Part 4
Zelfs heb ik me wel verbeeld, dat ze mij aanvielen, wanneer ik in de wei zat te teekenen of te spionneeren. Onophoudelijk vlogen ze mij om ’t hoofd, ze gingen zitten op mijn handen, op mijn schetsboek en ik geloof waarlijk dat ze, als ik opstond om ergens anders te gaan werken, nog meenden dat ze mij uit het veld hadden geslagen. Nu, ik gunde hun de pret van harte.
Ik denk wel, dat het hun in de meeste van die gevallen te doen is om te kunnen komen bij hun geliefkoosde zuringplant, waarop ze hun eitjes willen leggen. De larven, die uit die eitjes komen, zijn platte groene rupsjes, bedekt met korte fijne roodachtige haartjes en hun pooten zijn ook rood, dat schijnt nu eenmaal zoo bij de zuring te behooren.
Ik wed, om een kwartje, dat niet één op de duizend lezers van dit album ze ooit gezien heeft. De slimmers schijnen alweer te beseffen, dat de voornaamste zorg van een rups moet zijn: zooveel mogelijk te eten en zoo weinig mogelijk opgegeten te worden. Daarom kruipen ze overdag wijselijk in den grond en ’s avonds komen ze te voorschijn, om zich te goed te doen aan de lekkere zuring.
Wie ze dus wil zien, moet ’s avonds er op uit met een lantaarntje en met een paar goede waterdichte schoenen aan van wege de avonddauw. De witte nevels, die zich verdichten boven de slooten en die ten slotte een witte wade weven over het heele landschap, zullen ons niet deren. Heel veel menschen vreezen de avondnevel alsof die uit vergiftige dampen bestond, doch ’t is niets anders dan zuiver water en als je overigens goed gezond bent, dan zal die nevel je niet ziek maken.
De leeuweriken hebben al lang uitgezongen, alleen de spriet kraakt zijn lentegezang en af en toe jammert in eens een kieviet; je kunt eigenlijk nooit zeggen of ’t bij hem vreugd of verdriet is. In ieder geval heeft ’t niet zijn instemming, dat wij met die lantaarn loopen te kruisen door ’t natte gras.
Hoe heel anders ziet de weide er nu uit, dan in den zonneschijn. Haast alle bloemen zijn gaan slapen. Alleen bij ’t hek van de wei zien we een massa lichtgroene ballonnetjes met witte vlaggetjes er aan in de lucht hangen en als we de lantaarn wat dichter bij houden, blijkt dat een nog al vreemde plant te zijn, zoo’n echte dwaalgeest voor hekken en hoeken, de silene (123) met de opgeblazen kelk, een vriend van de kleine nachtvlindertjes.
En nu we wat verder komen, in het vochtig gedeelte, vinden we daar de koekoeksbloemen ook nog wijd wakker en ze hebben bezoek ook van de grauwe vlindertjes, die dat mooie zilveren pistooltje op den voorvleugel dragen. Wij noemen ze dan ook pistooltjes, maar mijn neef met de bril op, die zes uur per week op ’t gymnasium geplaagd wordt met Grieksch, weet dat dat zilveren plekje meer lijkt op een Griekschen letter en noemt het beest gamma-uil. Het dier bekommert er zich niet om en vliegt even vroolijk van bloem tot bloem.
Die koekoeksbloemen geuren heel flauwtjes, maar een sterker geur lokt ons naar een plek, waar witte orchideeën staan en die zijn nu op ’t oogenblik ook in hunne volle kracht, je kunt ze letterlijk op den reuk af vinden, als je tenminste niet door vroegtijdig of overvloedig rooken je reukorganen verzwakt en verstompt hebt. We wachten even, of er ook vlinders op komen, maar dat gaat ditmaal niet zoo gauw, dat kan zoo gebeuren.
Je moet vooral niet meenen, dat de natuur een soort van kijkspel is, waar je maar je dubbeltje behoeft te offeren en binnen te gaan, om dadelijk allerlei moois en interessants te zien te krijgen. Soms kun je uren zoeken en wachten, eer de merkwaardigheden opdagen. Intusschen heb ik wel eens hooren beweren, dat juist dat zoeken en wachten een bijzondere bekoring geeft aan het natuuronderzoek. Probeer het maar eens.
Ieder vogeltje zingt zooals het gebekt is, en iedere bloem slaapt, zooals zijn slaapmuts staat. De blauwe eereprijzen probeeren, om heelemaal in hun schulp te kruipen, ze sluiten het blauwe kroontje en trachten het te omgeven met het groene kelkje, maar daar ’t kroontje in den loop van den dag sneller is gegroeid dan de kelk, kan het er niet heelemaal meer in en zoo blijft er dan een blauw neusje buiten de deken uitsteken.
De paardebloem (34) krult zijn omwindselblaadjes omhoog, zoodat al de gele bloempjes tegelijk worden ingepakt en ’t madeliefje (35) gedraagt zich op dezelfde manier. De mooie frissche lichtpaarse Pinksterbloempjes buigen hun bloemstelen, zoodat de opening van de bloem naar beneden wordt gericht; zoo doen ook de boterbloemen. Doch de klavers en de wikken slapen ’t hevigst, die vouwen al hun blaadjes samen en als ’t kan, dan wordt de bloementros daaronder weggeborgen.
Ze gaan te ruste op zeer ongelijke tijden, de meeste nog al vroeg, voor zonsondergang reeds. ’t Is wel aardig, daar eens gedurende een zomer aanteekeningen over te maken. De bijzonder oplettenden mogen ook eens uitzien naar het slapen der grassen. Terwijl ge daarnaar uitkijkt, vindt ge stellig ook weer een aantal slapende vlinders, net bleeke of bruine blaadjes, die uit den stengel zijn opgegroeid, dat zijn vlinders en die zijn meestal zoo diep in den dut, dat ge ze met plant en al naar huis kunt dragen, zonder dat ze ontwaken.
Intusschen zijn we bij onze zuringen beland en met een beetje geluk vinden we de vuurvlinderrupsjes, net kleine verroeste pissebedjes. Ze hebben ook alweer de lastige gewoonte, om zich zoo maar te laten vallen als ze gevaar bespeuren en ’t kost ons nog heel wat moeite, om er een paar te bemachtigen voor onze rupsenkweekerij. Vindt ge nog andere, grootere of grauwe rupsen, neem die dan ook maar mee, de vlinders daarvan ontmoeten we in ’t volgend hoofdstuk.
IV. MET DE MAAIERS.
Luid ratelt de maaimachine door ’t hooiland. De zwaluwen zwermen er om heen en vinden een gemakkelijke en rijke buit in ’t gewriemel van de wolken van vliegen en mugjes, die uit het vallend gras worden opgeschrikt. Boven de zwaluwen staan hoog in de lucht de jammerende kievieten, grutto’s en tureluurs, die hun jongen bedreigd zien, of die zelfs nog een laat legsel te bebroeden hebben.
Wij maken het dien vogels niet gemakkelijk. Tot den eersten Mei mogen ze volgens de wet van hun eieren beroofd worden, en als ze dan goed en wel eindelijk rustig opnieuw een poging meenen te kunnen wagen, komt die maairamp. Geen wonder, dat dan velen het opgeven en die trekken dan naar de duinen en heide, om daar nog eens opnieuw een kansje te wagen.
Zoo komt het dan, dat wij menigmaal in de Julimaand de kieviet of de grutto nog broedend vinden op hooge heete duinhellingen. Maar het ergste is nog, dat de honderden van jonge vogels uit hunne schuilplaatsen worden verdreven en zoo zij al niet vernield worden door zeis of maaimachine, gevaar loopen van gemakkelijk overweldigd te worden door roofvogels, hermelijnen, bunsings, ratten, egels en spitsmuizen, om niet eens nog te gewagen van de boerenkatten of schijnheilige ooievaars.
Dat is allemaal heel treurig, maar er is weinig aan te doen. ’t Is onvermijdelijk, dat de beesten in ’t gedrang komen. Je zoudt eigenlijk een soort van vluchtheuveltjes moeten aanleggen, waar de maaier niet komen mocht.
De Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten probeert zoo iets. Zij heeft op ’t eiland Texel in het midden van den rijken hooipolder Waal en Burg een stuk hooiland gekregen, groot zeven hectaren. Daar wordt nu pas gemaaid, eenige weken nadat de rest van den polder gemaaid is, zoodat gedurende dien tijd alles wat op de kale velden zich onveilig waant, bij ons een schuilplaats vinden kan.
Verleden zomer ben ik daar eens gaan kijken. Ons stuk lag nog in rust, maar overal elders in den polder waren ze druk aan ’t hooien. Het was een lust, om nu in „De Steert”, zoo heet ons bezit, naar jonge vogels uit te zien. Het zat er letterlijk vol van. In iederen vierkanten meter vond je een jonge vogel weggedoken; meeuwen, sterntjes, kievieten, tureluurs, grutto’s, kluiten, pleviertjes, kemphanen (54), van heel jong af tot bijna vlug. De ouden kwamen ze behoorlijk opzoeken en voeren. Aan den oever van een plas, vlak in de buurt dartelden al eenige honderden jongen rond, die al op eigen beenen konden staan en met een week of drie hun eerste reis naar verre streken zouden aanvaarden.
Natuurlijk is het voor die waadvogels en zwemvogels nog al gemakkelijk, om aan het gevaar te ontkomen; ze kunnen loopen, zoodra ze uit ’t ei komen, of ten minste een korten tijd daarna. ’t Komt er dus alleen maar op aan, of er een veilige schuilplaats in de buurt is.
De leeuweriken, piepers en kwikstaartjes hebben het echter moeilijker en daarvan gaat ook menig broedsel verloren. Intusschen heeft men waargenomen, dat bij ’t naderend gevaar de oude vogels met hutje en mutje verhuisden en heel cordaat hun jongen wegsjouwden naar betere oorden. Wie in de gelegenheid is, om dergelijke avonturen bij te wonen, moet niet verzuimen er op te letten.
Natuurlijk hebben de planten nog meer van ’t maaien te lijden dan de vogels, doch daar denkt niemand om. Toch heb ik wel eens spijt, als ik de mooie hooge ganzebloemen (89) zie vallen en de blauwe ooievaarsbekken.
Gelukkig zijn de meeste er op berekend, om zoo’n zomerschen tegenspoed te boven te komen. Sommige hebben juist tegen dien tijd hun zaden gerijpt, andere hebben het voornaamste deel van hun lichaam onder den grond en vervangen het afgemaaide gedeelte weer door nieuwe spruiten, ’t zij nog in denzelfden herfst, ’t zij in ’t volgend voorjaar.
De schok van de machine, de stoot van de zeis rukt de bepluisde vruchten los van paardebloem (36) of boksbaard (97) en op hun groote parachuten zweven die zelfs met het zachte zomerkoeltje nog honderden meters ver en kunnen juist op de afgemaaide plekken gemakkelijk den grond bereiken, waar hun zaden zullen ontkiemen.
De paardebloem is ieders vriend, de konijnen smullen van zijn sappig lof, leverzieke menschen eten zijn molsla op hoop van beterschap, kinderen maken kettingen en krulstukken van zijn stengels, allerlei gedierte gaat te gast op zijn bloemen. Alleen het proper renteniertje verwenscht de plant, omdat hij hinderlijk wordt in ’t gave gazonnetje van den tuin. Om dezelfde reden haat hij de smalbladige weegbree (90).
Maar meer nog houd ik van de boksbaard (97), hoofdzakelijk alweer, om de herinnering aan mijn kinderjaren, maar toch ook wel om zijn botanische eigenschappen. Toen wij jongens waren van een jaar of tien hadden wij nog al eens reden, om ons te beklagen over de hardhandigheid van ouders of onderwijzers, die ons meestal verkeerd begrepen. Zij meenden het niet te mogen billijken, wanneer wij eens in een speelsche bui een heusche ezel in de school dreven of wanneer wij op ons eigen houtje wegbleven van catechesatie. Dat liep dan meestal uit op strafwerk of vermaningen, of op wat wij altijd nog het beste begrepen en waardeerden: een flink pak slaag.
Daartegen kwamen wij dan weer in verzet en wij stichtten een soort van club, om vrij te leven en onafhankelijk van onze ouders in ons levensonderhoud te voorzien. We wilden ons eigen kostje ophalen en in den zomer ging dat ook tamelijk wel en hielden we reusachtige maaltijden van aardappelen, gebraden onder de asch, wilde aardbeien, min of meer toebereide paling, die we zelf hadden gevangen, en ook heel veel boksbaard.
Die noemden we toen geen boksbaard, maar koekoeken en wij aten de heele plant, rauw. De melkrijke wortel werd van zijn zwarten schil ontdaan en de jonge malsche zijtakken waren al dadelijk eetbaar en smaakten overheerlijk, zoet en sappig en geurig. Ik geloof eigenlijk, dat de boksbaard ook wel echt als groente gekweekt is; in ieder geval is hij zeer na verwant aan de schorzeneeren. Bij Grave groeide hij veel, zoover de vette Maasklei reikte en we hebben er honderden van opgepeuzeld; met de gepiepte aardappelen was het de voornaamste spijs in onze rooverskeuken.
Natuurlijk is onze club verloopen, zooals ’t met alle clubs ten slotte gaat. Ook hebben onze ouders nooit gemerkt, dat we buitenshuis veel aten; er kon altijd nog wel meer bij. Doch nu, bijna veertig jaar later, peuzel ik nog dikwijls een versch spruitje van onze oude koekoeken op.
Ik ben anders niet zoo heel erg meer ingenomen met het kauwen van grassprietjes, het eten van graankorrels uit de aar en dergelijke liefhebberijen. Het is namelijk bij die gelegenheden mogelijk, dat je schimmelkiempjes in je krijgt, die zeer gevaarlijke ontstekingen teweeg kunnen brengen. Je krijgt dan een soort van veeziekte, die straalschimmel heet en dikwijls een doodelijk verloop kan hebben. Vergenoeg je daarom maar liever met de gebruikelijke eetwaren.
Ook zonder al die snoeperij is de boksbaard nog altijd een weideplant van den eersten rang. Zijn stengels en bladeren, knoppen en bloemen, ze zijn allemaal even mooi van vorm en kleur. De open bloem is veel levendiger dan de paardebloem, doordat het aantal der afzonderlijke bloempjes niet zoo groot is, terwijl de donkere meeldraden mooi afwisselen met ’t helder geel.
En ’t aardigst van alles is wel de omstandigheid, dat de bloem alleen open is gedurende de morgenuren; na twaalven vind je maar zelden nog een open boksbaardbloem. Hij heet dan ook zeer gepast „morgenster” en de Engelschen noemen hem: „John go to bed at noon” of ook wel „nap at noon”, wat je zoudt kunnen vertalen door middagdutter.
Waarom die bloem zich nu zoo gedraagt, dat weet niemand, ’t is alweer een van de vele duizenden bijzonderheden uit ’t leven der bloemen, die wij nog hebben te onderzoeken. ’t Komt er alleen maar op aan, om de zaak op de goede manier aan te pakken. Doch er is geen enkele winkel waar ze eieren van Columbus verkoopen.
We zien nog eens uit naar andere hooge bloemen, die moeten vallen onder de zeis. In de allerbeste weilanden, die de hoogste pacht opbrengen, staan de minste mooie bloemen; ’t is daar voor meer dan 90% gras, en dat is maar goed ook. De middelsoort hooilanden echter zijn al bonter en als die bontheid afkomstig is van klaversoorten, of wikken dan is zij nog zeer welkom.
Wat is die vogelwikke (69) een prachtige plant met zijn fijn verdeelde bladeren en de rijke trossen van paarse vlinderbloempjes.
Een van mijn allermooiste herinneringen is die aan een ritje in den regen, dat ik verleden zomer deed langs een hoogen dijk op Texel. ’t Was vlak voor den hooitijd en de hooilanden van Westergeest waren op zijn mooist: geel van de boterbloemen, rood van de zuring maar bovenal blauw van de wikke, zoo diep blauw, dat ik moest denken aan de bloemenpracht van Zwitserland.
Ik ben toen naar den eigenaar van dat hooiland gegaan, om hem te vragen, wat voor wikkesoort hij daar gezaaid had, of wat voor kunstgrepen hij had verricht, om ze zoo mooi te krijgen, doch kreeg tot mijn groote vreugde geen ander bescheid, dan dat het de gewone vogelwikke was en dat het land geen enkele bijzondere bewerking had ondergaan. De edele vochtige Texelsche lucht, de zon, die daar door geen rook of stof wordt verduisterd, hadden die bloemen hun diepe tint geschonken. Zelfs de kleine gele klavertjes, steenklaver en hopklaver (30) maken daar nog een heel dappere vertooning.
Ook het gedoornd stalkruid (71), dat nu juist niet zoo’n graag geziene gast in de weiden is, heeft er veel mooiere en kleuriger bloemen. Wie dat niet gelooven wil, moet het zelf maar eens gaan zien, ge behoeft niet te denken, dat ik Texel voorspreek want ik ben eigenlijk een Limburger en houd dolveel van ons heele land, Noord, Oost, Zuid en West.
In Oost-Nederland geven de weiden op plantkundig gebied wel eens verrassingen. In Limburg langs de Maas vond ik heele weiden bedekt met mooie langstengelige sleutelbloemen (19) en met Haarlems klokkenspel (68), dat hier veel meer de klokjesvorm vertoonde dan bij Haarlem, want zijn bloempjes waren enkel. Elders weer groeit de mooie weide-ooievaarsbek, die wel een meter hoog wordt en in Juli zijn rijpe zaden ver in ’t rond slingert, of ook wel de salie (81) met zijn mooie blauwe mecaniekbloemen.
Dat is weer een bloem, om mee te spelen, maar ook om je over te verwonderen. ’t Is een lipbloem, dus familie van de doovenetel, en de hondsdraf. Nu hebben die lipbloemen of labiaten in den regel vier meeldraden, maar die salie heeft er twee en dan nog heel gekke. In plaats van een gewoon gevormde helmknop, draagt iedere helmdraad een soort van wip. Op ’t eene eind van die wip zit een goed, stuifmeelhoudend helmknopje, aan ’t andere eind is niets anders dan een kleine verdikking of verbreeding.
Nu komt er een hommel om honig. Hij steekt zijn kop in de bloem, want hij moet nog al ver reiken, om met zijn langen tong den diep liggenden honig te bereiken. Doordat hij buitengewoon vlijtig is en ook min of meer zwak van gezicht, heeft hij geen erg in de onderstukken van de wip en daar bonkt hij nu op zijn onbeholpen hommelmanier tegen aan. De wip gaat nu wippen met dit gevolg, dat ’t andere uiteinde, dat met ’t stuifmeelhoudende helmknopje, uit de bloem naar voren wipt en naar beneden en ten slotte met een vaartje terecht komt op den harigen rug van den hommel, die zoodoende met stuifmeel wordt bepoeierd.
Al die Saliehommels krijgen zoodoende bestoven ruggen. Intusschen groeien ook de stijlen van de bloem uit, die worden heel lang en boogvormig zoodat de stempels juist komen te staan midden voor den ingang van de bloem, precies waar de hommel langs moet schuiven als hij naar binnen wil.
Zoo krijgt dan die stempel stuifmeel in overvloed, de zaden kunnen zich gaan vormen en de salie kan zich uitzaaien. Toch komt de plant nergens in grooten overvloed voor, ’t is, of de kiemplantjes geen gelegenheid hebben, om zich behoorlijk te ontwikkelen. Erg is dat niet, want ik geloof niet, dat ’t vee bijzonder belust is op die droge bittere kruiden.
Als al die mooie bloemen in vollen bloei staan, dan dansen op windstille dagen duizenden vlindertjes boven de bonte wei. Zoo gauw het een beetje waait, of erger nog, als de regen gaat striemen, dan zijn ze opeens verdwenen.
Wie dan eens gaat zoeken, kan aardige dingen te zien krijgen. Wij zijn eigenlijk veel te veel geneigd, om bij „leelijk weer” in huis te blijven. Eigenlijk bestaat er geen leelijk weer, vooral niet voor gezonde en frissche jongelui, die zich verheugen in ’t bezit van goede klompen of waterdicht schoeisel.
Misschien is dat ook niet eens noodig. Een nat pak hindert niet. Wanneer je maar weer bijtijds een droog pak kan aantrekken na je ferm te hebben afgewreven zijn een aantal natte pakken op den duur zelfs te verkiezen boven nooit heelemaal geen nat pak.
De vele honderden gietbuien, die al over mij zijn uitgestort, hebben mij nooit gedeerd. Wel ben ik doodziek geworden, toen ik eens een winter bijna niet buiten kwam en aldoor maar binnenshuis hard zat te werken tot laat na middernacht. Toen ik weer beter was, waarschuwde de dokter mij, dat ik weer zou instorten, als ik nat regende.
Natuurlijk kreeg ik toen een week daarna een gietbui te verduren, terwijl ik rondwandelde tusschen de beide Slufters, ergens op het Texelsche strand, een uur ver van de naastbijzijnde woning. Ik schrok wel een beetje, doch stapte maar gauw naar De Koog, dronk een paar koppen heete thee, leende een droge jekker en liet me vlug naar Den Burg rijden. Uitkleeden, afwrijven, Zondagsche pak en klaar was Kees. Alleen keken mijn vrienden de Texelaars een beetje vreemd, doordat ze me midden in de week met een gekleede jas zagen rondloopen, dat waren ze niet van me gewoon.
Na dien tijd ben ik alweer ik weet niet hoe dikwijls kletsnat geregend, doordat ik de waarschuwingen van den barometer en van mijnheer van Beukenslot in den wind had geslagen en nog vaker ben ik, maar dan behoorlijk toegerust, er op uit gegaan, juist, om eens te zien, hoe de planten en de dieren zich gedragen, wanneer het volgens sommige menschen „leelijk weer” is.
’t Allereerste, wat je treft is, dat ze om zoo te zeggen lang niet zoo gauw hun paraplu opsteken als wij, enkele fijngevoelige uitgezonderd. Als ’t volgens ons vrij hard regent, is ’t voor hen nog mooi weer.
De eereprijsjes houden nog lang hun blauwe kijkertjes open, zonder te knipoogen. De hommels en bijen gaan onverstoorbaar hun gang en vogels, die aan ’t zingen waren, zingen lustig voort; er zijn er wel, zooals de zanglijster, de merel en de groote lijster, die tegen de bui in al luider en luider gaan zingen.
Als ’t nu wat lang aanhoudt, komt er verandering. Het eerst gaan de vlindertjes schuil en alleraardigst is het, om te zien, hoe slim ze zich weten te beschutten. De mooie blauwtjes (117) en de gele hooibeestjes (128) vinden al voldoende beschutting door aan de lijzijde van een grasblad te gaan zitten, hun vleugeltjes stijf omhoog tegen elkaar gedrukt. Ze zijn dan zoo smal als een mes en schuilen letterlijk tusschen de droppels.
Andere zoeken het wat dieper, en als er langs de wei hagen of boschjes te vinden zijn, dan fladdert alles daarheen om aan den drogen kant van boomstammen of takken of onder de groote bladeren van klis en wilde zuring een schuilplaats te zoeken. Je vindt dan heel vreemde gezellen bij elkaar.
Ik weet altijd wel een stuk of wat hommelnesten en wespennesten (125) en amuseer mij dan dikwijls met toe te zien, hoe in een flinke regenbui alles holderdebolder naar ’t nest komt vliegen. Heele troepen geel-met-zwarten komen dan uit de lucht vallen, meer dan er in eens door ’t vlieggat naar binnen kunnen gaan en dan krijg je voor den ingang een formeel gedrang van kletsnatte werkstertjes.
Eindelijk houdt het op, maar dan zijn ze nog niet allemaal binnen; wie wat te ver van huis door de bui overvallen zijn, zitten dan in gezelschap van allerlei lotgenooten uit te blazen onder het klissenblad in de heg. Daar zitten nu de vlindertjes van de wei, de zandoogjes en de knollewitjes (12) broederlijk naast vlindertjes van de heg, de hagedoornvlinder (137) en ’t gele distelvlindertje (136). Als je nu rondkijkt in de wei, dan is er veel veranderd. Madeliefjes en paardebloemen hebben zich gesloten, de pinksterbloemen hebben hun nachtstand aangenomen, de eereprijsjes hebben ook hun bloemsteeltjes gebogen en de bloemkroontjes van den derden dag zijn door den schok van de regendroppels afgevallen.
Merkwaardig is het, dat maar heel weinig planten nat worden. Het blijkt nu, dat de meeste een oliejasje dragen of een harig kleed, waar ’t water wel in droppels aan kan blijven hangen, maar bij ’t minste stootje wordt afgeschud. Haast iedere plant heeft daarvoor zijn eigen maniertje.
De vogels, die eieren of jongen hadden, zijn bij ’t feller worden van de bui dadelijk naar ’t nest gesneld. Daar zitten ze nu, den kop ingetrokken, de borstveeren een weinig naar voren geheven, de vleugels even afhangend en zoo vormen ze een volmaakt dak, waarlangs de regen afgudst, op veiligen afstand buiten het nest.
O, dat is zoo mooi. Is de bui niet al te streng, dan zitten ze nog gelaten rond te kijken, maar als ’t hagelt, dan knippen ze met de oogen, of ze doen hun oogen heelemaal dicht. Je ziet dan de hagelkorrels veerkrachtig terugspringen van hun veeren. Er zijn er wel, die zich laten doodhagelen op ’t nest, andere geven het eindelijk op en nemen de wijk, en dan sterven de jongen een ijzigen dood. Toch is ’t zoo ’t beste, want dan kan de oude vogel, als ’t nog tijd is, weer een tweede broedsel grootbrengen.
Zoo gauw de hemel opklaart, komen alle vluchtelingen weer voor den dag. Op stille plekjes kan het dan wemelen van vlindertjes, al heb ik dat in ons land dan ook nog niet zoo mooi gezien als op sommige Zwitsersche weiden, waar heel dikwijls meer vlinders dan bloemen zijn, en dat wil heel wat zeggen, want aan bloemen is daar heusch geen gebrek.