De bruidstijd van Annie de Boogh
Chapter 7
Hij bleef toen nog geruimen tijd zoo zitten, door zijn wijde ontroering, zwaar en langzaam ademend, zijn leven overdenkend, overziend.... En telkens voelde hij zich sterker worden, vaster staan; een diep besef van onverwinlijkheid kwam hem doorgloren. Het levensinzicht, waar hij in zijn eenzaamheid toe was genaderd--na veel smartelijk zoeken--en dat hem tot een leer en richtsnoer, tot zijn bloed-warm-eigen toevlucht en hou-vast geworden was, kwam krachtig tot zijn hulp. En ook zijn werk, zijn kunst, gedacht hij weer met trouw en fierheid....
Hij had een vrouw lief, rein, heilig, hartstochtelijk lief. Dat was goed en mooi, een schoone opbloei van zijn beste neigingen.... Dat niet trachten uit te roeien, noch te ontvluchten. Geen angst, geen laf, vreesachtig schuilgaan. Blijven. Zien. Leven in hoogheid en bewondering....
Maar als 't geen opbloei was, maar brand, een martlend en verterend vuur?... Dan zou hij dat trotseeren. Hij was sterk en groot. 't Kon jaren duren....
't Namiddaglicht verbleekte en werd mat, terwijl hij aldoor nog maar zitten bleef en soezen.... Maar plotseling zag hij al de dingen in de verte grijs omwaasd, de schaduwen om hem heen verflauwd en uitgerekt;--de schemering viel in.... Hij schrok er van, stond op om gauw terug te gaan. Maar zwaar van peinzerij en loomheid kon hij zich niet dwingen hard te loopen.... Hij ging het park door.... Het was er stil; een kraakstap hier en daar in 't kiezel, en wat kinderpraat, was alles wat hij hoorde, behalve 't vogeltjielpen en het windgeruisch, maar dat waren geen geluiden die stoorden. Hij voelde zich moe, en vreemd licht in z'n hoofd alsof hij geslapen en druk gedroomd had....
Hij kwam nu langs de vijvers, had zijn weemoeds-vol genot van 't zien, het stil beoogen van dat ongerimpelde, geheimen volle watervlak.... Zóó, ja! zóó moest hij ook zijn, stil en diep..., zich nooit verraden..., in zich-zelf besloten blijven..., zich enkel uiten in zijn kunst..., zijn liefde in zijn kunst ... en ook zijn smart.... Niet dadelijk dat nog..., ook niet gauw nog..., later ... als hij 't heelemaal, voor altijd, zou bemeesterd hebben.... Dan zou hij--mocht dat wel, was 't niet profaan?--uit zijn smart zich wondere harmonie van stemmingen en kleuren scheppen en die dan, zichtbaar voor hem zelf alleen, in ademlooze aandacht, op zijn doek verdubbelen, een tweede, langer blijvend leven geven.... Als dat gelukte zou 't iets heerlijks zijn!...
Maar 't was verkeerd daar nu al aan te denken, zoo vol zelfverheffing.... Hij moest bescheiden zijn, trouw maar blijven werken naar natuur. Bescheidenheid is wijs, en trouw is goed....
Zoo liep hij door, z'n hoofd nog van die droomerij en vage wijsheid vol.... Hij waande zich in evenwicht, in kalmte philosophisch.... Toch kwam al telkens meer gedenk-aan-haar zijn stap versnellen, 't verlangen jagen door zijn warmer wordend lijf....
Hij naderde alweer, hij was nu op den Westersingel.... Nog een eindje en hij zou het huis al kunnen zien....
Toen werd hij weer gejaagd en erg onrustig; zijn hoofd was gloeiend, zijn slapen brandden onder zijn vilten hoed, en klopten met korte, doffe bonzen. Zijn voeten waren koud;--en hij bleef even staan met een gevoel alsof hij stikken zou van drukking op z'n borst.... Het was bij zessen.... Ja, hij moest nu gaan.... 't Was tóch al opvallend zoo lang als hij was weggebleven.... Ze zouden verwonderd zijn en vragen: Waar ben jij geweest.... Hij zou dan maar zeggen dat hij had gewandeld, dat het hem zoo goed gedaan had, dat hij nu eenmaal buitenman was en behoefte had aan veel beweging in de open lucht.... En 't huis van Louis..., nu dat zou hij morgen dan wel zien, dat liep niet weg.... Maar dan kwam 't diner.... Hij zou natuurlijk zitten tusschen dames..., jonge zeker..., of een oude en een jonge ... en dan zou hij moeten praten....
Eten kon hij niet, maar dat was minder; praten was veel noodiger.... Met enkel stil-zijn, in zich-zelf besloten blijven zou 't niet gaan..... O! 't vreeselijke praten!... Maar stil-zijn, dat was te eenvoudig!... Zóó gemaklijk was het niet.... Zeker zou hij ook veel te zien en te hooren krijgen, en moeten voelen, dat hem martelen zou..., maar dan zou hij toch maar aldoor moeten praten, lachen, vroolijk doen....
Maar ... God! Waarom dan toch, waarom niet weggaan, dadelijk en voor goed, voor altijd weg?...
Omdat hij groot wou zijn en sterk, zich zelf beheerschen....
Omdat hij leeren wou te lijden met een lach....
En ook ... omdat ... hij nog niet scheiden kon....
* * * * *
Maar, ál naderkomend voelde Paul 't ontzaglijk moeilijke, het haast onmogelijke van zijn houding meer en meer.... Het maakte hem koortsig van opgewondenheid....
Hij moest zich meester zijn, niets laten merken ... aan niemand!... Maar hóé ... hoe zou hij zijn?... Hij moest dat maar verstandelijk vooruit bepalen, dat was 't beste; het zou toch al comedie zijn..., een rol!... maar wat voor rol zou hem 't gemaklijkst afgaan?... Een misanthroop, een somber zwijger?... of iemand die zich dronken praat?... Een redeneerder die met grooten ernst zich druk maakt over niets?... een clown, een paardenspel-pias, die 't volk doet juichen als hij enkel grijnst, hun botheid cynisch exploiteert.... Ja, dat was wel het beste masker, maar hij zou 't niet kunnen.... Zijn mensch-verachting was niet groot genoeg.... O neen!... In godsnaam waardigheid!...
Maar, och! wat kwam 't er eigenlijk op aan! Als zijn groot geheim maar verborgen bleef.... Als niemand daar maar iets van kon raden.... Zij het minst.... O, zij wel 't allerminst.... Want haar zou 't leed doen, de anderen zouden lachen of zich op z'n best wat ergeren....
Hij zou dus maar zijn zooals 't viel!... vandaag zus, morgen zóó.... Vandaag druk, praatziek, opgewonden, morgen stil, bedrukt, overmorgen iedereen verlakkend, dan bijvoorbeeld weer eens, aldoor glossen makend vol kwaadaardigheid, en dan zoo lief-goedmoedig als een ouwe-meu.... Zoodat ze allemaal zeggen zouden, dat uit hem niet wijs te worden was..., dat hij een zonderling, een gek was!...
Als dan eindelijk alles zou gedaan zijn..., als hij weg mocht gaan.... O! als dan niemand maar iets wijzer was geworden over hem, als hij dan maar niets gezegd had wat hij liever zwijgen wou!... Dan mochten ze hem voor gek verslijten!... Hij zou van-zich-zelf gebleven zijn en alles in zich bij elkander hebben gehouden ... tot zijn eigen troost en bitterheid, als hij alleen zou zijn....
Het viel hem mee; ze vroegen niet veel. Ze schenen hem nu al voor veel zonderlinger te houden dan hij wist, ze schenen maar blij te zijn, dat hij weer binnen was, dat ze niet hoefden te wachten.... Ook leidden de andere gasten-voor-'t-diner in ijvrig praten de aandacht van hem af.... Annie keek hem aan, bezorgd, aandachtig, ze zag bleek van moeheid--maar ook zij vroeg niets....
Zijn tafeldame was bruidstante Bertha, een beminnelijke dame, kort-ademig van dikte, maar toch lang van stof, en heel gemaklijk te onderhouden. Aan zijn andere zij zat nichtje Line, 't druk-vroolijke bruidsmeisje. Die zat op een hoek; en aan den smallen kant van de tafel waren neergezet: Johan, een vriend van Willem, met Margotje, de vertrouwde van Rie de Boogh, een droomstertje, met groote oogen, ernstig. Nu had nichtje Line, langs het stil Margotje heen, voortdurend drukke pret met dien Johan. Paul was daardoor op tante Bertha aangewezen, maar die zat ook herhaaldelijk te praten met Louis, haar rechter-buurman.... Zoo kon hij nu en dan een poosje stil zijn..., luisteren, door 't praten van de anderen heen, naar Annie's stem..., wat hem benauwde soms, tot stikkens toe....
Hij had een paar zeer moeilijke oogenblikken. Tante Bertha merkte eensklaps op, dat hij haast heelemaal niet at, en maakte daar, met goedige verbazing, drukte over. Het werd een heel relletje, iedereen keek naar hem.... Maar Paul, met--uiterlijk--volkomen kalmte, hield maar vol dat zij zich inderdaad vergiste....
En, aan 't einde van den uitgebreiden maaltijd, toen al de oude heeren hadden getoost en zaten na-te-gloren, blij dat 't goed was afgeloopen--papa De Boogh, oom Hendrik--die voogd over Paul en Louis was geweest,--oom Koo de Boogh, en daarna zelfs Jan en Willem ook al..., toen zaten ze blijkbaar te wachten op een toost van hem.... Hij zag het aan de oogen die nu en dan nieuwsgierig bevreemd zijn kant op keken, hij hoorde 't aan het telkens hortende gepraat.... Hij dacht er ook een oogen blik wel over..., een toost..., maar gaf het dadelijk weer op. Dat kon niet. Ze moesten dan maar denken wat ze wilden. Dat hij niet wist hoe 't hoorde....
Mama deed al haar best zijn blik te vangen..., kuchte.... Maar hij deed als merkte hij daar niets van..., sprak nichtje Line aan.... Er kwam zelfs even algemeene stilte aan tafel.... Misschien hadden ze van hem juist iets zeer fraais verwacht.... Mijnheer De Boogh trok, grappiglijk, zijn wenkbrauwen hoog op en fluisterde met mevrouw Holman, die zijn tafeldame was; toen keken beiden, hard-op lachende, naar Paul.... Maar hij hield zich kalm..., toostte niet....
Neef Herman kwam dan aan de beurt, met een komischen, berijmden heilwensch--lange lijzige regels, het duurde wel een goed kwartier.--Ze waren allen blij toen het uit was; moe van 't zitten maakte elk bewegingen van willen opstaan.... Louis bedankte kort, correct....
Na het diner werden diverse aardigheden vertoond, door, Willem en Marietje, met Johan, Margotje en Line; een paar andere vriendinnen van de bruid zongen en reciteerden fraaie verzen over liefde en trouw ... rozen en doornen.... Het werd gauw laat.... Men converseerde, dronk wijn, keek naar de vertooningen.... De jonge meisjes praatten wel van dansen, maar de gastvrouw ging daar niet op in.... Haar man, die van dezen naar genen ging, kwam ook even met Paul praten. Maar hij was lang niet zoo overstelpend vriendelijk als den vorigen avond.... Er lag zelfs nu en dan wat meerderheidsgevoel in zijn manier en toon. Zij raakten over politiek aan 't praten.... Het oude heertje, nijdig roerend in zijn kopje thee, gaf, in zijn fel en krakerig geluid, zoowat opinies van laisser-aller ten beste, ouderwets-liberale ideeën, gebruikte termen waar hij zelf klaarblijkelijk de porté niet van begreep.... Paul maakte zich niet warm, maar zei, spontaan en leuk, wat zinnetjes die recht daartegen in, en erg socialistisch klonken. Toen draaide de oude heer zich kwasi lustig-lachend, inderdaad hoogrood van woedende ergernis, in-eens om, liet hem zitten.... Zijn vrouw, die z'n beweging zag, glimlachte met haar pijnlijke berusting.
Tot Annie had hij haast nog niet gesproken, enkel nu en dan een woord of wat, met zooveel mogelijk afgewenden blik. Maar toen bemerkte hij 't gevaar dat ze ging denken: hij is boos om 't een of ander; ze keek wat angstig-ongerust zijn kant soms uit. Dat mocht niet. Dus ging hij even zitten bij Louis en haar, en praatte wat, op hartlijken, vertrouwelijken toon.... Louis scheen een beetje stroef--omdat hij niet getoost had zeker!...
Toen hij naar huis ging had hij een kleine blijdschap van tevredenheid over zich-zelf. Hij ging per rijtuig, met zijn moeder en Louis, en 't ratelen belette dat er veel gepraat werd. Toch zei mama nog iets van zijn niet "spreken aan tafel." Het speet haar erg. Nu was 't haast enkel van den anderen kant gekomen. Paul zei dat hij 't niet kon en 't ook niet noodig had gevonden.... Louis zei niets....
Op zijn kamer viel hij dadelijk op een stoel neer,--een rechten, stoel die aan den muur stond--, bleef voorover zitten suffen.... Totdat zijn rug hem pijn ging doen van 't lang gebukt zijn, zijn leden stijf en doof en klopperig waren, een drukking op zjjn hoofd het denken haast onmogelijk maakte....
Hij stond den volgenden morgen zeer laat op. Hij voelde zich zoo suf en lam-geslagen, opziend tegen alles wat nog kwam....
VIII.
Maar Annie had het druk dien Maandagmorgen. Want ofschoon mevrouw de Boogh zich stijfhoofdig verbeeldde--en dat hield ze ook voor niemand verborgen--dat zij van allen in huis het moeilijkste leven had, door al wat zij daaglijks had na te gaan, door de honderden kleinigheden van netheid en fatsoen waar ze over denken moest..., het eigenlijke werk placht ze toch heelemaal over te laten aan Annie en de twee meiden.
Dat zou nu wel gauw uit moeten zijn, daar Annie ging trouwen, maar er was dan ook al een meid-huishoudster aangenomen, die dadelijk na den trouwdag in dienst treden zou. Over die nieuwe regeling was heel wat voorgevallen. Mijnheer de Boogh vond het nonsens, drie meiden voor een huishouden van evenveel personen--want meer zouden ze voortaan niet zijn onder normale omstandigheden. Hij had er zich een paar maal heftig-nijdig om gemaakt. Maar mevrouw, met beleedigde fierheid, ging plagerig bedaard haar gang.... Alleen in zóóver kreeg mijnheer zijn zin: de nieuwe zou niet in huis komen voor dat Annie er uit was. Zoodoende zou hij er althans in zijn beurs niet veel van merken....
Dus Annie had nog veel te doen; de kamers waren op den receptiedag alle in gebruik geweest, en ook het meerendeel van 't fijn kristal en 't kostbare, geërfde Sèvres-porselein. Gelukkig hadden Neeltje en Jans veel voor haar over, zoodat het altijd vlug genoeg ging zoolang mama er zich niet mee bemoeide, maar als die bevelen geven kwam op haar gewonen toon van aanmatigende minachting, of met slijmerig slepende woorden, die vriendelijke terechtwijzingen moesten verbeelden, met een medelijdenden glimlach, of vol gehuichelde verbazing over hun ondoordachtheid, dan werden de meiden kribbig en zenuwachtig, ruw-hardhandig of loom-onverschillig. Dan brak er veelal wat of er viel iets om, waardoor mevrouw altijd erg schrok, en dan waren er telkens felle standjes; Neeltje en Jans lieten zich alles zoo maar niet zeggen. Toch zwegen ze ook dikwijls, stuursch--en dan voelde Annie heel goed dat het was om harentwil.... Zoo was 't altijd gegaan daar in huis. De meiden liepen soms in-eens weg,--en als ze lang bleven was het "alleen om de juffrouw."
Dien Maandagmorgen was het humeur van mama de Boogh alleronaangenaamst. Haar man had lang getalmd met naar kantoor gaan,--dat was iets wat op zich-zelf al in staat was haar morgen te bederven. Maar bovendien was Marietje aan 't ontbijt, in haar landerige moeheid na den feestdag, bizonder snibbig tegen haar geweest; ja, 't brutale kind was zoo ver gegaan mama's bestudeerde stem van lieve-dame, op onuitstaanbaar overdreven wijze na te bauwen. En 't ergste was: Willem bleef den heelen morgen in zijn bed liggen, met de deur op slot, zoodat zijn kamer niet op tijd gedaan kon worden. Annie zei, om te sussen, dat het best 's middags even gebeuren kon, maar daar gaf haar moeder niet eens antwoord op..., ze ging telkens opnieuw kloppen en roepen.... Eindelijk kwam er heelemaal geen antwoord meer..., en daar mevrouw de Boogh geen schandaal in huis wou maken, kon ze de spanning van haar ergernis enkel temperen door ál maar hatelijk te zijn tegen Annie en de meiden.
Het bruidje was er aan gewoon, aan die stemming en aan die standjes. Toch trok ze 't zich altijd weer aan. Toch viel het haar altijd opnieuw tegen. Het hopen-op-beter was haar een behoefte; ze hield van haar huisgenooten en geloofde in de liefde als de eenige kracht die alles in de wereld beter maken kon. Dit geloof was zeer vast en sterk in haar; het was er geweest zoolang ze zich haar leven herinnerde; lectuur en nadenken hadden het wel versterkt, maar het sentiment zelf, daar scheen ze--vreemd genoeg--wel mee geboren, dat had ze altijd gekend, altijd dat innige houden van "de liefde", die vrome vereering van de liefde, als het hoogste, het mooiste en grootste.... Er was een vacantiemorgen geweest, lang geleden, maar dien ze nooit vergat--ja, ze proefde, als ze er aan dacht, nog precies de tonen en tinten van dien zomerschen dag--, toen had ze voor 't eerst hooren zeggen dat God liefde was.... Het was geen dominee die 't had gezegd, maar een onbekende dame, die met een paar kinderen naast haar was komen zitten op een bank in 't park, een fijn-bleeke-en-blonde dame.... Ze had haar nooit meer gezien na dien tijd, en ze twijfelde wel eens of 't niet een verschijning geweest kon zijn....
Vóór dien dag had ze altijd geleerd van "God den Vader" en van een "persoonlijken God", die de menschen had "geschapen naar zijn beeld ..." en van het laatste oordeel, den hemel, de hel.... En ze had zich een onbestemde, toch angstig-starre voorstelling gemaakt van een vreeslijk ouden, strafstrengen en rechtvaardigen grijsaard, die, ergens hoog in de wolken, op een troon zit, met een gulden staf en een heel langen witten baard, aldoor maar roerloos-recht vóór zich kijkend.... Daaraan te denken had haar dikwijls bonzend-bang gemaakt, en ook wel bedroefd voor al die arme, doode menschen, die door God met zijn staf waren teruggewezen, en daarom nu altijd, altijd branden moesten in de hel.... Ze had wel dikwijls vaag gevoeld dat ze 't eigenlijk niet goed gelooven kon..., maar nooit had ze in haar kinderziel flink-weg en hard-op durven denken aan dat ongeloof.... Toch was ze altijd heimelijk blijven hopen, dat er in-eens iets heerlijks met haar zou gebeuren, dat ze iets hooren of iets zien zou, waardoor al haar angsten en benauwingen zouden vervliegen tot droomen, tot niets.... En dat was gebeurd dien zomermorgen.... Een paar lichte woorden hadden 't gedaan. "God is liefde!... God is liefde!...," liep ze aldoor in-zich-zelf te zeggen en bij iedren keer dat ze 't zei, werd het warmer in haar binnenste, en lichter, zonniger om haar hoofd.... Ze was zóó blij geweest, zoo opgewonden blij als nooit te voren. Het leven had haar zoo eenvoudig en gemakkelijk, zoo goed en mooi, zoo-vol geluk van voldoening geschenen dien dag....
Dat was nu al lang geleden. Sedert had ze veel over het leven en de wereld gedacht, gelezen ... en ook zelf wel gemerkt dat het allemaal zoo eenvoudig niet was..., maar haar liefde-vereering was gebleven, was vaster en dieper geworden zelfs; het was haar een dringende behoefte lief te hebben, daarin op te gaan, geen uur te zijn, geen daad te doen zonder liefde.... Dat was haar eeredienst; zoo geloofde ze met God te zijn....
Gemaklijk had ze 't niet gehad, vooral niet in de latere jaren. Toen ze van kostschool thuis gekomen was--geen drilpensionnaat was 't geweest, maar een juffrouwen-school, ergens buiten, met weinig leerlingen, waar nog zoo'n ouderwetsche toon van zachten ernst en stille innigheid werd aangehouden, een vredige atmosfeer, misschien wel eens wat zeurig, maar dan door een bui van jonge joligheid weer opgefrischt--, toen had ze 't ruzie-leven thuis geheel gevoeld zooals het werklijk was, en 't had haar eerst verschrikt, verward nog dikwijls, en bedroefd, maar nooit verkild. Als een roeping, als een heilige taak was ze 't gaan beschouwen dat gezin, van kijven ziek en futloos, te genezen door haar liefde. Met de echte wijding van 't geloof, met de blijmoedigheid van een overtuigde had ze zich gegeven, meer en meer. Wat ze doen kon om haar huisgenooten beter, milder, hun leven gelukkiger, hun omgang hartelijker te maken, dat hád ze gedaan. Op dank had ze nooit gerekend..., maar wel op sukses..., en dat was zoo uiterst gering geweest.... Ze had zich ontelbare malen opgeofferd en er bijna niets mee gewonnen.... Toch hoopte ze nog altijd....
Vooral toen ze negentien, twintig, één-en-twintig jaar geworden was, waren er moeilijke dagen gekomen. De drang naar die andere, nog ongekende liefde was niet te weren geweest,--hoezeer ook haar gedachten werden afgeleid, werden bezig-gehouden door zorgen en angsten--; illusies waren in klanken en kleuren, in winterkou en in zomersche luwten, ze waren in weg-wazende wolken en in donkere kamerhoeken, ze brachten tranen mee of een lichten lach...; vage verlangens beklemden of deden zwellen en gedijen het jonge lijf; vizioenen van geluk verdoofden en verblindden met vreemdzalige ontroering.... Ze hechtten zich niet aan personen, ze bleven onbestemd.... Maar o! zoo moeilijk viel het haar soms helder bij haar taak en bedrijvig te blijven, haar dagen niet te verdroomen.... Al haar geestkracht had ze noodig om zich op te rukken uit bedwelmende soezerijen, die er waren vóór ze 't wist.... Haar toewijding was er des te ernstiger en forscher door geworden, maar had ook iets dors gekregen.... En hoe lieflijker haar droomen waren, hoe meer ze wel voelen moest het minne en valsche der krachten waartegen ze daaglijks had op te tornen....
Zoo was ze twee-en-twintig jaar geworden, en mama, die nooit had opgehouden haar lessen te geven met betrekking tot de netheid en het fatsoen, scheen nu wat vrijer in haar wijze van denken te worden; haar wenken kregen een andere richting en betroffen ook meer dan vroeger den omgang met mannen--met jongelui, zei ze altijd.--Ze scheen soms moeite te hebben met het preciese aanduiden van wat ze bedoelde zonder in vierkante tegenspraak te komen met haar oude, bekende vermaningen; ze werd dan onrustig en daardoor van zelf weer kribbig en lastig.... Papa gaf begrijplijker wenken; maar die gaven zijn vrouw weer ergernis.... En de broers, daar blijkbaar toe aangespoord, brachten telkens nieuwe vrienden mee, die met zekeren oplettenden ijver aan Annie werden voorgesteld.
Niet zonder bitterheid en tranen van teleurstelling was Annie toen gaan voelen, dat ze haar--tot dank voor al wat ze gedaan had en daaglijks nog deed!--'t liefst maar gauw getrouwd en de deur uit hadden. Toch trachtte ze zich nog te overtuigen, dat het om haar geluk te doen was....
Ze merkte, dat de wenschen van haar ouders op 't punt van haar trouwen nogal uiteen liepen. Papa was hooglijk ingenomen met gefortuneerde jongelui die égards voor zijn persoon hadden, mama lette meer op stand, afkomst, familie-relaties en een groote mate van onbesprokenheid.
Toen was er plotseling iets afschuwelijks gebeurd. Geheel onverwacht, zonder dat ze den dommen jongen ook maar in 't geringste had aangemoedigd, was ze gevraagd. En de pretendent vereenigde de eischen van beide haar ouders in zijn onbekoorlijke persoonlijkheid. Hij was zeer rijk, en dom genoeg om den ouden heer de Boogh als een wonder van verstand en degelijkheid te beschouwen; zijn familie genoot een roep van voornaamheid--men moest tot zijn overgrootvader opklimmen om den kruidenier te vinden--en hij was altijd veel te laf en te saai geweest om den beest te spelen.
Ze had hem natuurlijk bedankt, en papa en mama hadden er zich in moeten schikken, maar van dien dag af waren ze zeer onaangenaam tegen haar geworden; ongeduldiger, nukkiger en nijdiger dan ooit. Zoodat Annie zich over hun belangeloosheid geen illusies kon blijven maken....
Toen had ze--in bijna-wanhoop--een tijd lang gedacht dat het werkelijk beter zou gaan als zij 't huis uit was. In plaats van te verteederen, te verzoenen, gaf ze aanstoot. Op een morgen met haar moeder alleen had ze er van gesproken een betrekking te zoeken.... Mama had een soort van flauwte gekregen van schrik. Toen ze weer tot-zich-zelf was gekomen had ze gezegd dat zoo iets nooit zou gebeuren zoolang zij er nog was om te waken over het fatsoen der familie. En Annie had berust, had enkel, huilende, gevraagd: of mama dan een beetje vriendelijker voor haar zijn wou voortaan.... Dat scheen werkelijk even getroffen te hebben; mama was toen wel bijna een week poeslieverig geweest....