De bruidstijd van Annie de Boogh

Chapter 6

Chapter 63,891 wordsPublic domain

Paul had dien morgen doorgebracht in onrustig verlangen, en door zijn roezige ongedurigheid tot in-zich-zelf-keeren niet in staat. Al vroeg op, was hij alleen uitgegaan, had een wandeling in 't park gemaakt.... Het was er stil geweest..., heel weinig menschen..., zijn eigen stappen aldoor in zijn oor geluidend.... Hij had zijn oude plekjes opgezocht.... Maar geen vredigende weemoed van herdenken was in hem opgekomen; hij was er veel te hijgerig-onrustig voor, liep al maar verder....

Toen hij thuis kwam begroetten zijn moeder en Louis hem met hun lachend spottende verbazing. Wat was hij matineus! Zeker de gewoonte van zoo'n buitenman als hij ook was!... Maar ze zouden 't hem niet graag nadoen, dat was zeker!...

Louis stond juist op 't punt nog even naar kantoor te gaan, en in zijn onrust wilde Paul weer dadelijk mee; hij ontbeet met een enkel beschuitje, had geen trek; alleen op aandringen van mama ging hij er ten-minste nog even bij zitten....

Louis was onderweg weer druk, praatte voortdurend, nerveus en lacherig, maar Paul gaf niet veel antwoord. Hij luisterde maar met een half oor, aldoor aan Annie denkend en het naderend weer-zien, in één-en-al verlangend ongeduld. Als 't hem verbaasde, plotseling, verklaarde hij zich dat verlangen zóó: hij wilde haar goed leeren kennen, haar trachten te doorgronden, hij wilde weten hoe ze door Louis zoo sterk bekoord kon zijn, wat ze in hem ... liefhad.... Als hij dat uitsprak in zich-zelf was 't hinderlijk..., er was een bij-gedachte--dat het eigenlijk niet kon--maar hij trachtte zich die te verbergen.... Hij begreep 't alleen maar niet, wou 't nagaan....

Dat hij gisteren nog zoo tegen die receptie op had kunnen zien!... De middag leek er hem nu zoo belangrijk en zoo vol genieting door. Er zouden natuurlijk veel bloemen zijn; hij zou staan bij haar, tusschen de bloemen, in de zon.... Maar haar stelde hij zich, ondoordacht genoeg, voortdurend voor zooals ze gisteren-avond was geweest, in 't simpel japonnetje, donker, glad....

En toen hij haar nu had zien binnenkomen, in die omruisching van witte zij, oranjebloesem in het donkere haar, toen werd hij door een groote ontroering als verlamd en verkild van 't hoofd tot de voeten, en dadelijk daarop begonnen zijn hoofd en zijn polsen te gloeien, te kloppen.... Willoos reageerend op de woorden van Louis, kuste hij haar.... Maar dat was niets ... ver-weg, onwezenlijk....

Hij had, zoo voelde hij 't ál sterker, nog geen vaag begrip gehad van 't overstelpend spiritueel-mooie van haar verschijning. Zoo heel in 't wit was ze eigenlijk pas te zien zooals ze was. Nog was 't te glanzend wit, 't moest dof-wit zijn, 't donzige wit van pasgevallen sneeuw in morgenlicht, of van een witte duif die klapwiekt.... Dat zou eerst zijn 't passend gewaad voor de ingehouden lijnen van haar maagdenlijf, slank, fier, veerkrachtig, en zoo teer toch, en bij haar nobele trekken, engelrein en zwanger van expressie....

Zoo heftig was zijn verlangen geweest ... en nu al merkte Paul dat hij 't liefst weer dadelijk weg zou gaan; hij wist niet waar naar toe, maar weg, en ergens heen waar 't stil was, waar hij lang zou kunnen mijmeren en wat snikken.... Maar toen hij zich er scherper indacht, dat hij werklijk weg zou zijn, alleen, ver van haar ... toen voorvoelde hij 't verlangen dat hem dan doorfolteren zou in-eens in al z'n omvang en z'n diepte, proefde hij de bitterheid en pijn er van....

Hij ging staan kijken in den tuin, met starren blik....

Tweemaal werd hij aangesproken vóór hij verstond....

* * * * *

Willem en Rietje waren nu ook binnengekomen. De klok sloeg twee, dus konden er dadelijk bezoekers worden aangediend. Het werd wachten. Ze liepen allen door de kamer te draaien, bewonderend de bloemen, er veel aan ruikend. Ook werd er langwijlig over gepraat, hoe ze zouden doen met de ramen, maar meneer zei dat ze dicht moesten zoodra "het begon", daar dan immers verder de deur open moest blijven en 't anders tochten zou. Een knecht in zwarten rok, die namen af zou roepen, kreeg z'n laatste instructies....

Nog kwam er niemand. Louis en Annie gingen maar vast op hun plaatsen staan. Grijnslachend stelde toen de oude heer De Boogh zich voor hen en bekeek zijn dochter, top tot teen, knippend met zijn scheele oogen, en zelftevreden knikkende met zijn rond, rood hoofd. Hij maakte flauwe complimentjes, die haar hinderden en blozen deden.... 't Was zoo'n groot verschil met anders....

Mama de Boogh zei nog eens precies hoe ze allen moesten staan. Paul en z'n moeder--"is 't niet waar, mevrouwlief?"--naast de bruid, zij en haar man aan den kant van Louis, en dan de andere kinderen daarnaast.... En ijlings stelden ze zich zoo op toen de gerokte knecht in de open deur verscheen en de eerste namen afriep....

* * * * *

Het waren een paar pas verloofden, die, tóch wat links en schutterig uit hun aard, toen ze merkten dat ze de eersten waren, beiden bloosden en, na hun felicitatie, in verlegenheid excuses stamelden, omdat ze zoo vroeg waren. Annie zette, met haar grooten eenvoud, 't meisje gauw op 'r gemak, praatte opgewekt en hartlijk-intiem met haar; maar 't jonge-mensch deed erg onhandig met z'n hoogehoed, en zwierf van den een naar den ander door de kamer, aller handen drukkend, ofschoon hij eigenlijk niemand kende van de familie; zijn meisje was een schoolvriendin van de bruid.--Maar dadelijk daarop kwamen meer anderen binnen. Een kwasterige neef en nicht, zij haastig trippelend voorop, hij al bij de deur lachend en wuivend met breede gebaren; een paar vrienden van Louis, die samen gedejeuneerd hadden, glazerig keken en erg overdreven bogen....

Toen kwam het los,--om half drie was de heele kamer vol met menschen.... De De Boogh'en waren een uitgebreide familie en de kinderen hadden veel kennissen; mama groeide er in dat er zooveel minder kwamen van den kant der Holmans.... Aldoor werden weer nieuwe namen afgeroepen, 't werd bijna een optocht in zeer verschillende groepen.... Er waren opgeprikte heeren, die met een strak gezicht en licht gebogen houding kwamen en vertrokken, alleen even glimlachend tegen de bruid, en dominee-achtige, langzaam en rechtop een plechtige speech afstekend en, als 't uit was, dadelijk flauw-lacherig kwebbelend; er waren veel dikke dames, zelfvoldane, gewichtige, die langzaam zeilend binnen ruischten, lippen op elkaar; er waren er doodgewone die net deden of ze zoo maar even in kwamen wippen, maar inderdaad niet altijd de minst verlegene waren. Schuchteren schuifelden aan met kromme knieën en keken haast niet op, heel familjaren riepen hun gelukwenschen al uit de verte, zenuwachtigen lachten aanhoudend alsof ze 't zelf bespottelijk vonden dat ze kwamen. Oude familievrienden en gebuikte ooms gingen niet zoo dadelijk weg, dronken, op 'n hoopje staande, achter in de kamer kwasi-heimelijk een glas port, pratend over effecten- of koffieprijzen, over een candidatuur voor den gemeenteraad of een stuk in de "Nieuwe Rotterdammer"; tantes bleven kalmpjes voor het bruidspaar staan, gaven hun spijt te kennen dat de gewoonte van het cadeaux-uitstallen er zoo uitging, vroegen of ze soms niet straks, éven, heel éven maar, een kijkje mochten nemen, merkten niet dat ze in den weg stonden aan anderen die hun beurt afwachtten om te feliciteeren of afscheid te nemen--of hielden zich zoo.... Er was een Beurs-achtig druk praatgegons de kamer door; het licht werd verdoft door de massa planten en bloemen, en de meest-ál donkre lijven, 't werd benauwd, warm-benauwd in de kamer. Een luidruchtige neef wou "een raam opengooien", maar papa De Boogh verbood het, jovialerig, met luiden schetterlach. Het ging waarachtig niet! "De tocht, begrijp je!... hè hè hè hè!"

Louis en Annie bleven langen tijd goed recht staan, met een glimlach handen drukkend, bedankend voor cadeaux, voor bloemen, of alleen maar voor de "goede wenschen". De bruigom deed het deftigjes, sjiekerig; zijn glimlach werd een blijvende grijns; hij boog veel, hief de handen die hij drukte tot de hoogte van zijn das, en zei dan, vriendelijk kijkend "dank u zeer". Maar Annie gaf zich moeite, was met iedereen gewoon, had voor elk een aardige opmerkzaamheid, kwam soms wel even tegemoet een oude dame of iemand die van buiten de stad kwam. Ze deed of 't receptie-houden haar dagelijksche bezigheid was, wist ook precies wat iedereen had gegeven of zelf gemaakt. En ondanks 't al maar af-en-aan gaan van die feliciteerende menschen wist ze nu en dan nog tijd te vinden om wat te praten met Louis, of ook om Paul, die zich soms bijna weg liet dringen, met 'n woord-of-wat weer naar zich toe te halen.

Hij stond er meest zwijgend bij, de schilder. Er kwam haast niemand die hem kende. Hij noemde alleen telkens weer zijn naam of zei: "ik ben de broer van den bruigom", en boog. Dikwijls ook stelde de bruid hem voor. Hij drukte weinig handen. Hij voelde zich stil en stug worden, totaal vervreemd van al die Rotterdammers, er niet meer bijhoorend. Soms ook vond hij zich lummelig en saai, een dooie-diender. De menschen spraken hem ook bijna nooit aan; hij scheen ze af te schrikken, waardoor wist hij niet. Juist zij die toch zeker wel eens hadden gehoord van hem als schilder, keken hem aan, oplettend of schuw-vlug, maar zeiden niets. Een enkele maar, een vriend met lange haren, artistiekerige kleeren en een aartsdom, baardeloos gezicht bleef een poos staan praten met hem, te luid, wat ruw, en kameraadschappelijk.... Hoe hij heette was niet te verstaan geweest....

Ofschoon Paul weinig naar haar keek--uit zekeren schroom die over hem gekomen was--voelde hij toch Annie aldoor naast zich staan, dacht aan haar, luisterde naar wat ze zei, innerlijk verrukt, telkens opnieuw, door 't geluid van haar stem en door de stille gratie van haar nijgen en bewegen. Nog meer vermeed hij 't kijken naar Louis; hij kon diens zelfvoldane grijns niet goed meer zien. Z'n stem te hooren was hem ergernis genoeg....

't Was bijna half vier. De warmte en de bloemenlucht benauwden. Ook Annie kreeg er hinder van, bemerkte Paul.

Toen begon het wee gedraai van al die menschen met hun opschik, hun laf gegrinnik en banaal gefeliciteer hem sterk te ergeren, stond hij driftig in zich-zelf vloekend, te wenschen dat het nu maar uit zou zijn. Hij pruttelde er ook over tegen zijn moeder, die verwonderd was, 't aldoor nog heerlijk vond, haar opgewekte houding en haar glimlach geen seconde varen liet.... Maar eindelijk scheen 't toch wat te zullen luwen; er waren plotseling nog maar twee bezoekers die met den ouden heer De Boogh aan 't praten waren. Louis liep van z'n plaats, om achter-in de kamer, waar Jan hem heen riep, even gauw,een glaasje port te pakken.... Annie keerde zich naar Paul en zijn mama. Hij vroeg haar of ze niet erg moe was. "'n Beetje," zei ze, lachend even, en blozend om het broederlijk-bezorgd-zijn, dat in zijn oogen was. Op dit moment kwam stil een deftig heertje binnen, die vóór ze 't merkten bij de bruid was en haar met een fluisterstem gelukwenschte. Toen stak hij Paul de hand toe: "Bruigom," zei hij, "wel gefeliciteerd!" Paul stotterde verward: "Pardon!..." en keek naar Annie. Die werd heel bleek en scheen ook even zonder tegenwoordigheid van geest te zijn; ze zei geen woord. Maar anderen wenkten lachend Louis, die grappig doende, haastig aan kwam loopen. Ze lachten allemaal hardop behalve de bruid en Paul.... Hij was geheel verdoofd van verwarring. Hij liep naar den ouden heer De Boogh en vroeg of nu dan de deur dicht mocht en 't ééne raam weer open, en 't werd hem toegestaan, goddank! Bij 't open raam kwam hij weer eenigszins tot zich-zelf, tenminste zóó dat hij weer denken kon en zich herinneren.... En toen sloeg in-eens een warme gloed van krachtbesef en vreugde naar zijn hoofd; de aderen aan zijn slapen deden pijn van spanning, en een korte sniklach schoot hem uit de keel, zoodat Jan en Willem keken naar buiten, wat of Paul daar zag, en vroegen: "wat is er?", maar hij gaf geen antwoord.... Hij wist het amper zelf.... Maar 't kwam door haar verbleeken van daarnet..., door haar ontstellen toen men hem had aangesproken als haar bruigom....

Een wilde davering van gedachten door zijn warmen kop nu: Dat zij nog vrij was, volstrekt nog niet getrouwd, dat het allemaal nog anders worden kon ... en hij ... hij ... hij!... Hij kon haar schaken!... o! al moest hij er een moord voor doen!... Maar ... zou hij eigenlijk niet kunnen beduiden aan zijn broer, aan dien Louis, dat het niet kon, eenvoudig-weg niet kón, dat hij, Louis, en zij?... Neen, neen, neen, dat kón toch niet, dat kón toch niet!... Het was bespottelijk, te razend onzinnig dat iemand het zou kunnen denken ... Louis en zij!... 't Was idioot!... Onmogelijk dat een mensch 't zich voor kon stellen!... Ze speelden maar comedie, allemaal, al die familie en al die andere menschen met hun grijnzende gezichten.... Comedie!... Comedie!... De werkelijkheid zou komen, de groote eenvoudige waarheid zou er in-eens zijn ... en zij, zijn Annie, zou met hem gaan, weg, naar Brabant, naar de bosschen en de hei, zij zouden samen-zijn onder den hoogen, wijden hemel..., en nooit meer denken, dan misschien met een koelen glimlach, aan die potsenmakerij, hier ... narrenvertooning!... vasten-avond-grap!... wat was het?...

Zoo had hij daar gestaan, een kwartier, of een minuut, hij wist het niet, toen zijn moeder hem zag. "Hemel! Paul, wat heb je?" riep ze, "ben je niet wel? je ziet doodsbleek ... hier, drink eens wat!" Gauw kwam ze aan met een glas port.... Ontsteltenis!... Ook de anderen schoten toe. Paul dronk en voelde dat zijn tanden rammelden tegen den rand van 't glas. "Hij heeft de koorts.... Zeker door de benauwdheid!... Ga wat loopen!... Heb je hoofdpijn?..." hoorde hij zeggen. Ook Annie zag hij, en haar teer-bezorgden blik.... Toen lachte hij, droef-flauwtjes: "Ja!... 'k weet niet wat het is..., zeker van de bloemenlucht, 'k zal maar een eindje om gaan loopen..., 'k heb ook wat hoofdpijn...." Hij ging naar de deur..., door allen met meewarige verbaasdheid nagekeken....

"Kom gauw terug, Paul," riep Louis nog, "we zouden nog even naar mijn huis gaan, weet je wel?"

"'k Zal zien," zei hij, maar hij dacht er niet over; hij dacht niet aan terugkomen.... Loopen, ver loopen..., naar buiten, naar stilte..., en zich rekenschap geven ... als een man!... Zich meester worden!...

VII.

Hijg-ademend liep hij voort..., en had een heel eind weegs al afgedraafd--eerst naar links den Mauritsweg af, de brug over, en den Westersingel, vol van gelig-groen en zon-gespeel, toen den hoogen weg naar 't park, maar het park niet dadelijk in; de laan uit, die er langs loopt, tot aan den Maaskant--voordat hij ook maar één gedachte vormen kon, zonder dat een woeste stormvlaag van gevoel de golven van zijn diep-beroerd gemoed er op sloeg, en te brijzel--als woedende branding--voordat hij andere woorden in zich hooren kon dan gil-geroep, onsamenhangend, wilde snikken en vervloekingen van iedereen, en van zich-zelf het meest.... De menschen zag hij niet, de zon, de wolken niet, en ook de boomen niet; hij voelde 't groen maar vaaglijk om zich heen; hij woedde, opgesloten in zich-zelf; hij voelde, hoorde, zag niets anders dan dat ééne in zijn eigen borst, dat wreed besef, dat brandende gemartel, niet te blusschen meer, noch uit te rukken ... wanhoop van machteloosheid....

Het heugde hem niet ooit zoo geweest te zijn.... Want wel veel smart..., en wel 't ellendig einde van kracht en geduld, de geestelijke moeheid ... niet dit opstaan tegen het fatum, niet dit woedend rukken aan de ketenen van zijn lot wist hij doorleefd te hebben. Dit voelen: slaaf, een makke, slappe slaaf te moeten zijn, ondanks zijn moed en kracht, de schijn-volkomen vrijheid van zijn wil!

Eén oogenblik was 't in hem opgeschokt--staande daar, bij dat open raam,--vrijheid, macht, op anderen neerzien, doen naar wil en neiging, leven als een god!... Maar o! toen 't wegzonk!... toen daar weer de gezichten waren van zijn broer en al die anderen..., toen werklijkheid en 't weten van zijn plicht weer rond hem stonden--kerkermuren--; het was geweest als 't wakker-worden van een slaaf-gemaakten krijger, die, in een droom, zijn boeien had vergeten....

Maar Paul liep veel te hard om 't lang zoo vol te houden. Hij ging, den Maaskant volgend, langs het park tot bij den ouden Heuvel. Toen kon hij haast niet meer van warmte en moeheid--eerst,--den heelen middag al, dat staan-te-hangen op die receptie, nu dit jagende gedraaf!--Alles klopte en gloeide, zijn heele lijf; 't zweet sloeg hem uit, hij hijgde.... En 't waren warmte en vermoeienis, het was physieke lamheid die hem eindelijk bedaren deed.... Hij liet zich vallen op een bank in snakken naar wat koelte en wat rust....

En meer en meer geregelde gedachten-reeksen kwamen.... Toch moest hij zich bedwingen, telkens nog, om niet weer op te springen, opnieuw te beginnen zijn stormend geloop.... Er was een sterke drang naar actie in hem, een afkeer van de lijdzame bedaardheid.... Maar 't moest ... het moest.... 't Gelukte hem, met kracht, zich in te toomen..., te blijven zitten ... en te denken....

Toen dorst hij 't luid-uit zeggen in zich-zelf: Hij had de bruid lief van zijn broer.... Het was niet te verstikken meer, te loochenen, noch te verkleinen, dit was de liefde in haar breede volheid.... Dit was de liefde-voor-een-vrouw, zooals hij die wel altijd had gedroomd en vóór-gevoeld, de hevige hartstocht, 't diep-innerlijk begeeren, bedwongen door de heiligheid, de zalig-beklemmende, ademloos-bewonderende aanbidding. Als hij aan haar dacht voelde hij zijn oogen opengaan, wijd staren, als in extase, op iets schoons-nog-nooit-gezien; als hij terugzag, in herinneren, een klein bewegen van haar maagdenlijf, een schokje in haar trekken, of een blik..., dan ging hem een ril van verrukking kil over den rug....

O! hij had verliefdheden gekend, vluchtige passies, gemakkelijk bevredigd dikwijls.... Dit niet ... dit nooit....

Maar zij was niet voor hem, was nooit voor hem.... Zij was de bruid van een ander, die--o God, o God!--zijn eigen broer was.... En zij hield van haar bruigom, zij had hem lief.... 't Was niet te denken dat het anders was.... Hij had het in zijn dollen overmoed, zijn dwaas-verwaten droom wel van zich af getrapt als iets onzinnigs en gerings, maar dat was maar zoowat geraas geweest, zoowat gedweep en zelfvergoding.... Want zij was zij, in onverleidbare onschuld, onfeilbaar door haar eenvoud, door 't spontane van haar doen.... Wat hij bedacht had van haar willen vluchten, van dat ze per se weg zou willen zijn uit haar ouders' huis, omdat ze 't er niet langer uit zou kunnen houden..., dat kon niet zijn zoo.... Nooit zou ze 't ideaal daarvoor geofferd hebben, nooit had ze zonder liefde zich gegeven....

Daar greep zijn levenskracht nog grif de snel gerezen gedachte vast: zij hééft zich ook nog niet gegeven..., alleen beloofd!... Maar onmiddellijk voelde hij ook zelf de armzaligheid, het haar onwaardige van dat idee....

Dat was immers enkel een kwestie van tijd, van enkele dagen; zij was niet vrij meer....

Zij had zijn broer Louis lief..., iets anders was ondenkbaar.... Wie was hij toch, dat hij betwijfelen zou of 't mogelijk was, of 't echt, waarachtig, groot en diep kon zijn!...

Wat opgeblazen trots, wat zeer bespotlijke verwaandheid!... Zij, met haar blik die recht de ziel in ging, zij met haar kind-gemoed, ontvankelijk, gevoelig, had zeker schatten in zijn broer ontdekt, die hij door 't altijd kennen nooit had leeren zien, misschien ook, afgestompt door 't staren op zijn zelf-gevormde wereld, niet meer zag....

Zij had Louis lief....

O! als 't eens niet zoo was geweest! Of als hij haar ontmoet had vóór zijn broer!... O! stomme ezel die hij altijd was geweest..., een boer, een hannekemaaier, een landlooper, een polderjongen!... Wat deed hij eigenlijk hier in de stad, in de beschaafde maatschappij! Hij moest zich maar op 't land een wijf uitzoeken, een meid van achter den ploeg, waar je zóó mee in 't hooi kon rollen, of kon zwijnen in een stal!... In bête afzondering zat hij maar op de hei bij den een of anderen modderigen poel te smeuren en te kladden, liet zich 't menschelijk geluk stom weg ontgaan.... Gelijk hadden ze die hem uitlachten.... Nu moest hij boeten, boeten voor zijn dwaasheid....

Zij had Louis dus lief, en hij aanbad haar!... Hoe zou dat anders mogelijk kunnen zijn?... Ze hadden elkander lief en gingen trouwen ... over negen dagen.... Ze zouden dan op reis gaan, in den middag ... 's avonds ergens aankomen..., in België of Duitschland ergens..., een groot hotel..., de kamer al vooruit besproken.... En als ze samen op die kamer zouden zijn..., dan zou Louis, glimlachend.... Neen!... neen! neen!... daar niet aan denken!... daar nooit aan denken, nooit!... O God! hij proefde 't al, 't opvretend leed dat dan beginnen zou...; de haat, de brandend heete haat zou niet te keeren zijn..., want dan de fantasie, de wreede, spottende verbeelding.... Zijn leven was verbitterd ... ging in gal verteren!... O God! wat daaraan doen?... Hij moest zich redden met zijn eigen geesteskracht ... of weg zijn.... Nog negen dagen!... Wat te doen om na dien tijd te leven.... Wat te doen!...?

* * * * *

Die vraag herhaalde Paul zich onophoudlijk nu.... 't Verdoofde hem.... Hij hoorde aldoor maar de woorden van de vraag maar kon onmogelijk aan een antwoord denken.... Het werden klanken zonder zin, een hol geroep.... En aan iets andere denken kon hij ook niet meer.... Want met eentonigheid--het was als de metaalklank van een hamer op een aanbeeld beukend, rythmisch, zonder rust--kwam altijd weer die vraag terug: Wat dan te doen?... Meer en meer vervlotten zijn gedachten.... Hij kon ze maar niet vatten, werd er los van, bleef, versufd, maar zitten, achterover, voelde niet meer dat hij zat.... Het ging ál verder, alles..., heel ver was 't nu, en klein, en lang geleden.... Er was geen toekomst meer..., niets meer ... dan altijd daar maar zitten suffen....

* * * * *

Zijn lichaam kwam tot rust nu. Hij was ook niet zoo warm meer. Hij zat in 't koele van een na-den-middag in 't laatst van September; van over 't breede water kwam het aan, tegen zijn knieën, zijn borst en zijn voorhoofd aan.... Stil was het in de wijde lucht, nog altijd bijna zonder wind; soms ruischten de boomen, zacht, met fluisterend geritsel van hun dorrende blaren.... De rivier lag rustig, flauwtjes kabbelend aan den steenen oever.... Hier en daar op stroom, een schip, in Zondagsstilte; aan den overkant een paar gesloten loodsen en een drijvend dok, in onbruik.... Wat verder rijde een lange groene laan, niet af te zien.... Blauwig grijs en rimpelig het breede water als beslagen spiegelbeeld van 't hooge, glanzige etherische....

Wijd ... hoog ... stil ... was 't hemelblauw; weinig wolken, maar die heel groot, en langzaam, haast onzichtbaar langzaam drijvend en veranderend van vorm.... De zon stond laag, doorgloeide rossig geel het wazige westen....

* * * * *

Eindelijk--'t zien was niet het eerste, veeleer 't voelen, 't zich er in gaan voelen opgenomen--kwam toch Pauls bewustzijn tot het wijd-heelal rondom hem, hoorde hij ook 't suizelen van 't gebladert, zag hij 't breede watervlak, en dan den overkant..., en keek naar boven, staarde naar het blauw dat aldoor wijder werd en glanzender--van verten tintlend--onder zijn blik.... Hij keek de wolken na die dreven in statigheid, over zijn hoofd....

En dit werd langzaam-aan stil-innerlijk genot, een soort-geluk, zeer zuiver en zeer ernstig, ernstiger dan hartstocht is....

Toen viel op-eens het antwoord op die vraag, het eenige, recht in zijn ziel en prevelde hij 't na: Wees groot....