De bruidstijd van Annie de Boogh

Chapter 11

Chapter 113,862 wordsPublic domain

't Was over zijn werk begonnen; toen alle schilderkunst.... Zij sprak, met zoeken, aarzelend en eerbiedig, naar de goede woorden, van haar liefde tot alle kunst, een bewondering vol genot, die ze altijd had gehad maar nooit had kunnen kweeken, noch door studie, onderzoek, vermeerderen en verfijnen. Paul, die er zoo geheel in opging, zou 't misschien, voor haast onmogelijk houden; toch wás het zoo, en als hij haar ouders en de verhoudingen bij haar thuis beter zou leeren kennen, zou hij 't ook wel gaan begrijpen: over kunst werd daar haast niet gesproken en heelemaal nooit met ontzag en eerbied.... Ook eigenlijk nooit over schoonheid, reinheid, hooge deugden.... Het was onmogelijk zulke woorden enkel maar te noemen in 't gezelschap van haar ouders en haar broers, je wist dat ze dan dadelijk spotten zouden, ironisch kijken, 't houden voor aanstellerij.... Ze hingen een slot op je mond met hun oogen alleen-al....

Hij zei toen even, mompelend, op een toon van "dat spreekt van zelf", dat hij 't dadelijk wel gezien had..., 't verwonderde hem niets.... Och-God! hij kende 't immers...; in zijn eigen familie was 't haast net zoo geweest.... Vroeger had hij zich dat ook erg aangetrokken..., maar nu!... 't Was immers niets bizonders in zoo'n stad als Rotterdam...; geld, geld, geld, dat was hier 't eenige!... En hij vertelde haar, in korte, afgebroken zinnen, van zijn schilder worden, hoe dat eerst gegaan was.... Zij hoorde 't aan met groot, stil-innig mee-gevoel, maar ook met wat pijnlijke verbazing omdat Louis 't haar altijd zoo heel anders had voorgesteld....

In-eens hield Paul op.... Hij had een notie dat hij iets onaangenaams gezegd had van haar bruigom.... Dat speet hem erg..., hij zweeg, botweg.... Zij voelde precies waarom....

Toen, als om hem te troosten, en in haar dankbaarheid voor zijn vertrouwen, begon ze weer 't vertellen van haar eigen leven..., zoo zachtjes aan, zonder bedoeling van klagen.... Dat was ook niet in haar toon; ze had een te groot geluksgevoel om eigenlijk te klagen,... 't Bevreemdde haar zelf, zoo zonder moeite vond ze de woorden die precies, haast droog nauwkeurig, geen enkele overdreven, zeiden dat wat ze zeggen wou.... Ze kwam van 't een op 't ander ... wou alles zeggen nu..., 't was haar verlichting, bijna weelde, 't zoo uit zich te doen vloeien, wetende dat het dan viel in hem, die 't begreep, het blijkbaar alles al vermoed had.... Het was haar ook of 't noodig was, dat zij 't hem zei, precies zooals het was, want anders wist hij 't half ... en zij verlangde er naar, dat hij haar heelemaal zou kennen....

Zoo was 't een aanklacht ... zonder toorn of haat; een droef, doorleefd verhaal, maar zonder bitterheid of zelfmeelij..., werd het een biecht. "Want, schoon ze eerst niets voelde van berouw, tóch, luisterende naar haar eigen stem, bemerkte ze--dat was voor 't allereerst!--een zekeren twijfel, of 't wel alles goed was wat ze had gedaan, of ze haar jaren wel besteed had zooals 't moest.... En toen Paul, na lang aandachtig luisteren, wel meelijdend, maar toch met iets van ópstaan in zijn stem, zei dat hij 't zoo verschriklijk jammer vond..., dat het wel mooi was ... o! heel mooi en eerbied-waardig!... maar toch heelemaal niets geven kon, daar iedereen toch bleef zooals hij eenmaal was, en dat zij nu zooveel belangrijks voor haar eigen leven opgeofferd had ..., waarvoor?...; dat offeren goed was, maar zich op te offeren tegen de natuur inging..., toen voelde zij dat allemaal in-eens zoo scherp en diep, dat ze 't geen oogenblik verdragen kon--want dan zou alles weg zijn, zou er niets, geen grond meer onder haar voeten zijn, dan moest ze haar gansche leven gaan veranderen! "O! nee, Paul!", zei ze, dringend, met een drogen snik van opgewondenheid, "nee, zeg dat niet ... nee! neem me dat niet af..., ik kan 't niet missen!... Ik ben er zoo ... gerust en vredig mee geweest.... En 'k zal 't ook nog zoo dikwijls noodig hebben.... Er is toch wel veel hoogs in...."

Daarna was er tusschen hen een tijd van zwijgen, waarin ze elkaar geen enkele maal in de oogen keken, en waarin toch dat gevoel van diepe sympathie, dat in hen was en hen verbond, zoo groot werd, dat 't hun beiden was alsof hun volle harten er van overvloeiden, alsof hun hoofden waren hoornen waar die ééne wondere klank in toonde, alsof zij voortaan altijd samen zouden zijn, en altijd in diezelfde sfeer van stille innigheid, dien maan-licht-krans onhoorbaar fluisterende ziels-geheimen....

Paul had,--terwijl zij sprak, vertelde,--veel doorleefd. Hij had het dadelijk gevoeld hoe zuiver en geheel-en-al zij hem vertrouwde, en dat hij de eerste was, hij had geweten welken invloed hij op haar zou kunnen hebben, als hij 't wilde!... Toen hadden duivelsche gedachten in hem omgespookt, als schimmen die verdwijnen voor het licht.... Vage plannen waren in hem opgevlaagd, schichtig als vlugge vlammen; zijn borst was zwaar benauwd doordat hij zijn geluk te grijpen voelde..., toch wist dat hij er zelfs zijn blik niet heen mocht slaan.... Maar, toen hij, luisterend, langzaam al haar leed was gaan doorproeven, toen hadden zjjn beschroomde eerbied en zijn medelijden alle drift wel verre weg doen wijken, was hij er hevig van geschrokken dat het al zoo vreeslijk was geweest, had hij gevoeld--o! wel het prachtige van zooveel ziels-kracht, zooveel zelfverloochening, waarbij zijn eigen leven louter egoïsme scheen--maar toch óók, dat hij haar moest raden, haar zeggen dat zich-zélve zoo geheel voor niets te rekenen nooit goed kon zijn, dat iedereen van eigen leven maken moest wat mogelijk was.... Toen had ze dat gezegd van 't niet te kunnen missen, 't noodig hebben in de toekomst ook nog.... Wat bedoelde ze daarmee?... Hij dorst er bijna niet aan denken.... 't Kon dát niet zijn!... Als hij dááraan dacht en één gedachte raden liet, dan zou hij haar beleedigen..., z'n broer verraden.... En 't kón ook niet, hij had dat immers eenmaal uitgemaakt, het was onmogelijk!... Wie trouwt een man omdat de liefde mooi is?... Neen, neen, neen..., dat is geen menschelijk doen, dat kan niet.... Maar dan nog ... gesteld eens dat het zoo was, wat niemand denken kon..., dan zou 't toch altijd nog een misdaad zijn, iets monsterlijks van zelfzucht en gemeen verraad van zoo iets ideëels gebruik te maken voor je-zelf....

Snel schoten die gedachten hem door 't hoofd, trok hun sentiment hem door de ziel als louteringsvuur. Hij steeg er door tot in heel hooge stemming waar geen voor-zich-zelf-begeeren mogelijk was. Terwijl zij zwegen was zij stil in zijn gedachten, zijn lieve zuster, en hij omgaf haar, teer en zorglijk met fijn begripsgevoel, bewondering en ontzag.

Ze schrokken plotsling op.... 't Was bijna heelemaal donker; dof sloeg, ergens ver, een torenklok zes uur. Met uitroepen van schrik, maar toch niet angstig, want het kwam er eigenlijk niet veel op aan, doorstommelden zij vlug het onbewoonde huis weer, naar beneden ... Paul zou maar zeggen dat hij het gezien had, zei hij, lachend.... Ze liepen haastig, opmerkingen makend van een soort plezier, 'n beetje jongensachtig, om hun zich verlaten..., maar Annie wist toch niet goed wat ze thuis zou zeggen, ze voelde zich vreemd verlegen met het ongewoon geval.... Paul ging mee tot aan de voordeur; zij vroeg ook niet of hij nog binnenkwam.... Ze scheidden daar, abrupt, met een vluchtigen handdruk....

't Was als een afgebroken melodie....

X.

Den volgenden dag was de hemel boven de stad met een traag-hangende wolkenlaag geheel bedekt, één egale overweldiging van grijs, waaruit het af-en-toe, als een telkens weer opkomende, zwijgende droefheid begon te motregenen, windloos, geluidloos, een dampige rillerig-trillerige neerslag in een zwak, onzeker licht, dat nergens vandaan scheen te komen.

De nattig-saamgeschoolde, grijs-zwarte en zwarterig roode huizen van de zwoegende, grommelende stad stonden gelaten onder de log-zware wolkenmassa, dat vreemd slap neerhangende, drukkende dak van grauw. Overal gelijk was het huizenaspect door het overal eendere licht. Huizen aan huizen, straten aan straten, onbeweeglijk, ernstig, enorm, als een oude, altijd weer verder uitgegraven kolenmijn stond de stad om het menschen-beweeg, om die somberheid der eeuwige onrust, dat altijd elkaar tegemoet en voorbij gehaast der bevolking, hun sjouwen en douwen, hun hotsende karren, hun kijvende honden, hun afgejakkerde knollen van paarden. De torens alleen er bovenuit; ze staken zwarte gaten in de grijze massa; het hoogst dat somber-schoone, recht-opstaande blok --teeken der stad--de stompe toren van Rotterdam.... En het bleef hetzelfde, dien heelen Woensdag: die grijze, hangende lucht, veel regen, meest motregen, soms wat feller, dan weer een poos heelemaal weg, benauwend zoel, en vroeg donker.... Maar in 't straten-leven der Rotterdammers, de volte, de herrie langs havens en kaden, het drukke bewegen door nauwe straten, stegen en sloppen, gaf dat geen verschil met gisteren, of met verleden week, toen de zon geschenen had, dag aan dag. Niemand die notitie nam van 't weer. De stad was als één groote machine, voortraderend zonder wil of bewustzijn, gedreven alleen door nooit-verslappende kracht van ijzeren noodzaak. Overal deden de straten mee aan 't zaken-doen. Langs de haven-kaden en de steenen wallen der breede rivier, en in de handelswijk aan den "overkant", maar ook tot diep in 't hart van de oude stad dreunden en rammeiden de stoeten overvulde sleeperskarren, scheurde het vloekend geschreeuw, het "huw!" en "hrt" der sleepers door de klamme motregenlucht, verkrachtend het moeie geroep van de straatnegocianten. Aan de rivier en de groote havens siste de stoom, knarsten, rammelden en gierden de lieren, stonden de loeiende ossen met lage koppen en de blerrende schapen, opééngedrongen in ruwe omheiningen, moeilijk ploeterend in de groen-bruine brei van het straatslijk vermengd met hun vuil, bonsden de tonnen en kraakten de kisten; het Noorsche hout werd neergekwakt op groote hoopen; hier en daar heerschte de heete dsjing-klank van het smijten der ijzeren staven over al de andere geluiden. De vaal-bruine sjouwers en dragers, zakken over hun hoofd getrokken, de ijzerwerkers en kolenlossers, vergrauwden in het onzekere licht van den regendag, en somber mompelend gromden hun vloeken en roepen onder het werk; over de zwarte straat, tusschen de vaten en kisten, karren en paarden door, haastten zich jachterig de bleek-neuzige kantoorlui; uit de kroegen sloegen ruziegeluiden, in damp van drank, en mengden zich met het straatrumoer tot helsche lawaaien, die laag bleven hangen in de zware, nattige atmosfeer, waarin de grauwe stad met moeite te ademen lag.

* * * * *

Paul Holman liep telkens tegen iemand aan. Want hij zocht de drukste havens en straten, en hij ging licht slingerend, z'n handen in z'n zakken en keek niet altijd goed uit waar hij liep. Om elf uur was hij van huis gegaan na een onrustigen, koortsigen nacht, alleen in den morgen wat doffen slaap. Zijn moeder had er om gelachen dat het nu al uit was met de matineusheid....

O die nachten! hij begon er nu zoo tegen op te zien.... Als alles stil en rustig is, in huis, en overal, en alleen je gedachten, die dringen op je aan, groot en ontzettend, belichaamd bijna!...

Hij had niet in bed kunnen blijven, had lang heen en weer geloopen, had eindelijk loom-zwaar neergezeten, als neergedrukt, in een ouden leeren stoel--een bureaustoel van zijn vader--zenuwachtig schurkend met zijn ellebogen langs de versleten armleuningen. Hij was er in verkleumd tot klappertandens toe; zijn borst en zijn rug voelden klam-nattig van kilheid. Toen, met het ochtendlicht, had een leege nuchterheid hem weer in bed gebracht. Dat tobben en zorgen, wat gaf het?... Niets!...

Nu liep hij door de stad; hij was dadelijk naar de handelswijken gegaan, de Boompjes langs en de Maasbrug over, waar de breede, vlottende rivier voor hem uitlag, het staal-glanzige, hobbelige watervlak, gansch grauw door den weerschijn der wolken, met de booten op stroom en de langzame slierten zwaar geladen schuiten, de reuzig gepeilerde brug, waar de sissende sleepbootjes onder door kwamen schieten met haast en felle beslistheid; en op Feijenoord ging hij al de havens af en de nieuwe straten en kaden. Hij probeerde zich wijs te maken dat hij dat alles weer eens wou zien. Maar 't was om de drukte, de herrie alleen, die versufte, verdoofde, dof-dronken deed worden hem die gewoon was te leven in wijde stilte en eenzaamheid. Hier kón je haast niet denken, 't kwam alles naar je toe, van alle kanten, je móest er wel naar kijken, en er was ook een zeker somber genot in je-zelf te voelen gaan, zoo dood-geslagen en al half begraven, door al dat sterke, stampgaande leven, dat daverende feest van werkkracht en geldmacht;... zóó, kleurloos als een schim, het eigen zwakke licht binnenwaarts gericht, je te bewegen te midden der glanzing en blikkering van natte zwarte, bruine en hel-vervige dingen, die leefden en bewogen fel-uit naar het buitene....

Innerlijk was hij bij haar, omgaf hij haar gestalte, fee-mooi in zijn gedachten, met het mystieke licht van zijn adoreerende liefde; hij herinnerde zich weer al wat ze gisteren had verteld en vond het nu alles alleen maar mooi en aanbiddelijk, haar een wezen van louter goedheid en gratie, zich-zelf een egoïsten genotzoeker....

Toch, als hij dan zijn eigen leven weer liep te besoezen, dan vond hij er niet veel andere genotzucht in dan 't eeuwig verlangen naar scheppen, naar slagen, zich-zelven voldoen met het werk van zijn handen.... Zijn leven, hoe vreemd ging het toch, hoe onverwacht wendde het zich.... Hij had zoo vast geloofd, in die stilte daar in Brabant, dat hij nu toch voorgoed zijn evenwicht gevonden had, dat het zóó nu zou doorgaan, in een richting; breeder, krachtiger, op den duur wat wijzer misschien door veel te denken.... Na al die onrust en gedurige inspanning, de zelfoverschatting en de tobberij, het zoeken en ploeteren van de eerste jaren, was hij daar gekomen tot een toestand waarin hij gedacht had nu in de eerste plaats een gewoon-goed mensch te kunnen worden, en dan een bescheiden werker, een bewust strever, maar een die weet hóé ver hij pas is, hoe weinig hij nog heeft bereikt..., ja, een die weet, wát goed en wát verkeerd is, en zich-zelf in zijn macht heeft, en daarom nu ook kan praten en lachen, eten, drinken, slapen en kranten-lezen als ieder ander.

Maar nu?... Wat wist hij?... Wat wilde hij?... Had hij eigenlijk ooit iets geweten?... Hij dacht aan de kalmte der verloopen maanden terug met verbazing en wanhoop.... Want er was nu een warreling, een rijzing en daling, een gisting en beroering van gedachten en gevoel in hem, waardoor het onmogelijk was tot een zelfbepaling, tot een plan of een daad te komen.... Een gewoon-goed mensch ... hij had daar geen begrip meer van, 't was hem als was hij eigenlijk in 't geheel geen mensch, niet een als al die anderen, als die daar vóór en die daar achter hem..., ze leken allemaal zoo massief en kloek van doen, en hij was enkel een vat, een loos omhulsel van gevoel en peinzerij.... O! 't zou alles wel weer anders worden!... 't Zou alles wel weer tot bezinken en vastheid komen. Maar daarvoor moest hij nu maar lang alleen zijn en maar loopen, loopen, door de drukte en de volte.... Hij zou er zich dan wel weer één mee gaan voelen....

Hij had ook weer oogenblikken--heel plotseling soms--dat hij niets zag, niets hoorde en even stil moest blijven staan van warrende ontroering; dat z'n bloed z'n hoofd deed gloeien, bonzen of 't barsten moest, en dan in-eens scheen te vervlieten..., dat zijn oogen wijd open stonden, zijn handen onbewust grijpende bewegingen maakten. Dat was de extase, de groot-wassende verrukking, het geluksvisioen, en als 't vervloot, natrillend in al de zenuwen van z'n geslagen lijf, genoot hij van een diepe, stil-pieuse dankbaarheid voor 't kennen nu, het dan toch hebben leeren kennen van zoo machtige emotie, van zulk een staat van bijna blindende aanschouwing, van zoo volmaakte liefde.... Maar smart en kleinmenschlijke bitterheid om 't wreede denkbeeld dat zijn hoogst begeeren nooit voldaan zou worden, om 't weten dat zijn leven nu noodzakelijk onaf, verminkt moest blijven, dat hij daartoe was veroordeeld onverbiddelijk..., volgde telkens weer op die momenten; en hij wrokte dan, wrokte tegen 't lot, wou van zich-zelf geen schuld erkennen, gaf toe aan trotsch gemok, aan voelen zich verdrukt en ploerten machtig, ploerten gelukkig.... Toch, áldoor loopende, loopende, heel den middag door, werd hij eindelijk suf van moeheid en zijn heftigheid verdoft, verzwakt.... Zijn gedachten werden telkens afgeleid.... Hij keek met, medelijdende aandacht naar menschen die sjouwden met zware vrachten, wist meer van zijn meevoelen met ernstigen, met verdrukten vooral, minder van zijn haat voor het grijnzende ploertendom.

* * * * *

In 't grijze half-licht laat in den middag--fijn en dicht was de dampige motregen--stond hij te wachten voor de Leeuwenbrug, die was opengedraaid. Het duurde lang, er moesten wel tien of twaalf vertrekkende beurtschepen door; met droomerige langzaamheid werden ze voortgestuwd, de haven uit, tot midden in het wijde water van de Maas. Met hem hoopte zich een nattig-donkere volte op van menschen en paarden, sleeperswagens, honden- en handkarren. Hij stond tegen 't ijzeren hek, op zij, te leunen, kijkend naar een groep goor-groezelige polderwerkers.... Het waren meest oude mannen, verweerd, aardgrauw, ruw-ernstig. Gebogen stonden ze in hun erg bemodderde en verbruikte hooge laarzen, groote, slap-leerige hoeden op van grillige vormen, waaronder de trekken hunner grove gezichten weg-schaduwden. Onherkenbaar van kleur, zoo gelapt, vuil en nat was alles wat ze aan de bonkig-stoere, de hoekige, naar arbeid staande lichamen hadden. Ze droegen hun zware ruwe spaden en de gebulte blikken waar hun kost in was geweest; zeker kwamen ze terug van een karwei in den polder dat den heelen dag had geduurd. Dicht opéén in den motregen stonden ze te grommen en te mompelen.... Paul ging nog een eindje terug langs de ijzeren leuning; hij schaamde zich over zijn heeren-kleeren....

En plotseling had hij het heftige verlangen die groep daar uit te teekenen;... het kon niet, hij had er nu niets voor bij zich; 't was ook al te donker, te nat en te vuil hier.... Maar hij zou trachten het vast te houden, het later te doen..., hij wou het bepaald.... Vreemd, want hij was landschapschilder, had tot nog toe figuurteekenen vrijwel verwaarloosd.... 't Was of z'n ziel opschokte bij die gedachte; was hij dan zóó veranderd?... Neen ... toch niet!... want wat hij met zijn landschappen, met zijn horizons had gewild, o! dat wilde hij nog, maar nu veel intenser, scherper, directer.... Vroeger had hij wel meelij gehad, weemoed vooral, om de ellende der armen, nu hield hij van ze, nu leed hij pas eigenlijk mee, en dat, dát wou hij uitspreken..., wou hij opvoeren tot schoonheid....

O! als hij hier nu blijven kon..., als hij nu vrij en zich-zelf kon zijn in deze stad, in deze pracht-stad vol afschuwelijkheid, deze stad van ploerten en ellendigen, dit somber-schoone hol van handel, geld en modder..., hoe zou hij er kunnen werken..., want dat, wat hij voortaan uiten wou, dat zou hier bloeien, dat zou hier daaglijks voedsel krijgen, zijn ploerten-haat, zijn afschuw van gelddorst, en zijn liefde vooral, zijn mede-lijdende-liefde voor de behoeftigen, de verdrukten, de onder-liggenden.... Zoeken zou hij ze voortaan, ook onder die weinigen die leefden in dat land van hei en bosch en moerassen, waar hij weer heen gaan zou.... Zóó zou hij zich dan bevrijden van dat gevoel een egoïst te zijn..., terwijl zij.... Neen..., zich geven zóó als zij zou bij nooit kunnen....

Mijmerend over dat nieuwe, in-eens zoo vaste, zoo strak omlijnde kunstbegrip,--terwijl hij juist gemeend had tot helder inzicht niet meer in staat te zijn!--was hij, een zwarten stroom menschen volgend, het Haringvliet heelemaal afgeloopen, en den Oostzeedijk op. Het was nu bijna geheel donker; de motregen, verfijnd tot een zwoel-zwaren damp, vol muffe stankjes, kwam van alle kanten, van over den zwarten muur waar hij langs liep, en zijn pad van vastgetrapt kolengruis, van het rommelige buurtje benedendijks, en van boven uit de enorme massa's van grijsheid die daar aldoor maar hingen, ondoordringbaar en lichteloos. De lugubere dijk was vol op dit uur van naar-huis-toe-gaande mannen en vrouwen. Overal in de straten daar beneden en ook hier aan den dijk in de verloren-staande huizen-groepen kwamen schijnsels van rossig en koel-geel binnenlicht, en telkens ging er een tram voorbij, vol met menschen in rijen bij de olielampjes, een rollend kamertje vol warmte en innigheid van avond-licht door het lugubere dijkduister.... Maar Paul lette er niet op, hij was te verdiept, hij liep door, de Gasfabriek, heel Kralingen voorbij, de kerk voorbij, den spoorweg over, totdat hij heelemaal in het donker stond bij de Oude Plantage.... En nu zich wel bewust waar hij was, liep hij toch nog verder door, naar den Maaskant, en ging zitten op een bank, van waar hij, onder de zware, zwarte boomkronen door, kon turen over het water. Terwijl hij daar zat werd het geheel nacht, de Maas glasglanzend, zwart als inkt, de boomen beweegloos, aflekkende dikke druppels, die tikten op zijn hoed en zijn schouders met ongeregelde, doffe tikken. Door de rivier kwam af-en-toe een lange lage schuit, heelemaal zwart, met een lichtje vóór en een lichtje achter, vlak op 't water, en ook aan den overkant en langs de Maas zoover hij zien kon, pinkten puntjes van licht, rossig, klein in den regendamp.... Alleen leek hier en daar over het water nog altijd wat druilige schemer te wijlen....

Paul voelde nu wel dat hij doodlijk vermoeid en zijn innerlijk maar half verantwoordelijk was voor de diep sombere, lugubere dingen waar hij voortdurend aan zat te denken. Hij wist wel dat die omgeving, het zwarte duister, de regen, het herhaald, in de verte, schril-gillend gefluit,--die onheilspellende storing der stilte--daar mede in waren betrokken. Toch gaf hij er aldoor aan toe, met graagte zich martelend, volop zich gevend aan smart en ellendigheid, als wilde hij zich er geheel mee drenken, om er daarna tegen bestand te zijn. Hij ging aan het water staan, luisterend naar het zacht-klokkend gekabbel daar vlak bij z'n voeten, en voelde de waterkou rillig omhuiveren zijn kil-natte lijf.... Maar toen was er in-eens een gedachte in hem aan de mogelijkheid van ziek te worden, en een plotslinge wrevelige onwil daartegen.... O neen! dat heelemaal niet!... geen ziekelijkheid, geen interessant zijn, geen opgepast worden..., och-god, neen, asjeblieft niet!... En haastiger dan hij gekomen was liep hij terug en ging in een tram zitten die naar de stad reed. Bij de Hoogstraat stapte hij uit en liep een cafétje in om een borrel te drinken als remedie tegen de vochtigheid en de kilte, die hij voelde op z'n huid, van armen en beenen vooral, waar zijn natte kleeren bij plekken aankleefden. Heet-prikkelend, branderig viel de jenever zijn wee-leege maag in. Toch hielp het, gaf het wat warmte z'n lijf door, en een dof-roezigen gloed óp naar zijn suffend hoofd.

Naar huis kon hij nu niet meer gaan om te eten, hij wou 't ook niet, hij wou geen verklaringen geven. Hij had ook eigenlijk geen etenstrek.... Toch zou hij wat nemen ... dat was beter.... In een grooter café, daar op de donkere Hoogstraat ergens, bestelde hij een broodje met vleesch, en een glas Pilsener. Langzaam en moeilijk zat hij 't er te verorberen; het dunne bier smaakte hem niets, het was rinzig en al te koud ... hij liet het half staan....