De bruidstijd van Annie de Boogh
Chapter 2
Een huivering door-kilde hem nog als hij daar aan dacht..., hoe toen de geluiden klonken in huis, het dicht-doen van deuren, en hij herinnerde zich den toon van licht in de kamer, toen de gelige rolgordijnen waren neergelaten en neerbleven de volgende dagen, die vreemd-stille, onwezenlijke dagen--als lange droomen--toen zijn moeder ook weg was, in angstige haast vertrokken.... Hij was natuurlijk niet naar school gegaan, maar had aldoor in de voorkamer gezeten, met zijn broertje. Erg oud had hij zich gevoeld, een groote jongen, met oneindig meer begrip dan die kleine, kinderachtige Louis, die al maar spelen en ravotten wou, waar hij dan boos om werd, niet driftig boos, zooals wanneer hij werd geplaagd, maar verdrietig-boos, omdat het zoo naar was dat Louis wou gaan spelen.... "Papa is dood," had hij telkens ernstig en met groote oogen tegen Louis gezegd, die er eindelijk bang van werd en ging huilen.
Toen was hij geschrokken, had hem naar zich toe getrokken en hem lang over z'n hoofdje gestreeld, gezegd, dat Mama weer terug kwam--want Louis hield meer van Mama--en verder al de lieve woordjes die hij wist,... tot dat hij zelf ook weer was begonnen te huilen.
* * * * *
Snel als verschietende gezichten waren die half-onwillekeurige, half-pieuze herinneringen Paul door het soezende hoofd gegaan, en hij was er door gekomen in een stemming van grijzen weemoed, waaruit hij zich niet dadelijk wist op te rukken, in deze omgeving, waar zooveel van zijn kinderleed begraven lag.... 't Was laat op den middag; dampig in de lucht; de wolken hoopten zich weer op ... en 't was hem of het ziele-huis van vrede en stille aandacht, dat hij zich in de eenzaamheid der laatste jaren had gesticht nu ook in een nattigen nevel stond, die het zuivere licht daar binnen verdofte.... Velerlei leed-heugenis kwam in hem op, met lullige scheuten, benauwend als voorgevoelens...; hij wist niet dat dat alles nog zoo bloed-warm lag in zijn hart.... Hij ging de Kortenaerstraat voorbij, waar "het hok" stond, de grauwe "Hoogere-Burgerschool"...; zeven van zijn jonge jaren lagen daar verschrompeld, verstikt onder den aanhoudenden druk van thema's, vraagstukken, repetities, her-examens, taken, strafwerk, een onomvatbare, vormlooze massa.... Waar was ze nu, al die knappigheid, toen toch zoo bitter noodzakelijk?... Als droge stof op zijn levensweg, verstrooid door den eersten storm van zijn passies.... Bijna niets van 't waarlijk noodige weten, waar hij zich levenskennis en levenskracht uit gewonnen had, was tot hem gekomen in dat leelijke huis daar..., niets dan de schoolsche geest der onverschillige meesters..., de doodende africhting der burgerlijke maatschappij.... O! als hij er toen, in zijn gevoeligheid, niet al te veel tegen opgezien had zijn moeder dat verdriet te doen, dan was hij wel weggeloopen en dan had hij zich niet terug laten dwingen naar dat duffe "hok".... Teekenen had hij er ook geleerd..., twee uren in de week!... allerlei dooie dingen.... Of hij al toonde veel meer te kunnen, dat gaf niets; doen als de anderen..., en dan weer gauw, gauw aan de thema's en opstellen, de eeuwige vraagstukken, algebraïsche, werktuigkundige....
Alleen 's Zondags....
In-eens steeg zijn gemijmer.... Een blanke lichtheid sloeg op naar zijn hoofd.... Hij kwam nu op het dorpachtige Vasteland, weer sneller stappende den kant van het Park op, en in de wijd-vlakkende ruimte tusschen de lage huizen, voelde hij zich krachtig-deinend gaan, rechtop, een moedig man die zijn weg neemt zonder aarzelen of omzien.... In één aanzwellende juiching hadden zijn gedachten zich boven de triestigheid uit geheven tot hoog in de sfeer van zijn trotsch kunstenaars-bewustzijn....
Wat hij was, wat hij nog worden kon, die Zondagen in 't stil-alleen-zijn op z'n kamertje, daarboven in de Westerstraat, waar zijn moeder nog woonde, had hij 't voor 't eerst doorvoeld, geweten.... Hij proefde ze weer die morgens en middagen, van koortsig zoeken en heerlijk ontdekken..., hoogtijden!... Uit de verte vlamden ze als vuren in den grauwen dagengang van zijn dor schoolbestaan.... Van toen af was het begonnen!... En was hij niet groot-gelukkig en onoverwinlijk geworden?... Wat kwam het er dan allemaal op aan, het geleden leed!... Gelukkigen zijn niet bitter....
Vóór hem opende zich nu, onder de trage wolkenmassa, die scheen uit te wademen naar de dampen van het groen, de laan naar 't Park.... De boomen waren nog bijna niet aan 't dorren, ze waren nog donkerbladig, maar in het verdoffend namiddaglicht dat al hun kruinen één deed schijnen hadden ze iets ouds en vermoeids, iets wijs-weemoedigs.... Paul was er gaarne onder door gegaan.... Juist als hij dat bruisend opjuichen in zich voelde was 't hem zoet zich te stillen met lanenstemming, zacht als een zegenende moederhand.... Maar 't kon nu niet, hij moest links af..., door een wijde straat die langs de opene Zalmhaven voert....
Maar vreemd: midden in zijn triomfeerend denken, dat werd aangehouden door het rythme van zijn veerkrachtigen tred..., terwijl nog zijn verbeelding, in leed-vergeten vreugde, die verre Zondagen met het heden verbond..., had die eene, maar half bewuste, gedachte, naar 't Park te gaan, zijn ziel opnieuw doortrild met den weemoed van vergane smart; de heugenis dier latere Rotterdamsche jaren, die op den schooltijd waren gevolgd was er door wakker geroepen.... Die tijd, toen al de praktische plannen, die zijn moeder en zijn oom met hem gehad hadden, in heftige twisten waren stuk geslagen tegen den muur van verzet, door zijn zelf-bewustzijn opgebouwd..., toen hij dan "schilder" was geworden en het geringschattend schouderophalen, den hoonenden glimlach te verduren gekregen had van alle menschen die hem lief geweest waren.... O, hij had hun vergeven, hoogmoedig...; maar hoe dikwijls ook--hij wist het zelf alleen--had hij zich gezegd dat ze gelijk hadden, was hij klein en angstig geweest, de kunst iets ontzaglijks in hooge dreiging boven hem.... Dan waren die dagen en nachten gekomen van diepe verslagenheid, bijna wanhoop..., van twijfel aan zich zelf, hoog-ijlend door zijn denkenszieke hoofd.... Hij wist nog zoo goed hoe 't geweest was dat pijnlijk peinzend ronddwalen 's avonds door de mysterieuze laantjes van het park-in-duister, langs de rivier, waar de kleine lichtjes pinkten--maar ze gaven geen vertroosting--en door den armoedigen schemer der buitenwijkstraten, langs steenen graven.... Dan afgetobd neerliggen in onrustigen slaap vol vreemde droomen, en ontwaken met gevoel van zorg en groote verantwoordelijkheid..., maar dan in-eens--waar kwam het toch vandaan?--dat overstelpend aandringen van nieuwe scheppingskracht, van vizioenen van werk, kunst-werk, dat hij aan kon, dat daar lag onder zijn greep, waar hij maar aan te beginnen had.... En dan het werken zelf, zijn lieve lust, het heerlijk verdiepte werken, het leven en innig samen-zijn met zijn werk..., en alles in zich voelen groeien en gedijen, de kracht, de liefde ... en het geduld....
Zóó gisteren nog, op de hei, toen 't licht fel neersloeg achter die wolk....
Zijn gedachten dwaalden nu af, doorliepen allerlei gezichten en ondervindingen van den laatsten tijd, en er waren figuren van menschen tusschen..., 't geluid van hun stemmen...; hij dacht in-eens weer aan dien jongen met het valies die een eind was achtergebleven, en liep langzamer om zich in te doen halen...; en met één schok was toen zijn denken weer terug bij 't nu bijna onmiddellijk weerzien van zijn moeder.... Hij was er nu plotseling vlak bij...; dat gaf hem een lichte beklemming in zijn borst en keel, een hevig opkomend verlangen naar de warmte van de begroeting....
Hij sloeg den hoek om van de Westerstraat..., nu nog vijf of zes deuren voorbij.... Hij stond voor het huis; hij voelde zich overvol van verwachting; hij stond in tintelenden gloed van hartelijkheid voor de menschen daar binnen; er kwam een waas voor zijn oogen toen hij den vollen klank van de schel herkende.... Niemand voor de ramen van de zijkamer.... O ja, 't valies, en dien jongen betalen.... Daar kwam hij aan, zweetend, benauwd-rood....
Paul hoorde de deur opengaan toen hij den jongen z'n geld gaf.
III.
Mevrouw Holman was een vroolijke, een pretlievende vrouw. Nog gingen er verhalen, uit haar jongemeisjes-tijd, van haar dolle avonturen, van haar ondeugende, coquet-overmoedige streken. En ze werden geloofd ook, die verhalen, want--ofschoon ze nu toch bij de zestig was!--de menschen konden 't zich nog best van haar begrijpen. Ze was immers eigenlijk nog net zoo. En dát een vrouw, die zooveel had ondervonden....
Toch was ze niet bepaald ongevoelig. Toen haar man stierf had ze daar oprecht verdriet van gehad. Ze voelde een gemis, en vooral meelij--kinderlijk, goedhartig--met dien armen stakker, die maar zoo kort had kunnen genieten van het lieve leven.... Ook haar ouders, een van haar zusters, haar eenigen broer en twee kinderen had ze overleefd, en elk sterfgeval had haar wel geschokt, beangstigd--het geval zelf vooral, het zóó dichtbij zien sterven--en haar dan ook voor een poos wat ernstiger, nadenkender gemaakt, maar, met haar aangeboren levenslust en haar krachtige--en zoo geheel onbewuste--zelfzucht, was ze dat ten slotte allemaal weer te boven gekomen. En zoo was ze geworden een vrouw op jaren vol jeugdigheid, nog niet genezen van coquetterie, altijd keurig in de kleeren en gekapt, en met een glimlach die onvergankelijk scheen; op straat gezien: een rechte en werkelijk nog elegante stads-dame-figuur, binnenskamers wel wat ouder, maar met beslist jeugdige manieren. Ook haar stem klonk nog jong.
Die ernstige menschen van den tegenwoordigen tijd mochten haar dan een wufte vrouw schelden, verloren voor het ware leven, zij lachte 'r wat om; zij had schik in zich-zelf; het deed haar innig genoegen dat haar kennissen zoo dikwijls fijn-leukjes glimlachten en ook wel eens wat geërgerd keken als zij aan kwam stappen, vlug en met veerkracht, met haar gewild-levendige, soms bepaald drieste blikken. Toch was ze nog meer gevleid als ze merkte, dat ze den naam had van gedecideerd handelen en optreden, met verstand en takt. Want dat vond ze van zich-zelf ook, in volle oprechtheid. Zoo was ze wel trotsch op haar zoons.--vooral op Louis, den schranderen zakenman -maar het was voornamelijk omdat ze zich verbeeldde dat de opvoeding, die ze hun gegeven had, dan ook uitstekend was geweest, niet zoozeer beleid-vol of diep doordacht, alswel geniaal van greep en keus van woorden en daden....
Immers niet met bevelen, maar bijna altijd met vroolijk redeneeren, plagend overreden--zonder veel argumenten bij te brengen--en soms met teer-lief, vleiend-zacht verzoeken, had ze haar wil weten door te drijven. Wat hun nurksche voogd, haar oudste zwager, stroef-toornig gelastte had ze gemakkelijk gemaakt door lachend mee te protesteeren, door haar aardige maniertjes van oolijk vragen het toch maar te doen.... Ze was er nooit ernstig tegen-in gegaan.... En dat was, vond ze, louter verstandige taktiek geweest, volstrekt geen gemakzucht of onnadenkendheid.... Trouwens, de resultaten waren er immers! Paul,--met wien ze den meesten last gehad had, een gekke jongen, eenzelvig, saai, en toch zoo onstuimig soms en koppig als 't er op aankwam!--gelukkig had hij een week gemoed; als ze ging huilen of pruilend klagen kon ze alles van hem gedaan krijgen--, Paul was ten slotte een schilder geworden, waar de menschen over spraken. Hij maakte goede prijzen, hij kon best leven..., en hij gaf roem aan den familienaam.... En Louis!... Louis was haar glorie, ook om de manier waarop hij het leven verstond. Een gentleman op-en-top, een echte heer!... En ze waren bang voor hem op de Beurs; hij had veel succes, zou stellig rijk worden....
Het deed haar ook bizonder veel genoegen dat Louis ging trouwen. Ze zou hem dan natuurlijk wel verliezen als huisgenoot, maar dat vond ze nu juist zoo onaangenaam niet, al wou ze 't niet weten,--ze klaagde er graag wat over, maar dat was om de voldoening te bemerken dat de menschen tóch geen meelij met haar hadden--; hij was thuis nogal overdreven in zijn eischen, nerveus-lastig dikwijls, vooral in tijden van drukte in zaken, spannende speculatieve zaken.... En dan, als je alleen bent, kun je toch maar alles precies inrichten zooals je 't graag hebt je dag-verdeeling, het ontvangen van je kennissen.... Om uit te gaan had ze geen "chapeau" meer noodig. Een vrouw op haar leeftijd!...
Ze was blij, ook omdat Louis een "keus gedaan" had waardoor ze hem nog meer dan vroeger was gaan bewonderen. Die Annie de Boogh was waarlijk een engel van 'n meisje, haast al te lief en goed..., ze was mooi, elegant, ontwikkeld, op 't oogenblik nog wel niet rijk, maar heel wat wachtende, zoowel direct als van ooms en tantes.... Ze zouden zeker een van de meest geziene paren van de stad worden, Louis en Annie, zoo'n jong paar--en al gauw een grooter gezin misschien--waarvan de lotgevallen door de deftige Rotterdammers zeer opmerkzaam en met evenveel onderscheiding als jaloerschheid werden nagegaan.... Ze zouden mooi wonen, veel ontvangen--Annie zei nu wel dat ze daar niet van hield, maar dat zou wel anders worden onder taktvolle leiding--, en dan zou zij, mevrouw Holman, in de salons van haar rijken zoon, waarin de roem van den anderen een atmosfeer van artisticiteit zou brengen--wat zooiets bizonders was in Rotterdam, en zoo bij uitstek geschikt om een roep van distinctie te vestigen--dan zou zij die met haar levenslust, met haar aantrekkelijke persoonlijkheid, de ziel van die salons zou worden.... O! als ze daaraan dacht voelde ze 'n gloed van vreugde opslaan naar haar hoofd-vol-prettige-voorstellingen.... Ze was overtuigd dat ze een tweede jeugd tegemoet ging....
Het was ook in een stemming door zulke gedachten voortgebracht, in een heimelijke weelde van voldoening en vóór-voelen van nog ongekend genot, dat mevrouw Holman dien middag haar zoon Paul had zitten wachten. Ze zat achter-in de kamer-aan-straat, met een nuffig handwerkje. Toen ze hoorde schellen en door het gepraat aan de deur begreep dat hij het was, lei ze haar gouden lorgnet neer, met het werkje, stond op, streek haar japon glad over den buik, en ging naar den spiegel om te zien welken indruk zij maakte met zoo'n vriendelijken glimlach van goedige moederlijkheid. Voorzichtig gaf ze een paar duwtjes en rukjes aan haar kapsel, draaide zich toen langzaam om, bleef midden in de kamer staan om hem af te wachten. Daar kwam hij binnen stuiven, plofte zijn valies neer onder 't haastig voeten-vegen, en toen dadelijk de kamer in, met z'n jas nog aan, stoffig en beslijkt. "Dag moeder, hoe gaat het?" In twee stappen was hij bij haar, verheerlijkt lachende, en zij nam met een allerliefst gebaar zijn hoofd in haar handen, trok het naar zich toe, kuste hem met haar spitsgetrokken mondje op beide wangen. "Dag, jongen! ben je daar!... hoe gaat het je?... Heb je 'n goeie reis gehad.... Trek gauw je jas uit en vertel 's wat.... Mietje, breng meneer z'n valies dadelijk op de logeerkamer!... Je wilt je zeker nog wel wat opfrisschen voor 't eten hè, jongen...."
"Ja ... ja ... best!... Wat zie 'k er uit, hè?... 't Is me hier dan ook weer een modderpoel," zei Paul, terugloopend om zijn jas aan den kapstok te hangen. Toen kwam hij weer binnen, maar ging niet dadelijk zitten--, zijn moeder wèl. Rondloopend in de kamer, onrustig en beweeglijk, vroeg hij naar Louis en zijn bruid, en naar andere menschen, vertelde van zijn reis, nam dingen die op den schoorsteen en op de etagère stonden in zijn hand en bekeek ze onder 't praten, maar hij zag ze eigenlijk niet, want zijn oogen stonden achter een vochtig waas, hij was wat ontroerd en wou dat niet weten voor zijn moeder, die daar zoo kalm-glimlachend neerzat, zinnetjes makend met lieve wendingen, volkomen zich meester. Toch was hij voor zich-zelf blij dat hij ontroerd was, toch deed het hem goed. Het had ook anders kunnen zijn, hij was daar wel eens bang voor.... Er was ook wel dadelijk weer zoo iets geweest--dat hij herkende van vroeger--iets leegs, een gevoel van gemis, van teleurstelling..., maar gelukkig, de ontroering was gekomen, de blijdschap dat hij zijn moeder weer gezond teruggevonden had, na zooveel maanden scheidens..., blijdschap!... toch ook weemoed ... om het noodzakelijk-zijn van dat gescheiden leven ... of om wat anders ... hij wist het niet precies, maar hij had wel even uit willen snikken....
Eindlijk ging hij toch ook zitten, over haar, en zich nu snel bedwingend deed hij zijn best in denzelfden luchtigen toon met haar mee te praten. Want het was dan toch maar heel zelden dat hij zijn moeder zag, en hij wou nu in die tien, twaalf dagen alles doen om haar aangenaam te zijn, te vallen in haar geest van on-zwaarmoedig leven-bij-den-dag; ook voor zijn broer wou hij zoo zijn; wat kwam het er op aan, tien of twaalf dagen van onnadenkendheid!... Daarna zou immers zijn eigenlijk leven weer dadelijk beginnen, hij wist dat hij er altijd heel gauw weer in was.
Dus praatten ze over Louis en zijn trouwen, de cadeau's die hij gekregen had en de pretjes die er zouden zijn, en over de bruid en haar familie;--met de ouders scheen mevrouw Holman niet zeer ingenomen ofschoon ge het niet direct liet merken--o nee! lieve menschen, beste menschen!--en Paul slaagde er in zijn aandacht aldoor gespannen te houden. Hij keek zijn moeder voortdurend recht in de oogen,--want toen hij een paar maal om zich heen had zitten kijken, had hij gemerkt dat hij daardoor werd afgeleid en dat een lichte wrevel zijn vroolijkheidsstemming won komen verstoren. Het waren de poes-mooie modetintjes in de kamer, de salonnerige meubelen, de prutsdingetjes aan den muur, de kleedjes en prullen overal verspreid, die hem hinderden met hun zoetigen, laf-mondainen schijn, maar als hij in zijn moeders oogen keek, recht er in, dan vond hij zachte aandoeningen van lang geleden terug, en werd geboeid en stil-innig bewogen.... Zij wou opstaan om een glas port voor hem te krijgen, maar hij bedankte, zei: "Nee, blijft u nou zitten!..." Zij werd er blijkbaar aangenaam door aangedaan, dat ze hem zoo boeide; zij werd ál vroolijker en praatte opgewonden door, zoodat hij nu wel volstaan kon met knikken en beamen, een enkel woord van verbazing of een lach. Ze was aardig om te zien, zooals ze daar zat te babbelen, met glinsterende oogen en een verhoogde kleur, nu en dan het sterk grijzende dameshoofd schuddend van louter levendigheid.
Nu hoorden ze de voordeur opengaan. "Daar is Louis," zei de moeder. Paul stond dadelijk op, liep hem vlug tegemoet in de gang, en de broers begroetten elkaar met luide stemmen en stevige handdrukken. Samen kwamen ze binnen. Louis was bijna net zoo lang als zijn broer, en het slanke van z'n figuur kwam in een getailleerde gekleede jas veel meer uit dan bij Paul; die een jongensachtig colbertje droeg. Dat gaf hem een zeker vertoon van ouder en wijzer zijn dan zijn broer, een verschil nog verscherpt door zijn stem, die licht geaffecteerd klonk, met streven naar deftige gematigdheid, en door zijn houding en gelaat, het even-gebogen-dragen van het hoofd en den glimlach van heerige welwillendheid, beleefde belangstelling. Hij sprak snel, nerveus --schoon niet scherp--en maakte ook nu en dan een beweging van bedwongen gejaagdheid.
Toen ze beiden zaten was het duidelijk dat Paul ouder was. Louis droeg geen baard--alleen een klein, blond, opgedraaid kneveltje--en zijn zorgvuldig geschoren onderkaak had iets verwijfd-glads. Dat opgemaakte, gepolijste was eigenlijk om zijn heele hoofd, met het links gescheiden en naar weerskanten voorzichtig neergevlijde, glim-vettige blonde haar, terwijl Paul iets dof-ruigs had, doch zonder gewild-artistieke verwaarloozing; zijn haar was kort geknipt. Hun gelaatskleur had weinig verschil, Paul iets bruiner, verbrand door de zon en den wind.
Met z'n drieën zetten ze het gesprek in denzelfden toon voort, vroolijk, maar toch minder ongedwongen nu, door het gewichtig doen van Louis, die zich als bruigom erg de hoofdpersoon scheen te voelen, vond dat hij gefêteerd moest worden. Het was niet meer dan een verhoogde visitetoon, waarin Paul telkens door een hartelijke opmerking of gullen, uitroep wat meer warmte trachtte te brengen. Paul wou nu ook een borrel drinken met zijn broer en dat gebeurde, maar had niet het effect dat hij zich er van had voorgesteld; in de houding van Louis kwam geen verschil, hij bleef voorover zitten als op visite, met zijn glimlach en zijn gemaakt-kort vragen en zeggen. Hij zei Paul iets vleiends over zijn stijgenden roem, waarvan hem pas weer wat gebleken was uit een gesprek aan een diner. Dit maakte den schilder wat wrevelig. Hij had een ruwe uitdrukking klaar om te zeggen, dat hem dat absoluut niet schelen kon, maar hij bedwong zich, streek zich met de hand over 't hoofd, bloosde, en voelde zich toen in-eens onbehaaglijk, niet meer op zijn gemak. Hij deed zijn best even opgewekt door te praten, maar hoe hij 't ook negeerde, 't weg wou denken, toch was het er weer, dat bekende van vroeger--maar dat hij telkens zoo graag weer vergat--het gevoel dat hij niet zoo hartelijk kon zijn als hij wou, omdat er geen mede-voeling was, omdat de warme woorden verschrompelden in zijn borst, als hij die star-glimlachende gezichten zag, en die oogen vol aandacht-uit-beleefdheid, maar zonder begrijpen. 't Was vooral Louis, die hem stil hinderde,--maar ook zijn moeder, nu hij haar minder aankeek--, Louis scheen nog heeriger, mondainer dan vroeger geworden.... Mondainiteit.... Frivoliteit--dat waren de woorden die hij gedurig voelde spoken in zijn hoofd, en ... och-god! daar was hij immers al verder en verder, en nu zoo onmetelijk ver van komen te staan.... Wat wisten zijn ernstige heiden, zijn gebogen herders, zijn sombere poelen en zijn wijde, licht-doorwaasde nevel-hemel van de mondainiteit!... Het hoopje van de sjiek, hij had het zoo geheel uit het oog verloren bij zijn blikken op de menschheid, de natuur, het ál....
Hij wou het telkens toch maar weer uit zijn hoofd zien te zetten, omdat hij 't eigenlijk zoo aller-ellendigst vond--, want ... ze waren nu eenmaal zoo..., zijn moeder en zijn broer..., en ze waren toch al wat hij had..., en ouderliefde en broederliefde waren zoo mooi, zoo heerlijk, je kon daar toch maar geen afstand van doen!... Doch juist door 't zoo van zich te schuiven, en 't dan toch telkens weer éven scherp te voelen, werd hij er nog angstiger voor, en belemmerde 't hem nog meer..., dat aldoor dreigen.... Hij was blij toen ze gingen eten. Aan een gedekte tafel, tusschen tezamen etende en drinkende menschen is van-zelf altijd meer warmte, meer intimiteit....
Ze aten in de achterkamer, en Paul deed een frissche poging om zich "al dat gezeur" uit het hoofd te zetten en begon te vertellen van het leven op zijn dorp, van den veearts en zijn vrouw,--die moesten ze kennen! alleraardigste menschen!--maar hij merkte algauw dat ze er met een zeker ongeduld naar luisterden, gansch vervuld van hun eigen plannen en belangetjes. Louis wou graag met zijn moeder bespreken een belangrijke kwestie betreffende het al-of-niet noodigen op een partij, van menschen, die kort geleden een tante verloren hadden, waarover ze in den rouw gingen, omdat de erfenis zoo meegevallen was...; hij had daar al voor het eten van gesproken.... Toen liet Paul zijn verhaal in een paar luchtige woorden verloopen, en zweeg....
Dadelijk begon Louis, naar zijn moeder gebogen, ernstig over die kwestie, en daarna over den cotillon Donderdag, wie dien zou leiden..., en toen over de tafelschikking....