De bruidstijd van Annie de Boogh

Chapter 16

Chapter 163,991 wordsPublic domain

Toen 't etenstijd werd gebeurde er ook iets geks, iets dat "nog nooit was vertoond," zei mama. Annie riep haar naar boven bij zich, vroeg koortsig rillende of ze voor ditmaal alleen op haar kamertje mocht blijven eten; ze had zoo'n vreeslijke hoofdpijn.... Mama was verbaasd, ze begreep het niet, zei ze; een ander zou er nu juist prijs op hebben gesteld den laatsten dag voor haar trouwen nog aan de familietafel te eten.... Maar enfin! ze wou 't haar natuurlijk niet weigeren vandaag!... Ze moest dan ook maar vroeg naar bed gaan, áls ze zoo'n hoofdpijn had, want morgen moest ze frisch zijn en flink, dat begreep ze zeker wel, geen kwalen, en geen zenuwachtigheid, de menschen lachten daar maar om.... Goed, zei Annie, ze zou dadelijk na 't eten naar bed gaan.... Ze zei dan haar moeder maar vast goeden nacht; ze gaf met haar bevende lippen een zoen op de droog-strakke wang, die haar toegedraaid werd....

't Was Neel dis haar 't eten bracht. "Je kunt de boel morgen-ochtend wel weg halen, hoor," zei Annie, "laat het van avond maar staan...."

"Goed juffrouw!... Is u niet wel, juffrouw?"

"Nee, ik heb erge hoofdpijn...."

Het meisje bleef nog even aan 't schalen verzetten, trok het tafelkleed recht, keek nog eens of er wel water was in de waschtafelkan en de kraf..., gluurde intusschen angstig naar Annie.... Wat zag die er uit in de laatste dagen!... Ze schrok er van, telkens als ze de juffrouw zag.... God! Zou 't toch 't rechte niet zijn!... Maar de juffrouw keek haar niet aan. Toen ging ze dralende weg, hoorde achter zich dadelijk den sleutel draaien in 't slot....

* * * * *

Annie dacht niet aan eten; 't was haar enkel te doen om alleen te zijn.... Ze had een soort van besluit genomen, heel plotseling, naar het haar toescheen, in één onvergeetlijk levensmoment van den hoogsten ernst, in heftige spanning van wil.... Maar ze dorst het nog haast in zich-zelve niet zeggen.... Denken moest ze, denken, lang en geregeld er over denken..., en dat kon ze maar niet.... Als ze haar gedachten wilde bepalen, gleden ze weg, als schimmen; ze kon ze niet vasthouden....

Het besluit was, dat ze het niet zou doen.... Het mócht niet, het kón niet.... Zooals ze 't nu zag, zooals ze 't nu vóór zich voelde, begreep ze hoe slecht het zou zijn.... Nooit vroeger had ze het zoo gevoeld, zoo geweten wat het eigenlijk was.... Kwam dat door Paul alleen?... Of ook doordat ze 't altijd nog zoo ver af had gezien, zich er nooit nog volledig in weg-gedacht had, doordat er altijd iets dadelijk-noodigs te doen was geweest, en nog zóóveel om aan te denken, zóóveel om voor te zorgen, voordat die trouwdag kwam.... Als ze 'r vroeger aan dacht, 't zich verbeeldde, 't getrouwd zijn met Louis, dan had ze wel altijd gevoeld--een armelijk gemis, een leegte onpeilbaar--dat het niet worden zou, zooals ze gehoopt had, gedroomd, in visioenen gezien, in zalige bevingen vóórgeproefd..., maar dan was ook weer altijd gestegen in haar, gegroeid, tot haar ziel er van vol was, die hooge vereering voor God-de-liefde, dat innig geloof aan die groote macht, de al-omvattende, onbaatzuchtige, opofferende liefde.... En dan had ze de kracht gevoeld.... Maar als ze nu die ideeën in zich oproepen wou, ze in zich noemde die hooge begrippen, wier namen alleen-al haar vroeger zoo dikwijls hadden gesterkt..., dan hoorde ze niets dan leege woorden, matte geluiden, zonder ziel en zonder bezieling.... net was weg ... Paul had het weggenomen.... Paul had alles veranderd in haar.... Zij voelde nu niets dan haar eigen verlangen, naar hém!... Dát gloeide, dat brandde, dat was het eenige werkelijke.... En ze huiverde telkens als ze aan morgen dacht.... Morgen! morgen! het was zoo ontzettend dichtbij, en o! zij gruwde ervan, zij had er een afschuw van ... neen, neen! het kon niet, het mocht niet; vast was ze besloten!... 't Zou een misdaad zijn aan haar zelve, en aan Louis....

Dat hij ook altijd zoo lief en haast al te gedienstig, zoo vriendlijk en zacht voor haar was geweest!... Behalve dan gisteren-avond. Want toen had hij hard en minachtend gesproken! Zoo kon hij dus toch ook zijn!... O! maar begrijpelijk was 't! wat had zij 'm ook allemaal niet gezegd!... Wat 'n vreeslijke dingen; hoe ruw en wreed was dat van haar geweest!... Hoe zou hij nu wel over haar denken! Het was afschuwelijk dat ze hem zoo'n verdriet moest doen.... Ja, dat was wel 't ergste, het allerergste.... En toch, als ze trouwden, zou ze hem bedriegen, ze wás hem niet trouw..., en zou hij toch ook ongelukkig worden ... Louis ongelukkig!... Ze kon zich niet voorstellen hoe dat zou zijn.... Maar 't moest toch wel.... En dat zou dan toch nog veel vreeslijker zijn....

De vrouw van Louis..., met hem alleen, met hem samen op een slaapkamer..., terwijl hij zich uitkleedde, en zij zich uit moest kleeden.... En dan zou hij naar haar toekomen met dien lach en dien blik, die ze al wel kende.... O! nu ze eenmaal besloten had dat ze 't niet doen zou, nu kon ze er haast niet aan denken meer, scheen het onmogelijk, grotesk, een afzichtlijke leugen.... Louis op haar kamer, een vreemde.... Want ja, een vreemde was hij voor haar nu, een bijna vijandige vreemde.... Als ze zoo aan hem dacht voelde ze 'n driftigen toorn tegen hem, zou ze hem kunnen slaan in 't lachend gelaat.... Waarom had ze 't toch vroeger nooit zoo gevoeld;... hoe bot, hoe stomp..., hoe laf en week..., nee, dát toch niet..., maar hoe vreemd abstrakt en onpersoonlijk, hoe weinig zich-zelf was ze altijd geweest, vóórdat Paul was gekomen.... Nú zag ze zich-zelf, nu leefde ze pas haar eigen leven.... Hij had haar ontdekt aan zich-zelf, Paul!... Paul!... Hoe had ze 't zich toch kunnen verbergen, dagen lang, dat ze hem lief had! Dat begreep ze maar niet. Want ál wat ze in zich had riep nu om hem, rilde van liefde, verlangen naar hem!... Aan zijn goed, groot lijf, zijn dof-donker mannelijf wou ze nu hangen, aan zijn schouders, aan zijn hals, hem zoenende, zoenende..., op z'n borst op z'n armen..., z'n lichtend gezicht, z'n oogen waar ál haar geluk in lag....

Vreemd was dit:--want ze was nu toch zoo ongelukkig, wanhopig, ze wist niet wat te beginnen--toch!..., als dat groote gevoel zoo in haar kwam zwellen, haar geheel doordringend, zoodat ze 'r zich van gedrenkt, haar borst, haar hoofd, haar keel, haar polsen, haar gansche lijf er zoo vol van voelde..., dan was 't haar als stond ze in een golvende zee van geluk, dan voelde ze 'n zalig omklemmenden waan van genot, een zoet-doovenden, drukkenden drang, een hijgend verlangen naar kussen van hem, een smachten naar willoos en machtloos zijn, in zijn armen.... Dan was ze vergeten ál het lijden van zooveel jaren....

O! Ze wist nu wel: ze had het dadelijk gevoeld, het opgolven van de verrukking, toen ze voor 't eerst hem zag.... Maar zoo lang ze hem bij zich wist, of hem verwachtte, telkens opnieuw, had ze een bedrieglijke emotie gehad, alsof het geluk er al was, alsof hij nooit weg zou gaan; het begon pas, ze had niet gedacht aan een einde.... Hij had dus heen moeten gaan om haar te doen voelen wat hij voor haar was geworden, dat ze hem niet meer missen kon, dat de gansche wereld droef-donker en leeg, het leven een lange, stom-treurige gang, en alles en iedereen leelijk en slecht was, zonder hem!...

Wat moest ze nu doen?... Ze wist niet of Paul van haar hield.... Ze hoopte ... ze geloofde!... maar ze wist niet.... Waarom was hij zoo plotsling weggegaan ... en toch nog even, ter sluiks, gekomen in de comedie!... Waardoor was hij dien avond van 't bal, zoo driftig, zoo hevig bewogen geweest..., en al vroeger eigenlijk ook, al dadelijk na de receptie.... Waarom? als 't niet was, dat hij van haar hield?... Tóch....

Ze wou 't nu morgen dadelijk zeggen. Aan Louis en haar ouders. Dat ze 't niet deed. Dat het niet kon. Aan Louis 't eerst. Ze zou hem alleen zien te spreken, 't hem uitleggen, zacht, zacht, en hem dan bidden, op haar knieën, haar te vergeven....

Dan aan haar ouders.... 't Gelukte Annie ook daar zich in te denken, 't zich voor te stellen.... Ze hoorde 't zich zeggen.... Maar toen schrok ze hevig, begon te beven, van 't hoofd tot de voeten, en hijgend te snikken.... Ze had gevoeld dat ze 't nooit durven zou....

Het was al laat in den avond geworden. Eerst, om zeven uur, zeker toen 't eten beneden was afgeloopen, had ze haar moeder aan hooren komen, de trap op.... Die had gepeuterd aan de deur, toen geklopt, gevraagd of ze sliep, ze had geen antwoord gegeven, zich stil gehouden. Toen was ze weer stommelend teruggegaan, mama....

Ze hadden haar verder met rust gelaten.

't Was laat nu; alles was stil in huis, het eenige geluid in de kamer waren haar zachte snikken.... O God! o God!... het zou nooit gaan! ze zou het niet uit durven spreken!... Line en Marietje zouden komen om haar te kleeden.... Dan Louis!... dan de familie, de rijtuigen, al de officieele deftige drukte.... Ze zou niet durven.... Onmogelijk!... haar borst zou dicht geschroefd zijn.... Ze zou zich mee laten nemen in 't ratelende rijtuig.... O God! o God! wat te doen....

Zij lag op 'r bed, overmeesterd van wanhoopsgedachten, machtloos er tegen.... Eén denkbeeld, duister, ijl en leeg, maar toch van een vreemd-zachte stilling, was telkens voorop in haar geest: het zwarte water, hier voor de deur.... Ook had ze in de kast nog een doos, bijna vol, van die poeders, haar toen door den dokter gegeven, voor hoofdpijn.... Maar één tegelijk nemen, 't is vergif, had de dokter gezegd.... Als ze die nu allemaal achter elkaar nam, zou ze dan dood zijn?...

Maar met een siddering herdacht ze dan weer haar heilig verfoeien, van kind af gevoed, haar afschuw van zelf-een-eind-aan-je-leven-maken..., en krimpend inéén tot een knielende houding, bad ze van God haar daartegen toch te beschermen.... En ook was er die verre gedachte van hoop--waar ze eerst nog geen redding in zag--dat Paul van haar hield, dat hij misschien ... in-ééns ... door een wonder....

Ze had nooit aan wonderen geloofd.... Maar nu bad ze er om, geloofde er aan.... Het was haar telkens alsof wat ze bad toch ergens gehoord werd, of er boven haar, boven het huis, boven de stad, een heilige schemer-sfeer stond, waar witte engelen onhoorbaar in zweefden. Die konden redden. Tweemaal keek ze in haar exaltatie naar 't kamerplafond, of 't niet werd weggenomen, door engelenhanden, als de steen van Jezus' graf, en zij verlost, en gevoerd door het groeiende licht naar hem, haar bruigom, Paul ... Paul!...

* * * * *

Diep in den nacht, in den plechtigen nacht.... Ruischende stilte.... Soms even, zwak in de verte, 't eenzaam huilend gefluit van een boot of een trein....

't Bleef hangen in haar mijmerend hoofd, dat nu rustiger werd, als aan wanhoop gewend....

En in-ééns: wát een gedachte was dat!... Zij schoot er van op, recht-op!... Vluchten ... vluchten ... morgen heel vroeg ... naar hem, naar Paul in Brabant....

Maar ze wist immers niet....

O! zou hij haar tóch niet beschermen, haar helpen....

Vluchten naar hem!...

Langen tijd was 't haar onmogelijk 't plan te overdenken,--hoe het te doen was--, zoo vol was ze van het idee alleen, zoo vol overstelpend gevoel, dorstend verlangen.... Bij hem zijn weer! uitsnikken tegen hem aan..., en dan misschien wel mogen blijven, stil, als z'n schaduw....

Maar eigenlijk begon ze 't idee te bemachtigen, kwam ze tot eenig gedachten-bepalen.

Een spoorboekje had ze niet.... O ja!.... tóch ... nog een oud van verleden-jaar-zomer; 't lag onder in 't kastje bij brieven en andere dingen, die verscheurd konden worden; ze had het nog pas in 'r handen gehad.... Ze ging het zoeken, sloop op haar teenen door 't angstogend om haar heen staand vertrek.... 't Gaslicht brandde nog altijd, gaf hittige warmte....

Daar had ze 't ... Brabant.... Waar was 't nu.... O! de kaart ... Eindhoven..., 't moest daar in de buurt zijn..., hij had het haar eens gewezen.... Maar op dit kaartje stond het niet.... Toch, Eindhoven, als ze daar maar was.... Nu in 't boekje zoeken.... Nummer negen.... Den vorigen zomer was er een trein om vijf uur dertig 's morgens.... Vijf uur dertig, spoortijd..., dat's tien minuten voor zessen.... Dan sliepen ze allemaal nóg, hier in huis.... Als die trein er maar weer was..., dat zou gaan....

Haar hart bonkte zoo hevig op, dat ze bang was dat het geluid gaf....

Het was nu twee uur. Om half zes zou ze op straat moeten zijn.... Slapen kon niet, natuurlijk, dan versliep ze zich.... Ze zou 't ook niet kunnen!... Haar wijd-open oogen staken, haar lippen brandden, haar voorhoofd klopte, gloeide, maar de doffe loomheid van slaap was niet in haar leden....

Nu geld!... Dat had ze!... Niet veel meer, ze had er Louis een cadeau van gekocht, maar toch wel genoeg.... Boven in 't kastje.... Ze nam het er uit, telde; 't waren guldens..., zes ... zeven ... o genoeg, gelukkig!... acht, negen.... De negende glipte uit haar angst-klamme vingers tegen een anderen aan, met even rinklend geluid.... Ze luisterde, ademloos.... Maar de stilte ruischte weer voort....

Toen lei ze de guldens uit op haar bed, en stopte ze één voor één in haar portemonnaie en die in haar zak.... Ze hield telkens den adem in, luisterend, want ze werd nu angstig, dat ze toch plotsling leven zou maken ... en er iemand zou komen....

Iets anders meenemen nog?... Nee, nee ... o! als ze maar weg was!... Nu brandde de grond, de minuten kropen....

* * * * *

Eén plicht had ze nog. 't Was moeilijk, maar 't moest! Een briefje aan Louis om uit te leggen, vergiffenis te vragen, gerust te stellen, hem en de anderen.

Ze schreef het met potlood in ongelijke, leelijke letters. Dat ze, gelukkig nog niet te laat, gevoeld had hem niet genoeg lief te hebben, en dat ze nu weg was, en misschien wel nooit terug komen zou, maar ze hoefden zich niet ongerust te maken, ze zou voor zich-zelve wel zorgen, en ze ging naar iemand die haar wel helpen zou. Dan kwam er nog: Beste Louis, Ik ben schuldig, ik heb je bedrogen, zal je me kunnen vergeven?... Ik heb werkelijk heel ernstig geloofd je gelukkig te kunnen maken.... 'k Zou het zoo heerlijk hebben gevonden, als ik maar genoeg van je had kunnen houden! 'k Heb er zoo mijn best voor gedaan!... 'k Heb je niet willens en wetens bedrogen. Dat zweer ik je. Annie.

Het briefje lei ze op 't glimmend witte, schoon-gebleven bord, naast het gerolde servet. Draaide toen 't gaslicht uit....

* * * * *

Nog drie trage uren waakte ze door, in de kamer-duisternis starend, zich haast in-'t-geheel-niet verroerend, zwaar-benauwd door angst die haar hevig hamerde in 't hoofd, telkens haar adem deed stokken. Als toch mama eens wakker lag.... Ze sliep zoo slecht, klaagde ze altijd....

Maar de stilte duurde, verzwolg den tijd.... En tusschen de plooien der overgordijnen kwam grijzig 't onzekere morgenlicht. De kamer geraakte in schimmige schemering....

De sleutel van de voordeur lag beneden in 't mandje, dat op het buffet stond.

Om kwart over vijven zette ze 'n hoed op, deed haar manteltje om. Ze beefde als van koorts, haar tanden rammelden tegen elkaar, ze kon 't niet beletten.... Langzaam, voorzichtig, draaide ze den sleutel om..., toch knarste die even.... Dan de deur open-doen..., weer even een piepend geluid.... Ze wachtte een paar minuten; 't was of ze haar hart hoorde kloppen, maar in huis niets dan een heesche kuch, die van achter, van 't meidenkamertje kwam....

Toen langzaam, stap voor stap, de gang in, de trap af..., die al stonden, leeg, in het kil-trillige ochtendgeschemer. Beneden aan de trap wachtte ze weer even. Ze kon niet meer denken, 't bloed drong haar fel naar de oogen en bonzende slapen. Ze haalde een paar maal diep adem, want 't was of ze stikken zou....

De grijzige schaduwen om haar heen schenen te beven....

Maar alles was stil.... Dan naar de eetkamer, vlug, om den sleutel te halen.

Maar toen ze dien had en weer haar de deur wou gaan, hoorde ze duidelijk een stap op de trap. Loodzwaar, als verlamd, stond ze stil, wachtte....

't Was iemand die ook heel zachtjes liep, ja, scheen te sluipen, evenals zij....

De deur kwam langzaam open.... "God!... Neeltje!..." "Och, juffrouw," zei 't bleeke meisje, angstig fluisterend,--ze was in haar nachtjapon, en op kousen, de gelige haren samengedraaid tot korte vlechtjes--"wat gaat u doen?... U gaat u toch niet.... Och God! ik ben zoo bang ... Ik heb er den heelen nacht niet van kunnen slapen.... U zag er zoo vreeselijk slecht uit, gisterenavond...."

"Sst, sst!... hou je stil!..." kwam Annie nu, snel, beslist. "Ik ga weg, Neel, ik vlucht.... Maar zeg het aan niemand!... Nou je toch op ben kun je me helpen.... Doe de voordeur achter me dicht, dan hoef ik die niet met een bons toe te trekken..., maar niet op 't nachtslot, hoor! want dan zouden ze begrijpen dat ik geholpen was...."

Neeltje dorst niet meer te vragen. Ze huiverde, trok zich de nachtjapon stijf om de beenen. Samen slopen ze toen de kamer weer uit, de vestibule door, recht naar de deur.... Annie deed er de ketting af. Die rammelde niet, gelukkig.... Toen 't slot en de knippen.... En langzaam draaide de deur naar binnen.... Ochtendlicht, kilte, vogel-getjielp....

"Och God! juffrouw, wees u toch voorzichtig!..."

"Ja!...Dank je!... Dag Neel!..."

Ze stond op straat. Ze wou dadelijk hard gaan loopen, maar ze kon niet. Haar beenen waren zwaar en stijf, als in een droom. Ze vorderde maar langzaam. Het weinige morgenlicht was hard-nuchter, de stille, vreemd-leege stad had iets onheilspellends. Bijna wanhoopte Annie weer....

Maar ze kwam bijtijds aan het Beursstation, en ja, die trein bestond nog, ging iets vroeger, stond juist boven....

Dat plotseling slagen was haar bijna te machtig.... Ze voelde zich een oogenblik licht in 't hoofd, duizelig, wankelig.... Maar de man aan 't loket zei: "U mag je wel haasten!..."

Toen liep ze werktuiglijk door, gejaagd,... naar boven, de wachtzaal door, het perron op. Leegte, stilte overal. Een conducteur deed snel een portier open, zei: "Morgen, juffrouw!... kalm maar ... bedaard aan ... zóó ... mag 'k uw kaartje?..."

Ze zat alleen in den wagon, bevende, huiverig. En de geluiden van die stemmen, van den conducteur en den man aan 't loket, spookten nog na in haar hoofd, met onwerklijken klank, toen de trein met langzaam gestamp al begonnen was te bewegen....

* * * * *

En Annie was Dordt al voorbijgespoord, was al in Brabant, toen er ontwaken kwam in de stad, in de straten van Rotterdam. Eerst waren 't alleen nog de donkere groepen van bootwerkers, sjouwers en sleepers en allerlei andere werklui, die met hun moe-zwaren stap en hun stemmen als stormgeloei de stilte kwamen verstoren; maar de bakkers, de karren met klappende deksels, de melkboeren met hun goedmoedig geroep, de vuilnismannen en krantenbezorgers volgden al gauw, en daarop kwamen de zware wagens, begon het gedaver, het rammelen en dreunen, het straat-geschreeuw en 't schelle gebel van de trammen. De kantoormenschen liepen haastig aan, heeren en knechts met hun vierkante pakjes in krantenpapier of in zakjes, de schoolkinderen en de onderwijzers, de juffies die naar hun betrekking gingen. En na negenen kwamen de dienstmeiden buiten om kleeden te kloppen. Toen was 't weer de gewone, roezige drukte, het ratelend geraas van gisteren en van verleden week en verleden jaar, het altijd terugkeerend zwaar zwoegend straten-leven der rustlooze zaken-stad.... De veel-oogige huizen stonden het aan te zien....

Maar van het ontwaken, binnen, in de half-lichte kamers en trappen en gangen, daar wist de straat niet van....

Toen klonk het daar op den Mauritsweg bijna naar buiten, de hevige ontsteltenis, 't in jachtende verlegenheid heen-en-weer geloop, het luide geroep, 't gegooi met de deuren, de vloeken, het hard-op gehuil en gelarmoyeer.... Ze zonden om Holman, den bruigom, die aan kwam draven, hijgend, bezweet, toch altijd correct in de kleeren. Men maakte hem standjes, scherpe verwijten met nijdige stemmen, wanhoopsgebaren; De Boogh en zijn vrouw waren door 't woedende heen, konden al gauw niet meer spreken van heeschheid, benauwdheid. Louis, schijnbaar bedaard, scherp-raak in zijn antwoorden, de vormen ontziend, was toch te verbaasd, te ontsteld en verward om tot eenigen maatregel over te gaan.... Men wou maar dat hij er meer van zou weten, men eischte maar aldoor dat hij 't zou verklaren. Of hij al herhaalde, tallooze malen, dat hij niets wist, niets begreep, het briefje liet lezen.... Men hoorde niet, men geloofde hem niet.... Zoo ging de morgen voorbij in doelloos gehol en getwist.... De familie kwam, dames in ruischende zijden japonnen, gerokte getuigen.... Mevrouw verkoos zich niet meer te vertoonen.... Marietje lag huilend van spijt op haar bed, Jan ging telegrafeeren aan menschen buiten de stad, waar zij heen kon gegaan zijn.... Aan Paul dacht niemand, geen oogenblik....

Willem, de student--beleefd glimlachend, wenkbrauw optrekkend--deed al wat hij kon om tegenover de ontstelde familie een draai te geven aan 't gekke geval; hij verzon allerlei mogelijkheden, maar de oude De Boogh bedierf dat dan weer door zijn jammerend cholerisch geschreeuw, zijn malle excuses. Purper van opwinding liep hij maar rond van den een naar den ander, telkens weer opmerkingen hoorend die 'm nog kwaadaardiger maakten; toch dorst hij er niets van te zeggen..., hij stikte soms haast in een hevige hoestbui, hij moest met zijn armen maaien om lucht te krijgen; ten slotte bemoeide zich iedereen met hem, om hem te kalmeeren, bevreesd voor beroerte....

Louis zei ten slotte niet veel meer, deed koel-uit-de-hoogte, zag bleek met klam zweet op z'n voorhoofd. Het lukte zijn moeder met smeeken en zuchten eindlijk hem mee te troonen naar huis, maar daar sloeg hij dadelijk aan 't razen en tieren, smeet met de meubels, vloekte, schold op Annie, haar ouders, haar heele familie.... Z'n moeder, nu gansch en al suf van verslagenheid, stil huilende, liet hem begaan....

Maar de stad roesde voort, onverschillig; de handelsdrukte, waar zij van leven moest, gonsde maar door als een reuzenmachine. De orgels deunden, de straatjongens floten. Het was bloemenmarktdag, een kermisachtige drukte achter 't museum....

En 's middags galmde het Beurslawaai weer langs het steen van de muren, scherp resonneerend. Men kocht en men verkocht, z'n koffie, z'n granen, besprak z'n bevrachtingen, schreeuwde de prijzen uit van z'n effekten....

Tóch, onder al dat droog-ernstig, geld-rammelend zaken-doen door, ging er dat aardige praatje van mond tot mond, verspreidde zich snel de bekendheid van dat mal-leuke gevalletje.... Men zocht --ondoordacht--naar Holman, De Boogh.... zij waren er niet.... Van de Beurs ging 't verhaaltje de Blaak langs en zóó door de stad.... Men glimlachte.... Sommigen gierden het uit.... Ouden en wijzen ergerden zich en schudden het hoofd....

En 's avonds in de koffiehuizen en societeiten, in de comedie en op de soireetjes wist ieder er van, en had 't er over. In langen tijd was er dan ook niet zoo iets extra-pikants gebeurd in de stad.... Een getrouwde vrouw, dat gebeurde wel meer, maar een bruid, een bruid op den loop, één dag voor haar trouwen!... En met wien, dat wist nog geen mensch, dat vroegen ze elkaar allemaal....

XIII.

Bruin, rossig-vaal-bruin, naar het oosten zoover als het oog reikt, met hier en daar wat dof-groens van eenzame sparreboompjes en een rooden gloed tegen de heuvlende grondbobbels aan, lag de wijde heide, de groote, eenzame hei van het zuidelijke Brabant, onder de dampen die 't zonlicht zeefden, vaal-donkerbruin in den tintel-zilveren dag, bijna zwart zelfs den kant uit van de zon. Om 't noorden en westen, in strak-rechte lijnen, een ruige zelfkant van dennenbosch, duizendpootig, en in 't zuiden, tusschen de hei die in mistige verten verdween en donkeren boschrand, de torenspits met het zwarte kruisje, de daken der lage huizen en hutten, de ruggen der beesten, het armelijk beetje bebouwde grond.