De bruidstijd van Annie de Boogh
Chapter 9
Zij ging er zich lange redeneeringen over maken, meisjes-theorieën over zinnelijkheid, waaraan het weten ontbrak, de ervaring van hartstocht. Hadden misschien niet alle verloofde meisjes met dat gevoel van weeheid te kampen, veranderde dat misschien van-zelf ... later?... Zij kende er wel, waarvan ze zeker wist dat ze getrouwd waren zonder veel verliefdheid, en die toch blijkbaar niet ongelukkig waren geworden ... en kinderen hadden.... Zij bloosde in haar eenzaamheid bij die gedachten....
O! maar zij had haar Louis wel degelijk lief, dat voelde ze, dat wist ze. Haar huwelijk móést gelukkig zijn. Het zou een al te wreede teleurstelling zjjn als 't niet zoo was. Maar 't was niet anders mogelijk, want ze zou er immers haar gansche leven aan wijden, dat het iets hoogs en moois worden zou en hij een goed man in den nobelsten zin. Zij zou hem en zich-zelve, hun beider gansche zijn verdiepen, verbreeden; door haar toewijding, haar liefde, de kracht van haar ziel zou het hunne worden een ideaal samenleven....
Zoo redeneerde zij ... en wist zich vaak te overtuigen; vol vast vertrouwen op zich-zelf en 't onfeilbaar liefdevermogen zag ze den snel-naderenden huwelijksdag tegemoet....
* * * * *
Maar de oogen-blik waarin ze Paul voor 't eerst gezien had--in dat vaag-schaduwende, trillerig matte licht van de grijs-witte vestibule--had haar veranderd; ze voelde 't nu weer, dezen Maandagmorgen, namijmerend, naspeurend haar denken en voelen der laatste dagen.... Dien avond, den ganschen receptiedag, en ook zelfs dezen Maandag, zoo nuchter en gewoon door de huiselijke drukte..., daar was iets vreemds en onwezenlijks in, 't was soms of ze droomde, of ze straks wakker zou worden, en dan moest de receptie nog gehouden worden en Paul was er nog niet.... Het was of er iets met haar was gebeurd, ze wist niet wat.... Ze had het zwakke, lichte in 't hoofd van iemand die lang ziek geweest is.... Ze wist nu ook niet meer hoe ze toch gevonden had die rustigheid, dat vaste willen en helder vóór zich zien van haar toekomst..., ze kon nu niets meer helder afdenken of vóór zich zien; ze leefde maar, van minuut tot minuut, van uur tot uur, in een soort van roes, waar het materieele, het gewone daaglijksche doen geheel en al buiten bleef.... Het was of er een gordijn was geschoven voor 't verschiet van haar denken..., somtijds scheen het een mooi, glanzend gordijn, een voorhang van blauw en goud, doorfonkeld van zonnestralen.... Ze voelde den dag van haar huwelijk niet meer naderen, zeker zou ze er vóór staan eer ze 't zich bewust was.... Want 't was alles even onwerkelijk....
Telkens overmijmerde ze weer haar indruk van Paul;--ze had volstrekt geen vermoeden dat ze daar iets verkeerds of gevaarlijks mee deed.... Ze dacht aan Paul Holman, den schilder, die haar broer zou worden nu; was het geen groote gebeurtenis hem te leeren kennen?...
Wat was hij groot en goed!... Het verwonderde haar nu achteraf wel niet als ze dacht aan de aandoeningen, die zijn werk haar al gegeven had voor ze hem kende, maar ze had zich toch heelemaal geen voorstelling van hem kunnen maken.... Ze had dan van-zelf altijd aan Louis gedacht.... Ofschoon ze begreep dat hij anders moest zijn....
Telkens als hij bij haar was, had ze zich volkomen onbeduidend en nietig gevoeld, en toch, als hij haar aanzag, kwam er een heerlijke trots in haar opbloeien, want dan scheen hij haar in zijn sfeer op te nemen, haar met zich op te voeren, tot heel hoog.... Er was een ernst in zijn gelaat waarbij zij al haar eigen denken, haar leed en haar vreugde, klein en kinderachtig voelde, en een groote ruimte was in zijn blik, iets heilig-wijds.... Hij scheen duizelig veel te weten van 't leven, waar zij zelfs niet naar gissen kon, en dat toch alles waar en goed en diep-noodzakelijk was.... Zij wou dat hij nooit meer wegging, dat ze van hem zou kunnen leeren, altijd leeren.... Ze had een onverklaarbaar vermoeden dat ze 't allemaal wel dadelijk begrijpen zou, als hij het haar maar wilde zeggen....
* * * * *
Maar in den laten avond van dien Maandag--Louis was weg en zij naar haar kamer gegaan--overviel haar in-eens een zwaar-drukkend, toch onbestemd gevoel van bittere onvoldaanheid over zich-zelf, van zondigheid bijna en berouw, een besef van leven-in-de-laagte.... Ze zag zich loopen, hand in hand met Louis, in angstige, gebukte houding over de donkere aarde..., en ergens in de hoogte was een lichtsfeer, waar ze niet naar op dorst zien, maar waar ze wist dat Paul was.... Het was als een nachtmerrie vóór ze nog sliep; hevig bonsde en benauwde de angst haar, diep in haar keel; ze zat op een stoel in haar nachtelijk-stil kamertje en drukte zich de handen op de borst om het te doen bedaren....
't Ging weg...; ze lei zich te bed, koortsig-kil en rillerig; ze hield een gevoel van sombere verlatenheid, wat haar zacht deed schreien in haar kussen.... Eindelijk, uitgeput van overspannen tobgevoelens, kon ze enkel nog wat nasnikken en in zich-zelf herhalen: Waarom is hij vandaag ook in 't geheel niet gekomen....
IX.
Het verwonderde Annie, als ze, den volgenden ochtend, druk met al haar huishoud-plichtjes bezig, even terugdacht aan dien triestigen avond, dat ze nu weer zoo opgewekt, zoo vlug en pinter was van doen, en ze was er blij om, ze meende dat die bui dus over, en dat ze weer net als altijd vroeger was, vol lichten moed, en lust in 't rustloos bezig zijn, voor de anderen en voor de goede orde en rust in huis,--maar toen ze, na een roezemoezige bereddering met verschillende leveranciers en met de meiden, even stil wou zitten denken over alles wat ze nog moest doen --er was zoo'n boel, ook voor haar-zelf in deze dagen--toen merkte ze dadelijk dat ze eigenlijk heel óngewoon was.... Ze kon het niet..., ze dwaalde telkens af, ze was gejaagd en zenuwachtig. Ze was wel opgewekt en had daarnet nog hard gelachen met Neeltje--maar eigenlijk kon ze even goed een beetje uit gaan huilen in een hoekje, voelde ze.... Ergens stil blijven zitten kon ze ook niet; ze had geen rust; ze moest maar doen de dingen in een roes, zonder denken; àl maar bezig zijn, dat was het beste en het eenige....
De afspraak was dat ze bij Holman zou gaan koffiedrinken; er was nog 't een en ander dat ze koopen moesten voor hun huis, wat meubelen, een paar portières--en nog meer versiering, maar dat had geen haast vond zij--; ze zouden daar na de koffie samen op uit gaan; Louis kon dien eenen dag de Beurs wel eens overslaan.... Maar als ze aan dat plan ging denken, was 't telkens enkel Paul dien ze voor zich zag, want ze zou hem bij Holman zeker wel ontmoeten.... 't Verheugde haar..., en deed haar tevens opzien tegen 't koffie-uur als tegen iets moeilijks. Het was ook--nu ze Paul den ganschen vorigen dag vergeefs verwacht had--alsof er tusschen hem en haar iets hing wat een ontmoeting lastig maakte....
Maar door haar jachterigen ijver was ze nog vroeger klaar dan 't hoefde; ze kwam al éven twaalf uur in de Westerstraat en vond er nog alleen haar aanstaande schoonmama, die haar als altijd vroolijk-vriendelijk ontving en dadelijk druk begon te praten, kameraadschappelijk, vooral over de danspartij die ze Donderdag zou geven en over de japon die ze daar zelf zou dragen. De naaister was er juist geweest voor 't over-passen, o! hij zat zoo prachtig, innig-snoezig en echt gekleed; een ruche om den hals die was om te stelen! dól, dól elegant!... Louis zou tegen half één komen, maar hij liet zich wachten. Zijn moeder vond het noodig hem te excuseeren bij zijn bruid--haar armen goeien jongen, hij had het ook altijd zoo vreeslijk druk!... 't Was wel gebonden, hoor, zoo'n leven, maar enfin! 't Moest er van komen, niet waar?... de zaken moesten 't 'm doen?... En mevrouw Holman schudde haar grijze hoofd van louter beweeglijke vroolijkheid, en begon telkens weer over dat feest, zóó was ze er van vervuld.
Intusschen was Paul thuis gekomen. Annie had zijn stap gehoord in de gang, en verwachtend hem dadelijk daarop te zullen zien had ze een vage beklemming gevoeld, een klopping in haar keel,--maar hij was blijkbaar naar zijn kamer doorgeloopen; pas later kwam hij binnen, toen Louis er ook juist was. De bruigom kwam tien minuten voor éénen. Hij was erg gehaast, praatte rad, zenuwachtig en nog gemaakter dan anders. Het speet hem ontzettend, zei hij dadelijk, maar hij kon onmogelijk nu mee naar de winkels, hij moest absoluut op de Beurs zijn, van-middag, er was niets aan te doen, en later kreeg hij iemand bij zich op kantoor. Ze rekenden uit of het dan nog op een anderen dag zou gaan, maar er waren er, behalve de Zondag, nog maar vijf, en den eenen dag was er dit, den anderen dat, uitgesteld kon het ook niet. Mevrouw Holman vond dat nu vreeslijk jammer, zat er wat over te zeuren. En Louis, knikkend, beamend--ja, 't was jammer!--bediende zich intusschen haastig, schoon niet zonder aandacht, van al wat op tafel stond, maakte een paar glimlachende aanmerkingen op de koffie die te slap en de boter die te hard was, en zei in-eens, luid animeerend en met een coquette gemaaktheid in zijn stem en zijn lachje, dat Paul dan voor van-middag de honneurs maar eens voor hem moest waarnemen, zijn bruidje chaperonneeren en helpen kiezen. Hij had zoo'n uitnemenden smaak, Louis liet het dolgraag aan hem over....
Hij was stil binnengekomen, de schilder, en had nog niet veel gezegd. Hij scheen kalm, eenigszins abstract en gedrukt; Annie had al een paar maal oplettend naar zijn bruinig bleek gelaat gekeken.
Hij schrok toen hij 't Louis hoorde zeggen van dat meegaan met haar. Hij gaf er niet onmiddellijk antwoord op.... Want zijn plannen kwamen er plotseling geheel door in de war, op zoo iets had hij heelemaal niet gerekend.... Wel meende hij er in geslaagd te zijn zich in een geestes- en gemoedstoestand te brengen, waarin het mogelijk was haar te ontmoeten zonder al te zeer ontroerd te worden. Maar hij had zich Annie ook weer aldoor voorgesteld, zooals hij haar tot dusver had gezien, in gezelschap van anderen.... Met haar alleen zijn, lang, dat was geheel iets anders, daar was hij niet voor gereed....
* * * * *
Paul had in den nacht van Zondag op Maandag, en toen dien Maandagmorgen op een rustelooze wandeling, veel nagedacht, gestreden met zich-zelf, getobd, geleden. 't Verlangen weg te gaan, te vluchten naar zijn eenzaamheid in Brabant, was weer teruggekomen met telkens krachtiger vlagen. De stadsomgeving werd ál harder, hatelijker; hij voelde zich een erge vreemde in Rotterdam.... In de gezichten van de menschen die hij tegenkwam zag hij telkens de trekken van Annie's ouders en broers, van Louis en de grijnzende receptiedames en heeren. Herhaaldelijk meende hij iemand te herkennen, maar de gezichten blikten hem koud tegen, met een vijandige strakheid.... Toch wilde hij niet weg; 't zou laf zijn; hij moest blijven, geen stoornis geven, getuige zijn bij 't huwelijk van zijn broer....
Maar wel was hij gaan begrijpen, dat ondanks al zijn wilskracht en zijn zelfbeheersching, zijn verblijf in Rotterdam onmogelijk worden zou, wanneer hij niet vermeed de bruid te zien, te spreken, de in-straling van haar oogen te ondergaan, haar stem te voelen klanken naar zich toe, haar hand, of zelfs de wijde plooien van haar mouwen aan te raken. Het zou wel niet geheel te ontwijken zijn, maar 't moest zooveel als 't kon zonder in 't oog te loopen, want Annie mocht vooral, vooral niets merken. Dát was 't voornaamste. Daaraan moest hij al den tijd gedachtig blijven, dat was de plicht die door 't gehamer van zijn al-door-denken werd tot rotsig vaste noodzaak. Verlieven op een bruid, dat was al zwak en oneerbiedig?--schennis eigenlijk al!--maar 't haar laten merken, haar er mee ontrusten en verwarren, den weemoed van haar laatste maagdendroomen storen, vertroebelen de reine wijding harer bruidsgedachten, de stille klopping van haar wachtend staren op den hoogtijd..., dat zou een daad van louter ruwe zelfzucht zijn, een laffe wreedheid..., ploertig ... ploertig....
Het zou dus noodig zijn dat hij zich, niet -zooals eerst zijn voornemen was--geheel ging geven aan de bruiloftsplannetjes van z'n familie, aan hun urbaniteit, hun vriendenmalen en hun onder-onsjes, hij moest zich daaraan trachten te onttrekken, en andere dingen doen, naar lichaam en naar geest zich zoeken af-te-leiden. Werken ging natuurlijk nu nog niet, hij kon er heel eenvoudig niet aan denken, daartoe was noodig innerlijke rust, geheel beheerschen van je zelf, je aandacht, je emoties, en dat.... O! 't zou wel weer komen, want het moest, want zonder dat zou alles uit zijn..., maar het zou nooit gaan zoo dicht in haar nabijheid. Dus ander bezig-zijn; het kwam er niet op aan, alles was goed, als zij er maar niet bij betrokken was...,
Zoo liep hij dien Maandag door de drukke stad te dwalen, zocht eerst den Maaskant op, liet de herrie aan de havens zich tot suffrig wordens overdaveren--het schril gefluit en hoornig toeteren, van zwaren weemoed vol, der groot-zwart-ijzeren booten, het koe-geloei, het schaapgekerm, het heesch gegil der opgeheeschen varkens, 't snerpende gepiep der kranen, de kolossen die hij dreunend draaien zag; hij luisterde naar 't rauw geschreeuw, het vloeken van de sjouwers, naar 't krakend donderen der tonnen in het ruim der booten, naar 't bolderen van de hooggeladen sleeperswagens, 't vonken slaand getrap der paardenhoeven tegen de nijdige keien..., maar altijd hoorde hij in zijn ziel haar zachte stem, licht trillende van innigheid...; toen ging hij naar 't hart van de stad, over den altijd glibberig zwarten vloer der half-duistere straten, vermijdend op te kijken naar den verren hemel, om zich zóó heelemaal gevangen in het stadsgewoel te voelen; hij bekeek het rommelige moois der stoffige uitstalkasten, lang, zijn best doende alles goed te zien..., maar dadelijk vergeten wat er lag, want ieder voorwerp keek hem aan met Annie's oogen. Hij dwaalde ook de buitensingels af, de nieuwe straten, gansche nieuwe wijken, die hij nooit gezien had,--of misschien ook wel, 't was alles zoo éénder, en doodend banaal, en hij dacht zelfs daar: die huizen heeft ze ook gezien, deze straten beloopen, dit is haar stad, hier leeft ze, ademt ze, en was 't of in de atmosfeer iets hem herinnerde aan haar....
's Avonds ging hij er weer alleen op uit, zocht oude vrienden op en maakte nieuwe kennissen, meest allen artiesten, en had het druk met hen over kunst en over hun toekomst Hij had er nooit van gehouden te praten over kunsttheorieën, maar nu zat hij er over door te slaan in 't wilde, zei wat hij voor waarheid hield, maar ook allerlei paradoxen, dolle dingen; ze lachten er om.... Hij zat met die lui in bierhuizen, hij maakte zich vroolijk tot schaterens toe, hij wond zich op, hij ergerde zich, vloekte, wrokte, treurde met hen. 't Kon hem allemaal geen zier schelen, maar 't hield hem bezig; bij die ruwe oppervlakkigheid was zij het verst en was het mogelijk te leven..., maar toen hij naar huis liep was hij moe en lam, alleen nog in staat zich zuchtend te herinneren dat hij tóch den heelen dag aan haar gedacht had..., en dat het voortaan wel altijd zoo zijn zou.... Hij had een afspraak gemaakt voor den volgenden morgen; hij ging naar den Kunstkring met een van zijn nieuwe vrienden. Maar tegen tijd van koffie-drinken werd hij onrustig en liep naar huis. Hij had er van gehoord dat Annie komen zou.... Onderweg maakte hij zich verwijten; wat was dat nu stom, hij had zoo gemakkelijk uit kunnen blijven!... Maar och! hij zou zich toch aan een houding moeten wennen. Hij nam zich met beslistheid voor zich kalm en koel te houden, een beetje abstract-stil, alsof dat zoo zijn aard was, en op een afstand van bescheidenheid....
Zoo kwam het dat hij schrok, zich even voelde als verlamd en suf, en dat hij, kleurend, enkel langzaam zeggen kon, dat het hem goed was ... dat hij 't gaarne doen zou..., toen Louis in-eens dat voorstel deed aan 't koffiemaal.
* * * * *
Ook Annie was een oogenblik verward en vreemd ontroerd. Het eerste wat ze voelde was een blijdschap, sprankelend in haar hoofd,--want heimelijk had ze er op gehoopt, dat iets dergelijks eens zou gebeuren, één van die dagen, dat ze 's ongestoord een paar uur met Paul alleen zou kunnen zijn--, maar 't was er zoo in-eens nu, zoo onverwacht...; dadelijk kwam een vaag belemmerend tegen-op-zien haar verheuging storen.... Er was zooveel waar ze naar vragen wou aan Paul, waarover ze zijn meening wilde weten ... maar gek! ze herinnerde zich er plotseling niets meer van.... Ze voelde dat ze niet wist wat ze zeggen, noch op welken toon ze met hem praten kon.... En toen merkte ze de aarzeling van zijn antwoord op; ze keek naar hem, ze zag dat zelfs zijn voorhoofd rood werd, dat zijn trekken barsch en wrevelig stonden als van een plotselinge ergernis..., en 't was of alles uit haar week...; het niet-begrijpen, de teleurgesteldheid werd een weeë leegte; er kwam een wazig warrelen voor haar oogen; de heele middag kreeg iets sombers en iets angstigs.... Hij wou niet!... wou niet graag met haar alleen zijn; was ze hem dan toch niet sympathiek, vond hij haar dom, vervelend, onbeduidend?... Zij was wel niet gekrenkt, want eigenwaan bestond in haar niet--o neen! ze wist ook wel, ze wás een schaap--, maar ze had er wel iets over willen zeggen: dat hij 't toch vooral niet doen moest als hij andere plannen had, dat ze eigenlijk ook best alleen kon gaan, of zoo..., maar 't ging niet; er was een zware loomheid die haar zwijgen deed; ze slikte, droog, en voelde iets branden achter in haar oogen....
Louis begreep het best, dat zij zoo stil was, zoo teleurgesteld blijkbaar; het trof ook beroerd vervelend dat hij nu juist van-middag naar de Beurs moest voor die Afrikaansche mijnen, die in-eens zoo lekker aan het stijgen waren gegaan. Pauls verwarring schreef hij toe aan 's mans verlegenheid, zijn meisjes-vrees, van ouds bekend; ijdel lachend troostte hij z'n bruid door op te merken dat ze binnenkort meer samen zouden zijn, en hield, op ietwat plagerig-vaderlijken toon, aan Paul voor dat hij toch op moest passen niet zoo heelemaal te ontwennen aan den omgang met beschaafde meisjes van z'n eigen stand; dat was toch zoo goed; ook zou Paul toch zeker heel graag eens wat beter kennis maken met zijn aanstaande schoonzus.... Hij had intusschen gedaan met dejeuneeren, stond haastig op, zocht op den schoorsteen naar zijn halve sigaar, die hij bij 't binnenkomen daar had weggelegd--maar hij stak het endje niet in de kamer aan--; toen kuste hij zijn bruid, gaf den anderen een knikje, lachende van ingenomenheid met eigen doen.... en ging de deur uit....
Mevrouw Holman intusschen vond het idee van Louis uitmuntend, een prachtige oplossing! De hoofdzaak was voor haar maar dat ze slaagden, dat ze mooie dingen kochten, liefst iets excentrieks.... Toen de bruigom weg was bleef ze een heelen tijd alleen aan 't woord. Ze ratelde over kleuren en dessins, vertelde van wat ze gezien had in de salons van dezen en van genen.... O! dolgraag zou ze--nu Louis niet kon--weer zelf eens meegegaan zijn; ze vond het een heerlijkheid, het kiezen van mooie meubels en stoffen! Maar 't was vandaag haar "jour", ze kon niet weg. Nu, de visites waren ook gezellig....
Vol schijnbare aandacht luisterde de bruid; 't gezichtje ernstig; Paul zat vóór zich op de tafel te kijken, in wazige abstractheid, prik-duwend scherpe krummels in zijn vingertoppen-vleesch....
* * * * *
Een kwartier later stonden ze op straat. Hij 't eerst; hij was er maar vast uitgeloopen en wachtte, op de stoep, de zware voordeur voor haar openhoudend. Hij meende er opnieuw in geslaagd te zijn zich te kalmeeren, had zijn dorre rol zich vast in 't hoofd gezet; hij zou 'n beetje stug zijn, niet veel zeggen, toch juist genoeg om niet bepaald vreemd-stil te schijnen; zij moest er niets bizonders van gaan denken, enkel den indruk krijgen, dat hij zóó nu eigenlijk was, en zijn spraakzaamheid van Zaterdag-avond uitzondering....
Daar kwam ze aan, donker tusschen de bleeke gangmuren, in langzaam-deinend gaan, lenig en slank, een grooten zwart-kastoren hoed op, met alleen twee pluimende struisveeren er over gelegd, een witte en een grijze--die deinden mee als halmen in een koeltje--; ze droeg een manteltje van laken, donkerblauw, dat plooiloos om de meisjesbuste sloot, en een rok van dezelfde kleur, maar wolliger, die--flink-opzij en even opgetrokken--vast lag in haar linkerhand, glad glanzend in 't glacé; de andere droeg het stijf-gerolde parapluietje. En haar gezicht, roomkleurig, stond recht-op, een-weinig achterover, zóó, dat bovenwang en voorhoofd in de hoedrandschaduw werden verdoft, terwijl de zachte rondingen van kin en kaken witjes glansden. Maar in de ijle schaduw stonden wijd-open haar donker-blauwe oogen, de pupillen groot, als overwelfde meren, peilloos diep en stil pracht-glanzend....
En, als een droom bij 't eensklaps, in schrik, ontwaken, was zijn kunstige, door kracht van wil zich ingedwongen kalmte weggevaagd,--hij stond in louter vurigheid van liefde-zinnen. Een hevig zien van haar, in haar puur maagden-mooi, haar vorstlijk ingehouden, toch 't gelaat uitstralend ziele-mooi, drong tot zijn innerlijkste wezen door. Het was een plotselinge koorts, een duizeling; hij wist niet wat hij doen ging, stond nog bij de deur toen zij al doorliep, kwam toen ze hem riep, met wankelige groote stappen haar op zij, geheel bevangen nog, blozend, erg verlegen en linksch. Zij zag het niet, liep voor zich uit te kijken, zei enkle woorden over 't weer, waarop hij heesch ook iets terugzei, dan aan 't hoesten sloeg om niets te hoeven zeggen en om die schorheid weg te krijgen.
En ze stapten door, zij aan zij, te gauw, veel vlugger dan gewoonte is voor 't wandelen van een heer en dame samen. Hun beider innerlijke gejaagdheid maakte 't moeilijk langzamer te gaan....
't Hernieuwd en overweldigend bewustzijn van zijn diep-wortelende liefde, dat onuitroeibaar weten dat zijn broeders bruid voor altijd de eenige begeerlijke was voor hem, bracht versche vlagen wrange bitterheid en somber wrokken mee in Pauls gemoed. Wanhoopsvragen stegen in hem op, dringende drommen, die hem de borst tot hijgens-toe beklemden. Waarom? Bij God! waarom? Waarom juist zij? Niet een der honderden van vroeger, niet een der duizenden van overal, maar zij, zij, zij alleen! Was deze marteling een straf of een beproeving? Was 't daarvoor dat hij komen moest, zoo argeloos, zoo half-in-droomen van natuurschoon nog, zoo midden-uit zijn werk waar hij zoo stil-gelukkig zich in weggeleefd had?... Zijn vrede, zijn geluk, zijn hart-vol-hartlijkheid voor broer en moeder..., o! zij deed hem wel alles verliezen!...
* * * * *
Ze praatten weinig in de eerste tien minuten, of 't kwartier, waarin ze gingen langs de singels naar de winkelstraten, gehaast om daar te komen. Hij merkte 't bijna niet, hun stil-zijn, want met zijn liefde-lijden en zijn bitterheid vervuld, had hij zich telkens krachtig in te spannen om, schijn-bedaard, eens wat te zeggen, was iedre langzaam uitgesproken volzin hem een overwinning, meende hij al 't haast onmogelijke te doen....