De bruidstijd van Annie de Boogh
Chapter 17
De vér, vér blauwende hemel toch één met het liggende land, door de stilte, die groot was, heerschte, altijd-durend. Het knerpen der krekels, noch 't vinkengetjielp, noch 't regelmatig geroep van één eenigen vogel, die hoog door de lucht heen-en-weer scheerde, konden haar deren, de stilte, noch ook het rommelen, dof, van een boerenkar over den smallen, vast-aardenen weg, naar het dorp toe.
Een groot-opene, óver-lichte najaarsdag, zon zonder hitte, weinig wind....
* * * * *
In 't hart van het dorp wat meer geluiden..., tóch stil nog, want iedere klank had tijd te versterven. Om twaalf uur sloeg de torenklok, en kwamen de kinders uit school op hun klepprende klompjes. Ze babbelden, lachten luid-uit, gierden spelend, gingen toen ieder z'n eigen weg.... Het dorp bestond uit een enkele straat, geklinkerd en zonder boomen, en daar omheen nog wat op-zich-zelf-staande huizen en hoeven. In een van die weinig verspreid staande bouwsels van steen en hout was de woning van veearts Van Biesen.
Hij was alweer thuis, de stoere oude-heer, de lange, gebaarde man met den stalen bril, bekend in een omtrek van mijlen en mijlen. Hij was dien Zaterdagmorgen--als altijd trouwens--om vijf uur al klaar in de kleeren geweest, en hij had al heel wat hotsend gerij op z'n karretje, en al heel wat geduldig gepraat met de hoofdige, dom-slimme boeren achter den rug, toen hij te kwart voor twaalven was binnengekomen, het vierkante voorkamertje in, waar het pintere vrouwtje, lezend-en-breiend, te wachten zat, de korte, gedrongen figuur met het glad-witte haar en de waakzame oogjes. De koffie dampte geurig de tuit uit, en breede plakken gesmeerde mik lagen klaar op het bruin-beschilderde bordje, waar de ruime rieten leuningstoel stond vóórgeschoven.... Geen pantoffels, geen pijp, daar niets van voor 's avonds. Straks moest hij er weer op uit, naar zijn eigen beesten, zijn bongerd, zijn moestuin....
Even had ze gevraagd naar een paar arme menschen en zieke dieren, waar ze wist dat hij over te piekeren liep, en had hij geantwoord, met z'n korte schouder-opstooting, en een stuk-of-wat brokken zin van afgebeten beslistheid. Maar verder hadden ze elkaar niet veel te vertellen: hij las nu de krant, en zij, die de nieuwtjes al wist, keek, breiende, soms even op naar zijn lezend gezicht, naar de lijn van z'n blik, om na te gaan zóó, of hij dit al gezien had, daar al kon zijn.... Dan kwam er ook wel eens een korte uitroep, rauwschor als een hoest, uit den dadelijk weer manlijk-gesloten mond--de geschoren bovenlip, aardkleurig, stond strak en hard--en zij, áltijd begrijpend, glimlachte zwijgend, nam langzaam een teugje van stil genot uit haar koffiekop. Zijn groot gezicht, dat doorgaans een weinig verwonderd stond, werd haast niet vertrokken; er zat niet veel plooibaarheid in; het was als van oud gebarsten leer en weerzoorige haren. Maar toch, als de vrouw, over 't kopje heen, met haar nóg jonge stem, zoo leuk-weg even wat zei, over dit-of-dat uit de krant wat ze samen nu wisten, kwam hij 'n oogenblik los, in een zwaren, keelgeluidenden lach-stoot en daverend: ja!..., dat al de hoeken van 't vierkant vertrekje in éénen vulde....
* * * * *
Zoo zaten ze nog toen bekende stappen door 't gangetje gingen, en binnen kwamen, 't Was de schilder. Hij had z'n gewonen, bedaarden tred en een strak gezicht, als was het niets onverwachts dat hij er weer was. Hij gooide z'n jas en hoed in een hoek, zei goeien-morgen, gaf dadelijk elk een hand.... De oude man was opgesprongen, keek hevig verwonderd over z'n bril. "Hè.... Wat 's dat nou?... Ben jij daar alweer?..."
"Hemelsche goedheid, meneer Holman, wat is er gebeurd? Je ziet er uit als een geest," zei z'n vrouw tegelijk, ook halfweg van haar stoel opgekomen in 't schrikkende kijken naar Paul.
"Ja, daar ben ik weer!... En er is niks gebeurd, hoor!... Houd je gemak, tante Katrien, ik kom bij je zitten en drink een kop koffie.... Heb je ook nog een paar botrammen voor me?... Ja!... Ik kon 't zoo lang zonder jelie niet stellen, hè.... En ... nou, daar in Rotterdam konden ze me ook eigenlijk best missen, die heeren en dames...."
"Zeg 's," vroeg Van Biesen, als had hij niets verstaan, bezorgd en op gedempten toon, "je hebt toch geen zwarigheid?'
"Ik? wel nee!... Wat zwarigheid?... Ik moet weer aan 't werk, dat is alles.... Dat geluibak en feestgevier...., och! dat 's nou wel 's aardig voor 'n dag of wat, maar 't moet vooral niet te lang duren, hè?... 'k Kon daar natuurlijk geen slag uitvoeren..., en wat is een man zonder z'n werk...?"
"Ja!... Waarachtig!..." schorde 't weer langs de balken van 't kamertje, "dáár hè-je meer dan gelijk in!"
Maar Van Biesen gluurde schuins naar z'n vrouw, terwijl Paul op z'n plaats aan de tafel ging zitten, en hij zag dat ook zij haar bezorgden blik niet af-bracht van 't bruinig-bleeke gezicht met de diepe, zwaarmoedige oogen. Nu keek ze haar man ook even aan, en deelden ze elkaar zwijgend hun onrust mee....
Maar ze vroegen niets; de Juffrouw schonk met besliste vlugheid van praktisch bewegen en zorgzame aandacht Paul een kop koffie in, ging toen naar de kast om een ei te krijgen en 't vleesch dat van gisteren over was,--wat Paul haar ook toeriep van alsjeblieft geen moeite te doen--, ze gaf daar geen antwoord op, zette het vleesch en het peper-en-zout-stel op tafel, haar oud gezichtje ernstig-nadenkend onder het witte, in 't midden gescheiden haar, ging toen naar de keuken om 't ei in den ketel te doen.
De veearts intusschen sprak op z'n los-korten toon van wat er gebeurd was, die week--'t was feitelijk een afdoend verslag van wat hij, na afspraak met Paul, had gedaan voor een paar arme gezinnen, maar 't klonk als zoo enkel wat nieuwtjes--en hij zei dat deze en gene al naar den schilder gevraagd hadden, of hij soms ziek was.... Hij eindigde lachend: "Ja, ja baas, je bent hier bekend!... als de bonte hond ... in de gansche buurt.... Nou, dat wéét je ook wel, hè?"
En hij lachte nog eens, schoerschokkend, zonder geluid, maar keek toen strak naar Paul, die onverschillig zat te wippen en maar even, flauwtjes, geglimlacht had.
"Ja!... en de koe van ouwe vrouw Pappel is dood," zei Van Biesen weer, na een poosje....
"Zoo!..."
"Beroerd jammer!... Je weet, de eenige die ze had..., hè?"
"Ja!..."
Paul keek recht voor zich heen, door het raam, naar het perkje met asters en dahlia's. De veearts haalde z'n schouders op. "Hier! wil je 'n stuk van de krant?" zei hij enkel nog, ging toen zelf ook weer door met lezen in een ander blad....
Paul dronk z'n koffie, at z'n brood met vleesch, langzaam, in zwijgende abstraktheid, wou toen, in-eens gejaagd en haastig, naar zijn kamer gaan, zei enkel: "Nou! tot straks!"
Maar de juffrouw riep hem na: "Zeg, mijnheer Holman, waar heb je je valies toch gezet?... Ik zag 't niet in de gang...." En Paul, terugkomend: "O!... ja!... dat's waar ook!... dat ding heb ik in Rotterdam aan 't station laten staan!... Gek genoeg!... 'k Heb er al om geschreven, uit Breda; ... dáár heb ik van nacht gelogeerd, zie je!... Nou!... 't Zal wel terecht komen.... En anders is 't nog niet erg!..."
Hij was weg, en de beide oude menschen keken elkaar aan; de veearts zette een vierkanten mond, en trok z'n wenkbrauwen nog hooger dan ze al stonden. "Dat's niet in den haak, hoor!" zei hij zacht.... "Hè ... Wàt?..."
Zijn vrouw gaf niet dadelijk antwoord, ze keek bedrukt voor zich heen, terwijl ze, opruimend, heen-en-weer bleef gaan tusschen 't lage kastje en de tafel; maar even later stond ze stil naast haar man, die alweer las, en fluisterde met wijzen naar de deur: "Weet je wat die heeft?... Verdriet!"
"Kom, kom!... 't Zal wel zoo'n vaart niet loopen," zei Van Biesen, "maar ... wat zou 't kunnen zijn?..."
Zij haalde enkel haar schouders op, keek zeer ernstig voor zich, ging door met opruimen....
Paul was eerst, de gang door, naar z'n kamer geloopen, een vertrekje achter in het huis, dat door twee ramen uitzicht op den moestuin gaf. Hij gooide z'n overjas en z'n ronden hoed op z'n bed, trok ook z'n zwarte jaquet uit, smeet dat er slordigweg bij, ging zich toen met nerveuse haast gezicht en handen wasschen. Daarna schoot hij een verkleurd-gelig linnen buisje aan, nam z'n ouden stroohoed, en liep den tuin door naar de ruime schuur, die hij daar zelf gebouwd en ingericht had als z'n atelier. Daar ging hij dadelijk voor een ezel zitten, zette er 't eerste-'t-beste stuk papier op, dat hij vinden kon, en nam z'n krijt.... Maar toen hij wou beginnen kwam er aarzeling in z'n actie..., bleef hij een poos met slap-neerhangenden arm strak staren op het papier....
Hij had zich van-morgen, onderweg, beloofd--en was er hevig naar gaan verlangen--dadelijk als hij op z'n atelier zou zijn, haar portret te teekenen, haar mooi, ovaal gezicht, dat hem van uit de schemering zijner droom-gedachten aldoor aanzag met dien trek van weemoed, die expressie van vruchtloos zoeken en gepeins..., om 't zoo opnieuw te zien, niet enkel in herinnering, maar verstoffelijkt, om het den heelen dag te kunnen zien, en 't ook--maar dat jongensachtig doel dorst hij zich niet vrij-uit bekennen--te kunnen kussen.... Hij was heel zeker dat zijn hand er toe bij machte zijn zou vast en volkomen de lijnen van haar strak, in heldere heugnis, vóór hem staande hoofd te trekken.... Maar al dadelijk, de eerste ruwe schets, was niets, werd fel in-één-gefrommeld, weggegooid; hij greep een nieuw stuk, korrelig grijs papier, begon weer.... Neen! 't voldeed hem niet!... Vreemd, vreemd, hij zag haar toch zoo zeldzaam puur omlicht, zoo toover-glanzend voor zich staan!... Tot bitterheid toe stelde 't hem te leur.... Een derde schets gelukte al evenmin....
Toen stond hij op, in driftige gejaagdheid, ging door z'n werkplaats heen-en-weer; het hoofd voorover, grabblend in z'n zakken, liep hij mompel-vloekend uit te razen.... 't Was verdomd geen wonder. Wat kon hij eigenlijk? Niets!... Niets lukte hem ooit heelemaal.... Niets werd zooals hij 't had gedroomd, niets, niets, niets!... O! ellendig was 't..., een wanhoop, wanhoop!...
Hij wrokte; martelde zich weer met zelfverwijt..., hij leefde ook weer al het lange leed door van zijn reis hier-heen, dien avond in Breda, en toen dien nacht, dien eindloozen, dien donkren, weeïg-warmen nacht, in dat verwenschte veeren bed, dat was als weeke wellust-armen om hem heen, als zoetige zoenen op zijn smartenlijf.... Hij was ten slotte op een stoel gaan zitten, maar z'n lijf was als besmet, fel brandend van lage begeerte, een walg..., en dan zij, zij aldoor naast hem, achter hem, zoodat hij 't ruischen van haar rokken hoorde, en ééns ook vóór hem, de armen uitgestrekt, en lachend, lachend..., maar niet naderkomend..., en hij was machtloos, lam, kon zich niet roeren!... Met een rauwen gil was hij ontwaakt uit dat visioen, maar 't lag hem nog als looden massa op z'n borst, zijn mond en lippen schroeiden droog als hij er weer aan dacht....
Zóó was die nacht geweest, één marteling van onbemeesterde gedachten, wreede droom-gezichten.... En in den harden, nuchter-lichten en leegen morgen was dat plan, waardoor hij dan toch iets van haar-en-van-hemzelf zou hebben, voor zijn als stuk-getrapt gevoel een lichte troost, een soort van verheuging geworden.... Moest dat nu óók mislukken....
Hij zat weer voor den ezel, voor een verschen lap papier, en nu met angstige voorzichtigheid, en, door den strak-onafgewenden blik, fel-stekende oogen, beproefde hij opnieuw te schetsen wat hij zag van haar fee-mooi gezicht.... Dit was wat beter!... Ja, waarachtig, nu zou 't gaan!... Althans zoo ver als 't nu was kon hij 'r vree mee hebben..., nu vooral voorzichtig, scherp gespannen speuren in herinnering, het stil bewegen van zijn hand volkomen meester zijn, onmiddellijk uit z'n ziel besturen.... Een tijd lang zat hij zoo, in moeilijk ademende aandacht, door te teekenen..., telkens huiverend.... Want 't kwam er in!... Ja!... Ja!... Het kwam er in; nu 't haar nog, de reine blankheid van het voorhoofd met het donker haargekroes omlijsten....
Daar aarzelde hij weer..., bleef met z'n hoofd voorover in z'n handen, weer een uur lang over Annie zitten mijmeren...; hij dacht aan dingen, die zij had gezegd, liet zich doorklinken van haar stem, had er zijn smartelijk genot van.... Eindelijk lichtte hij z'n hoofd weer op, dacht dat het nu weer gaan zou, keek opnieuw de teekening aan ... en schrok!... Want neen! ze was het toch weer niet..., de gelijkenis was maar oppervlakkig, was niet echt en diep.... Door z'n weg-zijn uit z'n handen werk, zijn diep in geestessfeer met haar verkeeren, was haar verschijning in hem als gepurifieerd, en zoo van levensgloed, van ziel doortrokken, dat het grauw papier nu mat en dood, in onuitstaanbare wezenloosheid vóór hem lag....
Meen, op papier zou 't nooit iets worden..., maar misschien op doek.... Toch bleef hij er lang op kijken, leefde zich opnieuw er in..., 't had toch wel iets goeds.... Hij zou 't niet weg doen, kon 't misschien gebruiken voor z'n schilderij....
Maar, God, o God! de oogen!..., die werden 't nooit!... Och neen!... 't Is ál illusie!.., je kunt de ziel niet schilderen....
Hij voelde nu z'n onmacht diep, was er geslagen door, bleef langen tijd, stil, werkloos, roerloos zitten. De schemering spookte al langs den planken-muur, en spon zich webben in de hoeken, terwijl hij daar nog zat; hij merkte niet dat 't middaglicht verging, dacht dat alleen die teekening aldoor matter werd. Hij zuchtte..., zuchtte.... Hij voelde zich als door een onafschudbaren last gedrukt, z'n handen niet in staat een lijn te trekken....
Geluiden die van buiten kwamen merkte hij niet op; 't werd de gewone tijd voor 't avondeten, maar hij wist het niet. Toen stond in-eens de veearts achter hem, vroeg: "Zeg, waar blijf je?..."
Erg gestoord en wrevelig stond hij op. Het was niets vreemds, Van Biesen kwam wel meer hier, hoefde niet te kloppen; tóch vond Paul er nu iets onbescheidens in.... Ook viel 't hem in hoe de ander door dat vrouweportret misschien begrijpen zou....
"O ja! ik kom," zei hij, verward, "óf ... toch eigenlijk nog liever niet;... laat mij maar zitten.... Ga jelie maar je gang intusschen...."
"Zoo!..."
Maar de oude man bleef staan, begon weer, na een oogenblik van stilte: "Zeg ... je mag natuurlijk zeggen dat het me niet raakt, maar..., ik zie het bliksems goed ... jij hebt wel degelijk zwarigheid, hoor!... En ... ne ... als ik je soms helpen kon met raad of daad.... Verduiveld graag, dat weet je toch, hè?"
De schilder, in z'n bitterheid, glimlachte smadelijk. "Mij helpen?... Waaraan?... Ik ben geen zieke ezel!..."
Hij schaamde zich er dadelijk over. Wat 'n gemeen soort hatelijkheid was dat daar, dacht hij, en hij dorst met op te zien naar die, zoo welbekende, oude oogen. Van Biesen had maar even in z'n baard gegrinnikt. "Nog geest voor een mop, dan is 't ook nog zoo erg niet," zei hij. "Geen zieke ezel!... Maar ... ben je daar wel zoo zeker van?..."
Als werd hij op iets kleins, iets lafs betrapt, zoo kwam nu over Paul een blindende verwardheid en beschaming..., hij voelde, weeïg warm, zich blozen, mompelde: "Hè?... Wat?... Wat meen je daarmee?..."
Toen lei de oude man in-eens z'n groote hand vertrouwlijk op Pauls schouder: "Staat je verdriet soms in verband met dat portret.... Wie is 't?..."
En Paul, klein als een kind dat voor z'n vader staat: "Dat is ... m'n broer z'n bruid...." Hij snikte een paar maal, droog en hevig, op dat zeggen....
Toen was er een stilte. Op Van Biesen's leerig-oud gezicht kwam iets als blos, en ernstige bezorgdheid in zijn harde trekken. Als in verwarring ging hij zitten op een houten bankje dat daar stond, naast Paul, schoof heen-en-weer, zei toen met grove stem van tranen-in-de-keel: "Ik ben, verdomd-nog-toe, nou altijd even lam onhandig, hè? Kom!...Zeg!... Holman!... Arme kerel!..."
Plotsling dan, z'n zware hoofd voorover in z'n handen, snikte Paul, traanloos, met heftig schokken.... O God, o God! daar was het weer! 't beklag..., en hij had het verdiend.... Waarom, waarom zich ook verraden!... Nu was hij ook al niet meer trotsch-alleen met z'n verdriet.... Afschuwelijk om beklaagd te worden, als je sterk bent!... O! 't verslappende, verlammende beklag!... En, in-eens, met bijna woestheid, sprong hij op, riep: "Niets!... Niets! niets! 't is niets!... 't Is gekheid, allemaal nonsens hoor!... Aanstellerij!... Niet op letten, Van Biesen!... 'k Ga met je mee.... En dan drinken we nog samen een kroes bier, hè?..."
* * * * *
't Was vroeg in den Zondagmorgen toen Paul Holman, zelf met zich dragend wat hij noodig had, z'n bankje, een kleinen schildersezel, en een doos gerei, langs den kortsten weg--dat is dwars de hei door tot hij aan den rijweg kwam--op 't pad ging naar dat huisje van vrouw Pappel, een kleine hoeve in de buurt van 't groote dorp, 't stoomtramstation en middelpunt van 't boerenleven daar. Vroeg in den najaarsmorgen--want hij wou er een langen dag van maken, een grooten dag-vol-werk, met één wilskrachtige poging zich daar wég in leven, zich brengen in een roes, een koorts van werk,--zoo'n stemming die soms dagen, weken duren kon, waarin hij enkel dóór en vóór zijn werk bestond, er gansch verdiept en in begraven was.... Hij kende ze al zoo goed en lang, die uren van niet weten wat voor maand of jaar het is, en of hij al gegeten had vandaag, of niet, die snel-weg-terende uren van diep-hevig-leven;--alleen je innerlijkste leefde dan, het andere ging wel mee, werktuiglijk.... Genot was 't niet altijd ... en toch.... Vol barenswee meestal, vol wrange smart en schrijning door dat nooit volkomen slagen ... nooit! nooit!... Tóch genot!... Mysterie!... 't Was een hooge lust ... en bijna wanhoop ... een lijden, zwaar van zoetheid ... onweerstaanbaar boeiend....
Zóó ... ja!... zóó wilde hij weer werken, in zoo'n roes, niet weten of er ergens een stad Rotterdam bestond, of hij nog een broer had, of een moeder..., en ook morgen zoo, en overmorgen.... Overmorgen!... God! hoe dreigde toch die dag nog, met verfijnde marteling en stommen hoon!...
* * * * *
De zon klom snel in 't oosten. Het werd als gisteren weer, zoo'n stil-groot-lichte dag; vaal lila-bruin de hei, die lag te dauwen,--vluchtige, stoom-witte wolkjes, op een zuchtje van den wind verstuivend.
Recht boven 't land stond de open hemel, strak, star-helder blauw, maar in de wijde welving waziger, ook aan den zonkant, waar de damp hel sprankelde in gloeiing,--de westerhorizon was grijzig wit als hing daar rook van smeulend hout....
Klokgeklep, van verre, trillend, 't eenige geluid, en teeken dat het Zondag was....
Paul ondervond van tijd tot tijd een kleine blijdschap, licht schokje van genot door 't zien en hooren,--'t was vooral een soort herinnering aan vroegere vreugde, wijd geluk, dat door zijn onrust nu niet mogelijk was. Even hoorde hij ook soms het lichte sissen van z'n stappen door het vochtbedauwde, tot een week tapijt opééngedrongen heigewas; hij keek er dan een oogenblik bewust op neer, en liet zijn mijmeringen gaan langs al die ongetelde duizenden, die wereld-op-zich-zelf van kleine plantjes, elk zoo nietig in 't enorm geheel, en tóch een wonder door z'n pracht van bouw en zuivere vormen-regelmaat.... De erica kwam, half verdroogd, mosachtig rossig-lila, overal het hoogst, met gracelijk, fijn-geestig takgewar; wel was er ook nog heel wat groen--als je 'r zoo recht op neerkeek--en ook blauwig grijze, paarse en terra-cotta-roode tintjes schoten naar voren..., maar een eindje voor je uit, en dan de wijde hei langs, verder, verder, zoo ver je zien kondt golfde en glooide vaal dat lila-bruin, die kleur van najaarsweemoed en berusting...; Paul vond den toon terug in z'n gepeins.... Telkens snoof hij ook, met halfbewuste willigheid, de geurig frissche morgenkoelte op, die héél licht prikkelde en helderheid deed stijgen naar z'n hoofd.... Soms liep hij plotseling recht..., ging dan weer meer en meer gebogen, zijn stappen ongelijk, gejaagd.... Er woeien hem genietingsvlaagjes aan van zoo met hei-natuur alleen te leven, zoo voort te gaan in zuivere morgenlucht ... en te voelen in z'n borst een vast omlijnd van-plan-zijn, dat uit z'n kunstnaarskeus-en-wil geworden was....
Maar in z'n meer bewust gedachten-leven, z'n druk bedrijvige verbeeldings-werkplaats, was hij altijd weer met haar in Rotterdam, bedacht waar ze vandaag zou zijn en wat ze doen zou--hij wist, er was alweer een feestlijkheid, bij een van de ooms--, of ze daar hem zou missen?... of ze niet verbaasd geweest was door z'n plotsling weggaan; en z'n verschijning in den schouwburg, wat ze daarvan denken zou?... De waarheid zeker nooit! Hoe zou ze?... 't Was zelfs de vraag nog of ze'm werkelijk had herkend....
Dan weer vergingen al die bijgedachten, was 't enkel zij, zij-zelf, waarvan hij was vervuld, zag hij haar oogen, heel haar teer-mooi aangezicht, ruig-donker haar, de meisjes-buste en het slank-veerkrachtig gaan, de golving van den rok..., en wist dat hij dat altijd zóó zou blijven zien visioenen voor z'n geest, het nooit vergeten, nooit één uur.... Hij wou 't ook niet, dat niet.... maar 't andere, 't bittere brok, het denkbeeld dat zij nooit van hem zou zijn, dat ging hij nu begraven in z'n werk..., z'n eigen, innig-aangehangen werk.... De smart om haar, die ging hij nu vergeten..., want in de sfeer, waarin hij straks weer leven zou, bestond dat niet, was alles strak, gepurifieerd, idee, en ideaal..., was hij de meester, alles objectief....
O! z'n werk, zijn kunst!... Z'n gansche wereld, heel zijn leven zou 't weer zijn voortaan... 't Zou dan toch eindlijk worden wat hij altijd wou, een zuivere spiegel van zijn ziel-en-de-natuur...; die samen één...; er was geen grens.... Want de natuur, de dingen buiten....
Maar hij was nu op den rijweg, die, naar weerszij glooiend, tusschen volle, laag-getakte boomen lag in glans-goud-licht van zon op vochtig-gele blaren, daar als overstroomd van.... De wind ging er ruischende langs, en duizend zonnevlekken tintelden en speelden met de lila-blauwe schaduwen. De boomen ook waren heelemaal geel, rijk-vol van blaren; er was nog weinig najaarsstorm geweest.... En vluchten vogels, vele vinken, bontgestaart, beweeglijk in de zon, die trippelpootten, zwermden op, de ritselende boomen in, en achter hem weer neer,--ze tjielpten, tjielpten onophoudelijk.... Het was een feest van najaarskleur en zuivere atmosfeer van lichten herfstdag. Paul was er plotseling door verrast, de gang gestuit van z'n gemijmer; een paar maal haalde hij diep adem, met groote oogen blikkend om zich heen, en bijna-blijdschap; een zonnig beeld van louter zaligheid was in z'n hoofd: hier zijn met haar, haar in zoo'n laan te zien!...
Toch was hij te gejaagd om stil te staan of langzamer te loopen, had hij 't gauw bereikt, het kleine huisje waar vrouw Pappel woonde....
Een half uur later was hij al aan 't werk. Hij had het afgesproken met vrouw Pappel. Hij zou haar oude leege schuur uitschilderen, den zoogenaamden stal, en wat daarachter en op zij lag, en van de opbrengst van het stuk--want rijke menschen, gek genoeg, betaalden dikwijls groote sommen voor zoo'n ding--zou mogelijk wel een nieuwe koe bekostigd kunnen worden.... Eerst dacht ze dat ze beetgenomen werd, het oude, veel geplaagde vrouwtje, een koe voor een portret van al dien ouden rommel daar, het was te wonderlijk!... maar ten slotte gaf ze zich toch aan de illusie, begon den schilder te vertrouwen, ging, in-eens toen, huilen van plezier.... Een koe..., een nieuwe koe!... Ze zou mijnheer dan nou maar vast bedanken....