De bruidstijd van Annie de Boogh
Chapter 14
Toen: het Begin..., de tijd van zijn zelfontdekkingen ... en daarop die jaren van altijd zoeken, werken dag en nacht, gansch verdiept daarin leven en opgaan ... en toen wèg, zwerven, en werken op reis.... Maar nu en dan een groot verlangen-naar-huis, wel gauw bevredigd, maar telkens terug....
Zoo nu ook weer..., verleden week..., die warme blijdschap, dat hij hen beiden weer eens zien zou....
Zou dat nu voortaan wèg, zou hij nu voor goed alleen zijn!... En die goede menschen in Brabant dan, en zijn vele vrinden, zijn kunst-kameraden?... Hun milde figuren, ze stonden alle voor hem, hij hield van ze, allemaal....
Maar ... o! het was toch zoo héél iets anders!... Wat was er aan hen van zijn jeugd? Wat wisten ze mee van wat hij wist, van vaders dood en het leed van de latere jaren?... Dat wat er was in de oude gezichten, in het zien zitten en zien, bewegen van mama ... en van Louis ... dat was: nergens anders....
Maar Louis was nu zoo veranderd.... Of lag dat alleen aan hem zelf?... Ja!... 't zou wel aan hem liggen..., het zou toch wel zijn, dat hij hem nu aankeek met andere, met jaloersche oogen..., dat kón toch zeker niet anders.... Want hij wist wel, hij kon eigenlijk niet goed meer kijken naar Louis.... Ook in zijn verbeelding was die heele mondaine figuur hem iets onverdraaglijks geworden.... Maar dat was eenvoudig verachtelijk..., hij moest het bestrijden en overwinnen....
Want al was Louis dan veranderd in zijn oog, dat zou eigenlijk niet meer dan natuurlijk zijn.... Een beursman!... In zoo'n stad, in zoo'n omgeving..., in 't demoraliseerende handelsleven.... een beursman moest hij nu eenmaal zijn, daar hij geen aanleg gehad had voor studie, nog minder voor kunst....
Maar ... och, Louis, die kwam er nog minder op aan..., maar ... ook ... God, o God! dit was iets om heel voorzichtig en stil te bedenken, en dan schrok je 'r nog van alsof je 't hardop zei!... Ook zijn moeder was veranderd..., ook haar figuur zag hij niet meer in dat warme licht, die tintling van vroeger....
Dus dan toch voortaan alléén....
* * * * *
Hij zou morgen gaan, dat was nu zeker. Als je eenmaal zulke dingen hebt afgedacht ... dan is 't gedaan.... Hij kón nu niet meer blijven.... Misschien had hij ook wel te veel van zich-zelven gevergd door 't uit te willen houden tot den trouwdag....
Dus: het morgen maar zeggen.... Dat hij weg ging. Vriendelijk, bedaard, het kalm zeggen..., ze zouden zoo erg verbaasd wel niet zijn....
Nog bleef hij een poos zitten suffen, maar eindelijk ging Paul naar z'n bed. Hij verkeerde ineen staat van denklooze, suizende doofheid.... Hij sliep lang, maar hij droomde den heelen nacht door, druk verward....
Zoo was zijn laatste nacht in de stad.
Kalm--ernstig,--z'n bewegingen zelfs van een droog-langzame bedaardheid,--maar innerlijk wel zenuwachtig en gejaagd, kwam Paul beneden dien Vrijdagmorgen. Hij was vast besloten weg te gaan, zonder iets te verraden van de geheime reden waarom, voorgevend dat het enkel was om zijn verlangen naar z'n werk, en om die omgeving hier, van stadsche rijke menschen waarin hij zich niet thuis gevoelde. Hij sprak het eerst z'n moeder; Louis was al naar kantoor; en de manier, waarop zij hem ontving, staande, parmantig, schuddend haar grijze hoofd, met haar gewonen schalkschen glimlach en ondeugend glinstrende oogjes, bracht wat wrevel in zijn ernst, maar maakte hem toch nog droger, traag-bedaarder. Zij vroeg, met den voorvinger dreigend: "Zeg er'is, hoeveel glaasjes wijn hadt jij gisteren-avond wel gedronken?"
"Twee, geloof ik," zei Paul.
"Maar jongen!... hoe kwam je dan zoo?..."
"Hoe meent u?... zoo?..."
"Wèl..., zoo ruw, en zoo gemonteerd.... Had je je boos gemaakt?"
"Boos gemaakt? Nee!... Och nee!... of eigenlijk ... zooals u 't nemen wilt.... Ik heb me geërgerd, de heele week al....
"Geërgerd?... Gut!... waarom?..."
"Dat weet ik niet precies.... Aan alles.... 't Verveelt me hier. Ik kan het ook niet uithouden. Ik ga maar weg. Ik moet terug naar m'n werk.... U weet, ik houd tóch al niet van Rotterdam, en dan nu, van de week, al dat geëet en gedrink, en al die menschen in rokken, en mooie japonnen ... dat 's niks voor mij!..."
Mevrouw Holman was een beetje geschrikt. Maar ze hield het toch nog voor een malle bui van Paul; hij had wel meer van die dwaze plannen in-eens. Ze antwoordde op gekscherenden toon: "Wat's dat nou?... Wou je nou zoo maar pardoes weer wegloopen?... Kom! kom! daar meen je nou weer niks van.... Haha!... dat is er weer een van jou!"
"Ja, ik ... ik meen 't toch wel ... ik wou vanmiddag nog gaan, terug naar huis, naar Brabant ... Louis zal wel een anderen getuige vinden, daar ben ik niets bang voor, en verder heeft toch eigenlijk niemand hier me noodig...."
"Gunst! dat 's waar ook! Je zoudt nog al getuige zijn!... Nee, maar, hoor 's, dat is.... daar komt niets van in, hoor!..."
"Toch wel, moeder, ik ben bepaald besloten te gaan!"
"Hè?..."
Paul's stem had nu zeer vast en beslist geklonken, zijn moeder begon te merken, dat het meenens was. Ze was even in de war, door de ongewoonte, maar toen dacht ze weer aan haar oude huismiddeltje. Met een pruilend gezicht kwam ze naar hem toe, en maakte een beweging alsof ze haar handen op zijn schouders wou leggen, trachtend hem in de oogen te kijken, maar hij wendde zich af, wrevelig. "Wou je nou je ouwe moeder verdriet gaan doen?" vroeg ze.
Hij zweeg even, dacht er aan, hoe bitter weinig ze zich sinds den dag van zijn komst aan hem gelegen had laten liggen, en er was een toon van lichte ironie in zijn stem, toen hij antwoordde: "Kom, kom!... voor u zal dat nou toch zoo'n verdriet niet zijn.... U is er immers aan gewoon dat ik niet thuis bent.... Of ik nu zes dagen blijf of negen!... We hebben elkaar weer 's gezien, niet waar?... En werkelijk, er zouden misschien nog gekker dingen gebeuren dan dat van gisteren-avond als ik nog langer bleef.... Al die feestmenschen staan me tegen..., ik ... ik stik hier!... waarachtig!... ik moet er uit!..."
Zijn uiterlijke kalmte was niet in overeenstemming met zijn heftige woorden. Zij voelde dat, maar maakte de verkeerde gevolgtrekking. "Je stelt je aan, Paul, je hangt den artiest uit," zei ze, op vrij scherpen toon,--'t hinderde haar dat het oude maniertje niet had geholpen, dat hij zoo koel voor haar bleef.
Paul gaf geen antwoord, haalde z'n schouders op, liep met z'n handen in z'n zakken naar 't raam, treuzelde daar wat.... Toen, zich omdraaiend: "Wilt u 't ook aan Louis zeggen?... Want ik ga bij een van me kennissen hier koffie drinken, ik zal 'm dus niet zien voor van-middag als hij thuis komt..., maar ik wil 'm natuurlijk nog even goeiendag zeggen.... 'k Heb al 's nagezien: mijn trein gaat om 5 uur zooveel..., vijf dertig, geloof ik, van de Beurs...."
Mevrouw Holman kreeg nu weer een indruk van aarzeling bij hem. Zij wilde het nog eens probeeren. Ze beet zich op de lip, als om zich goed te houden, en liet een paar droge snikjes hooren. "Dus je meent het?... Nou dan vind ik je vreeselijk onhartelijk, hoor! voor je broer, en voor je moeder," zei ze met een huilerig piepstemmetje.
Paul pakte de krant, die op tafel lag. "Ja," zei hij, "heel hartelijk vind ik het zelf ook niet..., maar 't is toch werkelijk beter." Hij ging nu zitten, begon aan z'n ontbijt; het brood was als hout in z'n mond; zwijgend zat hij in die krant te kijken. Zijn moeder scharrelde wat rond, alsof ze de ontbijtboel wou gaan opruimen; telkens kwam er nog zoo'n snikje.... En hij moest zich bedwingen om niet op te vliegen of te stampen op den grond; hij wist toch zoo goed dat het maar een gewoontetje, een onschuldig comedietje was, dat huilen om niets. Als hij haar zin maar deed zou ze dadelijk weer lachen. Toch kon hij er niet tegen, toch kwamen er tranen in z'n oogen, al zette hij ze nog zoo strak-wijd open achter de uitgeslagen courant.... Maar hij bleef zich meester, kauwde langzaam z'n brood, dronk z'n koud geworden thee bij kleine teugjes, zei niets....
Mama liep de kamer uit, de deur tamelijk krachtig achter zich sluitend.
Toen liet hij even toe, dat er een paar groote tranen uit z'n, door 't pijnlijke staren, nu knippende oogen drupten.... Maar dadelijk veegde hij ze ook weer weg met een wrevelig gebaar van zijn arm..., lei de krant op zij ... ging ook de kamer uit, en, langzaam, weer naar boven om zijn valies te pakken....
Mevrouw Holman vertelde 't dan aan Louis, toen hij thuis kwam om koffie te drinken. Ze huilde opnieuw een beetje, met korte snikken, bettend voorzichtig haar oude, omrimpelde oogen.... Was 't niet verschrikkelijk, dat het zoo'n jongen verveelde in zijn moeder's huis?... Maar Louis scheen 't nog al niet zoo tragisch te kunnen vinden. Wel gaf hij z'n moeder groot gelijk; het was onhartelijk van Paul; maar hij troostte haar met een opgewekte stem, erg vriendelijk en goedig. Dat maakte haar eerst nog weeker, bracht haar aan 't bittere zelfbeklag. Louis ging trouwen, Paul wou nog geen tien dagen bij haar blijven..., och God! ze bleef zoo alleen!... Maar hij lachte. "Kom, mamatje, dat 's nou malligheid, hoor!... u komt maar bij ons, zooveel als u wilt..., wij wonen toch zoo ver niet!..." Dat deed haar blijkbaar erg goed. Gauw glunderde ze weer, en gebruik makend van Louis' willige stemming maakte ze allerlei plannetjes voor aardige diners, en gezellige avondjes, praatte met vóórpret over dien comedie-gang, van-avond....
* * * * *
Het was Louis volstrekt niet onaangenaam dat zijn broer weg ging. Paul was een goeie vent, maar wat had je nu eigenlijk aan hem.... En hij had zich gisteren-avond feitelijk onmogelijk gemaakt. Dat scheen hij trouwens zelf ook te begrijpen. Die praatjes van ergernis en naar zijn werk terug willen, waar hij mama mee aan was gekomen..., nou ja!... Hij kon er niet tegen, was 't drinken blijkbaar ontwend.
Dien zelfden middag nog, op de Beurs, vroeg hij aan een van z'n soos-kameraden zijn getuige te willen zijn.
Toen hij 's middags thuis kwam, was Paul al op "t punt van vertrekken. Hij wou aan 't station maar wat eten, zei hij, hij had nog niet veel trek.
De broers praatten niet veel meer. Ze hadden een zekere gegeneerdheid voor elkaar. Nu Paul toch heenging vond Louis het onnoodig zich nog warm te maken over dat geval met dien mallen toost. Hij deed dus of hij 't ook niet begreep, dat plotseling vertrek. 't Leek wel een vlucht! Waar of dat nu voor was? Die geschiedenis van gisteren-avond, dat was toch zoo erg niet!... Zoo iets waren de menschen gauw genoeg vergeten!... Vooral van artiesten konden ze nog al wat velen....
Maar Paul zei: "Ja.... Mama heeft je zeker verteld.... Ik ga nu maar liever.... Het spijt me dat ik je getuige niet zijn kan.... Maar je zult natuurlijk gemakkelijk een ander vinden...."
Louis maakte een beweging met z'n hoofd. Dát was 't minste.
"Nou dan, adieu, 't ga je goed!"
"Adieu!"
Een handdruk. Ze keken elkaar even in de oogen, maar dat vermeerderde hun pijnlijke verlegenheid nog. Louis keerde zich met wat haastigheid om, trok zijn wenkbrauwen op, en zocht naar iets, dat op tafel moest liggen, tusschen de kranten.
Paul gaf zijn moeder een zoen. En zijn stem klonk wat heesch, toen hij zei: "Houd u maar goed!... Ik kom wel gauw weer's kijken...."
Pas toen hij weg was bedacht Louis zich dat Paul heelemaal geen afscheid van Annie genomen had, ja niet eens verzocht haar zijn groeten te doen.... Zoo'n lomperd toch!... Merkwaardig!...
* * * * *
Paul was werklijk gaan koffiedrinken--en had ook dien middag doorgebracht--met een van zijn kennissen-schilders, aldoor pratend over dingen van kunst. Hij had zich opzetlijk wat druk en roezig gemaakt en was op het nippertje thuis gekomen. Hij liep nu hard naar 't station, nog geheel in die koorts van veel en vlug denken en afdoen in korten tijd.
Maar hij kwam veel te vroeg, en de saucysen-broodjes die hij bestelde--in warm eten had hij geen trek--waren ook gauw op; toen zat hij te wachten, en die roezigheid van actie voelde hij wegzakken; een weifeling, een niet-goed-meer-weten wat en waarom ook weer, kwam zijn denken vertragen, en drukken op zijn borst....
Toen in-eens,--wat hij gansch dien dag had weten te weren in drukte van praten en doen en weg-willen..., wèg ... wèg--, het terugverlangen, naar haar, het volkomen bewustzijn dat hij haar niet meer zou zien..., dan, later misschien, als de vrouw van Louis, maar daar was niet aan te denken....
Hij had dat wel vóórgevoeld, maar hij had zóó gehoopt dat het pas zou komen als hij al weg zou zijn..., in den trein.... Daar was 't nu al.... O God! O God!... Zijn polsen en slapen bonsden en brandden.... Hij wilde niet weg.... Hij wilde naar haar, haar zien.... Hij smachtte naar haar....
Hij zat in een hoek van de wachtkamer; naast zich z'n valies.... Er kwam beweging buiten.... Gelui van een bel.... De trein!... De deur werd opengegooid: "Dordt! Breda! Tilburg! Bokstel! Eindhoven! Venlo!..." Een frissche stroom buitenlucht vlaagde 't warm rookerig lokaal door. De menschen vertrokken bedrijvig, sjouwend hun tasschen en zakken. Buiten wachtte de trein met z'n sissend gehijg, regelmatig dreunend....
Paul bleef zitten. Een nieuw plan was op 't uiterst moment hem de ziel doorgeschoten, fel, als een kramp.... Haar nog eenmaal zien!... Naar den schouwburg gaan, straks, een biljet voor de galerij koopen.... Hij wist dat ze in 't frontbalcon zitten zou, vlak vooraan.... Hij zou haar zeker kunnen zien.... En--hij zat het na te kijken--, ja, hij kon dan toch nog weg, tot Breda, daar dan maar logeeren, morgen weer verder.... In geen geval nog een nacht in Rotterdam blijven....
De trein floot, snerpend; siste.... De bel werd weer geluid.... Langzaam met doffe schokken begon het rommelend gerader....
Hij bleef zitten in z'n hoek, tot kwart over achten. Toen liet hij zijn valies daar staan, liep het station uit, en, bijna op een draf, naar da Aert-van-Nesstraat....
Het was weer een dampig-zoele avond....
* * * * *
Toen Paul voor 't comediegebouw stond klopte en bonsde alles aan hem.... Hij had weer te hard geloopen, hoe dom ook!... Hij was erg warm.... Toch sloeg hij den kraag van zijn jas op, want het was een gewaagde onderneming, bedacht hij zich nu pas, hij wou vooral niet herkend worden....
Hij kwam boven, op de galerij. 't Was er donker. Daar had hij ook al niet aan gedacht, dat er bijna geen licht in de zaal was gedurende de bedrijven.... Zou hij haar toch kunnen zien?
Hij was aan de linksche zij opgekomen, en hij liep dadelijk naar voren, struikelde bijna in 't donker, maakte veel leven op den planken vloer.... Er werd nijdig: "Sst! sst!" geroepen. Maar hij hoorde toch duidelijk 't gemaakte geluid van een rustig geaccentueerd tooneelgesprek, en gelach beneden in de zaal.... Zoo ver mogelijk vooraan ging hij een gangpad door, keek over de balustrade naar 't balcon....
Hij vond haar dadelijk.... Zij zat recht voor zich heen naar 't tooneel te turen, 't gezichtje strak, smal, ernstig en zeer bleek schijnend in 't half-licht dat van het tooneel af door de zaal schemerde. Naast haar Louis; die amuseerde zich blijkbaar erg, hij lachte en streelde behaaglijk zijn snor; en ook de rest van het feestlijk gezelschap scheen zeer geboeid en vermaakt door de voorstelling. De vrouwen zaten breed-uit in de ruime fauteuils, rustig ten-toon-stellend hunne fraaie toiletten.
Maar Paul zag haar alleen. Hij zag haar met een intensen blik, die was als een afscheidskus vol passie en innigheid. Pijn hamerde z'n hart in z'n hijgend-beklemde borst.... Nu weg-gaan, dacht hij, nu dadelijk weer weg, anders kom ik er niet ... en anders kan ik niet meer.... Maar zijn beenen en armen waren als looden doode dingen. Hij kon al niet.... Hij stond de menschen daar op de voorste banken in 't gezicht, ze riepen dat hij zou gaan zitten, ze riepen dringend: zitten!... zitten!... Daar zeker door afgeleid van het tooneel richtte de bruid, met droomerige langzaamheid, haar bleek hoofdje wat op, sloeg een blik naar boven..., en Paul zag haar schrikken; haar hoofd kreeg een schok naar achteren; haar handen maakten nerveuse bewegingen.... Zóó, naar boven gericht, waren haar trekken, haar oogen in schaduw; hij kon niet zien dat ze hem aankeek, maar hij voelde haar blik.... Die verbindende sfeer stond weer tusschen hen..., en groote, zwijgende, weemoedsvolle ernst....
Maar Louis en de anderen lachten luid op, de heele comedie lachte, en de menschen die niet konden zien riepen al harder: zitten, zitten!... Er werden armen naar hem uitgestrekt, iemand tikte hem gevoelig op den schouder.... En met een schrik als was hij ontdekt, als gold het hem, dat plotsling gelach, ging hij haastig terug, achteruitloopend eenige wankelende passen, toen, zich omdraaiend, snel naar de deur; hol bonkten zijn stappen; hij kreeg nog verwenschingen achterna om 't geraas dat hij maakte....
Op den weg-terug liep hij wild te snikken; in één roes was hij weer aan 't station; 't was er druk, de trein stond juist voor; werktuiglijk stapte hij in, angstig, gejaagd, als werd hij vervolgd, vergat zijn valies..., en weg ... weg..., hij voelde zich weggaan..., wegdragen;... de trein stampte, dreunde, donderde over de bruggen; 't was een volle wagon; de menschen praatten, elkaar toeschreeuwend, om dat geraas te overstemmen..., hij zat midden tusschen hen in;... nog een brug, nog huizen aan weerszijden, masten, weer huizen;... toen eindelijk duisternis, velden, weiden in donker; bedaardere dreungang, soms een lang, gillend gefluit....
Hij was weg..., Rotterdam uit;... 't lag achter hem, telkens verder.... Met iedere seconde verder van haar.... Iets anders kon hij niet denken....
XII.
Annie had, 's nachts na het bal en den volgenden dag in haar jagende onrust, haar angstige, stormig verwarde denken, maar één verlangen: hèm spreken, alleen, hem vragen wat er was gisteren-avond, wat hij bedoeld had met zijn toost, of hij misschien iets ... wist van Louis..., hoe 't kwam dat hij twijfelde of ze gelukkig zou worden.... Want dát hij twijfelde had ze gevoeld, dat wist ze zeker!... Maar waarom?... Ze had hem toch niets verteld van haar eigen aarzelingen, van het moeizaam gepeins, de dobberende overdenkingen, die aan haar zelf-overrompelend plotsling besloten-zijn waren voorafgegaan.... Alleen kon hij weten dat ze toen acht dagen uitstel gevraagd had.... Maar immers niets van dat benauwend gevoel van onrust, van de vreemde verkillingen, verschrompelingen, de angsten die ze ondervond, als ze alleen was met Louis, als hij zijn arm om haar lijf lei, haar kuste, en liefkoosde ... óf?... of kon hij misschien toch in haar omgang met z'n broer dat ontoereikende van warmte en innigheid hebben ontdekt, wat haar zelf zoo veel bevende zorg en diep-stil leed had gegeven, óf?... of had ze misschien toch in de wondere vertrouwlijkheid van hun gesprek dien Dinsdagmiddag--ze kon 't zich niet alles meer woordelijk herinneren--zelf iets daarvan laten merken..., door den toon van haar woorden ... of den klank van haar stem ... misschien?...
Ze wist het niet.... Maar ze wou het weten, ze moest het weten. Anders zou ze er altijd over blijven denken.... Want hij, Paul!... O! hoe kónden die anderen toch gelooven, dat hij dronken geweest was!... Kenden ze hem dan volstrekt niet, begrepen ze 'r dan niets van, wie hij was.... Hadden ze dat dan nog nooit gehoord: een man, die spreekt, in hevige gemoedsbeweging.... Och! ze dachten zeker maar dat iedereen was zooals zij allemaal, die zich dronken moesten drinken om uit hun nuchtere verstandigheid, hun zelfzuchtig, berekenende vormelijkheid te komen.... Ja! ja!... Louis ook, Louis ook!... God! Hoe dikwijls had het haar al gehinderd, haar innerlijk driftig, oproerig gemaakt, dat hij altijd maar bleef zoo gelijk ... gelijk..., zoo bedachtzaam, zoo heerig bedaard, zoo vriendlijk waardeerend of goedmoedig berispend..., dat, als hij zich eens, een enkele maal, een klein beetje opwond, dat hij dan tóch blijkbaar nog dacht aan 't geluid van z'n stem, de plooien van z'n gezicht, de gebaren van z'n handen, dat hij dat nooit eens vergat, zich nooit eens heelemaal gaf, zich eens liet gaan..., liet rennen en draven als een vurig veulen in de ruime, welige wei!... Maar neen! Louis! als je dien met een paard vergelijken wou, dan met zoo'n mooi, glad-glanzend beestje, dat kwasi-fier in tuig loopt voor een opgepoetste coupé....
Maar Paul ... Paul!... Een mensch! een groot mensch, een mensch van diepten oneindig!... Die dacht niet aan z'n houding, en hoorde niet z'n eigen stem!... O!... ze kon in haar zelf, haar innigst zelf, de preciese woorden er nog niet voor vinden--ze was ook zoo vreemd verward en onrustig--maar ze voelde dat ze niemand, in de verste verte niemand, niemand nog ooit zoo bewonderd had..., zoo gróót gezien....
En in-eens had ze die gedachte, als een vondst: hoe kon ze zich toch zoo verbazen, dat hij 't wist, dat hij ontdekt had wat het eigenlijk was die verhouding van haar en Louis..., hij die keek door je oogen heen en zag wat daarachter lag, las met één blik de geheimen van je ziel....
Toch wou ze 't hem vragen, wou ze hem spreken, alléén.... Alleen zijn met hem, dat was haar verlangen, haar enkle gedachte dien heelen dag.... Een gedachte, die zich uitzette, wijder werd, haar geheel-en-al kwam te omvatten, toen eigenlijk ophield gedachte te zjjn, maar werd een drang, een willen naar hem, een loutere lust om bij hem te zijn alleen, te genieten, ongestoord, van zijn aanblik..., en dan te vragen ... ja, wat eigenlijk?... Ze had soms in-eens een gevoel alsof ze dan niets meer te vragen zou hebben....
* * * * *
Maar toen Louis haar 's avonds kwam halen om naar de comedie te gaan--de heele familie stond al klaar, stond handschoenen aan te trekken beneden in de voorkamer,--toen hij binnengekomen was, in zijn rok, haar met z'n ijdelen glimlach een nieuwe bouquet aangeboden had en daarop, met een luchtig lachje, alsof het zoo niets van beteekenis was, vertelde dat Paul weer in-eens was vertrokken..., toen had ze een oogenblik, alsof alles wat om haar was van haar af-ging, ver-weg, of het licht, wegkrimpend, verdween, of ze heel alleen stond, op een dorre vlakte, in bijna duister, zonder hoop, zonder eenige verwachting, zonder toekomst-hoe-dan-ook.... Ze wou vragen: waarom?... Ze deed ook den mond wel open, maar haar keel liet geen klanken door.... Papa en Marietje deden het, vroegen met ijver, nieuwsgierigen aandrang. Toen hoorde ze Louis zeggen, op z'n ironisch-lachenden meerderheidstoon, dat het Paul verveeld had in Rotterdam, dat hij terug had verlangd naar de Brabantsche boeren, en kikkers.... Ze schrok op, alsof ze iets vergeten had, boven, en liep naar haar kamer, om een paar minuten in stilte te zijn, te trachten zich rekenschap te geven van wat dat plotsling vertrek voor haar was..., en ook ... omdat ze in-eens bang was geworden, dat ze uit zou barsten ... in snikken...?
Snel liep ze de trappen op, bleef hijgende even staan daar boven, leunende tegen den rug van een stoel, en als tastend, verward, naar bewuste gedachten.... De tranen, waarvoor ze bang was geweest, bleven weg, maar ook de heldere rekenschap. Er was niets dan een vale leegte rondom, en in haar hoofd een duizlende warreling van duizend gedachte-beginsels.... 't Was of ze ze zag, in de verte, haar eigen gedachten, woelend dooreen, als menschen; een vechtende, hevig bewegende massa..., ze hoorde 't gesuis van hun verre stemmen.... Ze kon er geen een van verstaan....