De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius)

Part 10

Chapter 103,903 wordsPublic domain

15. Alleen de (werkelijk) menschelijke mensch kan zóó eenen wegzenden en hem verbannen naar de barbaren in de vier windstreken, hem niet met zich samen latende wonen in het Rijk van het Midden. Dit wordt bedoeld met het gezegde: „Alleen de menschelijke mensch kan (andere) menschen liefhebben, of kan (andere) menschen haten.”

16. Menschen van talent en waardigheid zien en ze niet kunnen bevorderen; ze wel bevorderen, maar dit niet spoedig (genoeg) kunnen doen, dit is impertinent; slechte menschen zien en ze niet kunnen wegzenden; ze wegzenden, maar dit niet spoedig genoeg kunnen doen, dit is een fout.

Met „bevorderen” bedoel ik hier, hun een ambt geven, of, als ze er al een hebben, hen promotie te doen maken. Confucius beschouwde het als een hoogsten plicht, menschen van waardigheid en talent onmiddellijk in de regeering te gebruiken. (Zie ook b. v. Choeng Yoeng XX. No. 4), en dit nalaten stond gelijk met een misdaad.—Eveneens was het een hoofdplicht, op staanden voet slechte ambtenaren in stede van ze à tout prix te handhaven, onmiddellijk te verwijderen. Want de regeerende ambtenaren moesten zijn de „vaders van het volk”, die het, ook door voorbeeld, moesten leeren hernieuwen, en het bewaken en verzorgen „als een moeder, wakende over haar kind.”—Confucius’ leer was, dat de regeering niet allereerst moest straffen, maar dat misdaden van het volk vooral dáárdoor voorkwamen, dat het niet werd geleerd en voorgegaan in het goede. Niet de officieel gegeven rang maakte den bestuursambtenaar uitsluitend, maar zijn eigen handel en wandel waren de hoofdzaak, de oorsprong. Van in hem te handhaven prestige was geen sprake, want de bestuursambtenaar maakte zijn prestige zelf met zijn eigen deugd, zijn eigen menschelijkheid.

17. Lief te hebben wat de menschen haten, te haten wat de menschen liefhebben, dit noem ik tegen de menschelijke natuur ingaan. Stellig zullen over het hoofd (lett. het lichaam) van dezulken (die zoo doen) rampen komen.

18. Daarom heeft de (Vorst die een) Kiün Tszʼ is een grooten Weg (van bedrag) te volgen. Met zelfvolmaking en waarachtigheid verkrijgt hij het (rechte daarvan). Met hoogmoed en buitensporigheid verliest hij het.

19. Het voortbrengen van schatten heeft (ook) een grooten Tao. [59] Zijn zij, die produceeren, velen en zij die eten weinigen, zijn zij, die maken, actief en zij die gebruiken zuinig, dan zal de weelde altijd voldoende zijn.

Dit schatten, „ts’oi” te verstaan door „alles wat van nut is, dus zoowel bezitting, weelde, als alle voedingsmiddelen.”

20. Hij, die menschelijk is, komt vooruit door (de manier waarop hij) zijne schatten (krijgt en door wat hij er mede doet); hij, die niet menschelijk is, verkrijgt schatten door (het verwaarloozen van) zijn zelf-karakter (lett. zijn lichaam).

De tekst zou licht aanleiding geven tot misverstand, want daar staat letterlijk: „Hij, die menschelijk is, bevordert zichzelf door zijne schatten (wat zou beteekenen: heeft zijn rang gekocht met zijn geld) en hij, die niet menschelijk is, verkrijgt schatten door zijn zelf.” Choe Hie legt het in zijn commentaar uit in den zin, dien ik hier geef.

21. Het is nog niet voorgekomen, dat als de Vorst menschlievendheid liefhad, het volk plichtmatigheid niet liefhad; het is nog niet voorgekomen, dat (het volk) plichtmatigheid liefhad en de zaken (van den Vorst) niet tot het (goede) eind kwamen. En het is nog niet voorgekomen (in een staat als deze) dat de schatten in de dépots en schatkamers niet de schatten (van dien Vorst) bléven.

Voortdurend ziet men aldus in de Ta Hiŏh geleerd, dat als de Vorst maar zelf vóórgaat in deugd en menschelijkheid, hij niet alleen maakt dat het volk zijn plicht doet, maar ook zijn eigen geluk en welzijn daarmede bevordert.

22. „Meng Hien zeide: „Die paarden en rijtuigen houdt gaat niet na of hij wel kippen en varkens heeft. Een familie, die ijsmagazijnen houdt fokt geen koeien en schapen. Een familie van honderd wagens houdt er geen minister op na, die begeerig is op belasting opleggen. Beter dan zulk een minister te hebben, die begeerig is op belasting opleggen, zou het voor die familie zijn om dieven te hebben (die haar zelve berooven). Dit wordt bedoeld met het gezegde: „Een staat moet geen winst als voordeel beschouwen, maar moet plichtmatigheid als voordeel beschouwen.”

Mĕng Hien was een beroemd minister van den staat Loe, die regeerde vóór Confucius leefde. Legge teekent bij dezen tekst aan, dat als een ambtenaar zijn post voor het eerst ging bekleeden, hij vroeger, in Mĕng Hiens tijd, van den vorst een wagen met vier paarden kreeg om te beletten, dat hij op andere, oneerlijke manieren zich zou verrijken. IJs werd door hooge mandarijnen in magazijnen gehouden om in rouwceremoniën te gebruiken. Een chineesch commentator geeft als bedoeling—die ik voor zeer juist houd—„dat de staat moet zorgen, dat de ambtenaren genoeg traktement hebben, zoodat zij niet gedwongen worden het volk te bestelen tot in hun kippen en runderen toe. Maar als zij van den staat voldoende traktement kregen, waren zij ook gehouden, naar plicht en recht te handelen.”

23. Als hij, die aan het hoofd van een’ staat is, zijn schatten (weelde) tot zijn hoofdzaak maakt, dan komt dat stellig door een’ gemeenen (kleinen) mensch (die hem influenceert), naar ik meen. Híj beschouwt hem dan als een goed mensch. Als (deze) gemeene mensch gebruikt wordt in de actie (van regeeren) van een staat, dan zullen er tegelijkertijd rampen en gevaren neêrkomen. Al is (er dan later) een goed mensch (voor in de plaats gekomen) dan zal het niet meer zóó als behoort kunnen worden, naar ik meen. Dit wordt bedoeld met „Een Staat moet geen winst als voordeel beschouwen maar plichtmatigheid als voordeel beschouwen.”

Een commentaar wijst er op, dat het dus de plicht is van den Vorst niet zóó maar argeloos zijn ministers (al zijne ambtenaren) als goede menschen te beschouwen, maar dat hij wel degelijk voortdurend moet onderzoeken. Zulk een gemeen mensch, in de regeering gebruikt, zal èn den toorn van den Hemel opwekken, die dan rampen doet gebeuren, èn het hart van het volk verliezen, wat dan gevaar van opstand geeft. Wordt dan later in zijn plaats een goed mensch tot zijn’ rang bevorderd, die alles wil trachten te redden, dan zal hij toch niet meer redden kúnnen.

NAWOORD.

Het bovenste tiende hoofdstuk van commentaar legt uit, het regeeren van den staat en het tot (rust en) vrede brengen van het geheele rijk. Er zijn alzoo tien hoofdstukken van commentaar. De eerste vier hoofdstukken bespreken in ’t algemeen de (drie) Hoofden (van het werk) en geven er de essence (lett.: de geur) van aan; de (overige) zes hoofdstukken bespreken nauwkeurig de acht détails en hun werking. Het vijfde hoofdstuk bevat de noodzakelijkheid van de heldermaking van het goede, en het zesde hoofdstuk bevat den oorsprong van het komen tot Chʼing. Deze vorige hoofdstukken moeten door den leerling van het grootste gewicht worden beschouwd. Laat de lezer ze niet minachten om hun (schijnbare) eenvoudigheid.

FRAGMENTEN UIT DE LOEN YÜ.

UIT BOEK I.

De Meester zeide: „Mooie woorden en een mooi (gemaakt) gezicht gaan zelden samen met menschelijkheid.”

De filosoof Tsʼeng zeide: „Ik doe dagelijks drie onderzoekingen in mijn karakter: of ik in mijn handel voor andere menschen wel loyaal ben geweest; of ik in mijn’ omgang met vrienden wel oprecht ben geweest; of ik de lessen (van mijn’ Meester) wel heb opgevolgd.”

De Meester zeide: „Om over een rijk van duizend wagens te regeeren, moet men eerbiedige toewijding aan den dienst hebben, en getrouw zijn; moet men zuinig zijn in de uitgaven; moet men het volk liefhebben en op (gepaste) tijden gebruiken.”

De Meester zeide: „Een jongeling moet thuis ouderlievend zijn en buitenshuis eerbied hebben voor zijn meerderen; hij moet ernstig zijn en de waarheid spreken; hij moet alle menschen overvloedig liefhebben, en met de menschlievenden omgaan. Als hij daarna nog kracht over heeft moet hij die gebruiken voor de studie van de litteratuur.”

Tszʼ Hia zeide: „Als een mensch de deugd eert en zijn gedachten van de schoonheid aftrekt; als hij zijne ouders dient met uiterste inspanning van krachten; als hij zijn vorst dient met opoffering van zijn eigen leven; als hij in zijne woorden waar is in den omgang met zijne vrienden; ofschoon men van dezen zegt, dat hij niet geleerd heeft, noem ik dat toch stellig geleerd hebben.”

De Meester zeide: „Als de Kiün Tszʼ niet ernstig is, zal hij geen eerbied inboezemen, en is zijne studie niet degelijk.”

Beschouw loyauteit en oprechtheid als uw hoofdplicht.

Hebt geen vrienden die uwe gelijken niet zijn.

Hebt gij fouten, wees dan niet bang ze te veranderen.

Tszʼ Kin vroeg aan Tszʼ Koeng: „Als onze Meester ergens in een staat komt, dan hoort hij stellig alles over de regeering daar. Is het doordat hij er naar vraagt, of geeft men hem (vanzelf) die inlichtingen?”

Tszʼ Koeng zeide: „Onze Meester is zacht, oprecht, reverent, gematigd en bescheiden, en daarmede verkrijgt hij het. De manier waarop onze Meester inlichting vraagt, is dat niet iets geheel anders dan als andere menschen inlichtingen vragen?”

De Meester zeide: „Als iemands vader in leven is, kijk dan naar zijn neigingen; als zijn vader gestorven is, kijk dan naar zijn gedrag. Als hij na drie jaren niet afwijkt van den weg zijns vaders kan men zeggen, dat hij Hiao heeft.”

De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ zoekt met eten geen verzadiging (van zijn eetlust), en zoekt in zijne woning niet naar gemak. Hij is actief in zijn zaken, en voorzichtig in zijn spreken. Hij zoekt het gezelschap van menschen van rechte principes om er door verbeterd te worden. Dit mag met recht liefde voor de studie worden genoemd.”

Tszʼ Koeng zeide: „Wat denkt gij wel van iemand, die arm is en (toch) niet vleit; van iemand, die rijk is en toch niet trotsch?”

De Meester zeide: „Die mogen er wezen; maar dat is tóch nog niet (zoo mooi) als iemand die arm is, en (toch) gelukkig; als iemand, die rijk is en van het Decorum houdt.”

De Meester zeide: „Het bedroeft mij niet, dat de menschen mij niet kennen; het bedroeft mij, dat ik de menschen niet ken.”

UIT BOEK II.

De Meester zeide: „Hij die de regeering uitoefent met zijn deugd is te vergelijken met de noordelijke poolster, [60] die haar (vaste) plaats houdt, en alle sterren draaien er om heen”.

Deze vergelijking is dáárom vooral zoo mooi, omdat er in ligt opgesloten—evenals ik in de bespreking van Hoofdstuk XXII der „Choeng Yoeng” heb gezegd—dat de deugd een macht is, die vanzelf influenceert en transformeert.

De Meester zeide: „De Shi King heeft driehonderd stukken, maar alles kan worden vervat in één woord: „Hebt geen lage gedachten.” [61]

De Meester zeide: „Als men het volk leidt met wetten, en tot eenheid brengt met strafwetten zal het (schending daarvan en dus straf) vermijden, maar geen schaamte (kennen).

Als men het volk leidt met deugd en tot eenheid brengt met de Lí (’t Decorum) zal het schaamte (kennen) en tot het uiterste goede komen.”

De Meester zeide: „Toen ik vijftien jaar was kreeg ik neiging tot de studie.

Toen ik dertig was, was (mijn doel) gevestigd (wist ik, waarheen mij te richten).

Toen ik veertig was, had ik geen twijfel.

Toen ik vijftig was, wist ik de besluiten des Hemels.

Toen ik zestig was, had ik een gewillig oor (voor het goede).

Toen ik zeventig was, kon ik mijne neigingen volgen zonder de wetten (des Hemels) te overschrijden.”

Hiermede gaf Confucius een bewijs, hoe een geheel leven noodig is, om zich te volmaken in die volkomenheid, dat ten laatste onze neigingen zóó rein zijn, dat we ze gerust mogen volgen, omdat zij de goede zijn. Toen hij vijftien jaar was kreeg hij lust in leeren; toen hij dertig was wist hij, wat zijn levensdoel was, en waar hij zich dus aan te houden had; toen hij veertig was twijfelde en dwaalde hij niet; toen hij vijftig was wist hij wat de Hemel vastgesteld had; toen hij zestig was luisterde hij volgzaam naar het goede, zonder dat zich trots of twijfel daartegen verzetten; toen hij zeventig was waren al zijne neigingen beweging in Tao, volgen van den Sing dus, dus lagen zij in de goddelijke beweging der natuur.

Meng Ie [62] vroeg, wat Hiao was. De Meester zeide: „niet ongehoorzaam zijn.”

Toen Faan Chʼi [63] zijn wagen mende vertelde de Meester hem: „Meng Soen vroeg mij, wat Hiao was, en ik antwoordde hem: „niet ongehoorzaam zijn”.”

Faan Chʼi zeide: „Hoe bedoeldet gij dat?” De Meester zeide: „Hen (de ouders) in hun leven te dienen volgens het Decorum; hen na hun dood te begraven volgens het Decorum; hun te offeren volgens het Decorum.”

Meng Woe [64] vroeg, wat Hiao was. De Meester zeide: „De ouders zijn toch zoo bezorgd, dat hunne kinderen eens ziek zouden worden.”

Tszʼ Yioe [65] vroeg, wat Hiao was. De Meester zeide: „De tegenwoordige Hiao noemt men het kunnen onderhouden van zijne ouders. Maar honden en paarden kunnen ook wel zoo iets doen. Zonder reverentie is tusschen die beide soorten geen verschil.”

De Meester zeide: „Ik heb den geheelen dag met Hwoey gesproken, en hij heeft mij niet tegengesproken, alsof hij dom was. Hij is heengegaan, en ik heb zijn eigen handel en wandel nagegaan en voldoende bevonden om mijn leer te belichamen. Hwoey! Hij is niet dom!” [66]

De Meester zeide: „Kijk naar iemands daden!”

Kijk nu (nauwkeuriger) naar waar zijn daden uit voortkomen! Onderzoek of hij er in te vertrouwen is! (lett. of hij er in woont, of hij niet weer veranderen zal dus.)

Hoe kan iemand (zijn karakter) verbergen! Hoe kan iemand (zijn karakter) verbergen!

Hiermede bedoelt Confucius, dat de Wijze de menschen moet kennen, al hun motieven en daden onderzoeken. Voor den Wijze slaagt niemand er ooit in, zijn karakter te verbergen, daar hij toch alles ziet.

De Meester zeide: „Als iemand het oude oefent en het nieuwe weet kan men zeggen dat hij een Meester is van anderen.”

De Meester zeide: „Een Kiün Tszʼ is geen stuk gereedschap” (dat iedereen maar gebruiken kan).

Tszʼ Koeng vroeg: „Wat is een Kiün Tszʼ?” De Meester zeide: „Hij handelt vóór hij spreekt en spreekt dan later volgens die handelingen.”

De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ is katholiek en niet partijdig; de kleine mensch is partijdig en niet katholiek.”

De Meester zeide: „Zich toeleggen op een vreemde leer is werkelijk gevaarlijk!”

De Meester zeide: „Yioe, [67] ik zal U leeren, wat weten is. Als gij iets weet ook vol te houden dat gij het weet, en als gij iets niet weet ook te bekennen dat gij het niet weet. Dát is weten.”

De hertog Ngai [68] vroeg: „Wat moet gedaan worden om het volk te onderwerpen?” De Meester zeide: „Bevorder de oprechten, en zet de heimelijken aan den wal, dan zal het volk zich onderwerpen. Bevorder de heimelijken en zet de oprechten aan den wal, dan zal het volk zich niet onderwerpen.”

Kie Kʼang vroeg: „Wat moet er gedaan worden om te maken dat het volk (zijn Vorst) eert, hem getrouw is, en elkaar vermaant (tot de deugd)?” De Meester zeide: „Laat hem over hen regeeren met waardigheid (ernst), dan zullen zij hem vereeren; laat hij Hiao hebben en menschenliefde, dan zullen zij hem getrouw zijn; laat hem de goeden bevorderen en de onbekwamen leeren, dan zullen zij elkaar (tot de deugd) vermanen.”

Hier zegt Confucius weer, evenals in de „Choeng Yoeng” dat de regeering in het eigen karakter van den vorst moet zijn geworteld.

De Meester zeide: „Ik weet niet hoe een mensch zonder waarheidlievendheid kan voortkomen. Een groote wagen zonder dwarshout (om de ossen aan te spannen), of een kleine wagen zonder koppel (voor de paarden), hoe moeten die (ooit) vooruitkomen?”

De Meester zeide: „Aan een geest te offeren die niet van ons is, is vleierij.”

Hierbij bedoelde Confucius, dat men alleen aan de geesten zijner voorvaderen mocht offeren. Hij zou dus het tegenwoordige offeren aan alle mogelijk geesten streng afgekeurd hebben.

(De Meester zeide:) „Te zien wat recht (goed) is, en het niet te doen, is geen moed hebben.”

UIT BOEK III.

De Meester zeide: „Als een mensch geen menschelijkheid heeft, wat heeft hij dan met het Decorum te maken? Als een mensch geen menschelijkheid heeft, wat heeft hij dan met muziek te maken?”

Lin Fang vroeg, wat het gewichtigste van het Decorum (de Lí) was.

De Meester zeide: „Dat is inderdaad een groote vraag!

In (feestelijke) ceremoniën is het beter zuinig te zijn dan verkwistend.

In ceremonies van rouw is het beter (ware) smart te gevoelen dan precies (accuraat) te zijn in de ceremonie.”

De Meester zeide: „Zijn’ vorst te dienen met de volle Lí (het volle Decorum) wordt door het volk voor vleierij gehouden.”

De Meester zeide: „De Kwan Tsʼioe is vreugdevol en (toch niet) buitensporig, en smartvol zonder te kwetsen (door overmaat).”

De Kwan Tsʼioe is de naam van de eerste ode in de Shi King. Confucius wilde hiermede zeggen, dat èn in vreugde èn in smart harmonie—Hô—moet zijn, en men in geen van beide losbandig mag wezen, en in uitersten mocht vervallen.

De grenswachter van Ie verzocht den (Meester) te mogen zien, zeggende: „Als Kiün Tszʼs hier gekomen zijn werd mij nog nooit het genot geweigerd hen te zien.” Zijne volgelingen leidden hem binnen, en toen hij (weer) buitenkwam zeide hij tot hen: „Mijne vrienden, waarom zijt gij zoo bedroefd dat (uw Meester) zijne betrekking heeft verloren? Het keizerrijk is lang zonder Tao geweest. De Hemel gaat uw Meester gebruiken als een bel met houten tong.”

De „toh” is een ijzeren bel met houten tong. De bedoeling van den grenswachter was, dat de Hemel Confucius gebruikte om overal in het rijk Tao te verkondigen.

De Meester noemde de Shau volmaakt mooi en volmaakt goed, en noemde de Woe volmaakt mooi, maar nog niet volmaakt goed.

De Shau was de muziek van keizer Shoen, de Woe de muziek van koning Woe. Wat klank en melodie aangaat waren beide volmaakt. Maar, zooals Choe Hie dat zeer schoon zegt in zijn commentaar: „Het Goede is het ware Wezen van het Schoone.” De muziek van Shoen was schoon, omdat hij de regeering verkreeg door de kracht der deugden van zijn Sing. Koning Woe, [69] de zoon van koning Wĕn, moest om op den keizerlijken troon te komen eerst den tyran Cheu Sin der Shang dynastie verslaan met geweld van wapenen. Dit geweldige was ook in zijn muziek, terwijl in Shoen’s muziek alles rust en vrede was.

Dit hoofdstuk is een zeer gewichtig punt voor de kennis der chineesche principes van aesthetiek.

De Meester zeide: „Een hooge positie zonder vergevingsgezindheid; Decorum zonder reverentie; rouw in acht genomen zonder smart, hoe moet ik deze dingen beschouwen?”

BOEK IV.

I. Het schoone van een dorp (buurt) is de menschelijkheid. Als iemand er een om te wonen uitkiest, waar geen menschelijkheid is, hoe kan hij dan wijsheid verkrijgen?

Ik wijs er nog eens uitdrukkelijk op dat „jen”, in boeddhistische werken enkel genade, liefde en medelijden beteekenend, in Confucius niet alleen die liefde uitdrukt, maar ook alle deugden, die aan een mensch eigen, die menschelijk zijn.

II. De Meester zeide: „Menschen zonder menschelijkheid kunnen niet lang in een toestand van ellende zijn, en niet in een toestand van pleizier. De menschelijken rusten in menschelijkheid. De wijzen begeeren menschelijkheid.”

De bedoeling is, dat menschen zonder menschelijkheid in armoede overslaan tot onwettige dingen, als diefstal enz. en in pleizier tot losbandigheid.—Vergelijk voor de rest dit artikel met de „Choeng Yoeng”, Hfdst. XIV, Nos. 1 en 2.

III. De Meester zeide: „Alleen zij, die menschelijk zijn, kunnen anderen liefhebben, of anderen haten.”

IV. De Meester zeide: „Als de wil ernstig gericht is op menschelijkheid, is er geen slechts (in ons).”

V. 1. De Meester zeide: „Rijkdom en aanzien zijn wat de menschen begeeren. Als zij niet in Tao verkregen kunnen worden moet men niet (in dat verlangen) wonen (rusten). Armoede en lage stand is wat de menschen haten. Als het niet in Tao kan verkregen worden (dat men daarvan bevrijd blijft) moet men er niet van weggaan.

2. Als de Kiün Tszʼ van menschelijkheid weggaat, hoe kan hij dan dien naam (van Kiün Tszʼ) volmaakt verdienen?

3. De Kiün Tszʼ gaat niet voor den tijd van één maaltijd tegen menschelijkheid in. In haast zijnde blijft hij er in, in gevaar blijft hij er in.”

Vergelijk hiermede „Choeng Yoeng” Hfdst. I. No. 2. Menschelijkheid ligt natuurlijk in Tao, d. i. in het volgen van de Sing, en kan dus óók nooit worden verlaten.

VI. 1. De Meester zeide: „Ik heb nog niet iemand gezien, die menschelijkheid liefhad, en niet-menschelijkheid haatte. Voor iemand die menschelijkheid liefheeft, gaat niets daar boven. Iemand, die niet-menschelijkheid haat, zou wat niet-menschelijk is nooit tot zich laten naderen.

2. Is er iemand, die één dag lang zijne krachten inspant tot (het verkrijgen van) menschelijkheid? Ik heb nog niet gezien, dat die kracht niet toereikend zou zijn.

3. Als er al eens zoo’n geval geweest ware, ik heb het nog niet gezien.”

VII. De Meester zeide: „De fouten van de menschen zijn eigen aan hun soort (klasse). Ziende naar iemands fouten kan men zijn menschelijkheid weten.”

Een commentator zegt o. a. „Om iemands fouten kan men zijn hart doorgronden, en dan kan men ook zijn menschelijkheid zien. Hoe zou het aangaan te zeggen, dat iemand geen menschelijkheid heeft omdat hij fouten heeft?”

Juist aan de fouten, die iemand heeft, en die eigen zijn aan zijn klasse, en als zoodanig dikwijls vergefelijk, kan men dus zijn menschelijkheid veelal zien.

VIII. De Meester zeide: „Als men ’s morgens den rechten Weg (Tao) hoort kan men ’s avonds wel sterven.”

IX. Een geleerde, wiens wil gericht is op Tao, maar die zich schaamt voor slechte kleeren en slecht voedsel, die is niet geschikt om mede te redeneeren.

X. De Kiün Tszʼ onder den Hemel heeft geen vooringenomenheid vóór, of vooroordeel tegen dingen. Hij doet wat recht is.

Het chineesche woord „iʼ”, een der hoofddeugden, in dezen zin waar het te pas komt door „recht” vertaald en elders door „plichtmatigheid” beteekent juister omschreven „het volgen van de rede van den Hemel.”

XI. De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ denkt aan de deugd, de kleine mensch aan zijn gemak. De Kiün Tszʼ denkt aan de wetten, de kleine mensch aan gunst.”

XII. De Meester zeide: „Tegen hem, die (in alles) zijn voordeel volgt zal over zijn gedrag veel gemurmureerd worden.”

XIII. De Meester zeide: „Als (een Vorst) met het ware wezen van het Decorum zijn staat kan regeeren, wat zal er dan moeilijk voor hem (kunnen) zijn? Als hij den staat niet met het ware wezen van het Decorum kan regeeren, wat heeft hij dan met het Decorum te maken?”

In den tekst staat het woord „shang” dat weer heel moeilijk door één hollandsch equivalent te vertalen is. Het beteekent zoowel welwillendheid, bescheidenheid, nederigheid, kieschheid als beleefdheid.—Choe Hie zegt in zijn commentaar: „„shang” is het ware wezen van de Lí (het Decorum)” en dit heb ik dan ook in mijne vertaling gebruikt.—Lí mag dus niet alleen in ijdelen uitwendigen vorm bestaan, maar moet haar ware wezen, de „shang” in zich hebben.

XIV. De Meester zeide: „Men moet niet bezorgd zijn dat men geen plaats (rang, betrekking) heeft, (maar) men moet bezorgd zijn of men er wel een kan vervullen. Men moet niet bezorgd zijn, dat men niet bekend is, (maar) men moet er voor zorgen, dat men bekend kán wezen.”

XV. 1. De Meester zeide: „Tsʼan, [70] mijn Leer is eene eenheid, die alles samenhoudt.” De filosoof Tseng zeide: „Ja.”