geen redeneering of samenwerking mogelijk is. Twee menschen kunnen elk van hun standpunt gelijk hebben, maar de kwestie is, welke die principieele standpunten zijn. Wij zouden deze gelijkheid van principes gerustelijke eene „sympathie” kunnen noemen. Waar die tusschen menschen ontbreekt is samenwerken en begrijpen onmogelijk.

De Meester zeide: „De taal moet (de bedoeling) overbrengen, daarmede houdt het op.”

Eenvoud, leerde Confucius dus, moet het kenmerk van de taal zijn, die simpel de meening moet uitdrukken, anders niets. Choe Hie voegt er in zijn commentaar aan toe: „Men moet geen werk maken van rijkheid of mooiïgheid (van taal).”

BOEK XVI.

(De Meester zeide:) „Ik heb gehoord, dat zij, die het hoofd van een rijk of eene familie zijn, er niet bezorgd over zijn, dat hun volk weinig in getal zoude zijn, maar wel, dat elk niet zijn deel zoude krijgen; dat zij er niet bezorgd over zijn, dat (hun volk) arm zoude zijn, maar wel, dat (het) geen rust zoude hebben. (Want) als elk zijn deel heeft, is er geen armoede, als (het volk) rust heeft, is er geen rebellie.”

Het „elk zijn deel hebben,” of, zooals het meer voorkomt, „elk zijn oorspronkelijk deel hebben” is een typisch chineesche uitdrukking. De chineezen gelooven dat elk, van arm tot rijk, een hem voorbeschikt „deel” heeft, dat hij niet overschrijden kan. Vandaar misschien die tevredenheid en gelatenheid van chineezen in de grootste misère. Choe Hie geeft voor rust hebben „dat hoogen en lagen met elkaar in rust zijn.” Onmiddellijk hierop volgt:

„Ja, zóó is het. Daarom, als het volk van véraf zich niet onderwerpt, dan moet de cultivatie van de beschaving en de deugd het (tot ons) doen komen. En als het tot komen is aangetrokken, dan is het (ook) tot rust gebracht.”

Deze woorden zeide Confucius tot Yen Yioe en Kie Loe, toen zij hem berichtten, dat hun vorst, het hoofd der Kie clan, tegen het staatje Choeën Yu wilde te velde trekken. Niet door geweld van wapenen, zeide dus Confucius, maar door de aantrekkingskracht van beschaving en deugd, moeten vreemde volken onderworpen worden. Merkwaardig is te weten dat het karakter „wen”, dat meestal „literatuur” beteekent, ook wordt gebruikt voor „beschaving”.

(De Meester zeide:) „Als er Tao is (in de regeering) van het rijk zullen er geen (heimelijke) redeneeringen zijn onder het gewone volk.”

Confucius zeide: „Er zijn drie dingen, waar de Kiün Tszʼ zich voor hoedt: In den tijd der jeugd, als zijn fysieke natuur nog niet vastgesteld is, hoedt hij zich voor schoonheid. Als hij zijne (volledige) sterkte bereikt heeft en zijne fysieke natuur in volle kracht is, hoedt hij zich voor vechtlustigheid. Als hij den hoogen ouderdom heeft bereikt, en zijne fysieke natuur verkwijnd is, hoedt hij zich voor begeerigheid.”

Met „fysieke natuur” is het chineesche „hüeh kʼi” onvolledig vertaald. „Hüeh” is lett. vertaald „het bloed” en „kʼi” is, wat Wells Williams terecht noemt „nervous matter or the stamina of a being”, een soort „vital fluid” dat de chineesche filosoof in den mensch onderstelt. „Hüeh” is van „Yin”, het vrouwelijke of duistere principe, „kʼi” is van „Yang”, het mannelijke of lichte principe. Onder „schoonheid” heeft men natuurlijk weer te verstaan „schoonheid van vrouwen”, die lust opwekt, niet de ideale schoonheid.

Confucius zeide: „De Kiün Tszʼ heeft drie (eerbiedige) vreezen. Hij vreest de besluiten van den Hemel. Hij vreest groote mannen. Hij vreest de woorden der heiligen.”

„De kleine mensch weet de besluiten van den Hemel niet, en vreest ze (dus) niet. Hij is oneerbiedig tegen groote mannen. Hij vermaakt zich over de woorden der Wijzen.”

De geleerde Yin Shi teekent hierbij aan, dat deze „drie vreezen” zijn de volmaking der cultivatie van het eigen karakter.

Confucius zeide: „Zij, die geboren zijn met het (ál) weten zijn de hoogsten (onder de menschen). Zij, die (eerst) leeren, en dan weten volgen hierop. Zij, die ellendig zijn, en het (toch) leeren volgen hier weder op. Zij, die ellendig zijn, en (toch) niet leeren, zijn de laagsten (onder de menschen).”

Met „ellendig” wordt hier natuurlijk bedoeld bot en dom. Het chineesche karakter, voorstellende een boom, opgesloten in een omringend vierkant, geeft symbolisch de beteekenis „kwijnend, uit gebrek aan ruimte.” Vergelijk met dit hoofdstuk ook de „Choeng Yoeng”, Hfdst. XX. No. 3.

Confucius zeide: „De Kiün Tszʼ heeft negen dingen, waarin hij (aandachtig) nadenkt. In ’t zien denkt hij er om, dat hij helder moet zien. In ’t hooren denkt hij er om, dat hij duidelijk moet hooren. (Met betrekking op) zijn gelaatsuitdrukking denkt hij er om, dat zij vriendelijk moet zijn. (Met betrekking op) zijne houding denkt hij er om, dat zij eerbiedig moet zijn. (In het spreken van) zijne woorden denkt hij er om, dat zij oprecht moeten zijn. In (het doen van) zijne zaken denkt hij er om, dat hij reverent moet zijn. In zijn twijfelen denkt hij er om, dat hij (anderen) moet vragen. In zijn toorn denkt hij om de moeilijkheden (die er door kunnen ontstaan). Als hij ziet dat er winst te behalen is, denkt hij om rechtmatigheid.”

Het „reverent” zijn in zaken doen is het eerbied hebben voor de principes van eerlijkheid en plicht, en die met vreeze in het oog houden.

De hertog King van Tsʼi had duizend span van vier paarden, maar op den dag van zijn’ dood prees het volk hem voor geen enkele deugd. Poh Ie en Shoe Tsʼi stierven van honger aan den voet van den Shau Yang berg, en het volk prees hen tot den huidigen dag.

Poh Ie en Shoeh Tsʼi waren twee broeders, en zonen van den koning Koe Choeh, ergens gelegen in de tegenwoordige provincie Pechili. Zij leefden in de laatste periode der Shangdynastie. Daar de oude koning den jongsten zoon, met voorbijgang van den oudsten tot opvolger benoemde, weigerde deze uit broederliefde, en verlieten beiden het rijk, om in afzondering te leven. Toen koning Woe van Chow tegen den tyran Cheu Sin optrok en hem overwon, wilden zij niet onder de nieuwe dynastie dienen, en stierven liever van honger onder een boom. Sedert werden zij vereerd om hun broederliefde en hun trouw.

Chʼin Kang vroeg aan Poh Yü: „Hebt gij ook iets anders gehoord (van uw’ vader) dan wat hij tot ons heeft gesproken?” (Poh Yü) antwoordde: „Nog niet! Hij stond eens alleen toen ik haastig beneden de zaal doorging, en zeide: „Hebt gij de Odes bestudeerd?” Ik antwoordde: „Nog niet.” (Toen zeide hij:) „Als gij de Odes niet hebt bestudeerd valt er met u niet te converseeren.” Toen ging ik heen en bestudeerde de Odes. Op een’ anderen dag stond hij (weder) alleen. Ik ging door de zaal voorbij en hij zeide: „Hebt gij de Lí bestudeerd?” Ik antwoordde: „Nog niet.” „Als gij de Lí niet hebt bestudeerd” (zeide hij) „is uw deugd nog niet gevestigd.” Toen ging ik heen en bestudeerde de Lí. Deze twee dingen heb ik (alleen) gehoord.”

Chʼin Kʼang ging heen en zeide verheugd: „Ik vroeg één ding en kreeg er drie. Ik heb gehoord van de Odes. Ik heb gehoord van de Lí. Ik heb bovendien gehoord, dat de Kiün Tszʼ zijn’ zoon ver van zich houdt.”

Men herinnere zich, dat Poh Yü Confucius’ zoon was. Chʼin Kʼang of Tszʼ Kʼin, o. a. ook voorkomende in het 7e. door mij aangehaalde fragment uit Boek I, was een der mindere discipelen van Confucius.

Het „ver van zich houden” is door velen beschouwd, alsof Confucius niet bizonder van zijn’ zoon hield. Maar Choe Hie neemt in zijn commentaar de uitlegging op van den geleerde Yin Shih, die verklaarde, dat dit niet anders beteekende dan „dat Confucius aan zijn’ zoon niet anders leerde, dan wat hij zijn discipelen leerde.” Dus ook, dat Confucius zijne discipelen beschouwde als zijne kinderen. In dit licht gezien wordt het schijnbaar onsympathieke van dit geval juist sympathiek.

BOEK XVII.

De Meester zeide: „Door hunne natuur zijn de menschen elkaar nabij. In de practijk gaan zij ver van elkaar.”