De bruidstijd van Annie de Boogh
Chapter 12
Hij zat aan een tafeltje tegen den muur aan den kant van de straat, en hij keek naar de menschen, die haastig passeerden, bij donkere groepen of spichtig alleen. Onverbroken gingen de stroomen elkaar tegemoet, nooit kwam er een einde. De meesten gingen gebogen.... En toen hij wat achterover ging zitten, turend met doffe oogen--als door een waas--zag hij ze vaster aaneen, een wriemelende, golvende massa, de een aan den ander somber gelijk, als waren het altijd dezelfde die kwamen en gingen.... O! al die menschen, die zwarte massa, en al die huizen in al die straten, dat drukte op je van alle kanten. Te denken als je die drommen zag deinen, dat iedere enkle voor zich toch de wereld was en centrum der werelden, dat ieder zich-zelf alleen voelde leven, in zich-zelf culminatie van leven vond ... en dat dan ook eigenlijk ieder maar lijden kon zijn eigen leed alleen.... Het leek zoo vreemd, maar 't was wel goed zooals het was.... Want wie zou van twee de smart kunnen dragen!...
Mijmerend ging hij de straat weer op, en hij liep weer, en liep weer. Hij voelde soms dat zijn voeten gezwollen waren, zijn beenen als volle koffers zoo zwaar. De Hoogstraat liep hij, die vreeslijke straat, waar hij nooit had begrepen hoe iemand er wonen kon, die duistere gang, zoo hoog en zoo zwart, zoo troostloos leelijk en smerig besmeurd als een vettige oven na lang gebruik.... Van jongsaf had hij die straat verwenscht, hij haatte de stoffige, slordige winkels, vooral de magazijnen van goedkoope heerenkleeding, die waren er zoo veel.... Hij liep de Gedempte Botersloot over, waar, onder walmende vetkaarsen, wagens staan met allerlei koopwaar, onfrisch en beduimeld.... O ja, mooi, mooi, maar vol weemoed dat walmige toortslicht in den dampigen avond.... Hij liep maar, liep maar; óveral kwam hij dien avond, de heele donkere stad door, de Zandstraat, de Raamstraat, waar 't zeevolk lolde in kroegen en danshuizen; nu en dan keek hij, bij den armelijken schijn van een straatlantaarn, op zijn horloge, of hij al naar huis kon gaan, zonder veel kans zijn moeder of broer daar nog op te treffen....
Onder het viaduct, op de Gedempte Binnenrotte gaf hij een gulden, die los in zijn zak lag, weg, aan een oude, armoedige slet, die fleemerig fluisterend vroeg met haar mee te gaan, met cynische gemeenheid in haar stem, maar angst in haar oogen.... Hij keek nog eens om en zag dat ze er vlug mee weg liep. Misschien naar een kroeg, dacht Paul..., maar misschien ook niet..., en hij was vijf seconden bijna gelukkig....
Hij zat ook weer een heelen tijd lang in een bierhuis met een glas bier voor zijn borst, dat niet op wou.... En voor de zooveelste maal in dien eeuwigdurenden dag zat hij aan Annie's verbaal te denken.... Hij had het alles te voren wel vermoed..., ja, bijna geweten.... Dat nijdige, gallige volk, die beestige egoïsten ... hij zou ze kunnen ranselen!... Waarom had ze 't hem eigenlijk verteld, hij kon haar immers toch niet wreken!... O! maar dat wou ze ook niet, ze kon 't alleen maar niet langer uithouden.... Louis zou haar redden.... Hij niet, hij kon niets voor haar doen..., niets!...
Dan, achterover geleund, herdacht hij opnieuw, met genot vol van bitterheid..., herdacht hij....
Om één uur kwam hij thuis, gansch en al uitgeput, ziek van hoofdpijn en koorts. Bij een boom op den Eendrachtsweg had hij staan braken. Hij had goddank den sleutel en ze waren naar bed.... Zijn moeder doorschreed misschien al in droomen de partij-lichte zalen van morgenavond.... Rillend en pijnlijk kroop hij z'n bed in, maar z'n moeheid was zoo groot, hij sliep haast dadelijk, en aan één stuk door tot den anderen dag, half elf.
Toen hij op was voelde hij zich toch nog onwel, leeg, wee en koortsig. Maar hij wou er vooral niet over spreken. Hij dwong zich wat te nemen voor ontbijt.... Hij zag er slecht uit, maar gelukkig was zijn moeder zoo vervuld van haar feest, dat ze bijna niet op hem lette. Ze vroeg wel even naar gisteren, maar hij zei dat hij uit was geweest met oude vrinden. Toen schudde ze 't grijze hoofd met ondeugend dartele oogen.
's Middags sloot hij zich op in zijn kamer, ging op z'n bed liggen. Want hij moest er natuurlijk weer bij zijn van avond. Hij trachtte zich af te leiden met kijken naar al de oude dingen die daar stonden in de weinig gebruikte logeerkamer..., ze deden hem telkens even denken aan zijn kindertijd, aan 't huis op den Schiedamschen Singel..., aan z'n vader....
* * * * *
Annie bleef dien regen-duisteren Woensdag thuis..., den heelen dag.... Ze ging, doende haar bezigheden, door de vertrekken en gangen, ze werkte op haar eigen kamer met de naaister, en 's middags zat ze beneden bij mama, die 't zóó hebben wou, voor als er visite zou komen. Er kwamen ook een paar dames, met wie ze 'n poosje praatte, al voortbordurend,--monogrammen op kussensloopen, telkens weer zoo'n H en B fraaielijk in één geslingerd.--Ze schoot er goed mee op dien dag; haar uitzet was nu bijna klaar....
Maar wat was er toch met haar gebeurd?... Wat had ze toch in haar oogen..., wat had ze in haar ooren?... Het huis was toch het huis, er was niets aan veranderd, de gangmuren strekten zich in het er langs gaan, even star-zwijgend als altijd; de oude kamer-vierkanten waren haar zoo bekend, al zoo door-en-door en lang bekend ... en daar stonden de glimmende meubels, en het kastje, dat had ze opgewreven, oneindige malen.... En de familieportretten er naast, en aan den anderen kant het groote schilderij van Koekkoek, en het kleine landschap van neef Henri, in hun oude vergulde lijsten, die niet meer schoon te krijgen waren..., en de japon die ze aan had ... dat was immers doodgewoon die van 't voorjaar ... van Bönnenkamp en Mähler.... Haar bordurende handen.... O! haar handen, daar schrok ze van..., dat waren haar handen niet meer, dat waren mooi-rozig-witte, vreemd bewegende dingen aan haar lijf.... Zij was 't niet, die ze liet bewegen....
En al dat andere, de kamermuren en de meubels, waren heel ver, en van vroeger..., en mama, en die dames, 's middags, die zaten op zoo'n afstand van haar, dat ze niet begreep hoe ze kon verstaan wat ze zeiden.... Ook was het witte linnen, waar ze aan werkte, geen linnengoed..., het was de straat, de weg dien ze geloopen had met Paul..., iedere steek was een stap, en het kleine geluid van de naald droomde tot menschentaal op, tot echo's van zijn woorden, van zijn lieve, gekoesterde woorden, dat kleurige fleurige volk van haar ziel, haar blijde speelnooten, haar troostende gezellen, haar trouwe zusters en broers....
Wat was dat ook waar ze zich nu naar toe voelde gaan?... een nieuwe ontmoeting?... O ja! die partij van morgenavond, dat bal dat gegeven werd omdat ze ging trouwen.... Trouwen ... trouwen ... trouwen ... trouwen.... Zoovele ... en nog meermalen, zegde ze dat woord over in haar hoofd, maar 't wou niet doordringen in haar bewustheid..., 't gleed schimmig weg..., ze voelde er niets werkelijks aan.... Wat was er in dat woord?... Ze kon er niet over denken, want ze was niet in morgen, ook niet in vandaag, ze was in gisteren, in dien grooten, vol-ademenden dag, dien over-vol-rijken, dien over-vloeienden dag, dien dag als een mooi-ondergaande zon, warm-donkerrood, fonklend geel en oranje, teer-blauw..., zoo ruischend en stuivend van licht, zoo gloeiend en glanzend van kleur!... O die heerlijke, heerlijke dag!...
Wat was de wereld toch groot en mooi!... en zijn oogen!... Het leven, wat was het toch boeiend en prachtig, net een groote grot vol groene kristallen, die diep-stil flonkeren om je heen..., en zijn stem daarin, o! zijn sprekende stem!...
Er was in vandaag nog licht van gisteren; ja ... dat licht van de ondergaande zon was nog niet weg; deze dag hoorde nog bij den vorigen; er was ook nog mets gebeurd sinds zij zich gescheiden had van hem, hier aan de voordeur.... Je kon denken dat het zooeven was geweest, niet gisteren, want de nacht, wat was de nacht eigenlijk?... niets!..., in den nacht droom je en over-dag droom je..., er is haast geen verschil!... Het was ook wel een goede dag, deze..., maar vreemd, onwezenlijk..., 's middags aan tafel was 't moeilijk de anderen te verstaan, en te begrijpen wat ze bedoelden....
Het veranderde pas 's avonds om halftien, toen Louis binnenkwam....
Eigenlijk nog niet dadelijk. Eerst dacht ze: daar heb je Louis..., Louis met wien ik ga trouwen.... Daar was ook wel iets vreemds, ver-afs in..., maar dat was nu toch maar verbeelding, zo wist immers wel dat ze met hem ging trouwen, en hij was eerst nog meê in 't licht van dien dag, het mooie warm-rossige licht.... Maar toen kwam Louis zoo heel dicht bij haar, en hield haar hand zoo lang in da zijne, die warm was, en hij keek haar zoo aan, en praatte ook dadelijk veel over allerlei dringende dingen, waar zij niet aan gedacht had, den heelen dag niet.... Jammer, jammer, hoe kwam dat nu?... 't Was niets voor haar!... Zoodat ze een beetje vervelend-wakker werd, een nare ontstemming en vage verwarring gevoelde.... De muren kwamen ook in-eens dichterbij, alles werd gewoon, de stemmen in de kamer scherpten op, ratelden hard en zenuwachtig.... Och! wat was er nu weer, konden ze weer geen vrede houden?... Ze wist ook plotsling niet meer hoe 't alles daarnet nog geweest was, wèl--doodgewoon--dat ze gisteren boodschappen had gedaan met Paul, inkoopen voor hun huis, en dat ze daar nog verslag van doen moest aan Louis.... Ze vond dat erg moeilijk, 't verontrustte haar, ze trachtte er zich af te maken, praatte er vlug-druk over heen, ze had ook in-eens een gevoel alsof ze zich iets te verwijten had tegenover Louis.... Toch was er niets, niets.... Dat ontstemde haar tegen hem. Toen ze hem weer aankeek en haar hand nog altijd voelde in de zijne, die zoo warm was, huiverde ze even.... Zachtjes trok ze haar hand terug.... Ze keek Louis lang aan, deed moeite hem weer te zien in dat licht waarin ze hem had zien binnenkomen, maar 't ging niet meer, ze zag hem scherp-precies, zijn geschoren kin, de punten van zijn snor; en zijn stem bleef te luid. Vermoeiend luid en hard ook de andere stemmen in de kamer nu....
Louis vroeg waarom ze zoo stil was, of ze hoofdpijn had.... Neen, zei ze, maar ze was wel erg moe, ze wist niet hoe ze zoo moe kwam, maar alles was als lood aan haar.... O! haar beenen, en haar hoofd!... Ze wou maar vroeg naar bed gaan.... Dat ried Louis haar ook sterk aan, want morgenavond was het bal, dan moest ze frisch zijn en onvermoeid. Ja, ze moest vooral maar heel vroeg naar bed gaan, en ook morgen-ochtend desnoods maar wat blijven liggen.... Ze beloofde dat, en bleef verder stil zitten, weinig zeggend, maar innerlijk erg gejaagd door de onmiddellijke nabijheid van Louis, dien ze niet goed aan dorst te kijken. Om halfelf ging hij weg; zij liet hem uit, en voelde op haar wang zijn zoen als iets wee-zacht-vochtigs....
* * * * *
In bed ging ze stil liggen, met haar rug naar den muur en haar oogen dicht, zooals ze gewoon was, niet anders denkend dan dat ze wel net-als-altijd gauw zou slapen. Maar ze bleef maar wakker..., ze bleef maar wakker..., ze werd zelfs hoe langer hoe helderder..., totdat ze, haar oogen openend, schrok van haar eigen koortsig-scherp gespannen helderheid.... Turende, langs den zacht-geligen schijn van haar nachtpitje, keek ze haar kamertje in, en ze was verbaasd, een beetje beangst, zoo licht was het er; ze kon alles zien, kleinigheden die op het tafeltje lagen, de koorden van de venster-gordijnen en van de platen aan den muur.... Plotseling schoot ze recht op in haar bed. Ze meende iets gehoord te hebben, ze was bang, ze luisterde met ingehouden adem. De kastdeur kraakte; ze rilde van angst...; daarop was het langen tijd heel stil.... Maar toen ze, langzaam aan, zich weer liet zakken, turend naar de deur van haar kamer, die een eindje openstond, verbeeldde ze zich dat de knop bewoog, dat de deur verder openging, en duidelijk meende ze 'n zacht brommende stem te hooren achter de deur.... Ze sprong uit haar bed, huivrend van schrik, dadelijk scherp voelend de kou op haar borst en langs haar beenen, als liep ze in den wind.... Ze ging haastig de deur dicht doen. Toen dronk ze, aan haar waschtafel, een glas water; 't glaswerk rinkinkte met gewoon geluid; ze dacht dat alles nu wel over zou zijn, ging weer naar bed.... Vastberaden blies ze 't nachtpitje uit; in 't donker zou ze wel gauw in slaap komen....
Maar ze voelde dat water, een vasten plas, zwaar in haar maag; ze had te schielijk gedronken; ze lag klam-koortsig te rillen, trok vruchteloos het dek zich al dichter om 't lijf; ze bleef koud, erg wakker, en de angst kwam ook weer terug, toen al de geluiden, die ze zelf had gemaakt, weer weggestorven waren. Haar oogen wenden zich aan het duister; ze zag donkere figuren over den grond kruipen, ze verbeeldde zich het gordijn dat over haar kapstok hing te hooren bewegen....
Daar ze nu toch niet kon blijven liggen, omdat ze aldoor luisteren wou, besloot ze in-eens dan maar recht-op te gaan zitten--tot ze in slaap zou vallen. Ze deed het, maar 't was of ze armen en beenen in koud water stak, toen ze zoover boven het dek uitkwam....
Het was nu langen tijd fluister-stil in huis, en geheel gewend aan het donker kon ze haar heele kamer weer zien.... Maar in de gang natuurlijk niet, waar de deur was dicht.... En toch..., tóch zag ze daar plotseling Paul staan tegen den witten muur geleund, haar ernstig aanziend.... Een gil smoorde in haar keel. Groot-staar-oogend naar de deur, met een kille huivring over rug en nek, trok ze de dekens op, met beide handen, tot om haar keel, die brandend pijn deed....
Het bleef stil ... en ze zag de muren van haar kamertje.... O! ze begreep nu wel dat ze koorts had.... Zeker kou gevat of zoo iets, dacht ze.... Maar ze kon toch dien angst nog niet van zich afzetten.... Ze bleef recht-op zitten.... En telkens als ze, knikkebollend, bijna was weggedut, was er weer een geluid--het ver-weg fluiten van een spoor of boot, roepen of zingen van menschen buiten--wat haar wakker hield, opnieuw scherp luisteren deed....
Maar eindelijk scheen ze toch in slaap gevallen te zijn, want met een schokkenden schrik werd ze wakker..., en zag haar kamer in morgenlicht.
* * * * *
Dien heelen dag rilde de angst van den nacht nog in haar na, en ze dorst niet goed aan Paul te denken, want dan zag ze weer dat beweeglooze staan van hem en dien somber-ernstigen blik.... Het was een akelige, rustlooze dag. Ruzie in huis van den ochtend af tot aan het verslonsd-ongeregelde middagmaal. De humeuren deden zich gelden. Niemand gaf toe. En Annie was te moe en te warrig in 't hoofd om er iets aan te doen.
Ook toen ze, geholpen door Neeltje, zich kapte en kleedde voor 't bal was ze nog weeïg en duizelig van gejaagdheid. Flauw-lusteloos, met een vage beklemming van angst, en voorgevoel van erge dingen, deed ze telkens even de oogen dicht--haar gezicht had iets zorglijks, iets pijnlijks..., zoodat Neeltje wel dacht dat de juffrouw zware hoofdpijn had.... 't Was me dan ook weer een dagje geweest, nou!...
Louis kwam haar halen toen de anderen al weg waren. Ze was nog niet heelemaal klaar, moest zich ten slotte nog haasten. Vriendelijk bedankte ze Neeltje toen, ging lijdzaam mee....
* * * * *
Mevrouw Holman gaf haar partij in een nieuwe gelegenheid op den Eendrachtsweg. Er was een danszaal, net groot genoeg voor 'n zeventig gasten, en een aangrenzend ontvang-zaaltje, veel kleiner, eigenlijk wel wat heel klein; de menschen in hun feestkleeren stonden hinderlijk dicht opéén, terwijl ze wachtten op het bruidspaar, dat een kwartiertje later zou komen--maar 't werd wel haast een half uur....
Het was weer een regenachtig-zoele avond, en in dat zaaltje werd het al gauw heel warm; de gasten verwenschten de warmte en het wachten in dat kleine zaaltje, terwijl ze, beleefd glimlachend, stonden te praten of, voorzichtig voorbij elkaar schuivende, kennis maakten, kennis hernieuwden, de gastvrouw eens aanspraken, en herhaalden hoe alleraangenaamst ze 't gevonden hadden van de vriendelijke invitatie te kunnen profiteeren;--het was ook zoo'n echt lief, zoo 'n in-sympathiek paar, Louis en Annie, zeiden ze met diepe grijnzen en kwasi-verrukt groote oogen.
Het was hoofdzakelijk een jongeluispartij. Maar er waren toch, behalve de ouders van de bruid, nog eenige ooms en tantes en oude huisvrienden. Verder was Jan de Boogh er met een keuze uit zijn societeitsvrienden, allen rijke, wel-doorvoede heeren van tusschen de dertig en veertig, meerendeels dik, blozend en kaalhoofdig, enkelen, die kwalen hadden, gelig bleek en beenig; ze hokten samen, keken brutaal naar andere gasten en grinnikten dan, maakten opmerkingen, kraak-lachend; zetten ook wel, in een hoek van 't zaaltje, hun gesprekken voort van gisteren-avond. Ze vonden blijkbaar niet, dat ze al werk van de meisjes behoefden te maken; het was trouwens voldoende dat ze 'r waren--die kranige jongelui met hun wel-bekende namen--dat ze 'r stonden, tot luister van 't feest de schittering uitstallend van hun breede en fraaie overhemden, bij sommigen ietwat hol-ingedrukt boven de aankomende embonpoints.
Dan was Willem er ook met eenige andere Leidsche studenten, die vormelijk-deftig, verwijfd glimlachend, voortschoven tusschen de meisjesgroepen door, invullend met hun dunne gouden potloodjes op de geglaceerde balboekjes hun namen--niet minder imponeerend dan die van da beurslui--dan buigend, voorzichtig weer verder gaand. Zij bemoeiden zich, in hun ijverig trachten naar correctheid, bijna in 't geheel niet met elkaar, maar keken soms met stroeve ergernis en dédain naar de groep van Jan en zijn vrinden,--niet te lang, want zij verbeeldden zich meermalen dat er om hen werd gelachen in dien hoek, en ze waren, bij al 't besef van hun superioriteit, een beetje schuw voor die sterk geblaseerde lekkerbekken, die al-weters van het heeren-fuifleven.
De meisjes waren beducht voor hun kapsels en voor hun tint in de warmte van 't zaaltje, zij glimlachten niet zonder moeite, en er waren er die zeer recht en stuursch keken, wanneer ze niet werden aangesproken. Ze stonden erg te wachten, zich loom-langzaam bewaaiend met hunne waaiers, spraken tot elkaar, in kwasi-wanhoop, over de warmte, en met de heeren, coquetjes lachend, over den feestlijken avond en het sympathieke bruidspaar. Ze waren meest nichtjes en kennisjes van de bruid, maar ook wel zusters van de vrienden der broers; er waren er ook die de bruid hoogstens van aangezicht kenden; één was er, een zeer rijke, die vroeger een blauwtje had gegeven aan den bruigom, en een paar anderen die dat rond-fluisterden.
Mevrouw Holman stond, een beetje zenuwachtig, maar erg blij, en in een frisch-fiere, bijna uitdagende houding te midden van haar gasten. Alles was prachtig in orde gekomen. Ze was zeker van 't slagen van haar partij en volkomen voldaan met haar eigen verschijning. Ze deed schalks-vertrouwelijk tegen de heeren, dreigde hen, kwasi-bestraffend, met den vinger, als hield ze hen voor onverbeterlijke Don Juans, en prees alle dametjes dol-elegant, reine du bal..., om zoo ook zelf veel complimentjes te oogsten over haar uiterlijk.
En ook het echtpaar De Boogh zette de voor de gelegenheid vereischte gezichten. Mijnheer scheel-oogde, grijns-lachte en schetterde luid-lustig met eenige jongelui, mevrouw, verzamelde met zwijgenden glimlach allerlei aanmerkingen, en schoot er mee op, wat haar een placide, bijna gelukkige stemming gaf.
Zoo dacht ieder daar alleen aan zich-zelf, aan, eigen houding en uiterlijke verschijning, en maakte z'n opmerkingen om er z'n voordeel mee te doen.
Intusschen was aan allen die binnenkwamen door Marietje de Boogh een sterk gesatineerd papier in de hand gegeven, waarop, door 't glimmen bijna onleesbaar, een gedichtje gedrukt stond, dat gezongen moest worden bij 't binnenkomen van Bruid en bruigom; en in een hoek van de danszaal, vlak bij de deuren van 't ontvangvertrek, stond een piano, waaraan een stil, net heertje zat, ook in rok, net als de heeren-gasten, maar met bloote handen en een vermoeid, effen gezicht. Dit heertje zou 't welkomstlied accompagneeren en verder muziek voor de dansen maken. Op 't laatste moment werden door Jan, die ceremoniemeester was, nog wenken gegeven over dat zingen, in bewoordingen waaruit bleek dat hij zelf niet begreep hoe 't eigenlijk gaan moest. Toen er nu een gerucht liep dat ze er waren, en Jan was gaan kijken--jawel hoor! daar waren ze!--werd den gasten nogmaals verzocht een kring te maken, wat hen achteruit deed loopen, samenproppen in de hoeken, en een luid geruisch, gepraat en gegichel gaf, een quasi-vroolijk geprotesteer tegen dat opdringen.
Paul, die juist gekomen was, stond heel achteraan, tegen den muur. Maar over een paar gekapte meisjeshoofden heen kon hij Annie zien, toen ze binnenkwam.
Er was even stilte. Jan, gaf het sein en de pianist sloeg de introductie aan. Aan 't binnenkomend bruidspaar, dat al dadelijk wou handen-geven, werd door haastig fluisteren en wenken beduid, dat ze 'n oogenblik stil moesten blijven staan en luisteren.... De bruid zag bleek; haar smal gezichtje stond ernstig; er was iets vermoeids in haar houding; de hand die den bruidsbouquet hield, hing neer langs haar witzijden bruidsjapon; maar de bruigom, een weinig geéchauffeerd, wat hem roodige vlekken gaf in hals en gezicht, glimlachte sterk, stralend den blijden, zekeren triomf uit zijn klein-getrokkene oogen. Het kostte hem blijkbaar moeite zoo stil te staan; hij knikte al telkens naar dezen en genen, en wuifde geaffecteerd met de stijf gehandschoende hand....
Het zingen was iets te laat ingevallen, maar dat herstelde zich. Een paar goede, geschoolde stemmen en de geestdriftige van den student, die op Willems verzoek de woorden gedicht had, waren bovenuit te hooren; de meeste meisjes piepten bedeesd, en sommige societeits-mijnheeren bromden maar zoowat mee, anderen hoestten, of vielen alleen nu en dan in, bij een hoogen uithaal.... Het geheel klonk valsch....
Maar Annie hoorde er niets van. Zij had dadelijk Paul zien staan met zijn geel-bleek gezicht en zijn koortsig-toornige oogen, die hij neersloeg toen ze hem aankeek, en ze was doof van verwarring geworden.
Hij zong niet mee.
Een van de oude kennissen die hij Zaterdag op de societeit had ontmoet, zei zachtjes, hem aanstootend met den elleboog: "Kom kerel, vooruit!... meeblerren!" Maar Paul antwoordde: "Ik kan niet zingen."
Toen het uit was kwam iedereen handjes geven, de gastvrouw fier-vroolijk voorop, en toen de ouders De Boogh. De oude heer knipoogde, veinzende aangedaan te zijn; al de gepoeierde oudere dames brachten hun zakdoekjes voorzichtig tot even voor hun oogen.... Daarna stelden de feestgenooten zich op voor de polonaise. Jan ging vooraan met mevrouw Holman, dan kwam het bruidspaar....
En het bal begon. Dansen volgden op dansen, afgewisseld alleen door een paar voordrachten in een hoek van de zaal. Er was geen tooneel. Dus konden ook bruid en bruigom telkens een tijdlang meedoen als gewone gasten. Alleen de oudere dames vonden het blijkbaar plicht hun altijd weer toe te knikken, en toe te lachen, of even aan te spreken. De jongeren bekommerden zich niet veel om hen, ieder had z'n aandacht bij eigen plezier, intrige, figuur....
Annie leefde, nadat ze de balzaal was binnengegaan, in een gedurig verwachten. Ze wist eigenlijk zelf niet wat. Maar er was iets, er zou iets komen, haar borst was beklemd. Soms dacht ze dat het dit zou zijn: Paul, naar haar toekomend om een dans te vragen.... Maar zou hij 't wel doen?... Ze twijfelde.... Kon hij dansen?... Ze keek telkens naar hem uit maar zag hem dan doorgaans niet. Dat gaf haar een gevoel van verwondering en leegte, maar toch ook een kleine verlichting, want ze wou het wel, dat hij komen zou..., maar eigenlijk was ze 'r wat bang voor....