De Bonte Wei

Part 6

Chapter 62,569 wordsPublic domain

De bloemkroon van onze vlasleeuwenbekjes eindigt in een langen puntigen zak, een spoor; als we door de bloem naar ’t licht kijken, zien we duidelijk vloeistof daarin en ’t kost maar weinig moeite, om te ontdekken, dat we te doen hebben met honig. Nu begrijpen we ook, waarom die mooie kleine hommeltjes met gelen halskraag en rooden achterlijfspunt zoo vlijtig deze bloemen opzoeken. Ze pakken onder het neerdalen al de onderlip, drukken met hun kop onder- en bovenlip van elkander en steken dan een heel lang tongetje uit, waarmee ze den honig uit ’t diepst van de spoor kunnen oplikken.

Er komen nog andere hommeltjes opdagen, die hebben een witter achterlijfspunt en twee gele dwarsstreepen over hun zwarte lijf. Die pakken de bloem heel anders aan, ze gaan op de spoor zitten, bijten daar een gat in en krijgen daardoor al de honig, die ze anders nooit hadden kunnen bereiken, want hun tong is te kort.

Het spreekt van zelf, dat ze zoodoende niet in aanraking komen met meeldraden of stempel en dus van geen nut zijn voor de bestuiving van de bloem, daarom worden ze door de plantkundigen dan ook uitgemaakt voor „inbrekers”.

Het ergste is nog, dat allerlei korttongige snoepers met de brave honingbij vooraan komen profiteeren van de gelegenheid, om door ’t gat, dat de aardhommel heeft gebeten, den honig te komen oplikken, die door de verminkte spoor nog voortdurend wordt afgescheiden. Ook de smeerwortel (40) heeft veel van inbraak te lijden.

Als ik vlasleeuwenbekjes zie bloeien, ga ik ook altijd zoeken naar bloempjes met twee sporen of met nog meer, ’t mooiste zijn ze met vijf sporen, maar die vind je niet zoo heel dikwijls.

’t Is haast alles geel wat we vinden, ook alweer wat mooie agrimonia (101), met kleine gele rozenbloempjes langs den hoogen rechten stengel en rijpe vruchtjes die zich met fijne haakjes vasthechten aan onze kleeren. Aan den slootkant staan hooge planten met veel gele bloemen die herinneren aan primula’s. ’t Is de wederik (132), een hoog opgeschoten broer van het kruipende penningkruid. Zijn bloempjes worden nog al druk door insecten bezocht, vooral door bijtjes; er is een soort van wilde bijtjes, die een zeer bijzondere voorkeur voor deze bloemen hebben, waarom, dat weet niemand, maar dat maakt de zaak natuurlijk dubbel zoo aardig.

Eindelijk wat afwisseling! Aan den waterkant groeit heerlijke geurige munt (84) met bleekpaarse bloemen, waar de vliegen zooveel van houden en vlak daarnaast een plantje met prachtige blauwe bloempjes, zachtblauw en toch helder, de blauwe Godsgenade of glidkruid (80), een van onze allermooiste plantjes.

’t Is een lipbloem en de bouw van de bloem vertoont veel overeenkomst met die van hondsdraf of doovenetel, maar de kelk ziet er heel anders uit, daar zit een heel merkwaardig buitje aan. Daardoor krijgt de rijpe vrucht ook een zeer bijzonder uiterlijk, de kelk sluit er heelemaal omheen.

Als nu de zaden goed rijp zijn, dan is de kelk droog geworden en ’t steeltje waar hij op zit is stijf en veerkrachtig. Stoot je nu even boven op den kelk, dan splijt hij in tweeën, één stuk valt af en ’t onderstuk, dat op zijn steeltje naar omlaag was gebogen springt veerkrachtig terug en schiet dan meteen de vruchtbrokjes weg, zoowat op de manier van de ouderwetschen blijden, waar onze voorvaderen elkander zoo dapper mee vernielden, voordat de kanonnen waren uitgevonden.

Nog een ander lipbloempje snappen wij, ook heel mooi blauw, het bekende bijenkorfje of brunelle (79), dat al de eigenschappen van de lipbloemen heel duidelijk vertoont en zeer in trek is bij onze oude vrinden, de dikkopvlindertjes. En hier heb ik nog een andere vlindervriend en tegelijk een vlinderbloem ook, de blauwe Luzerne klaver, een plant, hier ingevoerd uit Zuid Europa, maar zoo algemeen verbouwd, dat hij wel langzamerhand als inlander beschouwd mag worden. Op sommige plekken langs het Noordhollandsch Kanaal ziet het er in den zomer blauw van en in de kleistreken worden hektaren bij hektaren ermee bezaaid.

Geen wonder dan ook, dat zich ook reeds volgelingen van deze plant in ons land komen vertoonen en wel twee buitengewoon mooie vlinders, de oranje (133) en de gele luzernevlinder (134). Ze houden zoowat het midden tusschen de witjes en citroentjes, het wijfje van de gele luzernevlinder is soms zoo goed als wit, en met het citroentje komen ze overeen, doordat ze juist midden op de vleugel een sterker gekleurd vlekje hebben. ’t Zal u trouwens met behulp van onze plaatjes geen moeite kosten, om ze te herkennen, wanneer ge eens het geluk moogt hebben, ze te ontmoeten. De kans daarvoor is niet zoo heel gering, in sommige jaren krijg je er nog al veel te zien, in andere jaren minder, maar na zachte winters kunt ge er altijd vrij stellig op rekenen.

Dit hangt samen met hun levensgeschiedenis. De vlinders vliegen rond in Augustus en September. Ze leggen dan eitjes en de rupsen, die daaruit komen, zijn al tamelijk flink uit de kluiten gegroeid, wanneer de winter invalt.

Dat is voor hen een tijd van beproevingen en gevaren. Ze moeten nu overwinteren en ’t eenige, wat ze doen, om zich te beveiligen is, dat ze op een blad of zoo iets een zijden vloertje spinnen en daar gaan ze dan op zitten. Nu kunnen ze lang zooveel kou niet verdragen, als de insecten, die hier al van oudsher thuis zijn en die met plezier gedurende een winter driemaal achtereen bevriezen en weer ontdooien, zonder er een haartje minder door te worden. Integendeel, bij een flinke vorst gaan ze voor goed dood.

Nu zou je denken, dat dan meteen de luzernevlinders voor goed uitgestorven zouden zijn in ons land, maar dat is toch niet zoo. De vlinders trekken evengoed als de vogels. Iedereen, die buiten wat oplet, kan daar wel eens wat van te zien krijgen. Ik heb eens op zee een heele vlucht van gamma-uilen ontmoet en gedurende een donderbui heb ik duizenden witjes over Amsterdam zien trekken.

Zoo komen in den zomertijd uit verre landen allerlei vlinders hier terecht, behalve de luzernevlinders, ook doodshoofdvlinders, windepijlstaarten, kolibrivlinders en distelvlinders.

Wanneer we nu een zachten winter hebben, dan is het mogelijk, dat die rupsen op hun zijden matje niet sneuvelen. Vinden ze dan bij hun ontwaken voldoende voedsel—behalve luzerneklaver lusten ze nog een massa andere vlinderbloemen en er is altijd wel rolklaver (75), heggewikke (78) of veldlathyrus (76) te vinden—dan bestaat er kans, dat ze zich verpoppen en dat we dan in den zomer zuiver Hollandsche luzernevlinders te zien krijgen, hoe langer hoe meer. Zoo zie je meteen hoe een kleine verandering in het klimaat meteen verandering brengt in de dieren- en plantenbevolking van een streek.

Er is in Augustus nog al veel insectenleven in onze weiden en doordat het gras kort is, kun je er genoeg van te zien krijgen, in ’t eene jaar wat meer dan in ’t andere. Zoo hebben we in het jaar 1910 maar heel weinig wespen gehad. Ik herinner mij heel goed zomers, dat de maaiers in de wei en de zichters op den akker ontzettend last hadden van de wespen en dat ze keer op keer op de vlucht sloegen, wanneer ze per ongeluk een nest hadden gestoord.

’s Avonds toog dan alleman er op uit, om die wespennesten uit te branden, maar meestal hielp dat niet veel, doordat ze heel onverstandig vuurtjes stookten boven op het wespennest, waar de geelrokken maar weinig last van hadden; misschien vonden ze zelfs de warmte lekker.

Dat er tegenwoordig zoo weinig wespen zijn, moet wel toegeschreven worden aan de koude in ’t voorjaar en de natte zomers. Daardoor zijn er ook minder krekels, dat ook echte warmte-vriendjes zijn.

Wat is het heerlijk, op een heeten Augustusdag de krekels (140) te hooren zingen in de hooge weiden. En wat is het moeilijk ze te zien krijgen! Ze zitten meestal te zingen, of liever te musiceeren aan den ingang van hun holen, maar op ’t gedreun van onze voetstappen vluchten ze haastig naar binnen.

Er zit dan weer niets anders op, dan te gaan liggen in ’t gras op een plek waar veel van die holen zijn en na een paar minuten, soms pas na een kwartier, zie je het kleine zwarte duveltje voorzichtig te voorschijn komen. En zit hij goed en wel in ’t zonnetje, dan gaan de vleugeltjes over elkaar en je hoort het aardige geluid, een van de hoogste, die je nog hooren kunt.

Menschen boven de vijftig krijgen hoe langer hoe meer moeite om dien krekelzang te hooren; dat is geen doofheid, want fluisteren en ’t tikken van een horloge en al de gewone geluiden van ’t dagelijksch leven hooren ze nog opperbest. ’t Moet niet prettig zijn, als je zoo de grenzen van je waarnemingsgebied kleiner voelt worden.

Ik zat eens met een zestiger in ’t koepeltje van Lombok, in ’t Utrechtsche. ’t Was een echt heete zomerdag, de krekels gingen te keer als razenden, de lucht was vol krekelgepiep, dat mijn ooren ervan tuitten, maar mijn metgezel hoorde er niets van. Ik loop nu ook al naar de vijftig en als ik in Augustus met jongens wandel en geen krekels hoor, dan vraag ik altijd eventjes of zij ook krekels hooren. Tot nu toe valt ’t nog al mee, ik hoor ze nog altijd, als de jongens ze hooren en dat doet me goed.

De sprinkhaantjes (120) houden al evenveel van muziek als de krekeltjes. In Augustus vindt je in de hooge weiden meestal het sprinkhaantje met de blauwe ondervleugels en nog een kleiner soortje, maar ze musiceeren op dezelfde manier. Ze hebben groote achterpooten, dat is om goed te kunnen springen. Van zoo’n poot zie je duidelijk drie deelen, er zijn er eigenlijk meer, maar die drie zie je het best. Ze heeten van buiten af: voet, scheen en dij, de dij is ’t dikst.

Nu kun je met een goede loupe aan den binnenkant van die dij een streep van fijne stippeltjes zien. Nog meer vergroot blijken dat heel aardig gevormde harde uitsteekseltjes te zijn en als nu die sprinkhaan vroolijk wordt, dan strijkt hij met zijn dij langs den vleugelrand en dan raspt hij als ’t ware een liedje.

’t Is gemakkelijk genoeg, ze dat te zien doen en ’t gekste is wel, dat ze soms een heele poos met hun poot zitten te peuteren voordat ze een behoorlijk geluid produceeren. Nu zou ik wel eens willen weten, of ze tijdens dat peuteren soms ook al geluid voortbrengen, dat wij niet hooren.

Ik meen van wel. Op een middag n.l. had ik een hagedis in ’t vizier en amuseerde mij er mee, om toe te zien, hoe dat beest voortsloop tusschen ’t dorre gras, één en al aandacht voor alles wat er in ’t rond gebeurde. Toen zat ook zoo’n klein sprinkhaantje te stemmen, voor mij onhoorbaar. Maar de hagedis keek dadelijk dien kant op en als ik de kleine harpenaar niet aangepord had met een grassprietje, dan had meester hagedis hem stellig opgevreten.

Daar zou hij een goed werk mee gedaan hebben ook, want die krekels en sprinkhanen met hun neef de veenmol (139) zijn eerste grasveters en wortelknagers en kunnen als ze met vereende krachten optreden, de meest lachende landouwen doen verkeeren in dorre woestijnen.

De veenmol bedrijft zijn kwaad meest onder den grond. Hij heeft een paar voorpooten, die eenig zijn in de insectenwereld en volmaakt gelijken op die van den mol. Als ’t er op aankomt, kan hij naar verhouding van zijn lichaamsgewicht nog beter graven dan de mol zelf en al ’t kwaad van wortels eten en kiemplantjes verslinden, waar de mol van wordt beticht, wordt door den veenmol verricht.

De mol (141) doet dus in dubbel opzicht een goed werk door hem in zijn kraag te pakken. O, dat molletje, wat kan hij ons helpen. Niet alleen vangt hij de veenmollen, maar ook de vette engerlingen (144), larven van den meikever.

Als dikke witte wurmen knagen die aan de wortels van ’t gras met hun harde gele kaken. Is een plekje leeggevreten dan krabbelen ze met hun zes rare pootjes naar een ander hoekje en zoo gaat dat jaren lang, totdat ze eindelijk in de herfst gaan verpoppen en als meikever overwinteren.

Een ander boosdoener is de ritnaald of koperworm, een geelachtige, dunne harde larve, afkomstig van een kevertje, waar ge stellig wel eens mee gespeeld hebt. ’t Is een langwerpig grijs torretje, anderhalven of twee centimeter lang en een halven centimeter breed, nog al plat van lijf en met korte pootjes. Als je hem pakt, dan houdt hij zich dood. Leg hem dan op zijn rug en wacht af, wat er gaat gebeuren. Hij wibbelt heen en weer, buigt zijn borst en kop omhoog, strekt zich dan opeens, en flap, gaat hij de lucht in. Onderweg keert hij zich om en zoo komt hij dan op zijn pootjes terecht, om weg te loopen. Deze grappenmaker heet kniptor (143) en zijn kroost wordt door de boeren nog meer gevreesd dan de engerlingen. Daarom moeten ze vooral den lieven leeuwerik in eere houden en zijn dubbelganger den graspieper, want deze vogeltjes kennen geen grooter genoegen, dan van die harde kniptorren op te pikken en door te slikken. De larf, de ritnaald, wordt achtervolgd door den mol onder den grond en van boven komen de spitse snavels van spreeuwen, roeken en lijsters hem opzoeken.

Tegelijk pakken ze de emelten, dat zijn de larven van de langpoot-mug (119). Let er maar eens op, hoe die groote muggen, spekdieven noemt ge ze misschien, op hooge beenen rondloopen door ’t gras en dan telkens met hun achterlijf een tikje geven tegen den grond. Iederen keer, dat zij dat doen, leggen zij een eitje en uit elk eitje komt alweer zoo’n graswortelwegknaaglarve en die heet dan in dit geval emelt.

Wat dat gras al te lijden heeft, is niet zoo gemakkelijk te beseffen: Tel maar eens op: Veldmuizen, velerlei rupsen, de engerling, ritnaald, emelt, veenmol, krekel, sprinkhanen, slakken (27) etc. ’t Is eigenlijk een wonder, dat er nog gras groeit en we kunnen onze helpers niet dankbaar genoeg zijn. Een van de voornaamste helpers is de mol en toch houden de boeren niet veel van hem. Hij moest ook andere manieren aanschaffen, niet zooveel omsmijten en niet het land ongeschikt maken om gemaaid of beweid te worden. In de Vaderlandsche Geschiedenis zijn tal van paarden in molshoopen gestruikeld en dat heeft de berijders menig sleutelbeen en soms het leven gekost; ge kent die gevallen. Maar nu kun je ook een beetje begrijpen, hoe vaak een gewone koe of een werkpaard, waar de Geschiedenis niets mee te maken heeft, op die manier zijn pooten komt te breken. Dat zijn allemaal heel leelijke dingen en daarom spreekt een boer de jongelui, die uit de stad komen en daar uit een boek geleerd hebben, hoe verbazend nuttig de mollen zijn, altijd tegen. En als ze hem vertellen, dat de mol zoo’n kunstig nest maakt met een kringgang boven, een kringgang onder en allerlei kruisverbindingen tusschen de kringgangen en het eigenlijke hol, dan lacht hij ze uit en zegt dat er honderden verschillende vormen van mollennesten zijn en niet één dat lijkt op die ouderwetsche teekening, dat een verzinsel was.

En als je van al die verkeerde begrippen bevrijd wil worden, dan moet je maar eens de wei in.

Jac. P. Th.

REGISTER.

HET EERSTE GETAL DUIDT HET NUMMER VAN HET PLAATJE HET VETTER GEDRUKTE DE PAGINA VAN DEN TEKST AAN.