De bruidstijd van Annie de Boogh
Chapter 15
Suf en willoos, haast aldoor zwijgende, liet ze zich naar de comedie brengen. Ze reden er heen--ofschoon 't dicht bij was--werden al gewacht in den foyer, door 't feestlijk gedoste gezelschap. Ze merkten 't gelukkig niet op, al die menschen, hoe stil en gedrukt ze er bijstond..., ze hadden weer ieder z'n eigen gedachten, stemming en plannen.... Alleen Louis..., hem viel het weer tegen.... Zou iedere maagdelijke bruid zoo schuchter, zoo saai, zoo bangelijk doen?... Enfin! het duurde niet lang meer!... Hij bleef zacht, galant en voorkomend met haar, sprak over het stuk, vertelde anecdotes over de acteurs om haar aangenaam bezig te houden; totdat ze de zaal ingingen, en 't stuk begon....
Toen zweeg hij, zwegen ze allemaal, kon ze eindlijk weer gaan probeeren door aandacht-naar-binnen-gewend tot klaarheid en kalmte te komen. Ze hield zich alsof ze oplettend keek naar het lichte tooneel, waar menschen bewogen in kleurige kleeren uit vroegere tijden--meer wist ze er niet van....
De schouwburg was vol,--maar zij hield nog dat vreemde gevoel alsof ze alleen was, geheel verlaten.... Leegte, niets dan leegte, gemis, een ijle duistere ruimte rondom. Gansch Rotterdam zoo stil ... dood ... uitgestorven.... Omdat Paul er niet meer was. Ze merkte nu hoe hij die heele week de stad voor haar had gevuld..., al 't andere verdrongen....
Hij is vertrokken. Paul is weer naar huis gegaan, naar zijn eigen tehuis in Brabant, fluisterde ze telkens onhoorbaar voor zich heen, om 't precies te gaan voelen zooals 't immers was, een eenvoudige gebeurtenis, die alles verder onveranderd liet..., maar het ontsnapte haar telkens weer, ze voelde dat ze 't in haar innerlijkst wezen nog niet kon gelooven, ofschoon er geen enkele reden kon zijn om te twijfelen.... Ze ging dan weer zitten denken aan hem. Ze trachtte zich al de oogenblikken van z'n bij-haar-zijn te herinneren, en dan zei ze zich weer: dat is nu uit; het is weer als vroeger, vóórdat hij kwam.... Maar 't scheen of het met in haar door kon dringen....
Het gaf haar, ofschoon ze er zich niet geheel van bewust was, toch rust dat niemand zich met haar bemoeide, dat die voorstelling daar hen allen zoo bezig hield, terwijl zij kon denken aan Paul. 't Was maar half bewust dat gevoel, zooals haar heele in-de-comedie-zitten ál minder was in haar weten, want meer en meer gaf ze zich over aan samen-met-Paul-zijn, in haar verbeelding, in herinnerings-droomen vol schijn van genot.... En ze wist zelve haast niet, dat ze afgeleid was door dat roepen daar boven van "zitten, zitten!" en 't gedachten-vol hoofd wat had opgelicht..., toen eensklaps die schrik, in één schuddende huivering ál haar droomen verdreef.... Daar stond hij!... daar boven!... hij keek haar aan!... Paul, Paul!... Na 't eerste herkenningsmoment een twijfeling: was hij 't wel? kwam 't niet door 't aldoor denken aan hem, dat ze nu meende hem voor zich te zien.... En scherper, vaster, met adem-inhoudende, oplettendheid keek ze.... Hij was 't! Hij was 't!... Nu ging hij in-eens, schichtig, terug ... en was verdwenen.... Ze bleef nog een paar minuten kijken naar de plek waar ze hem had gezien....
Totdat Louis iets tegen haar zei ... en ze antwoord gaf, met langzame zinnetjes, moeilijk gekozen woorden. Ze hoorde ze zelf, maar 't was haar toch of zij ze niet sprak, maar iemand daar op het tooneel.... En waarom zei ze nu niet aan Louis, dat zij Paul daar gezien had?... Hoe wist ze zoo dadelijk, dat dit een geheim was, dat Paul was gekomen om haar te zien, maar door niemand anders gezien te worden?...
Haar denken werd nu veel koortsiger; 't benauwde en jaagde haar, zoodat ze zich tegelijk zwaar-loomig-vermoeid en erg ongedurig voelde, met een sterke neiging tot opstaan, ook naar daarboven te gaan, te loopen door den schouwburg, te zoeken naar Paul....
Hij was dus niet weg.... Hij was hier, hier in de comedie.... En Louis wist dat niet.... Louis dacht dat hij werkelijk was weggegaan. Dat had ze wel aan hem gemerkt.... Dus had Paul van hem afscheid genomen, gezegd dat hij wegging ... en was hij stil in de stad gebleven.... Waarom?... Warm blozen voelde ze zich ... en een ontroering vol heerlijkheid, toen ze zich-zelf daar 't antwoord op gaf: "Om mij ... Om mij...." Die klank was muziek in haar hoofd.... Het was als 't verrassend-melodieuze begin van een lied-vol-vreugde, voor 't éérst gehoord....
* * * * *
Het werd haar onmogelijk nu zich ook maar eenigszins rekenschap te geven van al de gedachten en gevoelens, die plotsling druk woelend bevolkten haar overvol hoofd, haar zwellend gemoed. Ze voelde zich of ze op-eens was veranderd, herkende zich niet.... Een nieuw leven, o! een glanzend rijk, vol-warm in haar opgolvend leven had het vale oude, het zware en zorglijke plotsling verdrongen.... Ze was een schuchter, lief, bedeesd kind geweest..., nu was ze een bloeiende jonge vrouw!... O! 't kon geen werklijkheid zijn, 't was een droom, een betoovring, een roes..., ze wist wel.... Maar toch, ze zag alles, de menschen en de dingen in zoo'n scherp-helder licht; ze was zich zoo meester; haar woorden, haar stem had ze zoo in bedwang, ze kon zich een houding geven en plannen bedenken met zoo'n vér-ziende bedachtzaamheid, dat het toch wèl een heel bizondere roes moest zijn.... Dadelijk toen 't scherm na 't eerste bedrijf was gezakt begon ze te praten, Louis te vragen naar alles van Pauls vertrek, zoo luchtigjes-weg, als was 't haar te doen om wat amusement met het gekke geval..., ze liet het hem alles precies vertellen, hoe 't was gegaan, welken trein Paul genomen had, hoe laat hij dan thuis kon zijn, dat hij wat eten zou aan het station ..., en ze genoot van 't idee, dat ze 't zelf zoo veel beter wist, maar deed of ze 't kalm accepteerde, het enkel wat mal vond en vreemd.... Ze speelde gewoon-weg comedie; ze verbaasde zich over zich-zelf, maar schaamde zich niet; ze moest dat geheim toch bewaren, dat heerlijk en hevig-geweten geheim.... Toen de voorstelling weer was begonnen lette ze 'r nu en dan ook wat op om den draad niet te verliezen, want ze wou er straks over mee kunnen praten. Ze moest vooral heel gewoon doen, vroolijk en net als de anderen, dat niemand iets merken kon.... Maar intusschen zat ze zich telkens wild-fantastische verhalen te doen, zich te verbeelden allerlei erge en vreemde dingen, die konden gebeuren met haar en Paul.... Dat hij haar schaken kwam, met een masker voor en een geladen pistool in de hand..., dat er brand kwam, iedereen vluchtte, en hij haar kwam redden, haar opnam, in zijn armen, en tegen zich aan.... Zij zwierf met hem door woeste streken, zij vluchtte met hem over verre zeeën..., allerlei hoogromantische avonturen wist ze zich te bedenken.... En zij genoot er van, haar wangen en slapen gloeiden....
Telkens keek ze weer op, naar die plek waar hij had gestaan..., maar hij kwam niet terug....
In de pauzen praatte ze druk, lachte een paar maal luid-uit, als in opgewonden plezier. Louis had er pret in; zoo zag hij haar graag, zoo moest ze nu altijd zijn, dacht hij ... en zoo zou 't ook wel worden!... Ja! hij wist het toch maar, hij had den slag beet om zoo'n meisje te boeien!...
Maar 't hinderde hem weer tot ergernis toe dat ze niet met hem in een afzonderlijk rijtuig naar huis wou rijden, wat mogelijk geweest zou zijn, daar papa en Willem nog met andere heeren naar de societeit gingen.... Wat was dat nu? Werd ze coquet?... Enfin! nog een paar dagen..., nog een paar nachten maar....
* * * * *
Dadelijk toen Annie op haar kamertje kwam, deed ze, met haastig bewegen, de deur achter zich dicht, en op slot. Ze was blij dat ze eindelijk alleen was, alleen op haar eigen vloer, tusschen haar eigen muren en meubelen. Die mochten 't wel weten..., wisten 't ook al..., ze stonden alle naar haar te kijken, zwijgend gemeenzaam, als waren ze erg benieuwd wat ze nu zou gaan doen.
Vlug ging ze recht naar haar waschtafeltje, waarboven de grootste spiegel hing, en staarde zich aan met een gretigheid als had ze zich-zelve nooit nog zoo gezien. Haar blikken omgleden haar hoofd en haar hals, haar schouders en buste kritisch-opmerkzaam, bijna bewonderend.... Dat was zij nu.... Zóó was zij nu.... Zij ... Annie de Boogh, 't meisje om wie Paul Holman heimelijk in de stad was gebleven en naar den schouwburg gekomen.... Om haar te zien!... Wat stond hij daar voorover geleund in scherp-aandachtig turen.... 't Was of ze zijn blik had gevoeld, daardoor opgekeken.... O! en daarom riepen de menschen van zitten!... Hij benam hun daar 't gezicht op 't tooneel.... Zij begreep het nu pas heelemaal....
Ze bleef voor den spiegel staan soezen, maar keek er niet meer zoo strak in.... Wiegelend op één been, en met een glimlach, stond ze weer te overdenken die dagen sinds Zaterdag.... Al zijn blikken en houdingen, Zondag op de receptie, Dinsdag-middag..., en Donderdag-avond..., en zijn woorden, den klank van zijn stem, die opwinding gisteren, 't was of ze nu alles begreep, ofschoon ze nog bijna niet dorst....
Ze nam nu ook haar handspiegel op, hield zich dien achter het hoofd, en links, en rechts, bekeek zich 't profiel, bracht haar hoofd en haar lijf in verschillende standen. Toen maakte ze zich de haren los, liet ze golven en kroezen over haar schouders en rug, schudde ze, speelde er mee.... En ze bleef weer éven droomerig stilstaan, zich aldoor bekijkend met vollen blik..., en liet langzaam de hand met den spiegel zakken, neer langs haar lijf!... "Mooi!... Ik ben mooi!... Ik geloof dat ik mooi ben!" fluisterde ze toen heel zacht en verrukt voor zich heen, keek schichtig om naar de deur, als was ze toch bang dat iemand het had kunnen hooren....
Maar ze was alleen. Alleen met haar rijkdom van nieuwe gedachten, haar gloeiend nieuw leven..., en met de stille dingen rondom. Haar kastje, haar stoelen, haar bed, goeie kameraden van het vroegere.... De tafel lag vol met toiletgerei, over de stoelen hingen haar kleeren; ze had zich zoo vaak en zoo haastig moeten verkleeden de laatste dagen....
Een witte ruche, die daar ook lag, nam ze op; ze wist wel die stond haar zoo goed; ze ging er mee naar den spiegel.... Maar in-eens bleef ze stil staan..., luisterde aandachtig.... Buiten ging iemand voorbij, een mannestap, zwaar in de nachtlijke stilte.... Hoorde ze een kuch?... Ze ging snel naar 't raam, schoof 't open, stak in 't dun-luchtige buiten haar gloeiende hoofd met de donkere haren, golvend neer langs wangen en ooren met kittelend gekroes.... Een mannefiguur liep een eindje verder al ... keek ook niet op.... Neen! Hij was het niet. En ze sloot het raam weer, met een licht gevoel van teleurgesteld zijn.... Ze rilde even en sloeg zich de armen om 't lijf; er was nachtkilte binnen gekomen.... Ze ging zitten, was plotsling ernstig en ietwat beklemd.... Die ijle kilte en duistere leegte daar buiten!... Het was haar in-eens alsof er iets dreigde, iets donkers en zwaars.... Zelf kuchte ze een paar maal, en huiverde opnieuw van halve ontnuchtering, en vage vrees.... Waar dacht ze ook weer aan?... O ja!... Paul, natuurlijk Paul!... Maar ze ging immers trouwen met Louis, z'n broer, aanstaanden Dinsdag al..., over vier dagen.... God! God!... al over vier dagen.... Ze schrok er plotsling van.... Een angstgevoel bonsde dof op in haar keel.... Dan geen gedachten aan Paul meer!... Over vier dagen.... vier dagen ... vier dagen....
Maar ze ging toen nog even, die ruche om haar hals, voor 't heldere, geslepene spiegel-glas staan.... En daar golfde 't weer op, het nieuwe, wijde, gloed-volle leven; de angst vaagde weg; ze liep door het stille vierkante vertrekje met een veerenden tred, waar ze vreugde in voelde..., alleen ze bleef zich nu vaag bewust dat die vreugde verboden was....
Nu stond ze bij 't gaslicht, hield zich den handspiegel vlak voor 't gelaat, zóó dicht dat ze 't glas bijna raakte, de koelte er van voelde, terwijl het besloeg door haar adem. Wat zijn oogen toch prachtig, mijmerde ze, wat 'n mooie, groote, levende dingen, zoo diep-glanzend, zoo onbegrijpelijk.... Maar die andere, de zijne, waren veel mooier nog.... Daar was álles in, meer dan je wist dat bestond... o! de oneindigheid ... de gelukzaligheid....
Langzaam, dralend, begon ze zich eindelijk uit te kleeden..., soms even huiverend....
Maar telkens hield ze op, bracht haar oogen op nieuw tot zoo vlak bij dien spiegel, en dan week de benauwende dreiging der werklijkheid weer, was ze dadelijk bij hem, bij het wijde en hooge, het mooie en mysterieuze....
Waar zou hij nu zijn?... Als ze daaraan dacht, luisterde ze onwillekeurig.... Maar er ging enkel nog nu en dan zoo'n eenzame mannestap snel voorbij.... Als hij nu toch eens werkelijk weg was ... met een lateren trein..., nu al ver weg, in Brabant misschien....
Ze geloofde 't niet. Morgen zou ze hem weer wel zien....
Maar morgen kwam, en ze zag hem niet. Er werd telkens gescheld, maar hij was het nooit. 's Middags ging ze uit, zocht ze een paar uur lang op straat--in de winkelstraten, in 't park--maar hij was er niet. Louis kwam 's avonds weer, sprak niet over hem. Hij was er niet meer, hij was nu weg, voor goed weg....
En dat nieuwe leven..., waar was 't nu?... die gloed, die kracht van gisteren-avond?... Was 't dan toch enkel een tijdelijke roes geweest, een koortsige opgewondenheid?... Neen, neen!... soms was het er weer, in-eens, een vlaag, maar ... vreemd! de vreugd was er af, het was bijna een pijn nu, als de na-schrijning van een te fel genot, dat slecht is geweest....
Er was weer ruzie in huis dien Zaterdag, den ganschen drukken, rumoerigen dag. Telkens zoo'n dreunende slag van een deur, en schettering van schelle stemmen door de kamers, en over de gangen en trappen, waar de hakken hamerden het harde hout,--op Zaterdag lagen er geen loopers. Veel gebel aan de voordeur, allerlei kooplui en menschen met kwitanties; de meiden boos en gejaagd. Aan de koffie sloeg de oude de Boogh in woede een bord kapot, waar Marietje nerveus om lachte. Hij gaf haar een klap om de ooren. En zij huilen; mama er toen fel tegen in, lamenteeren en hatelijkheden zeggen.... Willem liep er uit, bleef weg dien dag, dineerde bij Stroomberg.
Maar Annie deed niets, zei niets. Zwijgend, apathisch zat ze er bij. De anderen keken wel telkens naar haar; maar, met zekeren schroom,--eindelijk wat eerbied misschien voor de sfeer harer bruidsgedachten--vermeden ze haar in 't 'krakeel te betrekken, trachtte ook niemand haar bijval te winnen. Ze voelde het wel. Maar vroeger zou dat haar dankbaar en zacht, tot sussend bedaren hebben gestemd. Nu niet....
Het kon haar niet schelen. Het was wel heel erg, maar zij had iets ergers. Paul was weg; was weg voor altijd. En zij had hem lief. Niemand dan hem!...
En als een gevaar, dat niet was te keeren, als iets ontzettends dat zij alleen wist, die er niets tegen kon, dreigde nu, dichter en dringender iedre minuut, die gebeurtenis, rauw, noodzakelijk, noodlottig, dat feit in de onmiddellijke toekomst; en die dag, het harde licht van dien dag kwam daverend aan, met woesten drang en meedoogenloos lachen, de dag van haar trouwen met Paul z'n broer, dien Louis, van wien ze--als ze ooit al van hem gehouden had--nu bijna afkeer gevoelde....
O! Ze had nooit geweten, dat het zoo vreeslijk kon zijn....
Ze had het tot nog toe altijd maar in de verte gezien,--en dan wel vaak als iets zwaars en duistere, nog onbegrepens en vagelijk angstigs--maar nu was 't vlak bij en zag ze 't in-eens als een monster, afzichtelijk, enorm ... dierlijk, dierlijk ... wreed en geweldig ... en zij was zoo zwak, zoo klein, zoo alleen.... Wat moest zij beginnen?!...
In 't weg-wazende middaglicht was het vooral dat ze 't voelde met trillenden angst.... Iets ontzaglijks!... De schaduw lag over haar.....
's Avonds bij 't rossige schijnsel, dat binnenskamers alles vermooide, de muren sloot en nabij-bracht, toen Louis kwam, de ruzies verstomden, de stilte in het huis stond, toen ze zag dat het toch enkel Louis maar zou zjjn, dien ze zoo goed kende, haar ouden, aanhankelijk-en-lief-doenden jongen, toen werd het wel minder schrikwekkend en ruw.... Maar lang, lang, en altijd eender, onafzienbaar ... dor en troostloos.
En toen hij weg was begon 't weer te groeien met hevige schokken van schrik.... Zonder liefde zich geven ... zij ... o! zij!... aan een vreemden man.... Hem moeten toestaan....
Telkens schrikte ze wakker dien nacht, éénmaal zelfs met een schrillen gil, die lang nog naklonk in 't nachtlijk-stille. Ze sliep haast niet. Ook keerde haar angst-voor-duister terug, verbeeldde ze zich herhaaldelijk stappen en stemmen te hooren, figuren te zien, die slopen en kropen.... En ze herkende weer vele gedachten, vele gezichten en sentimenten van uit dien zwaren, donkeren tijd, de vorige najaars- en wintermaanden....
Lang lag ze droogoogig te staren, dorst ze niet huilen, uit angst voor geluid....
Zondags was er een diner bij een van de ooms. Annie was stil en abstract, zag er slecht uit, vermoeid. Het was opvallend; het drukte op de partij, de gasten spraken er over, onder elkaar, op gedempten toon, maar zóó dat Louis het moest merken.... Toen voor 't eerst maakte hij zijn bruid, terwijl hij haar thuis bracht, kregel-korte verwijten daarover: Wat moesten de menschen toch wel denken!
En dadelijk toen hij er over begonnen was, op dien toon, dien ze niet van hem kende, en die haar prikkelde, haar beleedigde, voelde Annie, dat nu net moment was, dat ze 't zou zeggen, het gedurig verborgene, 't zoo moeizaam en lang onderdrukte;... ze voelde 't met angstigen schrik, want ze dacht het zoo diep en zoo veilig begraven, ja bijna verstikt in haar binnenst; voor hem had het altijd geheim moeten blijven!... Maar 't wilde er nu uit; onbedwingbaar drong het haar naar de lippen, ze zei het ondanks zich zelve, in wilde schokken van telkens enkele woorden: 't Kon haar wat schelen, wat of ze dachten!... Wat was 't voor die menschen! niks! niks! die vonden 't wel aardig, wel interessant!... Maar voor haar!... Voor haar was 't verschriklijk.... En voor hem ook, voor hem ook!... Maar 't was nu eenmaal zoo!... Ze kon het niet helpen!... Ze zag er zoo tegen op!... tegen Dinsdag ... o God! vreeslijk zag ze er tegen op!... Omdat ... omdat ze niet wist.... Omdat ze niet dacht.... O God! o God!... dat ze genoeg van hem hield.... Ze had altijd gehoopt ... en zoo stellig verwacht, dat het wel zou veranderen.... En 't moest ook, het moest, het moest!... Want anders zou 't al te gruwelijk zijn!... Maar 't was nu nog net als dien dag, toen hij haar had gevraagd en zij 't eigenlijk wel had gevoeld, al dadelijk, dat het niet heelemaal goed was ... maar had gehoopt, had gehoopt.... Want dan zou 't immers zoo mooi geweest zijn, zoo heerlijk, zoo.... O! ze wist niet hoe 't kwam! Hij was altijd zoo lief en zoo goed voor haar.... Maar hij was--ze zou 't hem alles maar zeggen nu--hij was ook eigenlijk nooit 'is natuurlijk, nooit zich zelf heelemaal, nooit wáár.... Altijd gedwongen, gemaakt ... en dan zoo bedáárd...? zoo vrééslijk bedaard!... Ze geloofde dat hij, als een diplomaat, vooruit z'n woorden woog, z'n zinnen klaar maakte ... en dat hij eigenlijk altijd dacht aan z'n stem, z'n manieren, z'n houding.... O! ze wist wel, 't was gemeen van haar hem dat alles te zeggen ... maar 't moest er nu uit, ze kon het niet langer verkroppen.... Ze zou 't zoo heerlijk hebben gevonden ... als ze van hem had kunnen houden, als van ... als van ... als van iemand, die boven haar stond..., die haar heelemaal vervulde van bewondering, van....
Maar kort, met een scherpe, krakende stem, viel hij haar in de rede.... Hij zei niet veel, maar 't had een kouden, ironischen klank, het had iets van een hoonend bevel.... Hij zou maar aannemen, dat ze wat erg nerveus was, ze moest thuis maar wat Hoffmann nemen, in een glas koud water.... Hij sprak net tegen haar zooals--ze had 't eens, met verbazing, gehoord--tegen een van zijn jonge bedienden, dien hij met minachting placht te behandelen....
Louis was zeer geërgerd, gehinderd, meer niet.... Zij voelde wel, 't gaf toch allemaal niets met hem, hij deed nooit moeite haar te begrijpen.... Ze zweeg maar, liep schokkend te snikken.... Even later waren ze thuis....
* * * * *
Toen hij alleen was sloeg Louis een paar maal met driftige kracht zijn dun-gerolde parapluie tegen 't straat-plaveisel; de taats vloog er af.... Die kuren moest ze nu niet gaan beginnen, dat was vervelend!... Als 't zoo moest gaan....
Maar hij haalde er al gauw z'n schouders over op, ging voor een verzetje nog even in 't Zuid aan; daar zaten wat kennissen. Hij dronk een paar sterke grokken, speelde ook nog een partijtje biljart....
Maar Annie liet zich, zóó als ze was, op haar bed neervallen, om te huilen ... om uit te huilen ... het hoofd in haar kussen.... Zoo lag ze daar, uren, en vond ze zich-zelf in den killen morgen, met huivring ontwakend.... Had ze geslapen?... O! slapen was goed; gauw weer terug in den slaap!... En ze deed alleen haar japon en corset uit, en 't haar los, ging toen weer in bed en sliep een zoet-verdoovenden slaap tot Neeltje op de deur kwam kloppen.... Negen uur! Werktuiglijk stond ze toen op, doodmoe en suf in haar hoofd....
Dit was dus Maandag, de laatste dag....
Zij moest haar koffer pakken voor de reis.
's Morgens maakte mama haar een standje om haar bespotlijke, aanstellerige, stil-zijn van gisteren, ál maar om interessant te schijnen.... Maar dat was niets; zij hoorde het amper, gaf heelemaal geen antwoord, des te gauwer was 't uit....
Hoe vreemd, die dag!.... Zij was toch wakker, zij droomde niet meer, hoorde geluiden, zag menschen en dingen. Toch wist ze niet wat ze deed, wat ze zei. Ze gaf antwoorden, die op de vragen niet sloegen, sprak onzin, zag dat haar huisgenooten elkaar er bij aankeken en er om lachten.... Tegen den middag nam mama haar apart--de ergernis scheen wat op zij gezet nu, want de toon was goedmoedig-beschermend.--Ze zei, dat ze 't wel had gezien, dat Annie, gehuild had...; ze moest zich toch heusch zoo van streek niet maken, ze moest zich daar toch tegen in zetten!... Ze begreep wel, mama, wat het was, waar Annie zoo erg tegen op zag. Maar, och!--mama deed haar best ondeugend te kijken--ze moest maar niet bang zijn!... het was zoo verschriklijk niet als ze wel dacht, en 't hoorde nu eenmaal zoo bij het getrouwde leven, niet waar?... "Wat bedoelt u?... o!... ja!... ja!... dat's goed," zei Annie verstrooid....
Ze pakte dien koffer al veel te vroeg en zwoegde er zelf toen mee naar beneden, de trappen af, tot in het portaal. Juist kwam haar vader thuis: "Maar mijn God, kind, wat is dat nou voor nonsens, ben je nou zelf met dien koffer aan 't sjouwen, dat's nou toch gekkenwerk! Dat kunnen de meiden toch doen!... En dat ding kan toch hier niet blijven staan tot morgenmiddag!"
Toen was het haar in-eens alsof ze ontwaakte; uitbarstend in snikken liep ze als een gejaagde de trappen weer op, naar haar kamer, viel daar weer neer op haar bed....
De oude De Boogh trok zijn wenkbrauwen op, glimlachte minachtend, bromde nog door van nonsens en gekkenwerk, en die zenuwen tegenwoordig. Hij vertelde het geval aan Willem en Marietje, die er een dolle pret in hadden, vooral 't jonge meisje; die schaterde 't uit! "Die malle Annie! ze is heelemaal d'r hoofd er bij kwijt!" gilde ze....