De bruidstijd van Annie de Boogh
Chapter 13
Paul bleef bijna voortdurend in het kleine zaaltje zitten, waar nu gelucht was, en waar ook de oudere heeren kwamen praten en--heimelijk, aan de deur--een enkel trekje doen, de rookwolkjes wegslaand met hun groote, onbedekte handen, want ze waren niet zeker of 't wel mocht, rooken in dat zaaltje, en ze grinnikten er over tegen Paul, zeiden dat hij 't niet aan mama moest verklappen. Hij keek hen bot-verbaasd aan, alsof hij doof was; hij begreep niet, geheel abstract.... Aan dansen dacht hij geen oogenblik.... Hij wist het soms zelf niet, waar hij wel aan dacht.... Aan alles!... Aan niets!... Het was gedaan.... Hij kon het niet meer uithouden.... Hij zou maar weggaan.... Of eigenlijk.... Waarom? ... Wat kon 't hem schelen waar hij was.... 't Was overal ellendig.... 't Was overal hetzelfde, 't ging met hem mee....
O! haar binnenkomen!... Die aarzelende stap, die zoekende oogen!... Haar denkende mond, haar hals met het wonder-teer-intieme van het keelkuiltje, dat hij had voelen kloppen op den afstand waar hij was; haar heele staan door de witzijden japon!... Die glans!... Die witheid, die haar beschutting was tegen de handen en 't aandringende lijf van hem, die daar naast haar ... brutaal triomfeerend....
Louis was z'n broer, zijn jongere broer....
Toen vader gestorven was had hij, tegen Paul aan, uit zitten huilen, in den kamerschemer.... Zoo iets bindt zoo.... 't Was z'n broer.... Zijn eenige broer....
O! maar die anderen, ál die anderen, die mocht hij haten, heet haten, vervloeken naar willekeur. Zij met hun laffe, verwijfde smoelen, hun stom-aanmatigend, ijdel gezwets, die blootborstige vrouwen met hun lokkende, lekker-lachende monden, die kerels met hun onreine oogen, hun wreede, lachende tanden, met hun gedachten ... gemeen ... gemeen.... Hij kon ze wel zwiepen, er uit allemaal, dat het striemde, snerpte, scheurde.... O! dat te denken, daarin te berusten, dat zij moest blijven daar in die omgeving, in die atmosfeer...; zij, zij met haar onschuld-adem, zij met haar hart vol geloof, zij met haar handen van heilige....
Het dof-donkere haar, het droge, springende, willende haar, dat nu was samengesnoerd, en opgesierd met een bosje onechten oranjebloesem..., o! als hij het los mocht maken..., dat het kon zwieren, leven, bewegen!... O! als hij het kussen mocht!...
* * * * *
De bruigom deed ijverig z'n best om lief en attent voor zijn bruid te zijn. Hij glimlachte haar zonder ophouden toe, omgaf haar met z'n verheugde blikken. Hij wou met geen andere dansen, was aldoor vlak bij haar, zat naast haar, deed trotsch en blij, was blijkbaar wel in zijn beste stemming.... Hij had haar ook tot-nog-toe niet gezien als van-avond..., zoo'n beetje gedécolteerd; aardig, hè ... mooi, hè!... Maar wat of ze weer had van-avond; ze was zoo stil, zoo vreemd, ze ontmoedigde hem werklijk bijna, want wat kon hij meer doen dan hij deed!... Enfin!... Er was zeker thuis weer wat geweest, een ruzietje; zoo'n kleinigheid kon haar zoo zenuwachtig maken...; ze was dikwijls zoo stil.... Afwachten maar, niet forceeren!... Maar hij vond het eigenlijk wel beroerd, want in zijn hittig verliefd-zijn, dat nog niet zoo sterk was geweest als dezen avond, groeide nu een behoefte, een ongeduldige drang naar beantwoording van z'n verlangens, naar zich-zelf begeerd gevoelen.... Tot nog toe had hij dat niet erg gemist, maar nu begon het ontbreken ervan hem hinderlijk te worden, ofschoon hij er zich nog niet heel helder bewust van was.... Maar hij troostte zich telkens weer door een, zich hevig verbeeldend, denken aan den aanstaanden trouwdag ... en wat dan zou volgen.... Nog maar vijf dagen!... Hij verkneukelde zich als een smulpaap, genood op een fijn diner....
Later op den avond begon hem Annie's abstracte houding méér te ontstemmen.... Hij trachtte zich toen wat af te leiden door veel naar de andere meisjes en jonge vrouwen te kijken, naar de halzen en armen vooral, en dat hielp ook wel, telkens vergat hij zijn ergernis, maar zijn zinnelijkheid werd ook te sterker geprikkeld, hij werd gejaagd en zeer nerveus, hij maakte stiekeme plannen....
* * * * *
Annie hield maar voortdurend dat gevoel of er iets zou gebeuren.... De angst van dien nacht kwam telkens weer even terug met een soort van schrik, en die dofheid, dat machtelooze, dat haar den heelen dag had bezeten, was nog niet weg, hoe ze ook poogde vroolijk te zijn, mee te doen.... Ze danste bijna iederen dans, met Louis meest alle, maar ook een paar met zijn beste vrinden, die zich dan uitputten in complimentjes..., maar zij luisterde niet, en de dansmuziek nam haar niet mee, noch de snelle, deinende maatgang; zij bleef passief, in zich-zelf gekeerd, abstract....
Daar ging Paul langs den muur aan den overkant. Waarom keek hij niet eens naar haar?... Hij kon zeker heelemaal niet dansen, maar waarom kwam hij niet eens met haar praten?... Zou hij soms ziek zijn?... Hij was zoo bleek.... En z'n oogen!... Hij was veranderd sinds Zaterdag.... O ja!... Z'n oogen vooral, die lagen veel dieper.... Hij kon er zeker niet tegen zoo lang uit z'n werk te zijn, rond te loopen hier in Rotterdam, en zich te vervelen bij die feestjes.... Het was ook niets voor hem!... O! daar keek hij even.... Maar nu leek het toch wel of hij boos op haar was.... Z'n gezicht stond net als toen Louis van-de-week had gevraagd of hij die boodschappen wilde gaan doen met haar....
Toen Paul, den avond door, al maar niet kwam, werd zij erg onrustig; de angst werd beklemmender en week niet meer.... Ze hoopte 't nu ook volstrekt niet langer, dat hij zou komen, integendeel, soms was ze bepaald bang, dat hij plotseling voor haar zou staan.... Er was nu weer iets tusschen hen gekomen..., iets vijandigs, iets ... dat hen meer en meer van elkander verwijderde.... Wat was het toch?...
O God! die lach van Louis van avond!... Zij kon bijna niet meer naar hem kijken.... Ze zou hem bepaald vragen, later, z'n gezicht toch ernstig en recht te houden....
Het eenige dat haar soms een oogenblik afleidde was de stralende pret, het dolle, opgewondene doen van andere meisjes. Dat gaf haar dan een hartelijk gevoel van genoegen, bijna iets moederlijks.... Maar dat was dan maar even, de angst kwam dadelijk terug, beklemde haar, deed haar loom en traag zich bewegen, en denken; ze kon haast geen woorden vinden als ze praten moest.... De avond werd eindeloos lang, en hinderlijk het felle licht, de dansmuziek en de glans der kleurige toiletten....
* * * * *
Eindelijk: het souper. Er waren drie tafels gezet in de danszaal, terwijl de gasten zoolang in het andere vertrek werden beziggehouden met een paar voordrachten.
Paul had bijtijds aan zijn moeder gevraagd hem niet aan de officieele tafel te zetten, maar aan een van de andere, tusschen hem onbekende menschen. Zij had het wel gek gevonden--maar hij was nu eenmaal een wonderlijke, en, in zulke minder gewichtige dingen, was 't verstandig zijn zin maar te doen; dat was een steun in gevallen waar meer aan gelegen was.
Dus zat hij tusschen een paar hem geheel vreemde meisjes, en toen hij merkte dat zij zelfs heelemaal niet wisten dat hij schilder was, beweerde hij een "en gros" zaak in krenten te hebben, in Dordt te wonen, en hij praatte van het toenemend krentenverbruik in Nederland, en over de vele kwaliteiten die je had, maar 't was jammer dat tegenwoordig nu letterlijk in alles de klat was; er was ook zoo verbazend veel namaak.... Die meisjes, vereerd naast een broer van den bruigom te zitten, luisterden vriendelijk, gaven hem gelijk, met ernstige gezichtjes, vertelden dat hun vaders ook in zaken waren, en ze wisten wel dat er tegenwoordig "malaise" was, daar klaagde papa ook zoo dikwijls over....
Toen, wee van die onzinnige flauwiteiten, zei Paul niets meer, alleen maar ja en neen, als het moest.... Er werd nu ook getoost, ze moesten stil zijn.... Hij wou eerst niet luisteren, maar de vijandige klanken drongen zich aan hem op....
Annie zat met haar rug naar zijn tafel gekeerd, aan de volgende....
De oude heer De Boogh stond op en stelde 't geluk van het bruidspaar in. Hij zei dat hij overtuigd was, dat ze in elkaar zouden vinden wat ze zochten, en dat hij zijn dochter met fameus veel plezier had ... geschonken aan zoo'n flinken, hij mocht wel zeggen zoo'n eminenten koopman als Louis Holman.--De bruigom lachte verheerlijkt; er ging een gebrom van applaus door de zaal.--De Boogh zei verder, dat hij zijn eigen dochter niet wou flatteeren, maar waar was het, dat ze een engeltje was, het zonnetje van z'n huis..., mama niet te na gesproken natuurlijk.... 't Was niet zonder weemoed dat hij haar zag heengaan....
Hier werd zijn hoofd nog vuriger rood dan anders; zijn loenschend oog scheen van binnen te branden....
Maar iedereen wou z'n geluk, dat was nu eenmaal zoo 's werelds loop! Hij feliciteerde zijn vrouw en zich-zelf dus nogmaals met z'n voortreffelijken schoonzoon, en hij hoopte....
Een weinig verward rakend, brabbelde hij nog iets van veel blijven komen in 't gastvrije ouderlijk huis, waar liefde hen altijd omringen zou.... Maar dat werd niet goed meer verstaan, want iedereen schoof met z'n stoel, en stond op, en kwam naar het bruidspaar toe om te klinken.
Toen volgden de toosten van de ooms, en van Jan en Willem; ze hadden het allen, uit kennelijk plichtsbesef, over de liefde en het geluk, de ooms met schalksch zinspelen op de groote vermeerdering der familie waarop gerekend scheen te worden, de broers prijzend hun aanstaanden zwager, zijn degelijkheid, en zoo.... Telkens als er werd gewaagd van zijn koopmanseigenschappen, verscheen op 't gelaat van den bruigom dezelfde gauwdieven-glimlach, en wisselden vrinden en verwanten veelbeteekenende blikken. Een maakte zelfs lachend de beweging van geldtellen na.
Plotsling--Annie schrok hevig, dorst zich niet verroeren--vroeg Paul met een hoogheesche stem om het woord, en kreeg het dadelijk. Zij dorst niet om te zien, Annie. Haar borst werd als toegeschroefd, haar tanden rammelden over elkaar, stijf waren haar beenen en armen. Ze voelde dat Louis naast haar zich omdraaide met zijn ijdelen glimlach, verwachtend den nieuwen lof. Zij zag het niet. Het was stil. En toen de stem van Paul....
Hij sprak, rechtop-staande, zijn glas in de hand: "Ook ik hoop het van harte, dat mijn broer ... zijn vrouw ... het geluk zal geven dat haar toekomt!...
Dit klonk als een uitdaging; de glimlach trok weg van Louis' gelaat.
"Ik verwacht het ook van hem.... Neen! ik ... ik vorder 't van hem!..."
"O! O!" riepen de meisjes die naast Paul zaten, want hij morste erg uit z'n glas, hield het heelemaal scheef in zijn trillende hand.
"Zijn vader is dood.... Ik ben zijn broer.... Als hij het niet doet, dan ... dan is ... dan is-t-ie 'n ploert!... een schurk, ja, verdomd!..."
Het glas knapte af van den steel, viel op tafel, brak daar opnieuw, in een plas van wijn. Er was een algemeene beweging, een soort paniek. Men riep "Ho! ho!" en "sst! sst!", men hoestte, men stond op. Velen wilden wat zeggen. De oude De Boogh schreeuwde, schetterende, nijdige woorden; dat het een schande was, en zoo.... Mevrouw Holman, zelf ontdaan, trachtte hem te kalmeeren. Jan kwam naar Paul toe, meenende dat hij dronken moest zijn. Ook Louis was opgestaan. Hij zag bleek; een oogenblik blikten de broers elkaar in de toornige oogen. Toen keek Paul vóór zich, vaag voelend wat hij gedaan had.... Hij ging niet meer zitten, begreep wel dat hij nu weg moest, wachtte toch nog tot Jan vlak naast hem stond, fluistrend hem toebeet: "Wat mankeert je, zeg?... Je bent dronken.... Ga gauw weg!... Zal ik je brengen?... Zeg!..." Paul gaf hem geen antwoord, duwde hem achteruit, vrij ruw, ging langs hem, wankelde werkelijk even.... Hij had twee of drie glazen wijn gedronken, den heelen avond....
Hij ging naar de deur.... Annie keek niet naar hem om.... Hij voelde de heele zaal eerst nog om zich heen, toen achter zich, dwazelen, rumoeren; het licht was rossig en fel; hij zag geen mensch, alleen een paar roode hoofden in wazigheid. Gelukkig ging niemand mee in de gang.
Een kelner vroeg met glimlachende strijkage of hij mijnheer aan zijn jas zou helpen. Hij verstond het niet, greep naar zijn hoed, rende de straat op....
De bruid was blijven zitten, onbeweeglijk; zij vermeed iemand aan te kijken. Het erge was gebeurd. Zij had het wel geweten. Maar wat had hij bedoeld.... Paul....
* * * * *
Er werd uitgemaakt dat de schilder dronken geweest moest zijn. Hij was sinds lang aan zoo weinig gewoon, hij kon er niet meer tegen. En dan ... een artiest!... men moest zoo kwalijk niet nemen; die menschen..., niet waar?... och!... allemaal hetzelfde!... opgewonden standjes!...
De partij herstelde zich.... Anderen toostten weer, grappiglijk zinspelend op het geval; men lachte.... Louis bedankte, deftig, correct. De jongelui dansten nog even in het kleine zaaltje....
't Liep heel gezellig af.... Alleen de oude De Boogh bleef nijddasserig, ofschoon hij z'n uiterste best deed vroolijk te schijnen; hij ruziede heimelijk met zijn vrouw, die eerst een tijd-lang stom van verbazing en ergernis de lippen op elkaar had geklemd, maar toen aan haar galligheid lucht gaf door hatelijkheden aan zijn adres.... Hij ergerde haar nu het meest. Dat die man zich weer zoo kwaad had gemaakt, zich zoo aangesteld!...
In 't naar huis rijden had Louis 't nog tegen Annie over Pauls gedrag. Al was hij dan dronken geweest, het kwam niet te pas; hij moest dan zijn maat maar kennen!... Louis zou hem morgen er over à faire nemen, daar kon hij van op aan.
De bruid gaf geen antwoord. Zij had zoo'n vreeslijke hoofdpijn, zei ze.
Toen hij haar had thuis gebracht ging Louis nog even naar de soos, dat had hij in de gauwigheid nog met de vrienden afgesproken. Ze moesten nog wat na-fuiven. De studenten waren er ook, geïntroduceerd door Jan. Ze ontvingen den bruigom met luid spektakel, zetten hem op tafel, droegen hem rond; ze bedronken zich allemaal.... Alleen hij zelf niet, Louis. Hij was niet in de ware stemming om zich te bedrinken. De champagne smaakte hem niet.... Hij was jachterig, erg geprikkeld; het rumoer van de lui stond hem eigenlijk tegen, maar hij wou er zich niet aan onttrekken.... Hij zag aldoor maar vrouwenaakt in zijn heete verbeelding, hij verlangde sterk naar het heimelijk genot, dat hij zich-zelf al beloofd had van-avond op 't bal.... Drinken kon hem nu den roes niet geven waaraan hij behoefte had....
Toen de vrinden eindlijk naar hun huizen en hotels gingen zwaaien, bracht hij het kleinste troepje een eindje op, maar zorgde er voor dat hij gauw alleen was. Het was drie uur. Toen hij wist dat hij niet meer gezien kon worden--hij keek schuw om zich heen, hij was hijgerig, erg gejaagd--liep hij terug, haastig stappend, de Blaak af, de Spaansche kade, een eind Nieuwe Haven, toen een straatje naar 't Haringvliet in. Daar, op den hoek, was een groot bordeel.... Hij keek nóg eens naar links en naar rechts, ging er toen in....
Maar vijf kwartier later kwam hij thuis, op zijn kamer; geeuwde herhaaldelijk luid, ontkleedde zich bedaard, en begaf zich te bed, en hij sliep vast en gerust tot negen uur in den morgen. Toen stond hij dadelijk op en haastte zich met z'n toilet. Want hij moest gauw naar kantoor, 't zou een drukke belangrijke dag zijn....
XI.
Dien nacht had het uitgestormd in Pauls gemoed.
Hij had, nadat hij van 't feestmaal was weggegaan, weinig en kort maar gedacht aan wat daar gebeurd was met hem, aan dat opstaan in koorts, dat spreken in woede, die zaal toen zoo zwaar-vol partij-pret rose gezichten, die helsch-lichte zaal.... Dat was niets ... miniemer dan niets!... Maar dat zij!... God, zij!... Dat dat waar was, dat zij daar ging worden, zooals al die andere, verkochte, verwaarloosde, geminachte vrouwen, dat hij haar niet redden kon, hij die telkens weer in zich voelde aanzwellen het vermogen haar met zich te nemen door het leven in één opstreving naar het volkomen-schoone..., dat hij dat moest aanzien, er niets tegen kon, het zwijgend moest dulden.... Dat zijn liefde, zijn krachtige, bloeiende, zijn al niet te omvademen, toch altijd nog groeiende liefde, bestemd was om te verdorren, om zonder vrucht te vergaan.... En och! zijn arme verlangens, zijn wonder-teedere, diepe verlangens!...
In z'n onregelmatigen, snellen gang--eerst door laten-avond-stad, langs de in grauwheid opstaande muren der zwak-verlichte woningen-buurten, dan door de ijzeren kooi, die, reuzig in 't donker, over het glanzig vlietende zwart van de Maas ligt gestrekt; aan den overkant, door de verlatene handelswijken, waar alles nu duisternis, stilte en steen was; toen--de stad dan eindelijk achter zich--over den dadelijk veel vertrouwlijker straatweg, den dijk naar Katendrecht, met z'n welige hellingen, geurend van gras en vergane blaren, waar de dubbele rijen boomen in staan, boomen als torens, die fluisterend ruischen, hoog staan, in den grooten nacht, waar de stad niet van weet...; in zijn hartstochtlijken, driftigen gang door de zoel-klam-nattige najaarslucht, onder het sterrenloos hemelvlak, waar toch nog 't geschuif van de wolkgevaarten was te onderscheiden, grauw over zwart in een nachtlijk geschemer zonder begin,--terwijl hij soms in een jagend, snel-snuivend gedraaf, soms ook in-eens tot een stil-strak-peinzenden, adem-inhoudenden, aarzelend langzamen tred verviel,--in al dat gedurig nerveuse beweeg van zijn bloedwarm lijf door den plechtigen nacht, had zijn, tot in 't innigste ontroerd gemoed de geweldig aandruischende dreuning doorstaan van zijn trotsche woede, die uitwou in daden, had zijn hart de vlijmende vlagen doorvoeld van zijn bitterheid en zijn zelf-bespotting, hadden de neer-gierende buien der stom-zwarte smart zijn ziel doen rillen en krimpen-in-één van kou en ellende....
Als z'n hersens niet ijlden van woede en verbittering, dan had hij aan haar gedacht met een huivrende innigheid.... O zij!... zij alleen!... Er was verder niets..., Zonder haar geen voldoening meer en geen rust.... Niets meer, geen arbeidsgenot, geen kunst-begrijpen, geen eerzucht.... Zij!... Haar was zijn ziel, haar zien was zijn leven.... Iedre lijn van haar lijf, iedre trek van haar mond, iedre blik van haar oogen, ieder zichtbaar gevoel en expressie van haar, iedere gedachte waarin se stond, was stil te bewonderen, ootmoedig te eeren, teer te beminnen....
Hij moest weg, van haar weg!... Er was haast bij!... Want anders!... Hij was maar een mensch en hij brandde van binnen en kon soms niet denken.... Wanneer hij haar naderde in zijn verbeelding, tot zeer dichtbij, tot warm dichtbij..., dan golfde zijn bloed naar boven en bonsde verdoovend, dan hijgde er in hem maar één dronken verlangen.... Hij moest weg, ver weg, en gauw!... Zij was niet voor hem, zij ging hem niets aan, Louis zou aanstaanden Dinsdag ... nacht....
O God! hoe lag toch zijn gevoel zoo hulpeloos naakt, hoe pijnden en schrijnden hem toch zijn gedachten!... Was het dan niet te ontkomen, dat zelf-gemartel?!...
* * * * *
Hij was doorgeloopen tot halfweg Charlois, toen, doodmoe, weer terug. Zijn vermoeidheid had hem toen wel gedwongen langzaam te gaan, hij was zelfs een poos aan den weg gaan zitten, op den vocht-killen grond, van blaren glibberig, turende, zonder bewegen, naar den droomerigen, zwak rossen schijn, die boven 't massale zwart van de stad hing.... Toen had hij pas goed gemerkt het grootsch-enorme van de nachtstilte, en dat hij alleen was, klein en alleen, op dien ganschen, breeden, zwaar-aardenen dijk, tusschen de statige rijen streng opstaande stammen, geslotene volging van boomenpoorten, hij de eenige mensch onder dat geweldig welvende dak--eindlooze warreling, zwart in den zwarten nacht--onder de kruinen, die, afgezonderd in 't duistere ruim, ruischende fluisteren van sombere geheimen en groote daden die lang geleden zijn....
En de boomen hadden hem gered, de rustig-hoogmoedige boomen, en wat hem daar verder omstond in den koelen nacht, zoo zwijgende, wachtende, stil-contempleerende....
't Was geweest of zij tot hem spraken, de boomen, in breedelijk plechtige, priesterlijk-wijze taal ... maar heel zacht ... en hij was gaan luisteren..., en de hooge wolken en de zwarte aarde waren ook begonnen hem trouwlijk, te troosten, te sterken in zijn strijd.... Toen was hij in-eens gaan staan, had zich plotseling breeder, manlijker, grooter gevoeld, had om zich heen en naar boven geblikt en diep adem gehaald, en was het gaan zwellen in hem, het hooge geluid, hoorbaar alleen voor den eerbiedige, die hooren wil.... De majestueuse stem van den nacht had eindelijk geheel z'n borst doorklankt...; het was als een diepe, forsch-aangehouden orgeltoon.
En woede, verbittering waren ver weggegaan.
* * * * *
Hij had zich-zelf teruggevonden, zijn eigen ziel, z'n eigen innige leven met natuur, fantasie en ideeën. Zijn bestaan van tot-nog-toe, zijn kunstenaars-bestaan van eenzamen arbeid, van sterk op zich-zelf staan, alles vinden in eigen herinnering, ziening, verbeelding, was als in een visioen aan hem langs getrokken, en hij had weer gevonden 't diep-wortelend beginsel, de leidende ster van idee, de geestelijke waardigheid. Hij had weer gevoeld wat hij was en wat hij moest doen; werken en trouw-zijn, zich-zelf zijn,--voortgaan, volgen zijn lijn, zijn pad door de dagen en nachten. De smart verdragen; ontbering, mislukking, miskenning niet voelen door spanning van aandacht. Een stugge strever, in stagen strijd met de donkere driften, minachtend de lage, weeke verlokkingen.... Hij wist het nu weer en versterkte zijn weten door fijn-scherp-doorgevoerd denken daaraan, totdat het een macht werd, waar al wat zijn ziel beroerde aan was onderworpen, tot hij zich forsch voelde gaan als een man die vast is besloten.
Zijn willende weten was onverbiddelijk nu,--een streng officier, die niet ziet de wonden, niet vraagt naar de moeheid van hen, die hij altijd weer met zich ópcommandeert.... Maar de wonden sluiten zich niet, de moeheid wordt eindelijk een looden last....
* * * * *
Hij was thuis gekomen, nog vóór zijn moeder en lang voor Louis, en dadelijk naar z'n kamer gegaan; daar had hij het licht aangestoken, zich toen weer in dien ouden leeren stoel van zijn vader geploft, en daar was hij nog lang blijven zitten, te moe om zich te verroeren.
Hij had in de laatste dagen--dan dit en dan dat--veel van de oude dingen herkend, die in de weinig bewoonde kamer op zij gezet waren, hij had zich herinnerd hun vroeger gebruik en hun plaatsen.
Nu zat hij ze weer te beturen, in de stilte van 't huis en de kamer-geslotenheid; hij zag ze weer droomende staan, maar niet zóó als ze werkelijk waren,--het waren nu spoken, zichtbaar geworden heugenis alleen aan zijn vreemd-verre jeugd....
Hij zat altijd nog wakker, te denken; maar met een hersen-beknellende, zware vermoeidheid....
Hij dacht aan zijn vader. Hij zag weer zijn ernstig, stil-vriendelijk gezicht, zijn donkere gestalte, een beetje gebogen, maar hij wist niet precies meer den baard en het haar.... Hij hoorde..., o ja! hij hoorde de stem nog wel, maar ver..., klein en ver.... Het best voelde hij nog op z'n hoofd den goed-doenden druk van die groote hand..., die hij toen zeker ... veel te weinig had gekust....
Hij dacht het weer allemaal over..., het lange weg-zijn van z'n vader..., den brief..., de donkere kamer..., kleinen Louis huilende tegen hem aan..., de bemoeiende ooms en tantes..., de thuiskomst van mama-in-'t-zwart.... En daarop ... de grauwe jaren..., de dorre drukke schooltijd.... Mama en Louis de eenigen.... O ja, vrienden; maar die waren maar om wat mee te spelen, te wandelen.... Mama en Louis..., geen anderen.... Zijn voogd?... Hij had een hekel aan dien man!... Neen, neen..., alleen mama en Louis....