De Bonte Wei

Part 5

Chapter 54,093 wordsPublic domain

Toch kan het bij ons ook nog al schikken, maar die vlindertjes van de wei zijn op enkele uitzonderingen na lang zoo bont en kleurig niet als de vlinders van wegzoom en boschkant, zooals de vannessa’s en page’s. Ze zijn meest bruin en geel van kleur, hun voornaamste sieraad bestaat hierin, dat ze op de vleugels een of meer ronde zwarte vlekjes hebben met een wit kerntje in ’t midden, soms ook met een kringetje er om heen en aan deze bescheiden tooi hebben ze dan den naam van zandoogjes te danken. ’t Is heusch de moeite wel waard, ze te leeren onderscheiden.

Eén soort is er, die heeft niet minder dan vier duidelijke oogjes op de achtervleugels en nog twee op de voorvleugels en ’t lijkt ons volkomen in den haak, dat een zoo veeloogig vlindertje in vele talen den naam van argusvlinder (106) draagt. Hij houdt van licht en zon en is waarschijnlijk in verband daarmee meer oranje dan bruin, in tegenstelling met zijn verwant, het bonte zandoogje (108), die van de schaduw houdt en somberder van tint is, terwijl hij zich meestal tevreden moet stellen met niet meer dan een drietal oogjes op elken achtervleugel. ’t Moet echter gezegd worden, dat de oogjes vaak weer heel mooi met wit zijn omzoomd.

De andere zandoogjes moeten het met nog minder oogjes stellen, althans op de bovenzij van de vleugels. Het koevinkje (104) heeft er nog vier, op elke vleugel een, soms zelfs tweemaal zooveel, maar het bruine (135) en het oranje zandoogje (103) kunnen meestal op niet meer bogen, dan op één oog op elken voorvleugel.

Ik wensch u van harte toe, dat ge al deze zandoogjes eens te zien krijgt en ge kunt ook wel eens uitkijken naar de rupsen, doch die houden zich overdag schuil. Ze zijn grijs of groen of okerkleurig met donkere lengtestreepen, ’s nachts komen ze aan ’t gras knagen en als ze verpoppen, dan komen ze met het spitse uiteinde van de pop te hangen aan de onderzijde van een grasblad.

Het meest gewone grasvlindertje is het hooibeestje (128), dat ook bij de zandoogjes behoort, maar zijn oogjes, één op elken voorvleugel, zijn meestal alleen maar te zien aan den onderkant van de vleugels. Den heelen zomer door vliegt dit diertje in de wei, van Mei tot in September. De rupsen, groen, met donkere zijdestreep, zijn al eerder te vinden, ze komen in Maart al uit de eieren, die door de Septembervlinders gelegd zijn.

De hooibeestjes van Mei sterven spoedig, doch dan hebben ze al eitjes gelegd en daaruit ontstaan de vlinders, die in Augustus en September vliegen. De vlinders, die in Juli vliegen, zijn wellicht afkomstig van eitjes van Septembervlinders, die wat laat uitkomen. Zoo krijg je dan in den loop van een zomer driemaal een versche voorraad hooibeestjes.

Soms vindt ge, al wandelend door het hooiland, een stuk of zes grassprietjes aan elkander vastgesponnen, vooral de zachtharige blaadjes van de wollige witbol. Peuter je dat gevalletje open dan buitelen er een stuk of vier, soms meer koddige kleine rupsjes uit, die heel grappig naar alle kanten tusschen ’t gras wegkruipen. Misschien ook vindt ge geen rupsjes maar een klein popje, doch in ieder geval hebt ge dan te doen met jeugdige dikkopjes (115).

In de groote vacantie komen de vlindertjes te voorschijn, kleine gele beestjes met een voor dagvlinders nog al dik lichaam. Er vliegen meest twee soorten, de eene heeft nagenoeg effen gele vleugels met een zwarten zoom, de andere heeft breede zwarte zoomen om de vleugels en op de voorvleugel zwarte vlekken; die in den voorvleugelhoek lijken wel op oogvlekken. Deze laatste vlinder heet ook wel commabeestje (116), doch ik noem ze maar door elkander dikkopjes en loop ze in de vacantie graag na van bloem tot bloem. In Mei en Juni zoek ik wel naar hun poppen, om te kijken of ik nog wel geduld genoeg heb en scherp genoeg kan uitkijken. Meestal is de uitkomst bedroevend en moet ik het opgeven, zonder iets te hebben gevonden. Doch als ik er eens eentje vind en zie hoe verbazend kunstig het smalle popje ingesponnen is in de grasblaadjes, dan ben ik toch alweer tevreden en vind ik mijzelf niet zoo’n wanhopigen stumper.

Er vliegen ook groene vlindertjes door de wei en als die gaan stilzitten, dan zijn ze opeens uit het oog verdwenen. De twee, die ’t meest voorkomen, zullen wij maar noemen het groote groentje (118) en het kleine groentje (126); ge vindt ze ’t meest, waar veel vlinderbloemen in ’t hooiland staan, want daar leven hun rupsen op.

Ge zoudt al licht denken, dat de rupsen van al deze vlinders heel wat schade in het hooiland doen, doch dat valt nog al mee; ik heb nog nooit over de blauwtjes, de vuurvlindertjes, de zandoogjes, de hooibeestjes, de dikkopjes of de groentjes hooren klagen.

Doch er zijn nog wel andere, die een minder goede reputatie hebben. In huis of in school achter gordijnen vindt ge wel eens een tamelijk groote vlinder, die er met zijn rechte grijze bovenvleugels in rust eenvoudig genoeg uitziet, maar als hij gaat vliegen, dan vertoont hij twee prachtige gele achtervleugels met een breeden zwarten streep er over heen.

Dit is de huismoeder of geelbanduil (138), je ziet hem ’t meest in zomer en herfst. Zijn rups is groenachtig bruin met heel mooie schuine vlekken en die lust zoowat van alles, maar liefst gras. De oude vlinder legt dan ook zijn eitjes meestal aan de toppen van grasbladeren, honderden en honderden vlak tegen elkander, zoodat het grasblad er geheel en al mee bedekt raakt. Als al die eitjes rupsen leverden en al die rupsen volwassen werden, dan zou de koe er stellig bij te kort komen.

Toch is deze geelbanduil nog lang de ergste niet; hij heeft een verwant, de uil van de aardrups en dat is een van de allerschadelijkste rupsen, die er zijn. Die rups verschuilt zich overdag in den grond, maar in plaats van dan behoorlijk een dutje te doen, knaagt hij aan de graswortels en aan de onderaardsche stengels en wanneer de avond daalt, dan komt hij te voorschijn, om ook nog een groen blaadje te peuzelen.

Gelukkig dat het maaien zelf een middel brengt tegen deze plaag. Zoo gauw het gras in rijen ligt komen allerlei vogels tusschen het zwad gebruik maken van de gelegenheid. De torenvalk (113) komt er den heelen dag muizen (142) vangen. Een boschvogel, de groene specht (114) komt er de mierennesten uitpikken. De zwarte aaskever (9) komt om larven en slakken. De roeken (60) leiden er hun kroost heen dat juist vlug begint te worden. Ook komen heele zwermen jonge spreeuwen (49) opzetten, nog heelemaal in ’t grijze jongenspak en zonder een enkel sprankje van den glans, waarmee ze later zullen pronken, terwijl hun ouders al beginnen het witgespikkelde winterkleed aan te trekken (51). En in de hooilanden aan den zeekant komen goudplevieren in zomer en in winterkleed (57 en 58), langbeenige grijze grutto’s (59) en wulpen bij twintigtallen rondstappen over de kaalgeschoren vlakte. Al die vogels zijn trouwe vrienden van den boer, want den heelen langen zomerdag en een goed deel van den nacht doen ze niet anders dan insecten en ander schadelijk gedierte zoeken en verdelgen, zoowel onder als boven den grond.

V. ETGROEN.

Het hooi is van ’t veld. De lange reepen, waar ’t gras lag te drogen en de cirkelronde plekken, waar de hooiroken stonden, zijn weer bijgekleurd, alles is weer effen groen. Haast al te groen, in ieder geval te weinig bont. Wat verschilt de grasvlakte van Augustus van die in Mei. In de groote vacantie ziet het weiland er dan vaak ook veel kleuriger uit dan ’t hooiland, want tong en tanden van de koe ontzien toch nog altijd meer dan de zeis van den maaier. De koe moet niets hebben van boterbloemen, brandnetels of distels, die zijn hem te giftig of te scherp en als de boer ze zelf niet opruimt, dan laat de koe tevreden toe, dat ze zich in alle weelderigheid ontwikkelen. Ik heb van de koeien in onze weiden nooit iets anders ondervonden dan vriendelijkheid en belangstelling. Soms werd die belangstelling wel wat opdringerig, maar je moet altijd den aard van ’t beestje in aanmerking nemen en ze beoordeelen naar hun dagelijksch leven. En als je dan midden in een weiland met koeien gaat zitten teekenen, dan moet je je niet erover verwonderen, dat binnen tien minuten de heele cavalcade om je heen komt staan, want ze zijn haast net zoo nieuwsgierig als een mensch en hebben in hun wei weinig afwisseling.

Ze dringen hoe langer hoe meer op, één schuift zijn witten snoet vlak langs je oor vooruit en snuift dan eventjes kort en hoorbaar en zoo hevig dat de bladen van je schetsboek omdwarrelen als in een wervelwind. Ze hebben allerlei schichtige bewegingen en als je al die pooten om je heen ziet, dan komt onwillekeurig de gedachte op, dat je daar wel eens een trap van zou kunnen oploopen, maar daarvoor zijn die dieren toch veel te goedig en voorzichtig.

Ook zijn ze lang zoo schooierig niet als de Zwitsersche koeien, die je altijd naloopen, bedelend om zout. De onze hebben zout genoeg, dat zit in Holland om zoo te zeggen in de lucht, alleen de kalveren, als echte kinderen, hebben nooit genoeg en die kun je dan wel eens trakteeren, door ze even aan je hand te laten likken. Maar in ’t Berner Oberland hebben we ons wel eens met steenworpen moeten verdedigen tegen een bende geiten, die kwamen om zout en gezelligheid.

Een stier is altijd min of meer gevaarlijk, je moet nooit door een weiland gaan waar stieren los loopen. Op een keer—’t is nu al haast dertig jaar geleden—zocht ik naar witte orchideeën in de weilanden tusschen Muiden en Muiderberg, niet de witte welriekende, maar witte vormen, albino’s, van de gevlekte orchis. Toen ik niet gauw vond, wat ik zocht, waagde ik het erop, om ook even een kijkje te nemen in een weiland, waar een stier liep, ’t was een rood stiertje.

Ik klom het damhek over en ging heel bedaard mijn planten zoeken, net alsof er geen stier in de wereld was. De stier van zijn kant deed even argeloos, maar opeens hoor ik een zacht tevreden geloei en toen ik opkeek begreep ik, dat ik in den val zat; hij was zoo om mij heen gedraaid, dat mij de terugtocht naar het damhek geheel was afgesneden. En nu kwam hij op een sukkeldrafje op mij af, keurig netjes loopend, zijn stevig kopje met de kleine horentjes mooi recht omhoog. Of ik aan den haal ging, en hij snuivend achter mij aan. Gelukkig was ik nog al vlug in die dagen en niet bang voor een sloot van drie meter breed en ik kende daar den weg.

Ik rende dus naar die sloot, vloog er over, kreeg een neusjebloed doordat mijn plantenbus door de schok over mijn hoofd heenslingerde, maar had de voldoening goeden middag te kunnen zeggen tot het stiertje, dat aan den anderen kant tot zijn enkels in den kantmodder was gezakt en daar nu stond te brullen, terwijl hij met zijn staart de maat zwiepte. Toen trok hij een voor een zijn pooten uit den modder en ging heel tevreden wat grazen.

Sedert dien tijd ben ik niet vrij van stierenvrees en ik heb een groote bewondering voor de boeren en boerenkinderen, die voortdurend met die woestelingen weten om te gaan.

Rammen zijn al niet veel beter dan stieren, ofschoon niet zoo doodelijk gevaarlijk. Op Texel liep ik eens, ondanks de waarschuwing van menschen, die ’t beter wisten, door een weiland, waar een ram stond, gelukkig een ongehoornde. Ik stapte vroolijk door, met een bloemrijk boschje in ’t verschiet, toen ik opeens mijn beenen onder mij voelde verdwijnen en ik lag op mijn rug.

De ram was in volle vaart om zoo te zeggen vlak onder mij doorgeloopen. Waarschijnlijk echter had hij mijn gewicht overschat, tenminste hij kon niet bijtijds zijn vaart stuiten, om om te keeren en bovenop mij te gaan dansen, zooals dat het gebruik bij rammen is. Ik was weer gauw op de been, rende weg uit alle macht, sprong over een dam met prikkeldraad en kwam vrij met een paar winkelhaken. Meer griezeligheden heb ik niet beleefd, maar ’t is zoo al welletjes. Van koeien of kalveren heb ik nooit anders ondervonden dan plezier en genoegen.

Ik heb respect voor hun plantenkennis. Wat weten ze precies de lekkerste grassoorten uit te zoeken en als je nu in de groote vacantie hun weiland bekijkt, dan kun je net zien, wat ze niet lusten. ’t Is heel kluchtig, hoe ze soms het weiland heel kort afgrazen, maar overal de boterbloemen (32) laten staan op hooge spichtige stelen. ’t Gekste is, dat ze diezelfde boterbloemen wel eten, als ze verdroogd tusschen ’t hooi zitten. Of dan echter de giftigheid van de boterbloemen is vervlogen, dat zou ik niet durven beweren, ’t is even goed mogelijk, dat de koe de droge kruiden niet zoo goed proeft als de versche.

Distels en doorns kunnen in ’t hooi heelemaal niet gebruikt worden, daarom worden ze door de landbouwers dan ook uit alle macht bestreden. Merkwaardig is het, hoe die distels er in slagen, om toch op een ongenaakbaar plekje of in een verwaarloosd hoekje hun vruchten te rijpen. Eén is er die zijn toevlucht ’t liefst zoekt op drassige plaatsen, dat is de kale Jonker of moeras-vederdistel (93). ’t Is een heel mooie plant, met veel rood en paars door ’t groen van stengels en bladeren. De stengel is maar weinig vertakt, wordt kaarsrecht wel een meter hoog en draagt aan zijn top veel mooie, donkerroode distelbloemen.

De akkerdistel (92) is van veel minder allooi, heeft veel stugger stengels en kan er naar omstandigheden heel armoedig uitzien. Zijn bloemen zijn doorgaans bleekpaars, soms donkerder maar ook heel dikwijls bijna wit. Dit is de meest geduchte distel en zeer moeilijk uit te roeien.

In zandige streken, zoowel in de duinenstreek als in de heistreken, groeit veel de knikkende distel (91), die is buitengewoon mooi; zijn knikkende bloemhoofdjes zijn diep donkerpaars en wel zesmaal zoo dik als die van de vorige soorten.

’t Is een lust, die distels te zien bloeien en je mag zoo’n bloem ook wel eens van heel nabij bekijken, al was ’t maar alleen om te zien, hoe in de bloempjes die pas opengaan het witte stuifmeel uit het helmknoppenkokertje geperst wordt. Dit laatste kun je nog mooier zien bij de wammesknoop (94) die in al zijn taaiheid en kriebeligheid wel wat van een distel heeft, doch een verwant is van de mooie korenbloem.

En wat komen er een insecten op af. Soms zit de heele distelkop vol met kleurige vlinders en dan lijkt hij in de verte een bloem van een heel nieuwe soort. Ik heb het wel gezien dat op één enkele speerdistelplant drie koninginnepages zaten met een parelmoervlinder, twee dagpauwoogen, vier kleine aurelia’s en een vuurvlindertje. Dat was in den goeden tijd, toen er nog overvloed van vlinders was. Misschien wordt het nog wel weer eens zoo.

Maar niet alleen vlinders bezoeken onze distels, het wemelt er ook op van hommels en allerlei soorten van wilde bijtjes en de knikkende distel levert geregeld nachtverblijf aan de mannetjes bijen en hommels, die geen ander nachtverblijf hebben. Ik heb al menig aardig mannetje buitgemaakt door ’s avonds de knikkende distels af te zoeken.

Tamelijk gauw zijn de distels uitgebloeid; ’t is mij menigmaal overkomen, dat ik met mijzelf had afgesproken om insecten te gaan zoeken op de bloemen van een distelveldje en dat ik, als ik er eindelijk een vrij uurtje aan geven kon, niets meer vond dan grijze vruchthoofden en geen enkele bloem.

Toch is het wel de moeite waard, om ook dan eens een uurtje bij de distels te toeven, want nu komen de puttertjes en kneutjes om er de vruchten te eten.

Puttertjes zijn er in ons land niet veel meer, doch kneutjes in overvloed en die zijn in de groote vacantie ook nog mooi genoeg. Wat is het heerlijk een troepje, een heel gezin, al kwetterend te zien komen aanvliegen, het mannetje nog met fel rood kapje en mooi roode borst, de anderen in eenvoudiger kleed, maar toch heel mooi met bruine manteltjes, witte vleugelzoompjes en witte vlaggetjes in de staart.

Onophoudelijk hebben ze elkaar wat te vertellen, terwijl ze rondpikken in de distelkoppen, zoodat voor elk vruchtje, dat ze er uit halen, om het te kraken tusschen hun dikke snaveltjes er drie andere de wijde wereld ingaan, gedragen door het grijze vruchtpluis. Zoo worden de distels wijd en zijd uitgezaaid en ieder jaar kan de boer van voren af aan beginnen met ze uit te steken. Nu begrijpt ge meteen ook, hoe ’t komt, dat tegen hekken en walletjes altijd distelgroepen staan; daar toch hebben de vliegende vruchtjes de meeste kans van gestuit te worden.

Het hek geeft altijd verrassingen; ’t is of daar altijd een troepje planten staat te hunkeren naar een plaatsje in de wei, maar ’t gras en zijn kornuiten wil hen niet toelaten. ’t Is ook meestal nog al nederig gespuis: die schooier van een steenraket (95), het herderstaschje, de heksenmelk (131), het hoefblad, maar ook wel fraaier lieden zooals de geurige honigklaver (77), de gevlekte doovenetel (82), de pastinaak (72), de akkerwinde (29), de mooie scabiose (96) of de peen (122) die zoo graag wordt bezocht door allerlei mooie insecten; ik heb er wel eens tegelijk een gouden tor, een penseelkever en vele weekschildkevers op gevonden.

Penningkruid (121), zilverschoon (124) en vijfvingerkruid redden hun bestaan door vlak bij den grond te blijven; de zeis gaat over hun hoofd heen. Dat penningkruid kruipt zoo dicht langs den grond, dat zijn groote gele bloemen haast onopgemerkt blijven, en toch zijn ze zoo groot als een halve gulden, helder geel, dikwijls met vijf oranje vlekken ontwikkelen zij zich tot krachtige planten, maar waar de grond schraal is, daar blijven ze maar dun en spichtig, juist zooals de echte paardebloem ook doet. Wanneer er gemaaid wordt, dan gaan ze er aan, maar lang niet heelemaal, want de dikke wortel in den grond bevat voedsel genoeg, om nog weer wat nieuwe bloeistengels te doen ontspruiten. Zoo komt het dat drie weken na het hooien het land weer heelemaal geel van de bloemen ziet.

Iemand, die in zijn tuin een mooi gaaf grasperk wil hebben, staat met deze planten op een niet al te besten voet, vooral ook, doordat ze nog al groote bladrozetten hebben die vlak uit op den grond liggen en dus leelijke plekken vormen in het mollige grastapijt. Het lijkt dan soms wenschelijk, om ze uit te steken en ’t is werkelijk voor een liefhebber een heel aardige bezigheid om vlug en handig met een scherp schopje de rozetten los te steken.

Je zamelt er dan al gauw eenige honderden in ’t uur bijeen en hebt dan nog meteen de voldoening, dat je de eieren van de kleine grijze slak blootlegt, die maar al te vaak heel veiligjes hun ontwikkeling doormaken onder ’t beschuttend dek van de bladrozetten, beveiligd tegen den onderzoekenden snavel van lijster of spreeuw. Ik heb wat een plezier gehad, als ik met dat werk bezig was; de zanglijsters, roodborstjes en heggemuschjes liepen formeel met me mee en betwistten elkander de mooie glanzige, sappige slakkeneieren.

’t Was ten slotte een heele voldoening, al die rozetten op een hoop te zien liggen op het gereinigd gazon. Maar drie weken later zag alles er weer veel erger uit. Want die onthoofde wortels hebben een griezelig herstellingsvermogen, het zijn echte draken met zeven koppen. Iedere onthoofde wortel maakt op de wond weer nieuwe knoppen en voor elk rozet, dat je hebt uitgestoken, komen er een stuk of wat nieuwe in de plaats. Tegenwoordig laat ik ze dan ook maar groeien; alleen als ze flinke sterke bloeistengels hebben ontwikkeld, dan pak ik ze daaraan beet en trek dan de plant met wortel en al uit den grond. Dit is afdoende.

Toch mag ik die planten graag lijden, als ze me maar niet in den weg staan. Ze verschaffen nog heel wat honig en stuifmeel aan de bijen, als er op hei en boekweit niets meer te halen valt en ze hebben ook weer heel aardige gewoonten van zich te openen of te sluiten, al naar de gelegenheid van weer of wind of den tijd van den dag, juist zooals bij de boksbaard.

Behalve het geel van de boterbloem vertoonen de Augustus-weiden nog ander geel en wel van tweeërlei slag van planten, al naar de manier waarop ze den zeis van den maaier weten te overleven. Tot de eerste groep behooren het biggekruid (100), de herfstpaardebloem (99) en de thrincia (102), tot de tweede penningkruid (121), zilverschoon (124) en vijfvingerkruid.

De herfstpaardebloem en zijn kornuiten lijken wel wat op de gewone paardebloem, maar ze missen den mooien, gladden, hollen bloemstengel; ze zijn grover, harder en meer vertakt. Maar ze zijn even krachtig en opgewassen tegen allerlei tegenspoeden.

Ze willen wel groeien op iedere grondsoort. Is de bodem vet en weelderig, dan in ’t hartje, op de manier van de primula’s, waar ze trouwens ook mee verwant zijn.

In prachtige lange slingers groeien ze tusschen ’t gras, de mooie ronde groene blaadjes twee aan twee langs den stengel, daar hebben ze dan ook hun naam aan te danken. Ze leiden een tamelijk vergeten bestaan, door insecten worden ze maar weinig bezocht en rijpe, kiembare zaden brengen ze slechts zelden voort. Dat vergoeden ze echter weer, door maar overal heen te kruipen en wortel te slaan.

De zilverschoon is ook zoo’n kruiper, maar die doet het nog handiger. Deze plant maakt takken, heel dun en bladerloos, die heel snel over den grond voortschieten. Alleen aan den top van den „uitlooper” zit een pruikje van kleine blaadjes. Is hij ver genoeg gekomen, hoe ver dat hangt van de omstandigheden af, dan gaan die blaadjes uitspruiten, er komen ook worteltjes, zoodat zich een nieuw plantje heeft gevestigd, dat op zijn beurt ook weer een aantal uitloopers uit kan zenden naar alle zijden en zoo ontstaat dan een heel warnest van zilverschoonplantjes.

De mooi geveerde bladeren zijn vaak zilverwit behaard, vooral aan de onderzijde; hoe droger en zonniger ze staan, des te witter worden ze en dan zijn de uitloopers meestal donkerrood. Op vochtige beschaduwde plaatsen echter blijven bladeren en uitloopers groen; de bladeren zijn dan meteen veel grooter, maar zulke planten dragen minder bloemen. Alleen heel onoplettende menschen verwarren die bloemen met de boterbloem, iemand, die maar een beetje uit zijn doppen kijkt kan dadelijk bespeuren, dat de zilverschoon verwant is met de aardbei en daardoor ook met de rozen. Hij is dus van heel hooge komaf.

Wat vinden we nog meer voor bloemen in Augustus en September? Een partijtje duizendblad (107), met bladeren heel fijn verdeeld, en bloemenmassa’s die doen denken aan schermbloemen, maar ’t is al heel gauw te zien, dat we in dit opzicht te doen hebben met zeer bedriegelijke namaak. Wel staan al de „bloempjes” in hetzelfde vlak, maar hun steekjes zitten heelemaal niet parapluachtig bij elkaar.

En wanneer je de bloem terdege bekijkt en gaat zoeken naar meeldraden en stampers, dan krijg je al heel gauw in de gaten, dat elk wit blaadje een bloempje apart is en dat tusschen die witte straalbloempjes nog weer heel kleine buisbloempjes zitten, ieder met zijn eigen stampers en meeldraden. We hebben weer te doen met een lid van de groote familie der samengestelde bloemen.

Dit duizendblad komt na het maaien in groote menigte te voorschijn; meest met witte bloemen, maar ook wel met rooskleurige of donkerroode en die vind ik altijd heel graag. Wat die kleur precies te beduiden heeft, dat weet ik niet; ik vind roode en witte vlak bij elkander en kan ook niet ontdekken of de gekleurde soms meer door insecten bezocht worden, dan de witte. Er zijn nog een heele boel dingen, die we niet weten.

Nu zie ik weer een groepje bloemen, waar we even bij kunnen gaan liggen. Het zijn vlasleeuwebekjes(130), vroeger heetten ze „gemeene vlasbek”, maar dat platte scheldwoord is nu gelukkig uit ons plantkundig woordenboek geschrapt. Kinderen noemen deze bloemen wel kanarietjes, om de aardige gele kleur.

Dit zijn bloemen, die als ze zich geopend hebben, nog dicht blijven. De bloemkroon is tweelippig, de onderlip drukt stijf tegen de bovenlip aan, het mondje blijft stuurs gesloten. In de plantkunde noemen we zoo’n bloem „gemaskerd” en als de lippen elkander niet aanraken, dan zeggen we, dat de bloem „grijnzend” is.