De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius)
Part 11
Men zegt, dat toen Confucius deze woorden uitte, hij een waaier in dicht gevouwen vorm aan zijne leerlingen voorhield, en dien toen uitspreidde, en daarna weer dicht vouwde, zeggende: „begrijpt gij wat ik hiermede bedoel, Tsʼan?” Dit vergelijke men met de „Choeng Yoeng” en wel de Inleiding daarvan, waarin gesproken wordt van het ééne principe, dat uitgespreid wordt en dan weer terugkeert, dat wordt ontrold en weer opgevouwen. Dat ééne principe is hier natuurlijk niets anders dan de Sing, de bron en oorsprong van alles, „dat, wat de Hemel als natuur heeft verleend.” (Choeng Yoeng, Hfdst. I. No. 1.) Ik heb het chineesche „kwan” vertaald door „samenhoudt.” Letterlijk beteekent het het rijgen van vele paarlen aan één draad, hier dus te vergelijken met één principe, dat door alles en allen heen gaat.
2. De Meester ging de deur uit, en de andere (discipelen) vroegen: „Hoe bedoelt hij dat?” De filosoof Tseng zeide: „De Leer van mijn’ Meester is: „De principes van zijn eigen Sing (natuur, zie Choeng Yoeng) te cultiveeren en den plicht van wederkeerigheid te betrachten”; dit is het, en niets anders.”
Dit „wederkeerigheid” (uitgedrukt door een „hart” met „gelijk als”, er boven, dus: „evenals mijn hart”) te begrijpen als „anderen te helpen, op te wekken, om ook de Sing te ontwikkelen, en hun niet te doen wat wij zelven niet wenschen gedaan te worden.” Het Eéne is dus de Sing, de goddelijke natuur, die in allen dezelfde is.
XVI. De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ houdt zich aan plichtmatigheid, de kleine mensch houdt zich aan winst.”
Met plichtmatigheid wordt hier bedoeld „dat wat behoorlijk is volgens de rede van den Hemel,” met winst „dat wat de hartstochten begeeren” dus rijkdom, lust, aanzien enz. Er staat in den tekst niet „zich houden aan” maar „in gesprek zijn met, spreken met.”
XVII. De Meester zeide: „Als men een eerwaardig mensch ziet, moet men hem (trachten te) evenaren; als men een niet eerwaardig mensch ziet, moet men zichzelven van binnen onderzoeken (of wij ook niet als hij zijn misschien).”
XVIII. De Meester zeide: „In het dienen van onze ouders moeten wij hen, als de gelegenheid dat vereischt, vermanen; als wij zien, dat het hun neiging niet is om (onzen raad) te volgen, moeten wij hun reverentie (blijven) betoonen, maar het (toch) niet opgeven; als het ons groote moeite geeft moeten wij er niet over murmureeren.”
Hieruit ziet men, dat de Hiao niet enkel bestaat in het liefhebben en vereeren van de ouders, maar dat het ook de plicht der kinderen is, om hen, als ze dwalen, te vermanen. Luisteren de ouders er niet naar, dan moeten zij juist hun liefde en reverentie verdubbelen, om hen in hen te doen gelooven en zoo invloed op hen te krijgen. „De vermaning,” zegt een chineesch commentator, „moet gebeuren met een in harmonie rustig gezicht, een verheugde gelaatskleur, een zachte stem, en een nederig humeur.” Al kost het nóg zooveel moeite en verdriet, toch mogen de kinderen daarover niet murmureeren. Hetzelfde geldt voor jongeren broeder tegenover ouderen broeder, voor vriend tegenover vriend, voor leerling tegenover leermeester en, in uitgebreiden zin, voor onderdaan tegenover vorst of gouvernement. De hooge ambtenaren heeten n.l. in ’t chineesch „ouders-mandarijnen.”
XIX. De Meester zeide: „Als de vader en de moeder nog in leven zijn mag (het kind) niet veraf (in den vreemde) zwerven. (Als hij gaat) moet hij naar een (bepaalde) vaste plaats gaan.”
XX. De Meester zeide: „Als (de zoon) in drie jaren niet afwijkt van den weg zijns vaders, dan kan men dat Hiao noemen.”
Dit punt is door latere geleerden en filosofen druk betwist en bestreden. Immers de vraag doet zich voor. „Als de vader zelf nu eens níet den goeden, maar den verkeerden weg beging?”
XXI. De Meester zeide: „De ouderdom van vader en moeder mag niet vergeten worden, èn niet (als reden) voor vreugde, èn niet (als reden) voor vrees.
Als reden voor vreugde, omdat bij de Chineezen hooge ouderdom een eerwaardig ding is, een gunst van den Hemel, en als reden voor vrees, omdat de kinderen altijd moeten vreezen, hunne ouders te verliezen.
XXII. De Meester zeide: „Dat de Ouden geen (beter: zoo weinig) woorden uitten, was omdat zij zich schaamden dat hunne daden er niet aan toe zouden komen.”
XXIII. De Meester zeide: „De standvastigen verliezen zelden iets.”
Het chineesche woord „yoh” in den tekst beteekent feitelijk samenbinden, en ook bij contract iets aannemen, maar kan hier alleen beteekenen „vastbesloten zijn, standvastig zijn.” De commentaar van Choe Hie zegt dan ook „yoh is niet buitensporig (losbandig) zijn en niet loslaten.”—Verliezen hier ook in den zin van „dwalen” te nemen.
XXIV. De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ wil langzaam-voorzichtig zijn in zijne woorden en vlug-prompt in zijne daden.”
XXV. De Meester zeide: „De deugd is niet alleen, maar heeft stellig buren.”
De bedoeling is: „de deugd trekt de deugd aan, en een deugdzaam mensch zal spoedig andere deugdzamen tot vrienden hebben.”
XXVI. Tszʼ Yoe zeide: „In het dienen van een Vorst leiden veel vermaningen tot ongenade; onder vrienden leiden veel vermaningen tot verwijdering.”
Tenzij dit als eene verzuchting en niet als een les bedoeld is, komt dit hoofdstuk mij voor, niet best te correspondeeren met XVIII.
Ik heb dit Boek IV in zijn geheel vertaald, om den lezer een idee te geven, hoe zulk een boek in elkaar zit. In ’t vervolg bepaal ik mij weder tot fragmenten.
UIT BOEK V.
Iemand zeide: „Young heeft menschelijkheid, maar is niet vaardig met den mond.”
De Meester zeide: „Wat voor nut heeft vaardigheid met den mond? Zij, die de menschen weerstaan met den mond, zullen voortdurend den haat van de menschen opwekken. Ik weet niet of hij menschelijk is. (Maar) wat is het nut van vaardigheid met den mond?”
De Meester zeide: „Mijn Leer wordt niet begaan. Ik zal op een vlot over de zee gaan drijven. Die mij vergezellen zal, zal Tszʼ Loe zijn, durf ik zeggen.” Toen Tszʼ Loe dit hoorde was hij verheugd. De Meester zeide: „Yioe houdt van dapperheid en overtreft mij (daarin), hij heeft (echter) geen talent (van doorzicht in zaken).”
Tszʼ Loe, of Yioe, was bekend om zijn dapperheid en zijn trouw. Hij viel dan ook in den strijd, toen hij later zijn vorst, van Wei, niet wilde verlaten. Confucius wist dan ook, dat hij op hem vertrouwen kon, maar vond het noodig, hem toch de waarheid te zeggen, toen hij zoo blij was met dien lof.
Woe vroeg over Tszʼ Loe, of hij menschelijk was. De Meester zeide: „Ik weet het niet.”
Toen vroeg hij het nog eens. En de Meester zeide: „In een staat van duizend wagens, zou Yioe kunnen gebruikt worden om het belastingstelsel te beheeren. (Maar) ik weet niet of hij menschelijk is.”
„En hoe is het met Kʼioe?” (werd weer gevraagd). De Meester zeide: „In een stad van duizend families, of een Huis van honderd wagens, zou Kʼioe kunnen gebruikt worden als gouverneur. (Maar) ik weet niet of hij menschelijk is.”
„En hoe is het met Chʼih?” (werd weer gevraagd.) De Meester zeide: „Chʼih met zijn gordel om en staande aan het hof zou gebruikt kunnen worden om het gesprek te voeren met bezoekers en gasten. (Maar) ik weet niet of hij menschelijk is.”
Hieruit blijkt, welk een groote waarde Confucius toekende aan zijn begrip „menschelijkheid” d. i. het bezitten van alle deugden, aan den mensch uit den aard van zijn Sing eigen. Al was iemand om zijne deugden reeds geschikt om hooge posten te bekleeden, dan nóg was het niet zeker, dat hij de volmaakte menschelijkheid bezat. En menschen als Yioe (Tszʼ Loe), Chʼih enz. waren nog wel de besten uit het land, zijn eigen discipelen! Een staat van honderd wagens was het tweederangsleengoed (Legge), behoorende tot de hoogste edelen van den staat, en bevattende duizend families. Een staat van duizend wagens was het eersterangsleengoed.
Chʼih, met den familienaam Koeng Si, en den titel Tszʼ Hwa, was een van Confucius’ discipelen, die bizonder uitmuntte door zijn kennis van de ceremoniën. Kʼioe was eveneens een leerling van Confucius.
De Meester vroeg aan Tszʼ Koeng: „Wie denkt gij dat meer is, gij of Hwoey?”
(Tszʼ Koeng) antwoordde: „Hoe zou ik mij durven vergelijken met Hwoey? Hwoey hoort één (punt) en weet er dan (reeds) tien. Ik hoor er één, en weet er dan (slechts) twee.”
De Meester zeide: „Gij zijt niet als hij, ik geef het u toe, gij zijt niet als hij.”
Uit deze, zoowel als uit nog meer episodes uit de „Loen Yü” blijkt, dat Yen Hwoey de meest geliefde leerling van Confucius was.
De Meester zeide: „Eerst was mijn methode (in den omgang) met menschen om hunne woorden aan te hooren en dan in hun gedrag te gelooven. Nu is het mijn methode (in den omgang) met menschen om hun woorden aan te hooren en naar hun gedrag te zien. Door Yu heb ik dat (leeren) veranderen.”
Yü of Tsae Yu was een van Confucius’ leerlingen, wel oprecht en van goeden wil, maar buitengewoon bot van verstand.
De Meester zeide: „Ik heb nog nooit een standvastig, onbuigbaar mensch gezien.” Men antwoordde: „Shin Chʼang (dan)?”
De Meester zeide: „Chʼang!! Met zijn begeerten en lusten!! Hoe wou die standvastigheid verkrijgen!”
Het ééne karakter „kang”, samengesteld uit twee deelen, waarvan het een „heuvel”, het andere „mes” beteekent, is zoowel metaalsterk en massief, als standvastig en onbuigbaar, solide en sterk, zooals die deelen aanduiden.
Tszʼ Koeng zeide: „Wat ik niet wil dat de menschen míj doen, dat doe ik ook niet aan de menschen.” De Meester zeide: „Tszʼ, daar zijt gíj nog niet aan toe.”
Iets van dien aard vindt men ook in de „Choeng Yoeng” (Hfdst. XIII. No. 3.) Confucius zag in, dat al wist men de waarheid van dezen gulden regel, het daarom nog zéér moeilijk was, hem altijd toe te passen, en er geheel aan toe te zijn.
Toen de Meester in Chʼin was, zeide hij: „Laat mij teruggaan! Laat mij teruggaan! De kleine kinderen (discipelen) van mijn school zijn te wild en onbezonnen. Zij zijn wel volmaakt volleerd in de schoone kunsten [71] maar zij weten zich niet te verbeteren (en te vormen).”
Toen Yen Yoeën en Kie Loe aan zijne zijde stonden, zeide de Meester: „Wel, laat elk van u eens zijne wenschen zeggen!” Tszʼ Loe zeide: „Ik zou wenschen wagens en paarden en fijne bontkleederen om met mijne vrienden samen te deelen, en ik zou niet boos zijn als zij die bedierven.”
Yen Yoeën zeide: „Ik wensch niet te roemen over mijn goedheid, en geen vertoon te maken van mijne daden.”
Tszʼ Loe zeide: „Ik wensch te hooren de wenschen van mijn’ Meester.”
(En) de Meester zeide: „(Die zijn:) Aan de ouden van dagen rust te geven, aan vrienden oprechtheid te toonen, en de jeugdigen te koesteren.”
BOEK VI.
De Hertog Ngai vroeg (aan Confucius) welke zijner discipelen hield van de studie. Confucius antwoordde: „Yen Hwoey! Hij hield van leeren. Hij was geen tweemaal vertoornd over hetzelfde, hij herhaalde geen fout. Ongelukkigerwijze was zijn (voorbestemde) levenstijd kort, en hij stierf; en nú is er géén meer als hij. Ik heb nog niet gehoord van een’, die (zóó als hij) van de studie hield.”
De Meester, sprekende over Choeng Koeng, zeide: „Als het jong van een bonte koe rood is en met wijde hoorns,—ofschoon de menschen het niet van nut zouden vinden, zouden (de geesten van) de bergen en de stroomen het weigeren (als offer)?”
Een bonte koe werd beschouwd als ongeschikt voor de offering. Confucius bedoelt hier blijkbaar, dat de fouten van den vader—Choeng Koeng was n.l. een berucht slecht mensch—niet aan het kind mochten verweten worden.
De Meester zeide: „Het hart van Hwoey was zoo, dat er drie maanden lang niets in hem was dat tegen menschelijkheid inging. Anderen mogen dat al eens eenmaal per dag of per maand hebben, maar daarmede is het dan ook uit.”
Choe Hie teekent hierbij aan, dat als er niets tegen menschelijk in is, er geen enkel haartje of greintje „heimelijke begeerte” mag zijn.
De Meester zeide: „De eerwaardige Hwoey! Met één bamboe-korfje rijst, één kalebas water, wonende in een ellendige buurt, waar anderen de misère niet zouden uithouden, liet Hwoey zijn geluk (daardoor toch) niet veranderen. De eerwaardige Hwoey!”
De Meester zeide: „Mĕng Chi Fan roemt niet (op zijn deugd). Op een vlucht, in de achterhoede zijnde, toen men aan ’t binnengaan van de poort was, zweepte hij zijn paard aan, en zeide: „Niet dat ik de laatste durf zijn, (maar) mijn paard wilde niet vooruit.”
Het is hinderlijk te zien, hoe Prof. Legge, uitstekend geleerde als hij is, in zijne vertaling overal à tort et à travers Confucius tracht af te breken, om op deze vreemde wijze het Christendom te verheffen. Zóó zegt hij, ook naar aanleiding hiervan: „But where was his virtue in deviating from the truth? (maar waar was (hier) zijn deugd in het afwijken van de waarheid?)” Op die manier zou natuurlijk alle bescheidenheid onmogelijk kunnen worden gemaakt.
De Meester zeide: „Aan hen, die boven het gemiddelde peil zijn, mogen de hoog(ere) dingen verkondigd worden. Aan hen, die beneden het gemiddelde peil zijn, mogen de hoog(ere) dingen niet verkondigd worden.”
Fan Chʼi vroeg wat wijsheid was. De Meester zeide: „Zich ernstig toeleggen op de plichten van de menschen (het volk) en, de kwei-shin (geesten) eerbiedigende, zich op een afstand van hen houden, dat mag wijsheid genoemd worden.” (Toen) vroeg (hij) wat menschelijkheid was. (En de Meester) zeide: „(Het overkomen van) de moeilijkheid als de hoofdzaak te beschouwen, en het verkrijgen (van het succes) als het later komende (de bijzaak), dat mag menschelijk genoemd worden.”
Hier hebben wij er weder een voorbeeld van, hoe bevreesd Confucius was, over geesten te spreken. Zie voor vergelijking ook de Choeng-Yoeng, Hfdst. XVI over „kwei-shin.”
De Meester zeide: „Een hoekige kelk zonder hoeken! Wat een (rare) hoekige kelk! Wat een (rare) hoekige kelk!”
Volgens het karakter „ku” waarin een hoorn (hoekig, puntig dus) voorkomt, was de gebruikelijke wijnkelk van een hoekigen vorm, wat in de grafische beteekening van het karakter ligt opgesloten. Later, in Confucius’ tijd, maakte men ze zonder hoeken, maar behield toch het karakter „ku” er voor, waarin het begrip hoekig was opgesloten. Confucius bedoelde er mede, dat de regeering en hare wetten de namen van het vroegere goede behielden, maar de hoofdeigenschap, het ware wezen er van misten.
De meester bezocht Nan Tszʼ. Tszʼ Loe was hierover niet verheugd. De Meester zwoer, en zeide: „Als ik hierin iets slechts heb gedaan, moge de Hemel mij vernietigen! moge de Hemel mij vernietigen!”
Zie hierover in het „Leven van Confucius” de door mij verhaalde omstandigheden, n.l. het bezoek van Confucius aan Nan Tszʼ, de vrouw van den hertog Ling van Wei.
De Meester zeide: „De deugd, die van Choeng Yoeng, is (aan Choeng Yoeng eigen), hoe uitstekend is zij! Zelden betracht het volk haar lang!”
Vergelijk „Choeng Yoeng”, Hfdst. II. No. 3.
BOEK VII.
De Meester zeide: „Een overleveraar, en geen maker, geloof hebbende in de Ouden en hen liefhebbende, vergelijk ik mij nederig met den ouden Pʼang.”
Dit is een gewichtig punt, want hieruit zien wij, dat Confucius zelf heel goed wist, dat hij geen geheel nieuwe dingen verkondigde, maar die der Ouden—waaronder vooral Yaou, Shoen, koning Wĕn en de hertog van Chow—weder overleverde en hernieuwde. Pʼang was, volgens Choe Hie, een talentvol mandarijn uit de Shang dynastie.
De Meester zeide: „Het stilzwijgend kennis (verzamelen); het studeeren zonder (het) moe te worden; de menschen onderrichten zonder luiheid; wát daarvan is aan mij?”
Hier bewondert de chineesche lezer Confucius’ nederigheid.
De Meester zeide: „Erg is mijn verzwakking. In lang heb ik niet weder gedroomd dat ik Chow Koeng zag.”
Hier vindt men een der bijgeloovige zwakheden van Confucius. Als hij niet meer van Chow Koeng, den hertog van Chow droomde, beschouwde hij dat als een slecht voorteeken.
De Meester zeide: „Van af hem, die mij zijn bundeltje gedroogd vleesch bracht tot diegenen, die hooger (gaven schonken) heb ik nooit iemand mijn onderricht geweigerd.”
Het was de gewoonte, om bij een bezoek voor den Meester iets mede te brengen ten geschenke. Confucius was met wat gedroogd vleesch tevreden, als hij ernstigen wil tot leeren zag.
De Meester zeide: „Aan diegenen, die geen begeerigen ijver (toonen) open ik (de waarheid) niet; diegenen, bij wie de goede wil niet is, help ik er niet uit. Als ik één hoek (punt van een zaak) heb aangetoond, en men er dan niet de (andere) drie uit grijpt, herhaal ik mijn les niet.”
Als de Meester at aan de zijde van een rouwende, at hij zich niet verzadigd. Als de Meester op een’ dag geweend had, zong hij (dien dag) niet.
De Meester zeide tot Yen Yoeën: „Als men gebruikt wordt (in den staatsdienst) de plichten (daaraan verbonden) doen; als men (daarvan) uitgestooten is, verborgen (onbekend) (te leven)—, dit is, wat alleen ik en gij kunnen zijn.”
Dit correspondeert met Boek IV. Hfdst. XIV.
Meermalen doet Confucius voelen, dat de Staat het zelve moet weten, of hij hem dienst laat doen of niet, maar dat híj zich altijd tevreden zal voelen.
Tszʼ Loe zeide: „Als gij drie „kiün” troepen te leiden hadt, wien zoudt gij dan met u samen doen ageeren (als veldheer)?”
De Meester zeide: „Hem, die als een wilde tijger is, die een rivier oversteekt en dan sterft zonder dat hij er spijt over heeft, dien zou ik stellig niet nemen, maar (wèl) hem, die vol zorgzame vrees is bij het aanvaarden der zaken, die goed zijn plannen verzint en ze volvoert.
Men ziet hieruit, evenals men zal zien uit mijn laatste fragment uit Boek XIII, dat het het chineesche volk niet ontbroken heeft aan goede lessen uit de oudheid, om het te waarschuwen vóór den oorlog met Japan. Een „kiün” troepen is 12500 man. Een groote staat had er drie.—De vergelijking van den enkel woesten, maar niet verstandigen man met den tijger, die, niet kunnende zwemmen, zijn vijand in het water aanvalt of vervolgt, lijkt mij zeer juist.
Toen de Meester in Tsʼi was, hoorde hij de Shau, en in drie maanden kende hij niet den smaak van vleesch. Hij zeide: „Ik had niet gedacht, dat muziek zóó uitstekend kon worden gemaakt.”
Reeds in „Het Leven van Confucius” aangehaald. Zie ook het voorlaatste door mij aangehaalde fragment uit Boek II.
De Meester zeide: „Grove rijst om te eten, water drinken, mijn gebogen arm als kussen—te midden van deze dingen is óók geluk. Op onplichtmatige wijze verkregen rijkdom en aanzien is voor mij als drijvende wolken.”
De hertog van Shie vroeg Tszʼ Loe over Confucius. Tszʼ Loe antwoordde niet.
De Meester zeide (toen hij dit later hoorde): „Waarom zeidet gij niet, hij is een man die in zijn ijverig zoeken (naar wijsheid) zijn voedsel vergeet, die in de vreugde (van het verkrijgen) zijn smart vergeet, en niet weet (en bemerkt) dat de ouderdom naderende is?”
De Meester zeide: „Ik ben niet een, die bij zijne geboorte het weten (reeds) had; ik ben er een die (enkel) de Ouden liefheeft en het daar ernstig zoekt.”
Zie over de Wijzen, die reeds bij de geboorte het àlweten bezitten, de Choeng Yoeng. Confucius was te nederig om zich daar zelf onder te rekenen.
De Meester zeide: „De Hemel heeft de deugd in mij voortgebracht. Hwan Tʼoey,—wat kan híj mij (dan) doen?”
In het „Leven van Confucius” heb ik dit reeds besproken.
Het volk van Hoe Hiang was moeilijk om mede te spreken. Toen een jongentje (daarvan) den Meester kreeg te zien in een onderhoud twijfelde men (of hij daaraan wel goed deed).
De Meester zeide: „Ik heb te doen met zijne nadering tot mij, ik heb niet te maken met zijn alleen zijn (en wat hij dan doet); waarom zóó erg (streng) zijn? Als iemand zich verreint om bij mij te komen, heb ik (enkel) met zijn verreind zijn te maken, zonder te waarborgen wat zijn verleden (geweest is).”
Het volk Hoe Hiang was berucht om zijn slechtheid. Dit fragment geeft een schoon blijk van Confucius’ grootmoedigheid en zijn liberaal oordeel.
De Meester zeide: „In de literatuur ben ik niet minder en wel gelijk aan andere menschen; maar zélf mij gedragen als een Kiün Tszʼ, dát heb ik nog niet verkregen.”
Men ziet hieruit, hoe Confucius den superieuren mensch, den oppersten goeden mensch, dien hij Kiün Tszʼ noemde, boven den literator stelde.
De Meester was zacht en (toch) streng, majestueus en (toch) niet woest; vol eerbied, en (toch) rustig.
BOEK VIII.
Toen de filosoof Tsĕng ziek was, riep hij de discipelen van zijn school, en zeide: „Ontbloot mijne voeten; ontbloot mijne handen. De Shi King zegt: „Vreezende, vreezende, bezorgd, bezorgd, als aan den rand van een afgrond, als gaande over dun ijs (moeten wij zijn).”
„Nu en hiernamaals weet ik, hoe te ontkomen (aan wonden) o! mijn kleine kinderen!”
De Hiao brengt mede, dat het lichaam, dat men van de ouders gekregen heeft, ook in gaven staat, zonder wonden, wordt behouden tot den dood. Daarom deed Tseng handen en voeten ontblooten om te laten zien, dat zij nog gaaf waren. Om dit lichaam zoo te kunnen behouden behoort het leven in eerbiedige vrees en met groote bezorgdheid te worden doorgegaan, alsof het langs afgronden ging, of over broos ijs.
Toen de filosoof Tsĕng ziek was vroeg de filosoof Meng King (hoe het met hem ging). De filosoof Tsĕng zeide: „Als de vogel zal gaan sterven is zijn gezang droef. Als de mensch zal gaan sterven zijn zijne woorden goed.”
De filosoof Tsĕng zeide: „Met zelf-kúnnen (toch) vragen aan wie niet kunnen; met zelf véél bezitten vragen aan wie weinig bezitten; hebbende alsof hij niet had; vol zijnde en toch zijn alsof hij ledig was; beleedigd, en er zich niet mede bemoeien; ik had vroeger een vriend, die dit alles volgde.”
De Meester zeide: „Een mensch, die houdt van dapperheid en moedeloos wordt door armoede zal oproerig worden. Een mensch zonder menschelijkheid, als gij uw afkeer van hem intens doet zijn, zal oproerig worden.”
De Meester zeide: „Al heeft iemand het schoone van de talenten van den hertog van Chow; als hij trotsch en gierig is, zullen de andere dingen niet genoeg waard zijn om naar te zien.”
(De Meester zeide:) „Als de staat Tao heeft, zijn armoede en een lage positie dingen van schaamte. Als de staat geen Tao heeft zijn rijkdom en aanzien dingen van schaamte!”
Ik vertaal tusschenbeide Tao expres niet, om het begrip goed te doen voelen. Er staat ook letterlijk „Yiu Tao”, Tao heeft. Bedoeld is natuurlijk als de staat een regeering heeft volgende aan, in overeenstemming met de goddelijke natuur, dat wat volgens den Hemel is, dus „als de staat goed, rechtvaardig geregeerd wordt.”
De Meester zeide: „Leer (altijd) alsof gij het (weten) toch niet kondt bereiken, alsof gij (altijd) vreesdet het te zullen verliezen.”
De Meester zeide: „Verheven was het, hoe Shoen en Yü het keizerrijk bezaten, alsof het niets voor hen was!”
De Meester zeide: „Groot inderdaad was Yiao als Vorst! Hoe verheven! Alleen de Hemel is groot, alleen Yaou was zijn gelijke. Hoe eindeloos! Het volk kon het niet met een naam (noemen).”
Zie de „Choeng Yoeng,” Hfdst. XXII.
BOEK IX.
De Meester was in vrees (voor zijn leven) in Kwang.
En hij zeide: „Was na den dood van koning Wĕn de waarheid niet in mij gehuisvest?
Als de Hemel had gewild, dat de waarheid zou te niet gaan, zou ik, latere sterveling, niet in zulk eene betrekking tot haar zijn gekomen. Als de Hemel de waarheid nog niet laat ondergaan, wat kan het volk van Kʼwang mij dan doen?”
Het woord „wen” dat eigenlijk letteren, literatuur enz. beteekent, heb ik hier, evenals andere vertalers, door „waarheid” vertaald, omdat dit nog het dichtste bij komt aan Choe Hie’s verklaring daarvan: „Het zichtbaar (te voorschijn) komende van den Tao is wĕn,” dus „de manifestatie van den Tao.”