De bruidstijd van Annie de Boogh

Chapter 5

Chapter 53,917 wordsPublic domain

Onwezenlijk was 't alles. Dat een broer van hem dat daar liep te vertellen en dat hij 't had over dat meisje van van-avond. Hoe kon iemand zoo oneerbiedig spreken over háár!--Aldoor zag hij Annie voor zich met haar oogen van één-en-al ziel, met haar weemoedig-onschuldigen mond.--En hij liep daar maar vriendelijk naar te luisteren, en knikte, en beaamde. Hij vleide zijn broer eigenlijk, huichelde, hield 'm voor den gek.... En toch kón dat allemaal niet anders..., was zijn houding de eenige mogelijke!... Want hoe zou hij zich verstaanbaar kunnen maken?... Louis leefde blijkbaar in zoo'n geheel andere sfeer van gedachten en gevoelens.... Bij geen enkel woord van hem voelde hij iets als sympathie.... Hij moest het opgeven met zijn broer in eenige diepere betrekking te komen....

Hij voelde nu pas hoe bitter dat hem tegenviel. Hij had nooit gedacht dat het zóó groot kon zijn, het verschil tusschen hen.... Tóch: was 't niet altijd zoo geweest?... Was 't sterker geworden in de laatste jaren, of alleen maar meer bewust?... Zeker waren ze beiden wel gebleven die ze waren, maar had ieders wezen zich ontwikkeld, ieders neigingen zich geaccentueerd.... Het kon ook niet anders in zóó contrasteerende omgeving.... Louis had drukken omgang gehad met koffiehuisvrienden en Beurskennissen; hij had geleefd op z'n kantoor en in de societeit, in geldzaken en fuiverij.... Paul was meestal alleen geweest..., alleen tusschen bosschen en velden.... Hij had ook wel wat omgang gehad met andere artiesten..., en van hen ook wel geleerd en overgenomen..., maar een druk verkeer was dat nooit geweest.... En dagelijks zag hij het stugge landvolk leven hun stoere levens van plicht-doen en berusten....

Hij zag nu duidelijk dat er maar twee wegen voor hem openstonden: teruggaan, morgen, naar Brabant en zijn werk, of hier blijven en meedoen, comedie-spelen, lief en aardig, de dankbare rol van den eenigen en ongetrouwden broer van den bruigom!... O! hij zou gefêteerd worden! Papa's van dochters zouden hem aanklampen, mama's hem toegrijnzen en flikflooien.... Hij kreeg sterke neiging tot weggaan, dadelijk.... Maar Annie stond hem weer voor den geest.... En hij was besloten te blijven....

Voor zich-zelf wou hij 't niet weten dat het was om haar alleen; hij ging zich voorhouden dat het toch ál te egoïstisch zou zijn, en te onhartelijk jegens zijn broer en zijn moeder, als hij zoo maar in-eens wegging. Ze zouden er ook mee verlegen zitten natuurlijk.... En zoo verschrikkelijk was 't nu toch ook weer niet! Het duurde niet lang.... Dan: Annie was er, die het interessant maakte te blijven.... Hij zou met haar kunnen praten..., haar in de oogen kijken, wat zoo'n heerlijk-diepe ontroering gaf.... Hij had ál den tijd; hij had vacantie; werken kon hij hier toch niet.... En Louis moest iedren dag op kantoor zijn.... Hij zou misschien wel eens met haar kunnen wandelen, alleen met haar, zij aan zij met haar, en dan praten, vertrouwelijk.... Hij zou dan ook van-zelf te weten komen, 't zou hem klaar worden, welken indruk zij eigenlijk op hem gemaakt had, wat dat was geweest, van-avond, die opgewondenheid....

Interessant, zoo'n meisje, zoo'n bruidje.... Prachtig, zoo'n pure meisjesziel!... Wat was hij toch altijd dom-verslaafd geweest aan zijn kunst, aan het zoeken ... zoeken.... Blind en doof voor al het andere!... Kunst-maniac!...

Intusschen bleven ze praten, de broers, over en weer. Paul gaf tenminste antwoord, Louis was 't die vertelde en vroeg, aldoor opgewekt-vriendschaplijk van toon. Ze waren nu al gauw in die societeit, een paar ruime zalen boven een winkel op de Korte Hoogstraat. Het was er vrij leeg. Ze groetten een paar lui die stonden te biljarten, maar gingen met z'n beiden, over elkaar, aan een tafeltje zitten. De warm gelende schijn van het avondlicht stond koesterend om hun hoofden....

Toen ze ieder een grog voor zich hadden, vroeg Louis in-eens, zich wat heenbuigend over de tafel, met animeerende vroolijkheid: "En wat was dat nou wat je met me wou bespreken? Waar je over begon, weet je wel, even voor we 'r waren van avond?..."

Paul had er heelemaal niet meer op gerekend dat zijn broer daar nog op terug zou komen.... Wat ondoordacht, hoe stom ook, dat hij er over begonnen was!... Hij kreeg een kleur, hakkelde wat van "och nee!... niets bizonders...." Maar de ander drong aan met 'n goedig beschermende meerderheid: "Wel nee!... kom, gekheid! Vooruit er mee!... Er is wel wat!... Geldt het jou zelf?..."

Paul merkte dat er geen ontsnappen aan was. Hij dacht er een oogenblik over brutaalweg te liegen, te zeggen dat hij naar de familie De Boogh had willen vragen of zoo iets, maar daartegen kwam dadelijk verzet in hem op. Dat zou toch te laf zijn. En dus begon hij in-eens maar, blindweg: "Nou!... och, zie je, we hebben elkaar in zoo'n tijd weer niet gesproken ... en ... nou had ik je 's willen vragen: hoe denk jij eigenlijk over trouwen en liefde.... Ik bedoel dit: geloof je dat je werkelijk zooveel van Annie houdt, dat je denkt altijd ... gelukkig met haar te zullen zijn..., dat je haar eenvoudig nooit zult kunnen missen..., dat is het toch eigenlijk!... dat je haar noodig hebt.... Ik druk me belabberd uit, maar je zult me misschien wel begrijpen...."

Louis lachte, eenigszins verbijsterd, licht kleurend: "Zoo!... God! is 't zoo iets?" zei hij, weifelend, "ik had gedacht dat er een ontboezeming van jou zou komen.... Hoe kom je daar zoo aan?... Twijfel je of ik wel genoeg van Annie houd?..."

"Ik twijfel volstrekt niet," ging Paul door, vaster van toon, nu hij eenmaal begonnen was, "ik weet er immers niets van!... Wat weten wij tegenwoordig van elkaar?... In 't algemeen zou ik willen vragen: hoe denk jij over die kwestie, vindt je 't nóódig dat man en vrouw zoo'n overwegende behoefte aan elkaar hebben?... of vindt je dat eigenlijk niet zoo noodig,... andere dingen de hoofdzaak...."

"Wel nee!... Waarachtig niet!... Wie zal dat nou vinden?... De affectie is bij mij wel degelijk 't voornaamste."

"En bij jou trouwen van weerszijden de eenige drijfveer? Ben je daar zeker van?"

Met een verlegen lachje stak Louis een nieuwe sigaret aan. "God, God, kerel!" zei hij, schijnbaar vol aandacht voor die sigaret, "ik wist niet, dat je zoo zwaar op de hand was geworden!... Wat een gewichtig geklets!... Wat dacht je dan eigenlijk anders?... Je houdt me, geloof ik, voor een soort geldwolf of zoo iets.... Omdat ik nou niet vies ben van een paar dubbeltjes als dat er nou toevallig zoo bijkomt!... Stel je voor, dat je zoudt trouwen met een vrouw waar je niet van houdt!..."

Maar Paul liet zich nu niet van z'n stuk brengen: "Ja!... dat 's nu ook weer een ander uiterste!... De vraag is maar: Voel je dat jelie wederzijdsche sympathie..., wat eigenlijk alleen is dat je elkaar begrijpt!... zoo sterk geworden is en je behoefte aan elkaar zoo ... intens, dat het je is alsof je op geen andere manier meer zoudt kunnen leven dan met haar, voor haar!..."

"Hoor 's," zei Louis, terwijl hij zijn broer even vast aankeek, "eerlijk gezegd: dat weet ik nou niet!... En dat kan toch ook eigenlijk niemand zeggen, gekheid!... Hoe kom je daar toch in vredesnaam aan, ouwe vrijer!... Ik houd verduiveld veel van 't meisje.... Ik ben zelfs een beetje belachelijk verliefd op 'r geweest.... Ik geloof dat ik met haar gelukkig zal zijn..., zooals het dan heet!... Ik hoop ook haar het leven aangenaam te maken.... En ... en ik verzoek je daar niet aan te twijfelen, asjeblieft!" voegde hij er een beetje wrevelig bij.

Paul gevoelde iets van schaamte. Wát Louis zei, hoorde hij niet dadelijk,--doordat het zoo precies was hetgeen hij verwacht had--maar wel een zekere eenvoud en directheid in 't zeggen van zijn broer, en een zuiverheid van toon, die hem éven raakte met sympathie.... Een oogenblik had hij 't verlangen hem in hartelijkheid de hand toe te steken..., maar hij deed het niet.... Toen hij de woorden, door 't naklinken, geheel verstond, proefde hij er ook weer het ordinaire van, en viel zijn broer hem toch weer opnieuw tegen.... Er was geen beginnen aan; 't was 't best er maar dadelijk mee uit te scheiden.... Jammer dat hij toch maar niet wat anders gevraagd had. Hij zei nu alleen nog: "God, kerel!... ik twijfelde waarachtig aan niets.... Het kwam alleen maar even in me op, van-avond, je daar zoo 's op den man af naar te vragen.... Als broer mag dat toch wel, niet waar?.... Als jij er niet op terug gekomen was, had ik er niet over gesproken...."

Dat was waar, Paul wist het. Toch had hij weer 't ellendige gevoel dat zijn broer oprechter was geweest dan hij.... Ook dat kende hij van vroeger.... Louis kon zoo gemakkelijk en brutaal oprecht zijn: hij niet, hij had bijna altijd het bewustzijn dat hij onmogelijk precies kon zeggen, wat hij dacht..., veel minder wat hij voelde....

* * * * *

Zij rookten en dronken wat, zwijgend. Er kwamen meer en meer menschen binnen en Paul begon maar eens te vragen naar dezen en genen, dien hij zag zitten: "Is dat niet die?..." Het was hem nu een aangename gewaarwording dat de grog hem wat begon te benevelen en warm te maken; hij kreeg er de neiging door alleen nog maar een beetje gekheid te verkoopen, onzin te kletsen.... Eerst die wijn van-avond, en nu grog, hij was er niet aan gewoon in den laatsten tijd.... Maar het was wel lekker zoo, en gemakkelijk; hij wist, hij had altijd een vroolijken dronk, en het was toch maar het eenige zich in een roes te brengen, zich desnoods maar wat dronken te drinken, als hij dan wou blijven en meedoen.... Hij nam nog een grog, ging er lui en behaaglijk bij zitten, en langs z'n neus-weg moppen tappen, leuke verhalen doen, zoodat Louis dacht: Wat een rare vent toch! maar hij vond hem zeer genietbaar zoo.

Er kwamen een paar vrinden van Louis binnen, die hij wenkte aan hun tafel te komen en voorstelde aan Paul, die hen amicaal begroette. Eén van hen kende hij van vroeger. Ook Jan de Boogh, de advocaat, kwam er bij, en het werd een troepje luidruchtige heeren, dertigers allen. De Boogh en de andere vrienden hadden blozende bon-vivant gezichten en waren opvallend gekleed. Ze dronken veel, spraken over pikante geschiedenissen--in één waarvan Louis betrokken scheen te zijn--ze lachten schetterig om schuine moppen, maar "de bruigom" mocht daar niet naar luisteren, zeiden ze.

Er was nog een andere reden waarom Paul zich maar liever een beetje dronken maakte. Hij zou dan, meende hij, niet meer zoo voortdurend denken aan Annie en de onrust van dien avond.... Want 't vervolgde hem afmattend, het verwarrende zien-zitten van haar met dien in de toekomst starenden blik.... Toch was het er telkens weer, in zijn verhitte hoofd..., zelfs nog scherper dan zooeven op straat....

Toen ze eindelijk samen naar huis gingen, scheen Paul soms dwaze dingen te zeggen, want Louis liep telkens te grinniken, hem van terzij aankijkend; hij geloofde, zei hij, dat Paul er niet best meer tegen kon.

Maar toen hij in zijn kamer kwam--die sinds lang onbewoonde, kille logeerkamer--waar het stil was en al de oude dingen in zoo'n vreemd-eigen sfeer schenen te staan, toen werd hij weer in-eens heel helder, verwonderlijk strak-helder....

Er was iets met hem gebeurd sinds hij van deze kamer was weggegaan.... Het was of al zijn denken was omgewoeld..., het vroeger onderste nu boven.... Hij was veranderd.... Maar dit voelde hij ook.... 't Was beter zich van dat alles nu geen rekenschap te geven....

Dus zei hij maar aldoor tot zich zelf: "je bent dronken, ga naar je bed..., gauw ... slapen ... gauw ... morgen denken ... nu niet.... Maar hij kon toch nog langen tijd den slaap niet vatten. Vreemd, hij was toch zoo moe. Koortsig draaide hij zich om en om, zoekend vergeefs naar koele plekjes voor zijn hoofd. En heel de dag herleefde weer in feller schijn; al die gezichten; en telkens het hare..., het hare!...

VI.

Er hingen harsige geuren van afgesneden groen in de vestibule van het huis op den Mauritsweg; soms ook even de kil-duffige lucht van bederf die vochtige aarde geeft.

Al 's morgens in de vroegte waren de bloemistenknechts gekomen om sparren, dennen, palmen en bloeiende planten te zetten in de groote achterkamer op de bel-étage, de kamer, drie ramen breed, die uitzag op den tuin. Want daar zou de receptie gehouden worden. Er was natuurlijk een volle hoek van groen en bloemen gemaakt--donker sparrengroen, dahlia's en asters--achter de wijnroode sofa, waar 't bruidspaar voor zou komen te staan. Maar ook waren er in den loop van den morgen tal van bloemen-cadeaux--corbeilles, bouquetten, losse takken--daar binnen gebracht, die nu, langs de muren geplaatst, op kastjes, tafeltjes en op den schoorsteenmantel, het leeggemaakte middenvak van 't groot vertrek omvatten in een wijden krans van natuur, welige weelde van frischheid en kleurengloeiing, waarachter het leelijke, mat-bruinige behangsel vaal-armelijk verloren ging.... Er waren zóó veel bloemen, dat de geuren licht benauwden, ofschoon de ramen wijd waren opengezet....

Buiten was Zondagsstilte. Het was mooi najaarsweer, stil en helder. Over den blauwen hemel dreven de wolken, hel-wit, heel hoog en langzaam voort....

's Morgens, toen de zonschijn nog bij breede bundels in de kamer stond, sterk-lichtend, was de bruid al even binnengekomen. Maar ze schrok, ze werd door ál dat licht, die volheid van kleuren, zon en bloemengeur tot diep ontroerens toe bevangen.... Ze had datzelfde wel gezien, bij anderen..., maar nu ... voor haar.... Het was te overweldigend.... Zij voelde er zich zoo klein, zoo onbeduidend en al te onwaardig bij.... Het drukte haar.... Maar ze uitte dat niet, niemand in huis zou het ook mee-gevoeld hebben....

Want Willem en Marietje kwamen in een gansch andere stemming, kregen een sensatie van driestheid, van overmoedig-vol-op rijkdom-en-weelde genieten, als ze gingen over het zachte vloerkleed, langs dien ongetelden overvloed van glanzende, zacht-gloeiende of tintelende bloembladen, wondervormige orchideeën en fijn-gespriette varens in tientallen variëteiten, die schatten, achteloos verzameld om in één dag te vergaan. Meer nog dan door het zien, kwam het door het zijn daar, in die atmosfeer, en door de geuren, de licht bedwelmende geuren der tuberozen, der reseda's en heliotropen. Die maakten dat ze in die kamer niet maar zoo gewoon-weg konden leven als in andere kamers, dat ze er zuiverder, natuurlijker gedachten kregen, opwellend uit hun gemoeds- en zinnenleven, zonder de al verdorrende verstandscontrôle van iederen dag en overal.... Niet dat ze daar bewustheid van hadden! Ze merkten zelfs hoogstens dat ze vroolijker, luchtiger en overmoediger waren dan anders....

Maar de ouders van de bruid kenden ook die stemming sinds lang niet meer, en ze waren er ook zoo maar niet in te brengen met wat bloemen en zon; ze voelden zich alleen nog wat ontevredener en kribbiger dan gewoonlijk.... Mevrouw liep af en aan, met een strak gezicht en een strengen stap om er vooral op te letten, dat alles netjes en ordelijk in z'n werk ging, dat de meiden geen gekheid maakten met de bloemisten-knechts, dat de waterdruppels, die van sommige bloemstukken lekten, nergens vlekken op haar meubelen konden geven, en dat de kaartjes van de schenkers--al naar mate hunner voornaamheid--meer of minder in 't oog vallend werden geplaatst. Ze maakte haar aanmerkingen wel doorgaans met een soort van glimlach, maar toch altijd min of meer hatelijk.... Haar man zat op z'n kamer in een slecht humeur. Hij rookte, wiebelde met z'n eene been, en las kranten. Hij was maar even komen kijken beneden. Het tochtte er vreeselijk, vond hij, en van die bloemenlucht zou hij zeker van middag al hoofdpijn genoeg krijgen. Ook waren die mallotige meiden zoo in de uitgelatenheid dat ze maar half luisterden naar zijn bevelen; het had er inderdaad veel van of hij niet meer gold voor de hoofdpersoon in huis. Trouwens, hij was dat eigenlijk al lang zoo gewoon; aan de noodige égards tegenover den heer des huizes ontbrak het hier maar al te dikwijls.

Daarbij kwam nog dat zijn vrouw en hij elkaar dien dag maar liefst uit den weg liepen, want--in de prikkeling van de algemeene zenuwachtigheid --was hun omgang al 's morgens op de slaapkamer hoogst onvriendelijk geweest; aan 't ontbijt was het zelfs tot hooge woorden gekomen.... En het was meneers gewoonte na zoo'n ruzie een paar dagen lang een houding van zwijgenden martelaar aan te nemen--althans tegenover zijn vrouw en andere huisgenooten; voor vreemden bleef hij altijd dezelfde; één en al kunstig voorgedragen jovialiteit--, hetgeen dan door de maar half bedwongen ergernis, die 't mevrouw gaf, de spanning nog vergrootte....

Er werd, wegens de receptie, wat vroeger dan anders koffiegedronken, en Mevrouw de Boogh, die nog veel na te loopen had, deed haar best er wat haast mee te maken--ze wilde ook de eetkamer nog aan kant hebben vóór dat de menschen kwamen--maar meneer, nog maar altijd kranten lezend, at alleen bij tusschenpoozen een stukje, zeer langzaam, schijnbaar verdiept.... Er was een gedwongen toon. Alleen de bruid--in plaats van zelf nu eens een beetje gevierd en bewonderd te worden--begon telkens met vernieuwde animo te praten, zei ieder op z'n beurt iets aangenaams. Ze had zoo graag ten minste op haar receptiedag vroolijke gezichten om zich heen gezien.... Maar de anderen bleven stil, de ouders vervuld van hun grieven, Marietje en Willem van vage plannetjes voor den middag, coquetteer- en veroveringsplannetjes.... En Annie, schoon ze anders niet hield van langdurige diners, bedacht nu toch met een gevoel van verlichting en vooruitzicht-van-genot dat er 's middags gasten aan tafel zouden zijn--Mevrouw Holman en Paul en nog eenige anderen--dat er dan tenminste uiterlijke vroolijkheid zou zijn, en niet die drukkende last van booze humeuren en van angst voor twist....

Dadelijk na het koffiemaal verspreidde de familie zich om toilet te gaan maken. De kamer van de bruid was vlak boven die van haar ouders, en Annie hoorde, met schrik eerst,--toen met een snel opkomende verdrietigheid, die haar een prop in de keel en tranen in de oogen gaf--, de schelle ruzietonen weer, opscherpend uit het praat-gebrom....

Waarom moest dat nu vandaag ook al, wat was er nu toch weer...? Neeltje, de tweede meid, hielp aan haar japon; bruidsmeisjeswerk; maar Rietje had gevraagd of Neel het niet doen kon--en Line, het andere bruidsmeisje, was er nog niet.--Gansch verheerlijkt van blijdschap en vereerdheid dat zij de juffrouw helpen mocht, dribbelde de meid om haar heen, hurkte neer om den rok af te trekken, stak handig spelden, rood van inspanning en aandacht, uitbundig in haar bewondering. Ze deed of ze niets hoorde van de ruzie beneden. Maar ze moest het toch ook wel hooren en Annie schaamde zich voor haar.... Ze had moeite eenige aandacht bij haar witte japon te houden; ze had 't wel uit kunnen snikken.... Toch moest ze ten slotte nog even lachen, nerveus trillerig, om die Neel, die zoo mal deed in haar opgetogenheid....

Gelukkig! daar werd gescheld..., en de twistklanken verstomden, 't Was nichtje Line, die, op één rennetje, naar boven liep. Ze kwam binnen met, een rateling van excuses en uitroepen van wanhopige spijt dat ze niet vroeger gekomen was, maar Annie zei dat het er niets op aan kwam, dat Neeltje uitstekend aan de japon had geholpen en dat Line nu net van pas kwam voor den oranjebloesem in 't haar; dat kon ze ook niet alleen....

Dadelijk daarop werd ar weer gescheld, en, aan de deur luisterend, hoorde ze de stem van Jan in de gang beneden, en even later ook die van haar bruigom en van Paul.... Ook hun, moeder scheen er al bij te zijn.... Ze werd nu erg gejaagd, vooral doordat ze begreep hoe 't mama zou hinderen dat mevrouw Holman al zoo vroeg kwam, dat er nog niemand beneden was om haar te ontvangen.... Toch, midden in haar getob daarover, terwijl ze zich intusschen geduldig helpen liet door het zeer onhandige, al maar druk ratelende nichtje, had ze plotseling een vreemden wensch--ze betrapte er zich met verbazing op;--ze zou wel willen dat Louis zoo sprak als Paul, dat zijn stem eenvoudiger, natuurlijker klonk. Ze had nu uit de verte kunnen hooren dat hij z'n rok aanhad; als hij zich zoo officieel gekleed voelde sprak hij altijd nog gemaakter dan anders.... Maar hij sprak eigenlijk nooit eens gewoon.... Ze zou 't hem wel eens zeggen, nam ze zich voor; o! hij deed altijd dadelijk alles wat ze vroeg. Eigenlijk zelfs met al te veel ijver ... zoodat ze haast niet dorst te vragen.... Dat zoo dadelijk, en met zekeren nadruk, alles goedvinden en toestaan van hem, zonder eens even nadenken, eens even praten, belette zoo dikwijls intimiteit.... En 't vermoeide haar zoo ... zijn galanterige ijver.... Maar, God! hoe kwam ze nu vandaag aan die gedachten?... Hoe kon ze nú daaraan denken, op haar heerlijken receptiedag, zoo vol van zon en bloemen, die voor haar beduidden de intocht, feestlijk, in een nieuw leven, een dagenverloop zonder angst en twisten, o! een nog bijna ondenkbaar vrede-bestaan.... Weg nu, weg! met iedere andere gedachte dan blijdschap en dankbaarheid ... vooral dankbaarheid.

* * * * *

't Was kwart voor tweeën toen de bruid naar beneden kwam. Line ging achter haar om te zorgen voor den sleep. Er was een weerkaatsing van licht langs de trap, door al 't glanzende wit, en een lispelende ruisching van zij. De meiden gluurden beneden om den hoek met open monden en verrukt-strakke oogen, tot mevrouw ze zag, en beval daar weg te gaan.

In de kamer kwam ze waar 't nu schaduwig was en koel maar vol van bloemengeur. De bruigom kwam haar hoflijk buigend tegemoet, kuste haar toen op beide wangen, reikte haar de bruidsbouquet. Ook mevrouw Holman moest haar even een zoen geven, zei ze, en ze deed het met een eleganten lichaamszwaai; haar vroolijke oogen hadden een vochtigen glans. Papa en mama De Boogh stonden er wat onbeholpen bij,--ze hadden hun houding in de leege kamerruimte nog niet gevonden,--Jan gaf haar een hand, Rie en Willem waren er nog niet.

Maar wèl Paul.... Ze zag hem nu pas. Hij stond stil voor een van de hoog-open ramen, bescheiden op een afstand, keek naar haar. Hij stond meer in de buitenlucht, in 't vrije, warm-herfstige buiten dan in de kamer, en 't sterke middaglicht omvatte hem geheel, tril-schemerig weerkaatsend op het wit van zijn overhemd, das en boord. De punt van zijn blonden baard gaf bijna geen schaduw, en zijn gezicht stond strak als het licht dat om hem was. Hij keek haar aan, en toen had ze 'n gevoel, alsof hij--heel anders dan de anderen--niet hoorde bij de kamerdingen, maar bij 't vrije, luchtige, bij 't licht en den wind en 't ritselige goudbruin van de boomen.... Toen hij op haar toetrad, was 't alsof er nu iets van 't luchte-blauw en boomen-groen, alsof de zomersche natuur zelf tot haar kwam in haar kamerleven.... Doch die vervoerende sensatie bleef maar een oogenblik zoo krachtig....

Toen hij dichtbij kwam was 't toch ook weer Paul, van gisteren-avond, met zijn licht blauwgrijze oogen, die haar zoo geboeid gehouden hadden, en wiens voorhoofd....

"Kom! Geef je broers bruid nu ook eens 'n zoen!", riep Louis, jovialig-luid-op, boordevol van overmoed, zorglooze zekerheid.... De anderen lachten....

Toen schrok zij, licht, en voelde tegelijk Pauls hand in de hare en op haar voorhoofd even zijn lippen. Ze waren droog en gloeiend. Annie rilde; dof-duizelig hoorde zij niets van wat hij zei, noch wat ze zelf prevelde.... 't Was weer of een wilde warrelwind in 't open buitene z'n sterke armen om haar heen geslagen had, verbijsterend.... De heele kamer was vol bloemengeur en zomersche lucht....

* * * * *