De bruidstijd van Annie de Boogh

Chapter 18

Chapter 184,016 wordsPublic domain

Hij zette 't simpele geval eerst op zooals hij 't dadelijk al van plan geweest was, toen de koe nog ziek lag in den stal..., het wrakke, schemerende schuurtje met de open deur, links, vlak vooraan, de boomen er langs en er overheen, en dan daarnaast een groot stuk horizon, een mooi-gebogen verre horizon van hei..., het wijd stuk land in overvloed van licht.... Het was weer net een geval voor hem, hij nam ze veel zoo; 't was er hem dan om te doen z'n vreugde over 't wemelende licht te temperen met weemoed, 't neerzilvrend hemel-glanzen te doen contrasteeren met de stille, donkere aard, dien schittrend-rijken overvloed met iets dat dor en leeg lag.... Toch nu..., terwijl hij 't zat te schetsen, had hij een gevoel alsof er iets uit weg was, iets ontbrak; 't bevredigde hem niet, het was te onbestemd, te abstract, het zou iets dweeperigs krijgen, wat hij juist niet wou...; lang zocht hij in zich rond..., wat was het?... Hij merkte nu wel dat hij toch nog erg nerveus was, onrustig, met een vage drukking op z'n borst.... In zijn visie van vandaag--zou 't dat zijn?--had hij meer behoefte aan iets zeer beslists, een scherp-belijnd geval..., iets innig smartlijks opstaand in de ruimte tegen 't helle hemelicht.... Het licht moest er om heen zijn, toch geen vat er op hebben!... Ja, dat was het wel.... Het was hem in zijn stemming nu niet mogelijk zich te uiten in het geven van dat stille, buiten-menschelijke, dat in abstractheid liggende en staande alleen; er moest iets levend-lijdends in, een beeld van echte smart, die staat in 't licht, maar van het licht niet weet.... Toch bleef hij nog een poos nerveus en jachterig peuteren aan z'n schets..., maar stond in-eens op, liep naar 't woonhuis, vroeg of de oude vrouw--voor nog wat extra's--een poos aan den ingang van de schuur wou blijven staan, naar binnen kijkend, net of daar de koe nog lag.... Ze had nog wel bezwaren eerst, 't was Zondag!... Maar als ze nou niets hoefde doen dan daar gaan staan....

Ja! zóó was 't goed!... Het armelijk gebogen vrouwfiguurtje, het droef gebroken menschje met haar zwartheid onbewust de lichtsfeer brekend.... Ja, ja, zoo was het goed!...

En terwijl hij dan in strakke aandachtspanning en rusteloozen ijver zat te schetsen, kwam die stemming waar hij naar verlangd had over hem.... Hij dácht er nu niet aan, hij voelde 't enkel, proefde 't prikkelend genot.... 't Gelukte wel niet heelemaal weer, 't bleef--als altijd!--maar benaderen, bijna-treffen, nooit volkomen, absoluut..., maar 't was ook nog maar schets, een mooi begin vol hoop; hij moest er zich natuurlijk ook nog dieper-in begeven, lang en veel er over mijmeren, 't wiegen in z'n ziel, er 's nachts mee wakker liggen.... Hij wist nu al dat 't niet gauw áf zou zijn.... Maar dat was niets; het werken was 't genot; daar was 't juist om te doen...; het werk, dat was hét.... Als 't af was zou 't een schilderij zijn, nu was 't leven....

Hij werkte uren lang en zonder pauze. Het vrouwtje mocht er telkens bij gaan zitten, ook wel een poosje weggaan; hij was er nu toch in.... Hij wist hoe 't worden zou, hij zag het voor zich, sterk als een visioen.

Vrouw Pappel wou dat hij wat eten zou. Hij zei van neen, hij had geen honger,--had z'n brood wel bij zich, maar geen tijd....

Nog zelden had hij 'n ganschen dag zoo goed en zoo gestadig-door gewerkt..., wat mooie vruchtbare uren, 't was een trots!... Toen hij terugging in den laten middag, liep hij gansch vervuld er over na te mijmeren, dankbaar, bijna blij.... Ook was hij aan het avendeten thuis veel spraakzamer dan gisteren.... De veearts en zijn vrouw keken elkaar eens aan, tevreden, knikten even, zonder dat hij 't zag,... Hij werd al beter, 't kwam terecht....

Maar toen hij in 't gevorderd schemeruur, in 't bijna-donker, nog wat dwalen ging, den weg, de hei op, was 't weer enkel zij, die in z'n ziel lag, hem tot hijgend smachten bracht; hij leefde ze weer door, de Rotterdamsche dagen; al die gevoelens en gedachten, zwaar en drukkend, drongen op in vreemd-nerveuse haast, en pijn, en bitterheid, en marteling, het werd hem als een volte in zijn hart van luid geklaag dat zooveel feller was in wijde plechtigheid van stillen nacht.... Hij liep gejaagd naar huis, ging naar zijn donker atelier, bekeek met flakkerend kaarslicht nog eens het portret.... Zij was 't niet.... Neen, o! neen, zij was oneindig mooier en had veel meer ziel.... O zij, zij!... Zij in de eeuwigheid!... En wég dat ding!...

In 't zwarte donker bleef hij zitten met z'n lijf van lood.... 't Was stil, diep-vredig, Zondag-avond-stil, in 't dorp.... Alleen wat zeurig zingen nu en dan en 't piep-geluid van een harmonica....

Maar na een langen nacht vol vreemde, drukke droomen, ging hij er weer vroeg op uit, de hei door, dan den rijweg. Hij voelde onder 't loopen met voldoening dat hij weer aan 't Brabantsche bestaan gewende, dat Rotterdam al in 't verleden lag, veel verder al dan toen hij gisteren morgen onderweg was. Dat kwam door al het werk, al de gedachten en de stemmingen die hem nu al van die dagen scheidden....

Hij hoopte erg dat 't weer zoo goed zou gaan; hij liep ál sneller in gejaagd verlangen naar zijn arbeidsroes, en naar dat trotsch besef van slagen, keek dat vol bewustzijn van zijn macht, zijn hunnen, dat dan, van zijn hoofd uit, gansch z'n lijf doorvoer zoodat hij 't voelde in z'n polsen en z'n vingers als een tooverkracht....

Hij zette zich met energie aan 't werk, hij dwong zich tot pijlpuntig scherpe aandacht, en 't lukte weer, nog beter zelfs dan gisteren.... Het was hem soms alsof het ál te mooi ging, al te vlot en vlug, alsof 't niet werklijk was.... een droom.... Hij voelde ook wel de overspanning, 't gejaagde in zijn fel bewegen, en de koorts in 't sterk visioenend denken aan zijn schilderij-zooals-'t-moest-worden.... Maar 't kwam er niet op aan, het ging, het lukte, 't werd een goed, een sterk-geslaagd stuk werk, het beste zeker, wat hij nog gedaan had.... Al was 't dan koorts, het was genot, een vol, intens genot, ja, hooger, grooter, 't was geluk het zoo te kunnen, 't zoo te voelen in je macht het schoon-gedroomde werk.... Schoonheid te kunnen maken van een menschensmart en simpele doode dingen, goden-werk!... De overmoed was als een lichte dronkenschap die kwam uit de innigheid van 't lijf dat diep-van-binnen brandde.... Hij voelde uren lang alleen dat machtsbesef, die vreugd van kunstenaar-zijn.... Forsch, bijna wild soms, sloeg z'n hand de verven op het doek en wist van geen vermoeienis....

's Avonds aan tafel was hij ongewoon praat-lustig, schitterden zijn oogen.... Maar, bijna plotsling, viel hij op z'n stoel in vasten slaap, 't hoofd op de borst, de armen langs z'n zijden, slap neer....

Van Biesen nam een van zijn polsen in z'n hand, aandachtig. "'k Dacht het wel ... hij 's koortsig", zei hij fluistrend, schudde toen bezorgd het hoofd.... "Ja, 't rechte is 't nog niet", gaf zij ten antwoord na een poosje zwijgens.

* * * * *

Zoo werd het Dinsdag.... Paul sprong, bij 't wakker worden, dadelijk op, en uit z'n bed. Hij haastte zich. Hij wilde nu met al zijn energie zich dwingen nergens aan te denken dan aan z'n wachtend schilderij. Gauw!... Gauw daarheen!... En weer zoo werken als de beide vorige dagen. Zoo kwam hij in een rusteloozen roes die dagen door....

Maar hij kon--ondanks z'n heftig willen--hij kón zoo gauw niet loopen als die vorige ochtenden. Er was een loode loomheid in zijn beenen, hij hijgde telkens, voelde zich de borst benauwd, de slapen en de polsen gloeiend, bonkend.... Hij kwam soms haast niet verder, stond dan ook telkens stil en voelde dat hij duizlig was, en wee.... 't Was of hij zich bedronken had den vorigen avond.... Hij schrok er telkens van.... Hoe moest dat gaan vandaag?...

Toen hij eindelijk weer voor z'n doek zat--het oude vrouwtje stond weer bij de open schuurdeur--merkte Paul al dadelijk dat het niet goed gaan zou.... De loomheid zat hem in de hand en armen ook, 't was alsof de lucht hem drukte, de najaarslucht die dun en winderig was,--het was een frissche, óverlichte dag, juist zooals gisteren en Zondag.... Toch dwong hij zich tot aandacht, tot gestadig schilderen.... En waarlijk scheen het dat het weer zou lukken.... 't Was wel heelemaal niet dat machtsgevoel van gisteren..., o neen! dat was het niet wat gloeide door zijn hand en pols, en in zijn dorren, dichtgeplakten mond, veeleer een koortsig droog verbranden van z'n huid, maar binnen-in geen open helderheid, geen groote visie, soms een warren van ideeën, als in een drukken, rusteloozen droom.... Toch kon hij juist bizonderheden nu zoo uiterst fijn belijnd, zoo toover-scherp belicht bespeuren, dat het wonder was.... Daar dus vandaag dan maar van profiteeren, tóch maar werken, blijven werken, blijven in zijn werk....

Maar plotsling aarzelde hij, angstig, en hield op ... en staarde naar zijn doek met doffen schrik die groeide.... God! God! Het was in-eens veranderd, de toon, de expressie, het geheele sentiment ... verknoeid!... Het groote gevoel, dat er zoo sterk in lag, was onherkenbaar weggeschilderd.... Hij meende even dat hij zag waar 't zat, hij ging weer door in jachterig gepeuter met penseelen.... 't Werd nog erger!... Toen stond hij op, ging van een kleinen afstand kijken.. Niets was 't meer.... Alles was er uit.... 't Was slap en dood, vreemd porseleinig dood.... 't Was of hij gek geweest was dezen ganschen ochtend.... Hij had zijn werk totaal bedorven....

O! hij voelde 't nu ook wel, hij had het moeten laten, hij was ziek, hij zag het ook niet vóór zich meer zooals 't had moeten worden, en ook alles om hem heen--de hei, de boomen, 't zonlicht--was veranderd, drong zich aan hem op als een benauwing die hij toch niet werklijk zag, en 't was als stond dat doek daar nu als een fel-duivelsche bespotting.... Zag hij niet den rug van de oude vrouw zich rimpelend schudden als in sataniek gelach?...

Toen greep hij, blind van drift, een kwast en veegde daar zoo woest mee over 't natte doek, dat de ezel wankelde ... en omviel...; vluchtte dan de hei op, 't arme oude vrouwtje achterlatend met haar schrik, en angst.... Ze riep nog..., maar de piepend zwakke stem kon Paul niet meer bereiken....

* * * * *

Hij liep maar, liep maar met z'n zware beenen. Hij zag de hei niet, noch het dorp, het verre bosch, de hemel, noch de zon, hij liep maar in een koortsdrang naar beweging. Maar eindlijk viel hij hijgend neer, zat op een heuveltje, een heide-bobbel, waar naast een kleine, zwarte poel met vaal-geel, armelijk riet, een stil moerasje lag, zwaarmoedig in het volle middaglicht. Hij zag het nauwelijks, schoon hij er lang op zat te staren, peinzend, peinzend, altijd maar aan haar..., en aan Louis, dien hij nu haatte.... Ze zouden nu al wel getrouwd zijn.... En hij zag haar weer, zooals zij toen, dien middag in het leege bovenhuis, had uitgeklaagd, zoo zacht en bijna zonder zelf-meelij, hij hoorde weer die stem van wondere vertrouwelijkheid.... Hij kon 't zich alles niet herinneren, wat ze had gezegd, hij was zoo suf, zoo vreemd-verward.... Maar dat zij niet gelukkig was ... dat was wel zeker.... En hij verweet het zich....

* * * * *

Een herder met een kudde schapen trok voorbij. De ruige hond--hij kende 't goeie-dier--sprong blaffende een paar maal om hem been. Paul riep hem bij zich--met een hem vreemde stem--, hij klopte en streelde 't ruige lijf, en wist niet dat hij 't deed.... Verbijsterd bleef hij toen de kudde nazien, den langen, langs z'n staf gebogen herder, en den hond, die aldoor om de schapen rende en sprong....

Ze waren eindlijk in de verte, klein en zwart ... en hij weer heel alleen...; hij voelde 't als een schrik, een soort ontzetting.... Alleen met hei, den hemel, en z'n smart..., alleen met die oneindigheden.... Niets waarmee hij kon ontsnappen aan zich-zelf, zijn pijnigend gevoel, 't gemartel van zijn heldere fantasie.... O! werk! z'n werk!... Maar 't was er niet meer..., en eigenlijk, wat wist hij er meer van!... Ja, kunstenaar, schilder was hij.... Maar een schilder is een man, en hij een jonge, sterke jonge man.... Paul Holman was hij en had Annie lief, en wilde haar.... Maar zij was van Louis, z'n broer....

O!... Broer! wat was dan toch een broer?... Was dat geen ander?... Was hij 't dan soms zelf?... Of half, een klein deel zelf?... Neen! waarachtig! zelf was hij 't niet precies!... Dus toch een ander..., of 't dan een broer was of een vreemde!... Een ander had haar nu, bezat haar nu, had macht en rechten over haar.... Een ander kuste nu die oogen, en dien mond..., een ander drukte zich dat wonder van ziels-mooi aan 't heet-begeerend mannelijf, in wreed, brutaal genot.... O God, God, God!... hoe haatte hij dien ander....

Zijn bitter denken werd nu felle pijn, een scherpe, fijne pijn.... En zijn verbeelding was zoo vast als werkelijkheid.... 't Was of hij 't voor zich zag ... dáár, dáár.... Louis en Annie, en al die menschen aan dat laatste feestmaal.... Hij zag zijn broer, diens glad geschoren, wel-verzorgd gelaat, en glijdende handen, zag dat lachen, juichen, klinken,--zij naast haar mooien man, stil, bleek, vermoeid, en als een stervende zóó ernstig. Hij zag z'n broer dan handen geven aan die menschen, aldoor lachend, o! een ijdelen, triomfanten lach, waarin 't gemeen begrijpen van de blikken en den lach der anderen was..., zag hen dan samen weggaan....

En aldoor voelde hij intusschen hoe hij zelf daar zat, bij dit verlaten poeltje op de wijde, stille hei van 't verre Brabant..., onzegbaar eenzaam..., zonder troost of hoop.... Gekend door niemand.... Neen! dat was niet zoo.... Hij was artiest, was schilder, schepper van een klein, klein deel der wereld-schoonheid.... En de menschen kenden 't wél, z'n werk; de rijken kochten het.... Hij kon 't den armen geven!... Honderden van meer of min mondaine stedelingen bewonderden z'n schilderijen, en, wie weet? den maker ook ... benijdden hem misschien!... Hier zat hij dan, de man van 't mooi succes, de zeer benijde..., eenzaam ... en diep rampzalig....

Maar neen, neen, neen! dat nooit, hij wou het niet.... Besloten had hij eens dat hij zich nooit voor goed door menschen z'n geluk zou laten rooven.... Hij moest, hij zou 't weer vinden in zijn werk, en in de schoonheid....

* * * * *

't Was al een paar uur middag.... De stilte werd geluidloos ... alsof natuur, vermoeid door schittering van den dag, tot doffe rust vervallen was.... Het licht werd koeler, strakker, bleeker haast..., alleen in 't westen, waar de zon stond, gloeide de overwaasde hemel fel goud-geel met rozenroode wolkenstrepen, licht-gedrenkt tot aan den transparanten horizon.... Daar stond de zwarte herder tegen aan, hij leunend op z'n stok, de hond een zwarte stip die rustloos om hem dwaalde....

En daarheen turend voelde Paul zijn al zoo groot verlangen toch nog groeien, toch nog vreemd-benauwender en feller worden en was het tegelijk alsof hem iets gebeuren zou.... In onrust stond hij op, bleef bevend staan, verwachtend..., wist met wat..., een plotseling geluid, een stem die hem zou roepen, een verschijning.... Hij hijgde kort, was tot wee-wordens toe beklemd....

De stilte sloot als watten om hem heen.... De hemel gloeide in 't westen.... Er was geen enkele klank.... Toen alleen, een huilend fluiten, in de verte, zwak....

En zijn verbeelding vond een nieuwe foltering: zijn broer met Annie in z'n armen in een treincoupé.... Hij streelde haar en fluisterde zoetlieve namen, maar z'n grijns was niets dan ploertige triomf en ijdelheid.... En in haar oog dat blikte naar hem op, een stomp verbazen, schrik, een doffe angst....

Toen was 't hem of de wereld duister werd en klein, een floers van rouw hem voor de oogen kwam..., liet hij zich op z'n knieën eerst, toen, met heel zijn zware lijf, voorover vallen.... Z'n gezicht lag in het droge heide-mos.... Z'n vingers kromden zich en groeven in den grond.... Er krampten lange snikken in z'n schokkend lijf....

Zoo lag hij eindlijk, eindlijk uit te huilen....

En wóu wel dat hij 't eerder had gedaan....

XIV.

Laat in den middag....

't Was alsof de zon in 't dalen minder schitterend was geworden, maar van omvang grooter, dichterbij, meer van de droeve aarde; 't stiller licht, dat won in weemoed, werd een rustiging voor moe-gestaarde oogen, bijna een troost.... De herder en zijn kudde waren weg, en, uit den afgrond aan den westereinder opgedoemd, lag nu een onbestemde massa donkergrauw te wachten dat de bloedend-roode zon er zich in ging begraven; maar van dien kant af vervaagden nog tot ver langs 't koepelend zwerk, wolk-veeren, kleur gedrenkt, felgeel, oranje, rood,--daar-tusschen lichtte nog het hemelblauw in groenen glans;--'t leek van een reuzenpauw de vurige vlammenstaart....

Paul zat geruimen tijd daarnaar te turen, op den grond,--het was zóó mooi dat 't zelfs zijn zware somberheid verlichtte--maar zijn ongewende houding maakte hem de armen en de beenen pijnlijk stijf, zoodat hij 't eindlijk niet meer uit kon houden en wel opstaan moest. Hij voelde zich nu kil en rillerig. Hij begreep dat het tijd werd om naar huis te gaan. Hij was een heel eind afgedwaald, al loopend, zonder doel of richting, en hij herkende deze buurt niet, wist dus niet precies hoe hij moest gaan.... Straks, in 't donker, zou 't bezwaarlijk zoeken worden....

Dus liep hij weer, met kleine, stijve stappen, een ronden rug, de handen in z'n zakken. Hij voelde zich dood-suf, en bijna-weeïg leeg en moe gehuild; zijn leed was als een suizing in z'n ooren nu; het hield niet op, maar pijn was 't ook niet meer.... Soms schokte nog een lange na-snik door z'n gloeierige borst en keel....

Terwijl de zon, in purper drijvend nu, die wolkenbank in 't westen naderde, de randen koperend, en de rosse hemelgloed al matter werd, kwam uit en over 't zwarte aardvlak, drassig hier en daar, een lichte dauw opdampen, overal gelijk, naar alle kanten..., als schimmen, die op een-en-'t-zelfde uur op komen rijzen, ieder uit z'n graf.... Paul lette er eerst niet op, bemerkte 't bijna plotseling, dat hij voort liep in een dunnen natten mist, die, goud doorlicht naar 't westen waar de zon nog stond, maar grauw als duisternis in de andere richting was. Hij kon niet ver meer om zich heen zien, voelde zich nu door die dampen ingesloten, met zijn smart--niet meer zoo algeheel verlaten en rampzalig; wèl klein in de ontzettende oneindigheid, maar stil-intiem-alleen met z'n gedachten, z'n eigen ziel, en de begeerte die hij dooden moest.... Want dit was uit de heftige ontroering van dien dag in hem bezonken: dat het toch niet kon, zooals hij 't zich in 't eerst gedacht had, dat hij z'n liefde niet kon blijven dragen,--als op z'n handenvlak een wondermooie vaas;--want 't was niet iets dat op zich-zelf bestond en in hem woonde, 't was een wond, een groote, open wond met heete randen, die hij moest heelen of er dood aan bloeden.... En de eenige genezing was in werk; dat wist hij ook.... Werk, werk, en altijd werk, dat was zijn toekomst, levens-kans en -lot..., van álle kunstenaars 't eenige bestaan....

O! vandaag was 't nu mislukt, ellendig weggedord, verschrompeld in de hitte van z'n hartstocht.... En nu, nu was hij moe en afgetobd.... Maar morgen zou hij weer beginnen, en zoo iederen dag, totdat hij 't meester was, totdat hij weer geheel zich-zelf kon zijn, denk-levend met dat werk van hem alleen.... De fut was er goddank niet uit nog....

Na ongeveer een half uur loopen kwam hij op een weg dien hij herkende aan de hier-en-daar er langs-heen staande boomen. Hij was nu ook in-eens geheel georiënteerd, wist ook dat hij nog een goed uur gaans van huis was. Toch bleef hij met dien zelfden weifelenden stap maar langzaam voortgaan, en al z'n zelf-gepaai met werk en wil ... in z'n geslagenheid geloofde hij 't maar half...; soms zuchtte hij, keek doelloos zoekend om zich heen.... De schemering groeide zichtbaar in de dampen....

Maar plotseling stond hij stil, ademloos, met schok van schrik.... 't Was achter hem.... Een stem, die riep ... zijn naam ... en lichte, snelle stappen ... Hij dorst niet dadelijk omzien, hij zag die nevels ... Toen werd z'n arm gegrepen door een hand, die sidderde, en, heftig klappertandend, de oogen wijd als staarde hij een spook aan, strompelde hij achteruit, een pas, drie, vier....

Zij!... Zij!...

Hij wou haar noemen bij haar naam, maar kon niet.... 't Werd enkel een gerekte a-klank, dien hij uitbracht ...

"Ja, Paul!... ik ben het," hijgde zij, "o! goddank dat je daar eindlijk bent!... ik heb zoo vreeslijk lang gezocht ... zoo vrééselijk lang!..."

"Annie!" riep hij nu een paar maal, heesch, weer dichter bij haar komend, greep haar hand..., en toen verviel hij in een fellen sniklach die hem pijn deed in z'n borst.... Maar eindelijk kon hij toch wat zeggen.... Geen zinnen..., uitroepen van verwondering, die bijna angst was: "Wat?... Gezocht? Heb je mij gezocht?... Wat is er dan?... Waar kom je dan vandaan?... Wat is er gebeurd?..." Hij had nog groote moeite 't schudden van z'n onderkaak te temperen.

"Ik ... 'k ben weggeloopen.... 'k Wil niet trouwen met Louis.... En 'k had.... 'k Wist niemand om naar toe te gaan, dan jou.... Wil jij me helpen, Paul?... Och toe, Paul, wil jij me helpen en beschermen?..."

Toen stond er lang een stilte tusschen hen; zij snikte heftig, leunend aan zijn schouder; Paul was van ontsteltenis als verstijfd nog, hield haar hand vast in de zijne, huilde ook opnieuw, maar--of 't door herinnering aan z'n vroegere tranen kwam--nu lichtte een vreemde ijlheid als van al te plotsling vrij-zijn, een voelen weg-gaan-en-niet-weten-meer-van-smart, op in z'n hoofd, dat nog niet denken kon.... "Laten we gaan zitten..., daar!" zei Paul toen eindelijk, zacht. Dat deden ze. 't Was tegen een heuveltje aan, waar langs de weg ging....

Hij moest haar hand daarbij laten vallen....

En toen ze, naast elkaar, maar niet heel dicht, daar even zaten, op den hobbelig harden grond, in schemering, zwaar van natten damp..., in dadelijk drukkend zwijgen..., zonder dat contact nu van hun handen, dat ook niet was te herstellen..., rees er in hen beiden meer en meer belemmerend besef van 't voor elkaar vreemd-pijnlijk-nieuwe, 't gansch onverklaarde hunner heftige ontroering..., en daardoor een verwarrende verlegenheid....

"Kun je me nu wel zeggen wat er eigenlijk is gebeurd," vroeg hij het eerst, met stem-geluid dat bijna brak....

En zij, nog altijd snikkend, en gejaagd: "Niets!... niets anders dan dat 'k weggeloopen ben.... Vanmorgen, met den eersten trein ben 'k weggevlucht.... Ze weten thuis niet waar ik heen ben.... Ik was te bang dat ze me dan dadelijk zouden achtervolgen.... O! maar ... God! ik vind het nu zoo vreeslijk wat ik hun heb aangedaan!... Louis vooral!... Wat zullen ze zich ongerust en angstig maken!... Daarom ... Paul!... zou jij ... morgen ... voor me willen gaan ... naar Rotterdam ... en 't zeggen ... dat ik hier ben?... Maar ... maar dan ook zorgen dat ze me niet komen halen ... want ik wil niet meer terug ... ik kán nooit meer terug ... o nee, nooit, nooit!... ik wil ook niet.... 'k Verdrink me nog veel liever!..."

Toen huilde ze weer erg, voorover, 't voorhoofd rustend op haar éénen arm; telkens schokte ze, van diepe snikken.... Haar hoed viel af, ze merkte 't niet.... Maar Paul, zich bukkend, raapte 'm op, lei 'm stil-voorzichtig naast zich.... Hij vond het akelig-naar-nuchter van zich-zelf, begreep zich niet, hij vond zich onuitstaanbaar stijf en houterig en suf.... Hij zocht naar woorden, maar hij vond ze niet, geen één!... Hij had het liefst, tot troost, zacht willen streelen over 't donkerbruine hoofd, maar durfde niet.... Zij was gevlucht, weg van Louis, naar hem.... Zij wou niet meer terug.... Toch dorst hij niet te denken dat het om hem kon zijn.... Zij ... zij ... o, neen! 't besef dat dat onmogelijk was liet hem niet los....