De bruidstijd van Annie de Boogh
Chapter 10
Maar Annie voelde 't zoo: Er was een zekere afstand tusschen hen, een leegte van vervreemding, alsof er iets onaangenaams gebeurd was--een misverstand misschien--iets van een twist die weer was bijgelegd, al half vergeten, maar toch eigenlijk niet uit-gepraat, niet weg-geruimd.... Toch was er bij haar weten niets. Ze zocht verdrietig rond in haar geheugen. Ze herinnerde zich nu wel, ook Zondagavond had ze even dat gevoel gehad..., lang zoo duidelijk niet, en ook maar kort.... Had ze dan toch misschien op de receptie iets gezegd wat hij zich aan kon trekken?... toen hij zoo plotseling weg was gegaan, bevangen door den sterken bloemengeur.... Want Zaterdagavond was het juist zoo heerlijk tusschen hen geweest; dadelijk had ze dat gevoel gehad van in zijn sfeer te leven, in zijn licht, met hem in sympathie, verwantschap bijna.... Zij wist dat hij haar toen vertrouwd, haar vriendlijk tot zich opgeheven had.... En ook bij 't weggaan had ze dat nog sterk gevoeld, 't lag in zijn handdruk, in zijn stem, vooral in den ernst van zijn gelaat, dat haar toen al zoo goed-bekend, zoo lang-vereerd had toegeschenen.... Wat was er dan toch veranderd in die dagen waarin ze hem nauwelijks had gezien?... 't Was triestig dat het zoo mooi beginnende zoo gauw al was verstoord ... door niets ... door tijd....
Zoo liepen ze de saaiïg nette singels langs, 't bedrijvig centrum van de stad, in 't vlugge naderen, al voor zich voelend, verlangend naar 't afleidende gevoel, de stratenherrie die de stilte tusschen hen zou vullen.... Ze tuurden beiden al voor zich uit naar de brug waar ze zoo dadelijk over moesten gaan en die hen in de drukke stad zou brengen; ook als ze iets zeiden trachtten ze elkaar niet aan te zien; maar toch wist de een precies hoe de ander keek en zich vooruit-bewoog en dacht daaraan, voortdurend, half-bewust. Ze zagen elkaar even goed al hingen zich hun blikken aan die brug daar, of aan een wolkje, hoog, of aan een grijs-geverfd kozijn dat tusschen net gevoegde roze steentjes lag in een der zuinigjes gebouwde singelhuizen; zóó waren ze gedurig in elkaars gedachten, zóó letten ze op elkaar in 't onbewust gespannen-zijn der andere zinnen. Het voetgestap van d'een ontging den ander niet, noch 't even schuren van haar mantel langs zijn overjas....
* * * * *
Toen kwamen ze in de drukke winkelbuurt..., het Boymansplein, de Blaak.... Het was er fleurig vol in 't mooie najaarsweer; een onophoudelijk schuifelen en gestap van boodschap-doende menschen over het trottoir van bruinig-gele klinkers aan den huizenkant; in 't midden van de straat, hardgrauw van keien, trokken stoeten zware sleeperswagens stootend voort en ratelden de vigilanten; telkens tramgebel, heel hel; een orgel; fietsgetjingel; schor geschreeuw van venters; een Rotterdamsche drukte, nonchalant en herrieachtig. Dikwijls werden ze, door groepen menschen, voor een oogenblik gescheiden, maar dan hipten ze altijd vlug weer naar elkaar; soms stonden ze even samen, voor een winkel, stil.... Ze kwamen nu ook verscheiden bekenden tegen; dames, die koel-vorschend keken naar Paul, dan grijnzend neigden naar Annie, heeren die eerbiedig hoed-afnamen, maar met een schuinen blik op hem, soms ook met een glimlach van plezier in 't vreemde van 't geval, passeerden.... Een paar maal hoorden ze dan fluisteren: Zeg, wie is dat?... Ken je die?... Wie heeft Annie de Boogh daar nu bij zich?...
En in hun beider stemming kwam verandering.... Ze gingen zich wat meer kornuiten voelen; 't gaf hun een zekere voldoening dat verwonderde gekijk der menschen; Paul had zelfs een oogenblik van lichten trots daardoor, waarin dat nieuwe, zoo met haar te loopen door de menschenvolte, hem in-eens genot scheen, en 't hem verheugde dat dat nog zou duren, den heelen middag..., je hoefde daar niet over heen te denken.... Het was hem mogelijk met een echten glimlach iets tot haar te zeggen over dat verbaasd-nieuwsgierig kijken van de menschen, en 't was die glimlach--in den toon waarop hij 't zei--die als doorbrekend zonlicht viel, haar in 't gemoed.... Een juiching was daar eensklaps in haar hoofd, een lichtheid, voelen van geluk..., ze had zijn stem herkend.... Nu zou t wel gauw weer alles worden zooals dien eersten avond. Zelf kon zij nu ook wat zeggen met een stem van blijde opgewektheid ... toch even nog nerveus trillend.... Maar dat bracht haar metgezel weer bijna in zijn pijnend smart-gevoel terug. Het lukte hem met groote moeite in den aangeslagen toon nu voort te gaan,--want hij wilde dat, 't was noodig ... noodig.... Annie mocht niets merken!...
* * * * *
Ze moesten 't eerst bij een behanger zijn; een groote winkel, toch niet ruim en ook niet licht, doordat er rond-om zware rollen tapijten-stof gestapeld stonden, hoog en donker; het scheen wel een voorraad voor eeuwen. Er hing in dien winkel een weeë, zoetige, benauwde lucht van al dat wollige kleedengoed, die weeke massa's waar het straatrumoer in doofde, de stemmen kleintjes klonken, kort van adem. Maar toen ze aan 't gedempte licht en aan die atmosfeer wat wenden, kreeg dat stil-beslotene toch iets intiems, dat niet onaangenaam aandeed.
Er moesten een paar portières zijn voor in de suite, en, om de kleur te kunnen kiezen, liet de bruid zich geven een rol van het papier, waarmee de beide kamers al behangen waren. Ze vroeg aan Paul wat hij wel zei van het behangsel. De schilder vond de Kleuren vrij gelukkig, maar de teekening banaal en ook te druk. Hij ried er weinig, hoogstens enkele etsen en gravures tegen aan te hangen, wit-en-zwart, geen schilderijen, en vooral geen dikke gouden lijsten. Hij sprak beslist en rad, verklaarde nader wat hij meende.... Annie luisterde, aandachtig en teleurgesteld, ze was haast alles met hem eens, maar wou niet zeggen dat Louis de keus beslist had. Het plan was in die kamers juist wel schilderijen op te hangen--Pauls schilderijen onder andere--en juist wel in breede gouden lijsten.... Annie schaamde zich een beetje.... Ze had al meer gemerkt, Louis had eigenlijk geen erg gedistingeerden smaak.... En zij moest toch wat meer zich-zelf zijn!
Ze zaten naast elkaar, op lage stoelen, en terwijl de winkelchef portières uitzocht, ze sierlijk-plooiend begon uit te stallen, praatten ze nog over de behangselkwestie door. Haar vragen en haar ernstig luisteren boeiden Paul, die bij 't van huis gaan, in zijn wrokkende geslotenheid, juist tegen dat helpen kiezen in 't bizonder opgezien had, zich niet in staat geacht tot eenige attentie voor die mondaine kamerprullerij. Maar 't viel hem mee; hij werd door 't moeten denken over kleuren, lijnen en verhoudingen al afgeleid; dat voelend gaf hij er aan toe, en 't was haar ernst die hem geheel er in bracht. En in zijn koortsige nervositeit begon hij zich nu meer-en-meer met haar in kleurenkwesties te begeven. Zij luisterde met éven-open mond, de blik niet af van zijn beweeglijk-sprekend aangezicht. Zij moedigde hem aan, verheugd, verheerlijkt, omdat Paul zich weer zoo gaf, zoo open en zoo ernstig sprak met haar. Dus vond hij haar toch wel de moeite waard, toch niet zoo dom.... En meer-en-meer wond Paul zich op, sprak vlugger, scherper door, werd losser van bewegingen, wierp gansche hoopen bonte lappen met gebaar van minachting op zij, vond eindelijk iets dat van beginsel goed was en ook tamelijk wel paste bij 't behang.
Toen dan een paar portières waren gekozen, gingen ze--de winkelchef voorop--de meubelenzaal in, die aan 't tapijtenmagazijn aangrenzend was. Daar moesten een paar gemakkelijke stoelen worden uitgezocht voor bij den haard in hun salon. Met opgewektheid droeg de chef er zelf verschillende aan, schikte ze, paarsgewijze, zooals ze wel zouden komen te staan, over elkaar of naast elkaar, met een gedurigen glimlach van voldoening over de gevoelentjes van lekkere weelde en volmaakt gemak die hij geloofde op te wekken....
In een roes van opgewondenheid was Paul mee naar die zaal gegaan. Hij voelde dat hij zijn gedachten niet meer meester was, maar hij was zich geen gevaar daardoor bewust,--toen had hij eensklaps bitter-pijnlijke oogenblikken, een martelend visioen.... Hij zag zijn broer en Annie, in die stoelen, aan hun haard. Hij zag 't scherp-duidelijk wreed precies; zóó zouden ze zitten, dikwijls, in den winter; de voeten met-d'r-vieren bij het vuur, de beide hoofden achterover in gesoes ... of stil-verdiept in rustige lectuur.... Dan ging het schemeren, werd het lezen al onmogelijk.... In de kamer..., in de kamerhoeken was de duisternis geluidenloos al groeiende, deed allen vorm in vreemde trillingen vervloeien, werd langzaam, langzaam aan al dichter, wolliger, diep-zwarter om hen heen, en eindelijk waren nog alleen zij beiden aan den haard, door 't vuur-gegloei, in een rossigen schijn, waren enkel nog hier en daar op glaswerk of metaal wat glimmeringen, als stille dwaallichtjes, zoo sprookjesachtig-rustig en intiem...; dan neigden zich hun hoofden naar elkaar, en gingen liggen fluisteren..., dan zochten zich hun handen--Paul zag het, hij zag het!--de ééne stoel stond leeg!... in den anderen lagen zij beiden en hun lispelend gekus was storend in de staande stilte.... Paul zag, hij hoorde, voelde 't allemaal, en jaloezie was als een gloeiend ijzer in z'n klam-koude, dichtgedrukte borst.... Op sloeg zijn passie, wild-uit in zijn lijf; hij kon 't haast niet meer bedwingen.... Hij zag haar niet, stond zelfs afgewend van haar, maar voelde sterk haar atmosfeer, en als lokkende weelde klankte hem door 't hoofd haar stem-geluid.... Hij stond in blind geworstel met zijn hartstocht.... Daar ontdekte hij ook ineens..., daar zag hij dat waarop hij al minuten lang gestaard had zonder zien: een glazen deur door, in een andere zaal, zag hij een ledikant staan, een voor twee, met baldakijn en breed-geplooid gordijn; het stond daar als model te pronk.... Toen knipten zijn oogen door 't daarachter branden van zijn bloed, zijn keel en mond verdorden, er was een wild geklop in zijn borst en zijn blakerende polsen. Hij voelde dat hij schreeuwen had gesmoord,--alleen wat mompelend gevloek brak van zijn saamgeschroeide lippen; hij sloeg zijn nagels fel in 't weeke handenvleesch, voelde ze als mesjes, scherp, en trachtte met die pijn zich te overmeesteren....
Een tijd lang zei hij niets..., probeerde 't wel, tweemaal..., maar 't wou niet van z'n korrelig-droge lippen.
* * * * *
't Was Annie eerst wel aangenaam geweest dat Paul niets zei,--Ze kon nu ook eens toonen goeden smaak en keus te hebben, als hij haar maar eens liet begaan.... Het was haar of ze al die dingen nu al met een ander, meer geoefend, oog bekeek; ze nam den vorm, de teekening veel intenser in zich op dan vroeger,--'t was of ze toen maar altijd onverschillig was geweest, nu pas met alle kracht begon te leven!--Ze zei ook, tot verbazing van den winkel-meneer, en van haar zelf, telkens iets raaks en ongewoons; de man keek bij herhaling--vruchteloos--op zij, naar Paul, als om zijn hulp te zoeken tegen wat zij aan te merken had; zijn mooiste meubels waren niet goed, zij vond ze haast alle te opgeschikt, te oneenvoudig.... Maar toen Paul maar aldoor zwijgen bleef, werd ze in-eens verlegen, verbeeldde ze zich plotsling vast veel dwaze en domme dingen gezegd te hebben..., en dat hij zweeg uit ergernis, of om haar te sparen. Blozend keek ze nu eens om naar hem; maar Paul liet zijn gezicht niet zien.... Hij scheen ook in 't geheel niet meer op haar te letten, want toen er even stilte was, bemerkte hij 't niet eens.... En Annie voelde zich weer net zoo als toen Louis had voorgesteld dat Paul zou meegaan, en hij geaarzeld had dat goed te vinden..., zoo verdrietig en in-den-steek-gelaten.... Ze zei, nog sterker blozend, met een geluid van tranen achter in haar stem: "Toe Paul, help jij me nu 's!... Wat vin-jij de mooiste van die twee?..."
Paul keerde zich langzaam om, keek naar de stoelen, zag ze eerst nog niet, verward, versufd.... Maar ... zij mag niets merken!... Vast greep weer die wilskrachtige gedachte de teugels van zijn geest; al sterker werd, door 't voelen van 't gevaar, die wil van hem haar niets te doen vermoeden van zijn liefde....
Hij begon aanstonds weer mee te praten, zei schertsend dat voor een stoel 't gemakkelijk zitten eigenlijk wel de hoofdzaak was.... Dat stelde haar te leur--ofschoon zijn toon die goedig, niet ironisch was, weer goed deed;--zij vond toch, zei ze, dat ook stoelen zoo mooi mogelijk moesten zijn; ze hoorden immers ook tot iemands daaglijksche omgeving en--zooals hij zelf daarnet gezegd had--beïnvloeden de dingen om je heen, gedurig door, je smaak ... je stemming ... eindelijk je gansche wezen..., werd je ten deele door de dingen opgevoed, niet waar?... Ja, ja, dat was ook allemaal wel zoo, redde zich Paul, maar ... hij wou maar zeggen, een stoel moest in de eerste plaats toch zóó gemaakt zijn dat je, er op zittend, werkelijk rust, terwijl je geest niet wordt gestoord en afgeleid.... Zoo raakten ze weer aan 't praten, over en weer;... in 't eerst kon 't Paul niets schelen wat hij zei..., als hij den toon maar hield..., het kwam er verder niet op aan, de tijd moest dood.... Maar opnieuw werd hij verdreven uit die onverschilligheid door haar aandachtig luisteren, haar stil-oprecht haar meening zeggen met veel meer ernst dan 't waard was, wat hij zei.... Hij schaamde zich wat over z'n zoo-maar-d'r-op-los-geklets.... Dan ook: zij maakte 't hem niet makkelijk; zij was niet met een kluitje in 't riet te sturen; zij vroeg en vroeg ... zooals een kind dat lastig is met vragen en gevolgtrekken.... Ze vergaten zelfs een paar minuten heelemaal den winkelchef en ál zijn meubels; de man begreep niet wat zij eigenlijk voor menschen waren...; hij wou niet graag storen, 't was zijn brood..., maar eindelijk werd het toch wat ál te gek!... hij kuchte maar 's..., liep een eindje weg, en zoo....
Glimlachend keerde Annie zich toen om, naar hem, haar oogen glinsterden, ze had een kleur van opgewondenheid.... Ze wou nu ook niet langer blijven in het hard-besloten, zielloos magazijn, ze had er plotseling het land aan--alsof ze van iets veel aantreklijkers vervuld was.... Ze maakte 't dus gauw af, zei dat ze nog wel terug zou komen.... En dadelijk op straat, nadat ze snel van stap den winkel waren uitgeloopen, begon ze opnieuw, had allerlei te vragen, op te merken.... 't Was haar alsof ze op reis was in een vreemd-mooi land--waarvan ze tóch al vroeger eens gedroomd had--en telkens over alles wat ze zag moest vragen, en moest zeggen....
't Was even over vieren, 't drukste uur in 't centrum van de stad, de winkelstraten. In 't al zwakker wordend licht scheen 't praat- en roep-geraas, het ratelen en rammelen nog roeziger, de straat nog rommeliger, en voller van zwarte lijven. Tusschen 't zwaardre gonzen klonk nu ook het hooge praatgeluid, het gillend-hooge lachen, schreeuwen, joelen van de kinderen-uit-school; het was soms zoo'n lawaai, dat ze elkander niet konden verstaan, en over 't zwarte, overal-vet-glibberige plaveisel was 't moeilijk loopen door het ieder oogenblik uit moeten wijken. Een slager met een mand, brutale bonk, liep met een schreeuw van "hai! kaik uit!" pal tegen Annie aan. Zij schrok er niet van, was die herrie wel gewoon, maar Paul, nerveus, half angstig, stapte met haar door, in overdreven haast, totdat ze weer op de Blaak kwamen, waar 't minder herrie-achtig was.... Ze liepen er aan den waterkant.... Annie moest even lachen om Paul; ze kon wel merken dat hij Rotterdam ontwend was, zei ze, en hij aan 't praten over Brabant, 't eenvoudig leven, 't rustig-werken daar.... Er was een heim-wee in zijn stem, en vreemd! zij voelde dat haast net zoo mee....
* * * * *
Ze waren nu klaar met hun boodschappen, konden dus wel naar huis gaan.... Ze liepen dien weg op, het Boymansplein weer over, en de Singelbrug daar, toen den langen, luguberen Binnenweg--opnieuw in 't menschengewoel, de donkere, schreeuwerige stratenmenigte--; nu waren ze er bijna.... Maar hun gang werd trager, slepender; er kwam een zekere aarzeling in hun stappen, alsof ze moe waren, allebei.... Ze zagen er tegen op dat het nu uit zou zijn, nu ... zoo-met-één....
Annie liep te verzinnen, iets dat de wandeling nog rekken kon. Ze vond dat ze 'r nog lang niet genoeg aan had gehad. En 't zou al aanstonds gedaan zijn.... Ze kende de buurt hier zóó door-en-door, ze wist zóó alle huizen, dat zij bij iederen stap zich dichter voelde bij dat ééne, daar, den hoek om, op den Mauritsweg, daar waar zij thuis was--ze kon het zich nog niet anders voorstellen--en in het naderen groeide ook haar tegenzin.... Ze had nog nooit zoo goed--en met zoo'n smartelijk gevoel van dat er niets aan te veranderen was--'t verschil geproefd tusschen de atmosfeer daar in dat huis en overal anders waar de menschen vrij en natuurlijk met elkaar verkeeren. Het was een slavernij, het waren boeien, waarin haar huisgenooten elkaar gesloten hielden, met hun hatelijke woorden, hun bleeke blikken, hun steenen stemmen, hun smadelijken lach.... Annie dacht nu met een soort ontzetting aan die jaren-lengte achter haar, die dagen-aan-dagen, maanden-aan-maanden van geduld en zelf-opofferende pogingen ... voor niets.... God! ze begreep niet, hoe ze 't ooit had kunnen doen..., zóó lang....
't Kwam zeker, dacht ze, doordat ze 't leven zoo veel grooter, breeder, ruimer was gaan voelen, veel meer naar alle kanten mooi en interessant...; maar misschien ook wel ... doordat ze nooit zoo diep nog had gevoeld de heerlijkheid, 't geluk door sympathie, door om-te-gaan, vertrouwelijk, stil-intiem met iemand dien je voelt van 't zelfde makelij te zijn..., als van één herkomst, en met één bestemming....
* * * * *
Maar ook Paul zag tegen 't einde op; hij voelde 't al, z'n straks-alléén-weer-weggaan, 't was iets ijls en leegs, naar-nieuw, en geheel zonder doel.... 't Was vreemd, zei z'n verstand; toch was het zoo.... Hij had er in 't begin voortdurend naar gesnakt, dat 't met die pijnlijke benauwing, van haar zoo aldoor naast zich, zou gedaan zijn; hij begreep er niets van dat hij nu niet blij was, dat ze er bijna waren..., dat hij geen verlichting voelde.... Maar, integendeel, 't was of er loomheid zakte in zijn beenen, tot hij zwaar en schuiflend liep om 't langer te laten duren.... De marteling was hem zoet geworden....
Zoo liepen ze nog een poosje door, onder den vaag-benauwenden druk van die gedachten; de omgeving scheen hun somber in 't bleeke licht van den laten namiddag--vale dampen kropen langs den hemel op, rook van de stad; de dalende zon ging, donkerrood, er bijna achter weg--en de stads-geluiden, heesche venters-roepen, 't brutale joelen van kinderen op straat, klonken als ruzie, onheilspellend.... Ze zeiden niets....
Maar, even voor den hoek van den Mauritsweg, had Annie in-eens een idee, dat haar licht door 't hoofd schoot, en dadelijk zei ze 't, vlug sprekend: "Zeg, dat's waar ook, nu heb je nog niet eens ons huis gezien.... Zullen we'r nog even heen gaan?... 't Is nog vroeg genoeg..., wij eten pas om zes uur ... jelui ook, hè..., en 't is vlak bij!..."
Paul hoorde haar dat zeggen, en--vreemd opnieuw!--met blijdschap. O! hij proefde 't ook wel dadelijk weer, dat wrange woord: ons huis.... Hij had het Zondag niet willen zien; nu zou hij er toch heengaan..., met haar alleen er in zijn!... één oogenblik scheen 't hem al te grove pijniging, en die niet hoefde..., hij kon een uitvlucht vinden.... Toch hoorde hij zich zeggen dat hij 't best vond, het huis heel graag 's even zien wou..., toch voelde hij dit uitstel met verlichting.... Maar hij werd ook tegelijk een beetje duizelig, verward en warm in 't hoofd.... En Annie evenzoo, ze voelde--waardoor wist ze niet--zich plotseling erg verlegen worden; ze bloosde sterk en kon een paar minuten lang niets zeggen....
Maar toen ze weer wat zeiden, loopende nu onder de boomen van den Westersingel--hier was geen somberheid, alleen een avond-achtig stilte-vallen--klonken op-eens hun stemmen veel vertrouwelijker nog dan vroeger. Ze praatten van niets bizonders,--over de boomen die nog zoo mooi groen, en den weg die toch overal dicht bestrooid met blaren was, warm-bruine, goudene gele en wittig-bleeke--maar nu ontstonden er klanken tusschen hen van zuivere, water-heldere ontroering, van sterke sympathie, een innigheid met iets warm-weeks van weemoed nu en dan.... Paul hoorde 't wel; hij schrok er van; zijn stug-zijn was heelemaal mislukt..., er was gevaar..., bijna stond hij stil om nog te zeggen: 'k heb geen tijd meer..., liep toch door.... Inhouden moet ik me, het moet, het moet!--zoo bonkte het in zijn hoofd--maar zooveel mogelijk zwijgen, haar maar laten praten, enkel zeggen ja en neen, en zóó....
Maar voor Annie was er in dien stemmenklank verheuging die haar diep-gelukkig maakte; het was iets heel bizonders, hoogs..., niet teer toch, juist heel sterk..., en nog nooit, nog nooit gekend of maar vermoed.... Zij droeg het heerlijk in haar lichte hart en hoofd.... Dat het mogelijk was zich zoo vertrouwelijk te voelen met een ander!... 't Was of ze er ook intiemer met zich-zelf door werd.... Nooit was ze zoo geweest, met niemand!... Gedachten aan Louis verdrong ze, als een plicht die uitgesteld kon worden..., later, later dat weer.... Nu genieten van intiem zijn.... Alles zou ze Paul wel willen zeggen, alles wat ze ooit gedacht, gevoeld en ondervonden had.... Maar álles was onmogelijk.... Er was zoo eindloos veel....
* * * * *
Ze stonden voor het huis, zij had den sleutel. Langzaam, een beetje stroef en knarsend ging de deur naar achteren open.... Binnen, in 't portaaltje, was 't al schemering, grijzige schaduw op de kille kalken wanden.... Er lagen nog geen matten en geen looper.... Het was het bovenhuis, ze gingen de houten trap op, die hier en daar een krak gaf onder hun hol-harde voetgestap.... Een hooge trap..., dan weer een gang, vreemd-leeg en doodsch in 't halve licht dat door een bovenraam van matglas en door de openstaande deuren kwam.... Ze zouden eerst vóór gaan zien, de groote voorkamer....
Daar was 't goed licht nog, vooral als je zoo pas de gang uit kwam; de ramen stonden alle drie een eindje open; 't was er luchtig; najaarsgeur van rottende blaren verdrong de lucht van kalk.... Een vloerkleed lag er al, effen, met een rand van krullende ornamenten, en bij 't gaan er over ruischten, nieuw en frisch, de matten die er onder lagen, doofden 't stapgeluid.... Ook het behang was af; midden-uit het glinsterig-gewit plafond, hing, opgepoetst, een koperen gaskroon, zonder branders of ballons, neer-piekend in de overigens leege kamer, koud-naakt en schoonmaak-achtig.... Want meubels waren er nog niet en ook geen spiegel; blauw-krijterig 't kalken vlak boven den glimmend-steenen schoorsteenmantel....
De behangers hadden een bankje laten staan, dicht bij 't linksche raam; daar gingen ze even zitten, pratend aanvankelijk over 't uitzicht dat je er had.... Het bankje was van ruw hout en wat wankelig.... Toch bleven ze daar zitten, over het uur, totdat de schemering in de kamer bijna duisternis geworden was.... Ze praatten..., maar 't was geen geregeld gesprek.... Hij zei maar enkele woorden, nu en dan, en hoestte telkens om die heeschheid-van-ontroering weg te krijgen; zij vertelde....