De bruidstijd van Annie de Boogh
Chapter 4
Al een paar minuten vroeger was de oude heer De Boogh binnengekomen en aan hem voorgesteld. Hij scheen erg geagiteerd en was dadelijk een druk gepraat met z'n vrouw begonnen, waarvan Paul, met Annie in gesprek, niets had verstaan. Hij had alleen den vagen indruk gekregen, dat de toon onaangenaam was. Ook wist hij dat mijnheer fluisterend gesproken en mevrouw kortaf, maar luid, geantwoord had.
Maar terwijl nu Annie en Louis, onder hoede van mama, de kamer uitgingen, om de nieuwe cadeau's te bekijken, kwam de oude heer naar Paul toe, ging wijdbeens naast zijn stoel staan, met zijn kop thee in de hand, en een diepen grijns op zijn rauw, geschoren gezicht, en bleef zoo een heelen tijd met hem praten. 't Was een kleine man, kaal, glimmerig en vlekkerig rood in z'n gezicht, maar correct in 't zwart gekleed, met een wit-piké vest.
Hij sprak op een zeer luidruchtigen, jovialerigen toon, in korte, afgebroken zinnen, en telkens als hij wat gezegd had zette hij z'n gezicht in diezelfde grijnsplooi, waarbij hij een breede rij gele tanden liet zien. Boven den breed-getrokken mond stonden dan de glinsterende oogjes en tuurden fel en loenzend neer op Paul, die vermeed hem aan te zien, omdat hij 't pijnlijk vond, dat gezicht--als van een clown die grijnst en scheel kijkt tegen 't publiek--ook verbeeldde hij zich dat de oude heer 't zelf onaangenaam vond aangekeken te worden, want hij knipte dan snel met z'n oogen.... Er was ook iets vreemds met die oogen, maar je kon zoo gauw niet zien wat het eigenlijk was....
De heer De Boogh was uiterst vriendelijk en zijn stem klonk gedurig eenigszins ruw-amicaal; ook lachte hij telkens, uit louter jovialige, gemonteerde vroolijkheid blijkbaar, want hij zei niets grappigs en Paul ook niet. Hij bleef aldoor staan, ofschoon Paul, die 't vermoeiend vond, hem een paar maal vroeg, waarom hij niet ging zitten. Waarschijnlijk wou hij niet klein schijnen, maar vooral los en jong en levendig in-zijn-doen. Maar wanneer hij, toen de anderen weer binnengekomen waren, even iets zei tegen zijn vrouw of tegen Annie, dan klonk zijn stem heel anders, en was er ook een ander glanzen in zijn oogen. Het schetterige was dan niet vriendelijk maar gebiedend en dat felle in zijn loenschen blik scheen louter nijdigheid. Maar dadelijk als hij zich daarop weer naar Paul wendde, deed hij blijkbaar zijn best zoo innemend mogelijk te zijn, zei herhaaldelijk vleiende dingen over zijn werk en zijn groeiende bekendheid, en lachte dan ruw-krakerig en grijnzend op, zooals iemand die kijkt naar een vertooning, waar hij een helsch genoegen in heeft.
Paul, die meende dat hij iets gehoord had van een maagkwaal die de oude heer hebben moest, vond dat hij daar niets naar uitzag. Hij vroeg hem er naar, eenigszins aarzelend door zijn ongeloof, en zag toevallig--zich omdraaiend, om een kop thee, die voor hem op tafel gezet was, op te nemen--dat Annie, haar moeder en Louis bij die vraag alle drie opkeken, mevrouw met ongeduldige ergernis, Annie schuw-ernstig, Louis ironisch glimlachend. Hij begreep die blikken toen mijnheer De Boogh, op zijn schetter-lachende manier, maar nu met onmiskenbare nijdige bitterheid, zei: "O! daar wordt hier anders nooit over gesproken!... Ik ben ... zéér gezond ... zéér gezond!... U heeft daar zeker van dezen of genen wat van gehoord, hè?... Nee maar, dat is maar zoowat aanstellerij, hoor, die kwaal van mij!... Vraag maar aan mijn vrouw en mijn kinderen!..."
Dit was plotseling uiterst pijnlijk. Mevrouw drukte haar dun-gelipten mond, met trotsche berusting, stijf-dicht, Louis trok z'n wenkbrauwen op, krabde zich achter 't oor, kuchte, Annie zei zacht: "Maar Pa!"... En er was een oogenblik stilte.
Gelukkig kwam er toen juist weer een nieuw lid van de familie binnen, Willem, de student, een vrouwelijk-mooie jongen, die zachtaardig glimlachte toen hij aan Paul werd voorgesteld. Hij was zeer wèl-verzorgd van uiterlijk, sprak op gedempten toon, langzaam, en aaide zich telkens, voorzichtig, als waren ze van glas, over zijn keurig gekamde haren. Ook keek hij eenige malen oplettend in den penantspiegel, waar hij recht voor zat, en dan trok hij een ernstig, eenigszins lijdend-nadenkend gezicht met kleine oogen. Paul, blij met de afleiding van die nieuwe verschijning, vroeg hem dadelijk naar zijn studie, en naar Leiden, of het er nog altijd zoo was als vroegerjaren--toen hij er vrij dikwijls placht te komen, met den "dies" bijvoorbeeld.--Als hij zich goed herinnerde ging het er toen nog al 's rumoerig toe!... Maar Willem glimlachte, met een minachtende minzaamheid,--hij leek toen erg op zijn moeder--en zei dat hij wel zeggen kon dat "de toestand" veel verbeterd was; de meeste studenten waren nu gentlemen....
Ook een zusje van Annie kwam kort daarna binnen, een mooi kind van vijftien of zestien jaar. Blijkbaar had ze boven haar huiswerk zitten maken, maar op een vraag van mama of dat al af was, gaf ze geen antwoord, boog alleen even, met koel verwijtenden blik, haar hoofdje, toen de vraag op iets hoogeren toon was herhaald. Zij werd Rietje genoemd, behalve door Louis, die haar aansprak met Mary en haar allerlei galante, flatteuse dingetjes zei. Zij was dan ook alleen vriendelijk tegen hem en tegen Paul, die op was gestaan, gebogen had, en "juffrouw!" gezegd, toen ze binnenkwam. Maar vooral met Louis was ze nuffig lief; zij ging dicht bij hem zitten, keek hem telkens coquetjes lachend aan, zei: "Malle jongen, hou toch op!" of "och, plaag, schei toch uit!" en lachte dan weer, dol proestend. Van Annie nam ze volstrekt geen notitie.
Het praten bleef nu een tijd lang algemeen en betrof de receptie van morgen en de verdere trouwfeesten. Maar telkens waren er kleine stremmingen. Er schenen dan dingen ter sprake te komen waarover de familieleden het niet geheel eens waren--en ze wisten dat blijkbaar heel goed van elkaar, maar wilden het niet laten merken aan Paul. Annie, die weinig meepraatte,--zij werd heelemaal niet als bruid gevierd; ze stond telkens op om wijn in te schenken, koekjes te presenteeren, en zoo meer, waarvan het zusje niets scheen te merken,--Annie had dan soms weer dien schuw-ongerusten blik. Soms ook keek ze lang naar Paul, maar als hij 't voelde, en ook haar aankeek, wendde ze den blik haastig en ietwat verlegen af. Paul merkte nu dat er bij hun gesprek over zijn werk, een zekere verstandhouding tusschen hen ontstaan was, een sfeer van sympathie, van samen heimelijk iets ontdekt hebben, iets weten, de voeling waarvan was afgebroken door zijn praten met haar vader--de ruwe schertsklanken hadden zijn aandoening weggeschetterd--maar nu in hun blikken, soms open, klaar en vast, als ze tot elkaar spraken, soms steelsch en vol mysterie van zielsverlangens, weer werd hersteld.... Paul dacht ook telkens weer aan zijn hevige aandoening van toen hij haar oogen vochtig had zien worden; hij verklaarde zich het uit zijn schilder-zijn, 't was zeker haar bizonder, spiritueel schoon geweest dat den artiest zoo had ontroerd..., maar vreemd dat hij nu zoo voortdurend bleef voelen dat in betrekking tot haar zijn, het onzichtbare, toch zoo reëele dat daar was in de schijnbare leegte tusschen hun hoofden. En hij voelde dat, al was ze achter hem en stil, zoodat hij haar niet zien, noch hooren kon. Ook wist hij wel dat als hij weer zoo met haar sprak, of haar enkel maar dicht bij zich en recht-in-de-oogen zag de sterke aandoening terug zou komen.... Dit gevoel werd hem genot, het was als geluk dat nog niet in hem was, maar toch al voelbaar zweefde boven zijn ziel. Hij werd er opgewonden van, belemmerd in 't spreken, gejaagd, met lust om nu maar weg te gaan, en te denken, wat hier niet kon, scherp te denken in buitenlucht. Hij ging het warm vinden in de kamer....
Op een moment van 't gesprek, toen er weer zoo iets pijnlijks van bedekt meeningsverschil in de lucht scheen te hangen--er kwam een kleine, dadelijk merkbare stilte--stelde de heer De Boogh plotseling voor een partijtje te maken. Hij zei het met een levendig-jovialerige wending van zijn gedrongen lijf naar Paul, waarmee hij den anderen duidelijk maken wou dat hij 't natuurlijk weer was die zijn wereld kende en inzag dat hun gepraat vervelend moest zijn voor den gast. Paul zei "best!"; hij dacht zich plotseling tegenover Annie als partner en het stelde hem te leur toen dat niet zoo ging. Hij kwam aan de speeltafel met den heer en mevrouw De Boogh en Willem; Annie ging met Louis aan de groote tafel zitten kijken in een boek met platen, en Rietje, met een knorrig gezicht, begon te lezen.
Zij zaten schuin achter Paul, de bruid en de bruigom, hij hoorde hoe ze zacht praatten samen, en hij voelde dat het hem moeilijk zou zijn z'n gedachten bij het spel te houden. Plotseling bemerkte hij dat hij hen kon zien zitten, in den penantspiegel;--Annie liet zich moe-glimlachend de hand streelen. Met een korte trilling van weerzin keek hij snel in zijn kaarten, maar dadelijk weer opkijkend zag hij dat ze haar hand weg trok, en zag hij iets in haar abstracten blik dat hem toen verder geheel in beslag nam, hem verwonderde en zijn neiging tot weggaan en nadenken sterk verhoogde;--soms had hij moeite zijn kaarten niet neer te leggen, en enkel, onafgebroken, naar haar te gaan zitten kijken. Het was zoo iets vreemds..., hij wist niet wat het was.... Het was geen blijdschap, ook geen geluk. Het leek op weemoed, maar dat vage van weemoed, was er niet in.... Zij scheen te staren op iets in de toekomst, maar geluk was dat ook met..., wel iets misschien waarvan ze geluk verwachtte....
Paul maakte dwaze abuizen in 't spel, die den heer De Boogh krakerig deden lachen; mevrouw keek voor zich, beleefd geduldig, zonder goedigheid, maar Willem, zijn partner, ergerde zich blijkbaar, had moeite, er van te zwijgen; hij bromde iets van: toch wel mooi, whist..., als je 't goed kent..., Paul maakte zich nu allerlei fantastische onderstellingen, gissingen, meer niet;--hij kende immers Annie niet, noch haar ouders, noch iemand hier behalve Louis, den rustigen, diplomatischen, triomfantelijk zekeren Louis.... Gesteld, dat het eens zóó was, dacht hij.... Als die vader en die moeder eens harde egoïsten waren, van die menschen met vergroeide, verschrompelde zielen; hij zoo'n type van een handelsman, die instinktmatig vriendelijk is tegen alle vreemden--waarom kunnen het geen klanten worden?--maar een nijdige tyran voor zijn huisgenooten, op hen wrekend de ergernissen van zijn kantoor..., zij opgaand in zelfvergoding en kleinzielige studie van fatsoensbegrippen, vormen, netheid, stand..., zich daarin onbegrepen wanend.... En ook de broers, egoïsten; de oudste, dien hij nog niet gezien had, maar van wien hij gehoord had als van een knap advocaat, die het druk had, ongetrouwd was en een lustig leven leidde; de andere, het ijdele, pretentieuse studentje, en ook het schoolnest, dat daar zat te lezen, zich de ooren dichtstoppend met de handen, nu en dan naar Annie kijkend met een nuffige minachting.... Als 't zoo eens was hier in huis, dis dat eens was de kring waarin Annie had moeten leven, zij de gevoelige, de liefde-volle, de ziele-rijke, reikhalzend naar poëzie...." En als dan--hij schrok van zijn eigen gedachten, die dat vreeslijke verhaaltje maar zoo vlotweg afmaakten, maar het waren immers louter hypothesen, geen werklijkheid!--als het dan eens zoo was dat Annie--had ze Louis, toen hij haar gevraagd had, niet een week laten wachten op antwoord?--dat Annie uit die omgeving weg wou, per se weg uit die atmosfeer van ignobel egoïsme, uit dien demoralizeerenden omgang, intiem uit gewoonte, uit noodzaak, zonder liefde ... een hel!...
Paul had zelf gegeven en hij had een sterke sans-atout in z'n hand. Hij zag het, begreep dat hij die nu eens goed diende te spelen, dat hij nu op moest letten, alle andere gedachten wegdringen uit zijn warm, verward hoofd. Maar hij voelde ook dat hij 't niet lang meer uit kon houden in die kamer. In overspannen aandacht speelde hij nu goed, won met glans. Toen sprak hij van weggaan, anders te laat worden.... Maar de robber moest nog uitgespeeld worden, zoo bepaalden vader en zoon De Boogh.
Telkens keek hij naar Annie in den spiegel. Aan zijn onderstellingen wilde hij niet meer denken, hij kon het ook niet meer; 't werd dof-roezig en warrig in zijn hoofd.... Geen enkele maal ontmoette zijn blik den haren. Maar wel voelde hij soms dat zij naar hem keek, en luisterde naar zijn stem als er gepraat werd onder 't spel. Hij dorst dan niet op te kijken. Hij werd meer en meer verward en warm ... erg warm....
Even zag hij in den spiegel dat Louis haar hand vasthield en verliefd naar haar keek....
Toen kreeg hij een sterk gevoel van weeheid en benauwing. Hij dronk zijn pas ingeschonken glas in één teug uit en voelde zijn haarwortels prikken in zijn klammig-warm hoofd, de kaarten kleven aan zijn zweetende vingers,--hij die zoo gewoon was zich kalm te houden, niet te veel te drinken, omdat hij er zoo 't land aan had, aan dat zweetrige en benevelende van veel drinken in een te warm vertrek....
Het was hem een bevrijding toen hij eindelijk op kon staan; 't was of hij de koorts had; hij snakte naar lucht, naar buiten, naar kilte, wind het liefst, waarin hij zou kunnen denken.
Annie liet hen uit.... Paul zei haar het eerst goeden dag, ging vast naar buiten..., hoorde toch het kussen.... Maar hij wist ook dat, toen ze elkaar de hand gaven, het er weer was geweest, dat tusschen hen gewordene..., die sfeer..., die gloed.... Het was als wisten zij samen een diep, ernstig geheim en hadden ze zwijgend afgesproken dat te bewaren....
V.
Bijna dadelijk toen de beide broers, nu weer naast elkaar aanstappend door de avond-duisternis--de windvlagen waren minder krachtig geworden; slechts was er nu en dan een waarschuwend geritsel in de boomen en struiken, en dan wat wapperende koelte, in-ééns overal, met een dof-brommend gerucht om de huizen-daken en boven-langs de donkere gevels,--bijna dadelijk toen zij, doordat ze weer net zoo naast elkander gingen, en door het geluid van hun stappen, aan hun samen-aankomen van een paar uur geleden herinnerd werden, begreep Paul, met een in de leegte tastende ontnuchtering, en ergernis over zijn onnadenkendheid, dat er natuurlijk van rustig tot-zich-zelf-komen en overpeinzen van het doorleefde geen sprake kon zijn. Want straks zou Louis vragen, hoe hij ze vond, zijn meisje en haar familie..., hij zou het dadelijk vragen, hun zwijgen werd al zwaar..., en dan zou hij over haar moeten praten..., en ook zou Louis nu willen weten, wat dat was geweest, waar hij over wou beginnen, toen ze van-avond den Mauritsweg opgingen, en hij zou er zich niet af kunnen maken....
Paul had, bij z'n eerste naar-buiten-komen, de avondkoelte met een ril van verraste verkwikking teruggevonden; hij hield er tóch altijd van te loopen in de herfstavonden, tusschen het kille geritsel der droge bladen, maar nu vooral had hij 't met reikhalzend verlangen vóór zich gevoeld als een genotvolle rust, een wellust voor z'n gloeiende slapen.... En daar waren dadelijk die gedachten weer, die hem opnieuw warm en gejaagd maakten, niet-in-staat tot genieten.... Beklemd, bijna angstig, wachtte hij 't oogenblik af dat Louis zou beginnen met z'n vragen. Hij wist heelemaal niet wat hij antwoorden zou, hij kon zijn gedachten niet verzamelen, en het kwam niet eens bij hem op in z'n verward hoofd naar iets anders te zoeken om alvast een gesprek over te beginnen. Hij schrok, toen hij werklijk de stem van Louis hoorde; maar die zei alleen: "We moesten nog maar ergens een grog gaan drinken, vindt je niet?" "O!... ja zeker, dat 's best!" zei Paul verwonderd, en herademend, doordat zijn broer over zoo iets heel anders sprak. Maar Louis, die het gesprak alleen maar over iets onverschilligs was begonnen om niet zoo erg begeerig naar Pauls complimenten te schijnen, vroeg toen toch dadelijk: "En...? Wat zeg je nu van haar...? Is ze niet charmant...?"
Daar was 't nu.... De vraag was gedaan. Er moest op geantwoord worden. Iedere seconde wachtens maakte 't moeilijker. Maar in Pauls hoofd woelde een warreling van gedachte-beginsels, niet te vatten van ijlheid, en tezamen toch een wattige massa, die verdoofde.... Dit alleen voelde hij vrij duidelijk, dat hij het niet zeggen mocht, en 't ook niet zeggen kon, zooals het was.
Dus kwam er een stilte, die dadelijk groeide ... groeide ... ondraaglijk werd.... Hun stappen gingen geregeld voort over de schoon geregende klinkertjes.... Er was een metalige klank in.... Vér af belde een tram, óp uit rumoerig zoemen van Zaterdagavond-op-den-Binnenweg.... En dan hing nog in de lucht het tot een roepen aanzwellend geluid van die stem, die gevraagd had....
"Nou?" drong Louis..., verbaasd....
"Ja, God..., kerel ... wat zal ik je zeggen," hoorde Paul zich toen antwoorden op matten toon, "ik krijg zoo gauw geen vaststaanden indruk van iemand, zie je.... 't Is zeker een mooi meisje ... een heel mooi meisje...."
Hij voelde dat Louis hem met wrevele verwondering aankeek van terzij, dat hij wel dadelijk iets zeggen zou, iets onaangenaams uit ergernis over zijn lauwheid; hij besefte dat het zoo niet ging, onmogelijk!... Toen in-eens, terwijl hij zijn lichaam krachtig recht-op zette, wist hij 't verwarren van z'n denken te ontkomen--het was als iemand die door eigen wil ontwaakt uit een benauwenden droom--en zich te dwingen tot een strak-gespannen verstandelijkheid; 't was natuurlijk noodig dadelijk iets te zeggen waar Louis mee voldaan was. Hij lachte even, zenuwachtig, zei toen met vaste en luide stem: "Nee, waarachtig hoor! Ze is allerliefst! Wat 'n mooie oogen! Je bent een benijdbaar man, kerel!... Je moogt je geluk wel waardeeren...."
Mooi, dat was de juiste toon. Dien maar volhouden, dan kon hij op alle vragen antwoorden.... Zóó, buiten zich-zelf om kon hij best over haar praten.... Want er moest natuurlijk gepraat worden over haar en de familie....
Maar van dat andere, intieme gesprek met Louis, waar hij plan op gehad had, daar was heelemaal geen kwestie van, dat kon niet, 't was een illusie geweest; zij leefden mijlen ver van elkaar af.... Trouwens, hoe had hij kunnen denken dat het mogelijk was, werklijk intiem met een anderen man te praten over liefde....
"Ik wist wel, dat ze jou ook zou bevallen," zei Louis, weer kalm, blij-gevleid, in zijn pedante zelfgenoegzaamheid, "ze heeft ook net een kopje voor schilders.... Vindt je niet dat ze wat lijkt op de vrouwenfiguren in die oude schilderijen van Raphaël en zoo.... Net zoo'n Italiaansche madonna, waarachtig, dat denk ik zoo dikwijls...."
"Zeker!... daar heb-je gelijk in...; ik had mijn indruk nog niet zoo onder woorden weten te brengen..., maar nu je 't zegt, is me dat ook opgevallen.... Waar wou je gaan, moeten we den Binnenweg op?"
"Ja!... ik dacht, laten we maar naar onze soos gaan..., je weet, dat 's op de Korte Hoogstraat..., daar boven...."
"Uitstekend!"
Ze sloegen den hoek om en liepen den viezigen Binnenweg op, de leelijk-kleinburgerlijke straat, luguber-donker, vooral het eerste gedeelte,--verderop lichter, door de winkels die nog open waren, met den Zaterdagavond, de komenijen, de bakkers, de kruideniers. Hel glimmerden daar de beslijkte keien.... Ook stonden er nog wagens met koopwaar, onder den rossigen walm van olielampjes, en joden-mannen en -vrouwen er bij, heesch uitstootend hun onverstaanbare roepen, 't Was nog herrie-achtig vol op straat: burger- en werkmansvrouwen, op boodschappen uit, gillende meiden en groepjes stenterige jonge kerels die hun weekgeld binnen hadden....
Voor Paul had al dat geroes iets onwezenlijks...; hij voelde er zich niet in; hij zag het als door een stereoscoop....
"En wat vindt-je van de anderen," vroeg Louis, "van Papa en Mama?..."
"Nou ... wat vindt-je zelf?"
"Hm!... och!... ze zijn zoo kwaad niet.... Hij kan wel aardig kletsen.... Mama is wat stijfjes. Maar dat zal wel wennen...."
"O, wel zeker, dat dunkt me ook.... Je moet de menschen maar nemen zooals ze zijn.... Iedereen heeft z'n gebreken, niet waar?..."
Ze schenen Louis nu te bevallen, Pauls antwoorden. Hij raakte erg op dreef, en zijn toon klonk opgewekt en meedeelzaam. Hij ging loopen praten over de familie De Boogh, hoe bekend en gezien die was, en nog eens precies vertellen--in 't kort had hij 't Paul al geschreven--hoe hij aan 't meisje was gekomen. Hij had haar dikwijls op straat gezien, in 't park en den Doel, en was een beetje ... nou ja, verliefd geworden.... Hij placht haar dan te fixeeren, soms even na te loopen, als hij tijd had.... 't Was kinderachtig van 'm geweest, maar ze had ook zoo'n eeuwig mooi snuitje, niet waar? Wonder was 't niet.... Maar zoo met fixeeren en naloopen was hij niet verder gekomen.... Toen had hij eens goed geïnformeerd naar de familie, die hij trouwens al kende van naam.... Nou, dat was allemaal best in orde natuurlijk..., er zat zelfs nog al heel wat geld, had hij dadelijk gehoord..., en toen had hij zich laten voorstellen aan haar broer, Jan, den advocaat--een heel geschikten vent, ze zouden hem straks wel ontmoeten, hij kwam geregeld op de soos 's avonds.--Met hem had hij 't toen maar wat druk aangelegd; hij had juist een aardig zaakje voor 'm gehad..., en door hem was hij dan ook voorgehangen op de societeit.... Jan speelde daar nog al een eerste viool.... En zoo was hij ter gelegenheid van een soireetje bij De Boogh aan huis gekomen....
Zoo in huis had hij Annie nog veel aardiger gevonden, zoo gedienstig, en zoo zacht in den omgang ook, zoo echt vol toewijding, weet-je..., zoodat hij meer en meer was gaan begrijpen dat ze 'n uitstekende vrouw voor hem zijn zou.....
Hij had ook al gauw weten op te merken wat voor soort van meisje ze was, hoe ze aangevat moest worden.... "Zoo'n meisje als zij is, zie je"--hier kreeg zijn stem iets onderrichtends--"die moet je volstrekt je hof niet maken, zoo op de gewone manier, met komplimentjes, plagerijtjes, coquetterietjes--o nee! Met zoo'n meisje moet je een degelijk gesprek voeren, een beetje ... ernstig, vertrouwelijk doen ... en vooral erg gewoon, zoo gewoon-hartelijk, zie je! 't Zit 'm wel 't meest in je oogen en in den toon van je stem...." Enfin, hij kon dat nu niet precies uitleggen, Louis; trouwens zijn broer zei dat hij 't wel ongeveer begreep.... Vreemd was dit: Louis had altijd gedacht dat hij veel meer hield van die heel andere soort van meisjes, coquette, mooie, bijdehand op 't kattige af. Daar lijkt zooveel meer eer aan te behalen, 't Eene oogenblik schijnen ze gecharmeerd van je, en 't andere zijn ze ongenaakbaar. Je moet ze stormenderhand of met list en bij verrassing veroveren.... Ja!... dat was dan ook wel aardig!... Marietje de Boogh zou zoo iets worden; die was eigenlijk al ongeveer zoo, een leuk kind.... Maar God!... Annie was totaal anders!... Ernstig..., ja soms haast al te melancoliek!... Gek, hè? dat zou je niet aan haar zeggen! 't Wás toch zoo.... Ze was nadenkend, voorzichtig.... Ze had hem dan ook een week bedenktijd gevraagd!... Nu, hij was er geen oogenblik bang voor geweest.... "Maar typisch, hè? net iets voor haar!... Enfin, om mee te trouwen is zoo'n meisje juist je ware!..."
Paul liet zijn broer zooveel mogelijk aan het woord blijven. Hij knikte maar, en beaamde nu en dan met een enkel woord. Soms deed hem de ongedistingeerde naïveteit van 't verhaal licht pijnlijk aan, soms proefde hij even de fatale commis-voyageurs-doortraptheid. Maar geheel tot hem doordringen deed 't niet. Hij werd weer soezig abstract in de drukke straten; hij was moe, had een langen dag achter den rug....