De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius)
Part 12
Yen Yoeën zuchtte klagend en zeide: „Ik zag tegen (de Leer van mijn’ Meester) op en des te hooger (scheen zij); ik trachtte er door héén te dringen en des te massiever (werd zij); ik keek er naar vóór mij, en plotseling was zij achter mij.”
De Meester wilde gaan wonen onder de negen barbaren (stammen) in het Oosten.
Iemand zeide: „Zij zijn ruw (en onwetend). Hoe kunt gij dat doen?”
(De Meester) zeide: „Als er een Kiün Tszʼ (onder hen) woont, wat voor ruwheid kan er dan zijn?”
De Meester, bij een stroom staande, zeide: „Het gaat voorbij juist als dit, het houdt niet op, dag noch nacht!”
Choe Hie zegt, en ik geloof dat hij het juist heeft gezien, dat hier bedoeld wordt „de loop der Natuur.”
De Meester zeide: „Ik heb nog niemand gezien, die de deugd even lief heeft als de schoonheid.”
De Meester zeide: „Het gebeurt, dat er spruitjes zijn, maar dat zij niet in bloei komen; het gebeurt, dat er bloesems zijn, maar er geen vruchten komen.”
De Meester zeide: „De aanvoerder van drie „kiün’s” troepen kan weggerukt worden. De Wil (zelfs) van den gemeenen man kan niet weggerukt worden.”
Choe Hie voegt hieraan in zijn commentaar terecht toe: „Als de wil kon weggerukt worden, dan was het geen voldoende wil.”
De Meester zeide: „Zelf gekleed in een ontrafeld, lang gewaad, bij menschen, die in bonten zijn gekleed, en zich (toch) niet schamende,—dit is zooals Yioe is.”
Men ziet, dat Confucius, die den dapperen, onstuimigen Tszʼ Loe zoo dikwijls berispte om zijn gebrek aan kalm doorzicht, ook wel degelijk zijne andere goede eigenschappen, b. v. hier zijne waardigheid in de armoede, erkende.
De Meester zeide: „Als het jaar koud wordt, dan weten wij dat de pijnboom en de cypres het laatst hunne blaren verliezen.”
„In den nood leert men zijne vrienden kennen,” zou hier wel eenigszins op gelijken. De pijnboom en de cypres zijn, daar zij zoo lang goed blijven, de symbolen in China van langdurigheid, trouw, ouderdom.
BOEK X.
VOORWOORD.
Dit Boek handelt geheel over de karakteristiek van Confucius. Yang Shi zegt hierover o. a.: „Wat de Wijzen Tao noemen is niet iets buiten wat elken dag noodig is. Daarom hebben de leerlingen van Confucius’ school nauwkeurig onderzocht en gezien naar zijn bewegen en rusten van elken dag, en het opgeteekend.” Iets verder zegt Yang Shi: „Als het nageslacht nu hun boek leest zal het vanzelf zijn, of zij den Wijze voor hunne oogen zien.” (Vert.)
Confucius zag er in zijn dorp oprecht en ernstig uit, en als iemand, die niet kan spreken (zoo eenvoudig).
Als hij in den voorvaderlijken tempel was, of aan het hof, sprak hij gemakkelijk, maar zorgzaam.
Als hij aan het hof was, sprak hij met de mandarijnen van minderen rang eenvoudig, en sprak hij met de mandarijnen van hoogeren rang eerbiedig.
Ik heb in dezen de chineesche karakters „k’an” en „yin” met één woord elk vertaald, maar dan ook niet de preciese bedoeling gekregen. Onder het eerste „k’an” met „eenvoudig” vertaald, behoort tegelijk „oprecht, ronduit” te worden verstaan. In het chineesch is dit aan ’t karakter zélve te zien, dat samengesteld is uit twee andere, waarvan het een „waarheid” beteekent, het andere „vloeien” (eenvoudig als een stroom). Zóó is ook „yin” niet alleen eerbiedig, maar ook „zacht, nederig”, hetgeen ’t karakter eveneens uitdrukt, dat bestaat uit twee andere, waarvan het ééne, dat „spreken” beteekent, is geplaatst in een ander, dat „deur” is, dus spreken „als iemand die aan de deur iets vraagt.” Zulke uit zich zelf sprekende karakters zijn natuurlijk niet precies weer te geven in één hollandsch woord.
Als de Vorst aanwezig was drukte zijn gezicht de grootst mogelijke reverente zorg uit, en was hij van eerbied geslagen.
Dit heb ik vrij moeten vertalen. De woorden „tik tsih” achter elkaar beteekenen „het heel voorzichtig stappen, als bang op iets te trappen, en met gelijkmatigen stap.” Dit, vergeleken met de uitdrukking van een gezicht, bracht mij tot mijne vertaling. Choe Hie geeft óók als synoniem „vereeren en vrees” dus „eerbied.” Voor het andere „ü ü” geeft de geleerde Chang Tszʼ „niet vergeten dat de Vorst voor u is” en Choe Hie „eerbiedige vrees”, waaruit ik mijne vertaling putte. Een en ander kan den lezer een idee geven van de moeilijkheid om héél enkele chineesche karakters weer te geven. Legge geeft voor het eerste „respectful uneasiness” en voor het tweede „grave, but self-possessed.”
Als de Vorst hem riep om een’ hoogen edele te ontvangen veranderde zijn gelaatskleur en bogen zijne beenen (als om te knielen).
Confucius’ eerbied voor een bevel wordt hierin beschreven.
Hij boog (dan) tegen de (andere mandarijnen) onder welke hij stond, daarbij zijn rechter- of linkerarm bewegende (al naar gelang zij stonden), maar maakte dat de panden van zijn gewaad voor en achter recht bleven.
Het wordt als onopgevoed beschouwd als bij het buigen het gewaad scheef gaat zitten.
(Dan) ijlde hij vooruit als op wieken van een vogel vliegend.
Dit drukt de eerbied uit, om haastig aan het bevel te voldoen. Statig ijlde hij vooruit, als een vogel die zijn vlucht neemt (den gast tegemoet).
Als de gast (weder) weg was, gaf hij het bericht terug (aan den Vorst): „De gast ziet niet meer om (en ik zie hém niet meer).”
Als hij de groote (paleis)deur binnenkwam, boog hij zijn lichaam, alsof hij er eigenlijk niet door mocht.
Dit drukte zijn eerbied voor den Vorst uit. Zelfs voor de paleisdeur moest hij buigen, alsof hij eigenlijk niet waard was, er binnen te komen.
Ik moet hierbij aanteekenen, dat het chineesche „küh kung” door de meeste vertalers door „het lichaam buigen” vertaald, en ook door Choe Hie als zoodanig aangegeven, tegenwoordig veel wordt gebruikt voor: „de armen bij elkaar brengen”, hetzij met de handen in de mouwen (als wíj doen bij koud weer, voor de warmte), hetzij met de handen over elkaar, ter hoogte van de borst, zoodat velen beweren, dat van „buigen” in dezen zin bij Confucius geen sprake was.
Als hij stond, stond hij niet in het midden van de poort; als hij liep trapte hij niet op den drempel.
Alleen de Vorst mocht in het midden staan en op den drempel treden.
Als hij voorbij de (ledige) plaats (van den Vorst) ging, verschoot hij van kleur, en bogen zijne beenen onder hem; en de woorden (die hij sprak) waren als die van een’ die nauwelijks genoeg kon spreken.
Zelfs voor de ledige plaats van den Vorst moest groote eerbied worden betuigd.
Hij hield zijn gewaad op, bij het naderen tot den vorstelijken zetel, zijn lichaam boog, en hij hield zijn adem in, alsof hij geen adem (durfde) halen.
Als hij van de audiëntie terugkwam, ontspande zich zijn gezicht op den eersten stap (achterwaarts) [72] en zag tevreden en verheugd. Als hij op de benedenste plaats was gekomen, ijlde hij vooruit als op wieken van een vogel vliegend en als hij op zijn plaats was gekomen, drukte zijn gezicht de grootst mogelijke reverente zorg uit.
Bij het naderen tot den Vorst moest de grootst mogelijke eerbied worden betuigd, en als in vrees, met buigende knieën, nauwelijks ademhalende, ging Confucius tot hem. Maar bij het verlaten,—wat ook de antwoorden of gezegden van den Vorst mochten geweest zijn—moest een gezicht worden vertoond, blij in de vreugde van den Vorst te hebben aanschouwd. Men moet hierbij altijd goed onthouden, hoe hoog Confucius over het vorst-zijn dacht, anders zou dit alles slaafschheid zijn.
Als hij den staf (van den Vorst gekregen) droeg, boog zijn lichaam, alsof hij het gewicht niet meester was. Hooggehouden hield hij hem (ter hoogte van de borst) als bij het buigen, laaggehouden hield hij hem (niet lager dan) alsof hij iemand iets gaf. Zijn gelaat verschoot, als van vrees, en hij liep schuifelend, en nog nauwkeurig onderzoekend naar iederen stap dien hij deed.
In dien ouden tijd kregen de hooge edelen van den Vorst een’ korten, kleinen staf of scepter ten geschenke als teeken van hun waardigheid, dien zij in de beide handen omhoog droegen, ter hoogte van de borst. Hij was van kostbaren steen, b. v. jaspis.
Ook tegenwoordig dragen de hooge mandarijnen dien staf aan het hof, maar schaffen zich dien zelf aan. Behalve van jaspis zijn ze ook van andere stoffen, b. v. ivoor, stukken olifantsslagtand. Deze staf wordt eveneens ter hoogte van de borst gehouden, en bij groetenis met de handen mede op en neder bewogen.
De Kiün Tszʼ (Confucius) droeg geen violet of donkerpurper, en geen roodbruin als versiering van zijn gewaad. Ook als hij ongekleed [73] (alleen) was, droeg hij geen purperachtige kleur.
Deze kleuren waren n.l. alleen goed voor vrouwen of meisjes, die zich op moeten schikken.
Over schaapsbont droeg hij een zwart zijden kleed; over hertenbont een van wit; over vossenbont een van geel.
Het bonte gewaad van zijn huisdracht was lang, met de rechtermouw kort (voor het gemak in het schrijven en zaken behandelen).
Zijn slaapgewaad moest stellig een halve lengte langer zijn dan zijn lichaam.
Sommigen zeggen, dat dit alleen gold voor als hij vastte.
Hij droeg geen schapenbont, of een zwarte muts, als hij op rouwbezoek ging.
Omdat bruin-geelachtig wit de kleur der rouwenden is, die hier dus alleen paste.
Op den eersten dag van de maand trok hij zijne staatsiekleederen aan en presenteerde zich aan het hof.
Toen hij geen officieel ambt meer bekleedde, bleef dit zijne gewoonte. Men ontving hem altijd met groote eer, al liet men hem niet in den staatsdienst toe.
Hij vond het niet onaangenaam als zijn rijst nauwkeurig schoongemaakt was, en vond het niet onaangenaam als zijn gehakt vleesch (heel) fijn was.
Rijst, die dampig was geworden en zuur, en visch of vleesch, die bedorven waren, at hij niet. Wat verkleurd was, at hij niet. Wat een slechten reuk had, at hij niet. Wat slecht gekookt was, at hij niet. Dat wat niet tot het seizoen behoorde, at hij niet.
Wat niet goed afgesneden was, at hij niet, wat niet zijn (daarbij behoorende) saus kreeg, at hij niet.
Ofschoon er veel vleesch mocht zijn, liet hij, wat hij er van nam, niet meer zijn dan in de juiste verhouding met de rijst. Alleen voor wijn had hij geen maat, maar nam nooit tot hij er verward van was.
Wijn of gedroogd vleesch van de markt at hij niet.
Hij at nooit zonder gember.
„Van gember wordt de ziel helder,” zegt Choe Hie hierbij. De chineezen zeggen, dat zij alleen vóór 12 uur ’s middags mag gegeten worden.
Hij at niet veel.
Als hij at converseerde hij niet, als hij te bed lag sprak hij niet.
Als zijn mat niet recht was ging hij niet zitten.
Als de dorpelingen aan het wijn drinken waren en zij, die lange staven droegen uitgingen, ging hij er achter.
Vanaf den leeftijd van zestig jaren droegen de ouden van dagen lange houten of bamboestaven om op te steunen, wat nú ook nog veel wordt gedaan. Confucius ging nooit, uit respect voor den ouderdom, vóór de ouden, altijd achter hen.
Als hij om informaties zond naar een’ anderen staat, boog hij tweemalen als hij den (boodschapper) uitgeleide deed.
Dit buigen was niet tegen den boodschapper, maar tegen den staat.
Als hij ziek was en de Vorst kwam naar hem zien, lag hij met het hoofd naar het Oosten, had hij zijne staatsiekleederen aan, en trok den gordel er over heen.
Hoe ongemakkelijk dit ook voor een’ zieke mocht zijn, het Decorum ging bij Confucius vóór alles.
Als een bevel van den Vorst hem ontbood, wachtte hij niet tot zijn wagen klaar was, maar ging (dadelijk).
Als een vriend stierf, zonder betrekkingen te hebben (die voor de begrafenis konden zorgen) zeide hij: „Het is aan mij, hem te begraven.”
Als een vriend hem een cadeau zond, al was het paard of wagen, als het geen vleesch voor offering was, boog hij er niet voor.
Als hij sliep lag hij niet als een lijk.
Voor iemand in rouwkleederen boog hij tot het dwarshout van zijn wagen; hij boog (eveneens) tot het dwarshout van zijn wagen tegen een’, die de tafels der bevolking droeg.
Als het op eens donderde, of er een hevige wind was, verschoot hij van gelaatskleur.
Dit drukte zijn vrees en zijn eerbied uit voor wat hij „de toorn des hemels” dacht te zijn.
Als hij zijn wagen besteeg stond hij recht, het koord vasthoudende.
Als hij in zijn wagen stond, draaide hij zijn hoofd niet om, praatte hij niet gejaagd, en wees niet met zijne handen.
Kortheidshalve heb ik wel een groot deel, maar niet het geheele hoofdstuk dezer karakteristiek van Confucius vertaald. Het bovenstaande zal, hoop ik, genoeg zijn.
De wagens in dien tijd waren meer karren op twee wielen, wel eenigszins gelijkende op die der grieken, waarin men stond naast een menner.
BOEK XI.
De Meester zeide: „De menschen van vroeger waren in Decorum en Muziek „landelijke menschen”; die van latere tijden zijn in Decorum en Muziek Kiün Tszʼ.
Als ik deze dingen gebruik volg ik die van vroeger.”
Met „landelijk” wordt hier eenvoudig, primitief (in den goeden zin) bedoeld. Met Kiün Tszʼ niet zoozeer de overal door Confucius verheerlijkte ideaal-mensch, maar meer de „accomplished gentleman”, waarmede o. a. Legge het hier heeft vertaald. De bedoeling is, dat muziek en decorum vroeger meer simpel van groote, eenvoudige waarheid waren, en de latere menschen, door deze ál te beschaafd en gepolijst te willen maken, het ware wezen er van te veel opofferden aan mooien schijn.
Om hun deugdzaam gedrag waren onderscheiden Yen Yuen, Min Tszʼ Kʼien, Yen Pih Nioe, en Choeng Koeng; om hun talent van spreken Tsae Woe en Tszʼ Koeng; om hunne vaardigheid in het beheeren van zaken Yen Yioe en Kie Loe; om hunne studie van literatuur Tszʼ Yioe en Tszʼ Tszʼ Hia.
Deze vier soorten—deugdzaam gedrag, talent van spreken, vaardigheid in beheeren, en studie van literatuur worden genoemd „de vier klassen” van discipelen en die tien bovengenoemde volgelingen „de tien wijzen.”
Toen Yen Yuen gestorven was, riep de Meester uit: „Helaas! De Hemel vernietigt mij! De Hemel vernietigt mij!”
Toen Yen Yuen (Yen Hwoey) gestorven was, weende hij van smart. Zijne volgelingen vroegen: „Is uw smart zoo bovenmatig?”
(En de Meester zeide:) „Is mijn smart bovenmatig? (Ik weet dat niet eens!) Als ik om dezen mensch niet ontroerd ware van smart, om wien zou ik het dán zijn?”
Kie Loe vroeg (den Meester) over het dienen van de kwei-shin (geesten der dooden). De Meester zeide: „Als gij de menschen nog niet kunt dienen, hoe kunt gij dan de geesten (van menschen) dienen?”
(Toen) vroeg (Kie Loe) over den dood. (En de Meester) zeide: „Gij kent nog niet het leven; hoe zoudt gij dan den dood kennen?”
Dit gezegde is zeer karakteristiek voor de filosofie van Confucius, die van den dood en een „hiernamaals” bijna nooit sprak, en enkel over het leven en de levenden filosofeerde. Vergelijk ook Boek VI „Pan Chi vroeg enz.” en vergelijk Bespreking van „Choeng Yoeng”, XVI. Men ziet hieruit, dat de overmatige, belachelijke vereering der dooden—zooals wij die in de kleinste bizonderheden in Prof. de Groots standaardwerk „The religious system of China” hebben leeren kennen—absoluut in strijd is met de Confucianistische leer, en deze misbruiken dus allerminst aan háár moeten worden toegeschreven.
Min Tszʼ stond aan zijne zijde, zacht en hoffelijk; Tszʼ Loe stout en energiek; Yen Yioe en Tszʼ Koeng oprecht en open. De Meester was verheugd.
Dit is als een schilderijtje, voorstellende Confucius met zijne vier discipelen, die allen in simpele trekken hun karakteristiek vertoonen. In het chineesch is het nog simpeler, daar voor de door mij gebruikte twee verschillende woorden in het origineel één chineesch karakter voldoet. Zie de Bespreking bij het 1e fragment in Boek X.
Tszʼ Koeng vroeg: „Szi of Shang, wie is de waardigste?” De Meester zeide: „Szi gaat er naast, Shang komt er niet aan toe.” (Tszʼ Koeng) zeide: „Dan is Szi de beste, denk ik.” De Meester zeide: „Er naast gaan is (even verkeerd) als er niet aan toe komen.”
Hier wordt het afwijken of niet bereiken van „Choeng Yoeng” bedoeld. Vergelijk ook „Choeng Yoeng”, Hfdst. IV.
De Meester zeide: „Hwoey! Hij was er bíjna! (En) hij was voortdurend in armoede.”
Bedoeld is: Hwoey was bijna geheel toe aan Tao, het volgen van de Sing. En dan kon hij in armoede ook best rust hebben.
Tszʼ Loe vroeg: „Wat ik gehoord heb, moet ik dat dadelijk uitvoeren?” De Meester zeide: „Uw vader en uwe oudere broeders zijn er bijvoorbeeld nog (wie gij kunt raadplegen). Waarom wat gij hoort dadelijk uitvoeren?”
Yen Yioe vroeg: „Wat ik gehoord heb, moet ik dat dadelijk uitvoeren?” De Meester zeide: „Voer het dadelijk uit.”
Koeng Si Hwa zeide: „Yioe vroeg, of hij dadelijk moest uitvoeren wat hij gehoord had en gij zeidet: „Uw vader en uw oudere broeders zijn er (wie gij kunt raadplegen)”.—„Kʼioe vroeg, of hij dadelijk moest uitvoeren wat hij gehoord had, en gij zeidet: „Voer het dadelijk uit!”—Chʼih is verward, en durft u vragen (hoe het hiermede is).” De Meester zeide: „Kʼioe is dralerig, daarom laat ik hem vooruit gaan. Yioe is meer dan anderen, daarom laat ik hem achteruit gaan.”
Men vergete niet dat Tszʼ Loe = Yioe, Yen Yioe = Kʼioe, en Koeng Si Hwa = Chʼih is.
Tszʼ, die in energie en dapperheid méér was dan andere menschen, had gebrek aan doorzicht en correctheid, Kʼioe was te verlegen om te ageeren. Confucius lette dus bij zijn antwoord op hun beider karakters, en gaf hierdoor blijk van zijn menschenkennis.
BOEK XII.
Yen Yuen vroeg over menschelijkheid. De Meester zeide: „Zichzelf onderwerpen, en terugkeeren tot de Lí, is menschelijkheid. Als iemand zichzelf voor één dag onderwerpt, zullen allen onder den Hemel zijne menschelijkheid roemen. Komt menschelijkheid uit het zelf of uit andere menschen?”
Choe Hie geeft in zijn commentaar ter verduidelijking nog eens de definitie: „Jen (menschelijkheid) is de volmaakte deugd van het oorspronkelijke hart” en „Lí (decorum) is de kuische beschaving van het principe van den Hemel.” Men ziet ook aan dit fragment weer, dat het Decorum niet beschouwd werd als enkel beleefdheidsvormen, maar als iets diviens, een beschaving van zeden, die alleen door de goddelijke deugd werd verkregen. „Zichzelf onderwerpen” is volgens Choe Hie „al zijne heimelijke lusten en begeerten bedwingen” en volgens anderen ook nog „alle egoïsme.”
Yen Yuen zeide: „Ik verzoek U, mij daar de (verschillende) stappen (artikelen) toe te zeggen.”
De Meester zeide: „Wat geen Lí is, zie daar niet naar. Wat geen Lí is, luister daar niet naar; wat geen Lí is, spreek daar niet over; wat geen Lí is, maak daar geen (enkele) beweging van.” Yen Yoen zeide: „Ofschoon ik niet actief en knap ben, zal ik trachten mijne zaak van deze woorden (lessen) te maken.”
Alweer een bewijs, dat Lí volstrekt niet enkel een uitwendig beleefdheidsvertoon was, maar ook een reine staat van inwendige zedelijkheid, geeft Choe Hie weer, door o. a. in zijn commentaar te zeggen: „Geen Lí is het egoïsme van het zelf (met de heimelijke begeerten).”
Choeng Koeng vroeg over menschelijkheid. De Meester zeide: „Als gij in den vreemde gaat, (te doen) alsof gij in alle (vreemden) hooge gasten ziet; het volk te gebruiken, alsof gij deelnaamt aan een groote offering; wat gij zelf niet wenscht gedaan te worden, dat niet aan anderen doen, in den staat geen gemurmureer tegen u te hebben; in uwe familie geen gemurmureer tegen u te hebben.”
Choeng Koeng zeide: „Ofschoon ik niet actief en knap ben, zal ik trachten mijne zaak van deze woorden (lessen) te maken.”
Szi Ma Nioe zeide bezorgd: „De (andere) menschen hebben allen broeders, (maar) ik alleen heb er geen.”
Tszʼ Hia zeide: „Ik heb het volgende hooren zeggen: De dood en het leven hebben hun vast lot (van den Hemel); rijkdom en aanzien zijn in den Hemel (vastgesteld). Laat een Kiün Tszʼ reverent zijn en niet falen, laat hem tegenover de menschen eerbiedig zijn, en Lí hebben, dan zullen allen tusschen de vier zeeën zijne broeders zijn. Waarom zou de Kiün Tszʼ bedroefd zijn, omdat hij geen broeders heeft?”
Zoowel in dit fragment als in „Choeng Yoeng” zal men eene analogie met gouden spreuken uit den bijbel zien. Choe Hie geeft aan, dat Tszʼ Hia dit weer van Confucius heeft gehoord, die dus de eigenlijke zegsman is.
Tszʼ Koeng vroeg over regeering. De Meester zeide: „(Die bestaat dáaruit dat zij moet zorgen dat er) genoeg eten (is), genoeg uitrusting voor soldaten, en dat het volk vertrouwen heeft (in den Vorst).”
Tszʼ Koeng zeide: „Als er stellig niets aan te doen is of één moet er weg, welke van deze drie dingen zou men dan het eerst weg moeten doen?”
(De Meester) zeide: „De uitrusting van soldaten (moet dan eerst) weg.”
Tszʼ Koeng zeide: „Als er stellig niets aan te doen is of één moet er weg, welke van de twee (overige) dingen zou men dan het eerst weg moeten doen?”
(De Meester) zeide: „Het eten (moet dan eerst) weg. (Want) van ouds moeten allen tóch dood. Maar als het volk geen vertrouwen heeft (in den Vorst) is (de Staat) niet gevestigd.”
De hertog King van Tsʼi vroeg aan Confucius over regeering. Confucius antwoordde: „Als de Vorst Vorst is, de minister minister is, de vader vader is en de zoon zoon is, (dan is er eene goede regeering).”
Choe Hie zegt er bij: „Dit is de wortel (oorsprong) van regeering.” Toen ter tijde was er in Tsʼi groote wanorde, daar King zich liet overheerschen door zijn ministers, en er over dacht, zijn’ oudsten zoon van het erfschap uit te sluiten. Confucius was beroemd om zijne treffende, laconieke antwoorden, die altijd den spijker op den kop troffen.
De Meester zeide: „Wie met een half woord processen kan beslechten, dat is Yioe!”
„Tszʼ Loe draalde niet na een belofte.”
Hier wordt Yioe wederom geprezen om zijne vaardigheid in het bemiddelen, en het beslechten van gedingen, en om de trouw aan zijn woord. Letterlijk staat in den tweeden zin „Tszʼ Loe sliep niet over een belofte” maar Choe Hie geeft „dralen.”
Kie Kʼang vroeg over regeering aan Confucius. Confucius antwoordde: „Regeeren, is recht maken. Als de Leermeester (de Vorst) het volk voorgaat in het rechte, wie zal dan niet recht durven zijn?”
Ik heb expresselijk het chineesche woord, dat „recht” beteekent, ook met „recht” vertaald, het engelsche „right.” Recht, dat is correct, zuiver als een rechte lijn in het goede. Onmiddellijk hiermede in verband staat het volgende.
Kie Kʼang was bezorgd over de (vele) dieven en ondervroeg daarover Confucius. Confucius antwoordde: „Als gij zelf, Heer, niet zoo begeerig waart, al werden zij er voor beloond, zij zouden niet stelen.”
Alweer een voorbeeld van Confucius’ treffende, onbewimpelde wijze van antwoorden. Kie Kang, het hoofd van den machtigen Kie clan in Loe, was zelf een usurpator, die het wettige stamhoofd, een jongen neef, had verjaagd, en vol begeerten was. Want Confucius’ grondbeginsel was nu eenmaal, dat de vorsten en hoofden zélf moesten voorgaan in het goede, dat hun deugd het volk tot de deugd bracht, even zeker als hun ondeugd het tot zonde leidde.
Kie Kʼang, over regeering aan Confucius vragende, zeide: „Zij, die geen Tao hebben te dooden voor het goed van diegenen, die wèl Tao hebben, hoe is het daarmede (denkt gij)?”
De Meester zeide: „Wat voor nut is er om te dooden, als gíj, Heer, de regeering uitoefent? Begeert gij, Heer, naar het Goede, dan is het volk (vanzelf ook) goed. De deugden van den Kiün Tszʼ (de superieuren) zijn als de wind, de deugden van de kleine menschen (de inferieuren) als het gras. Het gras moet stellig buigen als de wind er over heen gaat.”